Taalstaat

Frits Spits, presentator van het radioprogramma De Taalstaat, stelde mij afgelopen zaterdag enkele vragen over mijn catalogus met opdrachtexemplaren. Dat zijn, aldus Spits, ‘boeken met van die mooie handgeschreven tekstjes’.

Ik leg uit waarom ik deze verzameling heb afgestoten, citeer enkele toepasselijke opdrachten, vertel welke boodschap de dichter Nijhoff voor de koningin had en verbaas mij over de verkrijgbaarheid van het mooiste opdrachtexemplaar.
(En dit alles in nog geen vijf minuten.)

Beluister het gesprek terug door hier op 11.00-12.00 te klikken (doorspoelen naar 13:55).

Dialoog tussen antiquaar en verzamelaar

Leuk, al die opdrachten, maar waarom?

Sinds een jaar of tien verzamel ik aangeraakt papier. In eerste instantie richtte ik me op enkele favoriete schrijvers: A. Marja, Jan Hanlo, C.C.S. Crone en A.L. Snijders. Je hoort iedereen immers altijd roepen dat je je als verzamelaar moet beperken. De diepte in. Maar ergens ontstond het idee om daarnaast van mijn persoonlijke canon een collectie opdrachtexemplaren aan te leggen. Bovendien: na drieëntachtig opdrachten van A. Marja heb je het ook wel even gezien. En dan wilde ik bij voorkeur echte opdrachten hebben, dus geen verplicht nummertje met een handtekening eronder. Het verschijnsel signeersessie heeft wat dat betreft veel verpest. Een echte opdracht is een inscriptie in een boek dat daadwerkelijk door de auteur geschonken is aan een familielid, vriend of bekende – in liefde of in vriendschap. Opdrachten heb je in allerlei gradaties en schakeringen. Het hoogst haalbare is een ‘dedication copy’: dat ene exemplaar dat zowel in druk als in handschrift aan dezelfde persoon is opgedragen. Maar zo’n exemplaar bemachtigen is hoogst zelden haalbaar: het is mij drie keer gelukt.

Kijk, ik ben ook gecharmeerd van documenten en correspondenties, maar een brief waaiert vaak alle kanten uit. Die bevat dan allerlei details van details. Niets kan beter een verhouding tussen mensen samenvatten dan een opdracht van slechts een paar woorden. Het is, in het beste geval, een soort sublimatie, de kern van een relatie.

Ik heb er in mijn studententijd bij mijn literair dispuut zelfs een lezing over gehouden. Ik had in Amsterdam net een opdracht van J. van Oudshoorn gevonden en raakte er niet over uitgepraat. Het heftig zwaaien van mijn vrienden op de achterste rij vatte ik op als een uiting van enthousiasme. Ik geloof dat ze me na een uur en een kwartier van de kansel getrokken hebben.

De kwaliteit van sommige opdrachten heeft me verbaasd. Waar haalde je ze toch vandaan?

Overal en nergens: antiquariaten, veilingen, kringloop- winkels. Ik deed het liefst zelf ontdekkingen. Bijzondere boeken hoeven me niet op een presenteerblaadje aangeboden te worden. Liever niet, eigenlijk. Ik had dus, om maar iets te noemen, geen opdracht van Vestdijk aan Ans Koster in mijn bezit. De meeste van de hier aangeboden opdrachtexemplaren hebben ‘the advantages of unfamiliarity’, om een krachtterm te gebruiken die ik laatst in het tijdschrift The Book Collector tegenkwam. Ze circuleren niet. Je weet niet van hun bestaan, totdat ze voor je neus liggen.

Ik haalde de lol ook uit het stukje bij beetje informatie vergaren, om de betekenis en het belang van de opdracht te begrijpen. Ik heb trouwens nooit geaarzeld om bij te verkoper te hengelen naar de herkomst van een boek. In de gevallen van Faverey en Harmsen van Beek, twee schrijvers waar je überhaupt zelden opdrachten van tegenkomt, heeft dat ook echt iets opgeleverd. Bij het invoeren van de titels in de catalogus kon ik dus terugvallen op mijn aantekeningen.

Een flink deel van de opdrachtexemplaren vond ik op internet. Ik heb ook helemaal geen heimwee naar de tijd dat je het hele land door moest om in elke boekenzaak naar het plankje met bijzondere boeken te vragen. Ook online kun je onverwachte vondsten doen. Tik ‘gesigneerd’ in een zoekvenster en je hebt dezelfde serendipiteit. Dat moet je trouwens wel vaak doen, want boekenzoek- machines worden 24 uur per dag geüpdatet. Ik sloop ’s nachts weleens naar mijn laptop om een paar vaste websites te bezoeken.

What about the one that got away?

Missers zijn er in groten getale geweest. Toen ik De voetnoot van F.B. Hotz kocht, bleek de verkoper eerder al Eb en vloed met een vriendschappelijke opdracht van de schrijver aan hetzelfde echtpaar te hebben verkocht. Dat knaagt toch een beetje. En meer dan eens was ik op een veiling onderbieder.

Maar wacht… had je niet ook opdrachtexemplaren van W.F. Hermans?

Toegegeven, mijn canon hier is incompleet. Van de drie opdrachten van Hermans aan Gerard Reve en Hanny Michaelis kon ik niet scheiden. En mijn verzameling Vijftigers is nog in aanbouw: daar moeten opdrachtexemplaren bíj.

Dus de planken zijn niet leeg?

Eh, nee. Ik kocht twee weken geleden nog een stapel boeken en overdrukken van Ferdinand Langen, over wie ik een publicatie voorbereid, alle met opdracht aan zijn beste vriend Ab Visser. De veertig intieme opdrachten van Ab Visser aan zijn echtgenote Edith, de fotografe, waren een fijne bijvangst.


Vandaag verschijnt bij antiquariaat Fokas Holthuis catalogus 83. Daarin staan 303 bijzondere boeken uit mijn verzameling, gevolgd door deze verduidelijkende dialoog – een innerlijke dialoog, want er huizen twee zielen in mijn borst.

Schaduwoeuvre

In de meeste necrologieën van uitgever Theo Sontrop, die vorige week zondag op 86-jarige leeftijd overleed, werd de omvang van zijn scheppend werk gememoreerd. Hij was de man van ‘het kleinste poëtische oeuvre van Nederland’ (Onno Blom), van een ‘bijzonder klein’ oeuvre (Kester Freriks), wiens gedichten ‘heel mondjesmaat, in pierdunne bundeltjes’ verschenen (Rob Schouten). Nee, ‘een veelschrijver was hij niet’ (NOS). Hier en daar werd een getal genoemd: 38, want zoveel verzen staan er in Sontrops Gedichten 1962-1996 (1996).

Maar het poëtische oeuvre van deze markante man is wel iets groter dan wat hij selecteerde voor en opnam in zijn officieuze Verzamelde gedichten. De 26 kwatrijnen van Het Alfabet (1975), een door Joost Roelofsz geïllustreerde dichtbundel, ontbreken bijvoorbeeld in Gedichten 1962-1996.

En Theo Sontrop liet een schaduwoeuvre na, verspreid over talloze schutbladen en titelpagina’s. De dichter die ‘legendarisch traag’ was (Blom), schudde de gelegenheidsverzen zo uit zijn mouw. Wanneer Sontrop zijn eigen bundels cadeau deed, verwerkte hij wel eens nieuwe poëzie in de opdracht. Voor in een exemplaar van zijn debuut Langzaam kromgroeien (1962) staat ‘Aan de ongelukkige koper’:

‘Ach, als ik dicht dan moet ge mededichten’
of laat ook maar, het is al dicht genoeg.
Hoe zouden woorden ook maar iets verlichten:
een brakke echoput, een schampscheut voor de boeg.

Met Sontrop bevriende schrijvers kregen ook vaak een boek uit zijn fonds ten geschenke, waarin hij bij overhandiging nog even vlot een kwatrijn neerpende. Criticus Ivan Sitniakowsky kreeg in 1988 de Achterberg-biografie cadeau:

Dit is het boek van I… Sitniakowsky,
die nooit de minnaar werd van Feetje Lowski.
Waar Achterberg viel in Neerlangbroek:
zéér veel te lijden, en dat alles voor één boek?

Uit de bibliotheek van Benno Barnard, die weer eens verhuizen moest, kocht ik in 2003 Maarten ’t Harts essaybundel Een dasspeld uit Toela (1990). Op de Franse titel van het boek staat in Sontrops priegelhandschrift:

Al draagt een aap een dasspeld
dan wordt hij nog geen dagheld.
En wat de criticus mag zeggen:
zal C. Pe[e]ters ooit een grens verleggen!?

In blauw heelmarokijn

Om deel te nemen aan de jaarlijkse boekenbeurs in Haarlem was een lidmaatschap van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren geen vereiste. Nieuwkomers welkom. Aan de beurs die op de eerste drie dagen van november 1985 werd gehouden deed een volleerd koopman mee, gespecialiseerd in handschriften van Nederlandse schrijvers. De eenmanszaak presenteerde, zo kondigde een advertentie in NRC Handelsblad aan, in de Beyneshal een opmerkelijke collectie Gerard Reve.

Of de nieuwkomer goede zaken deed bij zijn vuurdoop is niet te achterhalen. Wel werd de verkoop van originele correspondentie met Reve, uitsluitend verkrijgbaar bij Antiquariaat en Kunstzaal Joop Schafthuizen, breed uitgemeten in de media. NOS-verslaggever Harmen Roeland deed in het achtuurjournaal van 1 november ruim twee minuten verslag van de manuscriptenhandel van Joop Schafthuizen. Eind 1986 bracht Schafthuizen zijn eerste (en enige) verkoopcatalogus Gerard Reve uit.

Student Gert-Jan Rodermond, die in 1985 al colleges aan de Universiteit Leiden had gevolgd bij gastschrijver Reve, meldde zich op 21 juni 1988 als klant bij de firma Schafthuizen te Schiedam. Een persoonlijke kennismaking met Reve volgde. In het derde en laatste deel van de kroniek van Reve’s leven citeert Nop Maas de wanhopige versierpogingen die Reve daags na de ontmoeting met Rodermond per brief deed. Om te beginnen wilde Reve graag met de student corresponderen, maar wel via het adres van een vriend, want Schafthuizen hoefde er voorlopig niets van te weten.

Door een misverstand belandde de antwoordbrief van Rodermond, die keurig een fotokopie van Reve’s liefdesverklaring had bijgevoegd, gewoon op de mat in huize Reve. Waar Schafthuizen de envelop opende. Rodermond werd de wacht aangezegd. Het contact bloedde dood, schrijft Maas.

Toch moet er nadien nog een ontmoeting zijn geweest. Dat valt af te leiden uit de vriendschappelijke opdracht van Reve aan ‘Edith en Gert-Jan Rodermond’, voorin Reve’s Verzamelde gedichten (1987). Het boek staat sinds afgelopen woensdag te koop.

Verzamelde gedichten verscheen in februari 1987 in twee uitvoeringen: in een linnen band met stofomslag à f 39,90 en als paperback (‘volkseditie’) à f 24,90. De in het colofon vermelde tien luxe-exemplaren kwamen pas in de winter van 1987 gereed.

Gert-Jan Rodermond wist de hand te leggen op zo’n fraai, door David Simaleavich in blauw heelmarokijn gebonden exemplaar. Naast de door Reve met de hand aangebrachte nummering en signatuur in het colofon én voornoemde opdracht op de titelpagina kent dit exemplaar nog enkele handschriftelijke toevoegingen. Zo corrigeerde Reve enkele drukzetfouten, zoals de dt-fout in ‘Gedicht Voor Mijn 39ste Verjaardag’ en de misplaatste t in ‘Eind Goed, Al Goed’. En op bladzijde 34 schreef hij het gedicht ‘Droom’ uit, onder de gedrukte versie. Dit alles gebeurde op 11 december 1988 te Schiedam.

Een luxe Verzamelde gedichten komt zelden op de markt. In Zelf Reve Verzamelen (1998) noemt Piet van Winden de luxe-editie wel, maar hij had voor het kleurkatern van zijn checklist geen exemplaar tot zijn beschikking. Schafthuizens eigen luxe-exemplaar werd in 1997, op de veiling van ‘de complete werken van Gerard Reve’, op 1200 gulden afgehamerd. (De veiling vond plaats bij Bubb Kuyper; Schafthuizen had zijn kunstzaal annex antiquariaat reeds opgedoekt.)

Rodermonds exemplaar moet 6500 euro opbrengen, exclusief verzendkosten. Dat is de vraagprijs van een liefhebber die er eigenlijk geen afstand van kan doen.

Boekenoverschot

In Het verzamelen van boeken (1992) zette Piet J. Buijnsters de basisprincipes uiteen van het aanleggen en onderhouden van een boekencollectie. In opdracht van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen schreef Paul van Capelleveen het ultieme anti-boek, de langverwachte pendant: De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties (2016). Het zevende hoofdstuk van deze verkapte handleiding heet ‘De kunst van het wegdoen van boeken’.

Schrijvers, bij wie het boek over het algemeen in hoog aanzien staat, ruimen hun boekenkast geregeld op. Weggeven, weggooien. Van Capelleveen nam de interviewreeks ‘De boekencollectie van’ op Boekensalon door en ging turven: van de 73 schrijvers en boekenvaklui deden er 46 ‘vaak’ boeken weg, 7 ‘soms’ en 18 ‘nooit’. Als boeken wegdoen inderdaad een kunst is, dan gaf Kees van Kooten het kunstzinnigste antwoord op de vraag hoe en waar je boekenoverschot te dumpen.

Wanneer ik ergens in het land mag komen voorlezen uit eigen werk, neem ik een grote tas overbodige boeken mee, die ik na de voorstelling in het geniep door de brievenbussen van de huizen in de buurt van het theater duw. Eén boek per adres. Want één boek kan iedereen er toch nog wel bij hebben?

In zijn column ‘De Boel’, opgenomen in de bundel Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (1998), beschrijft Remco Campert heel mooi hoe een poging tot het wegdoen van boeken eruitziet.

De dag dat je hebt besloten je boekenbezit te decimeren, regent het. Dat hoort zo. […] In het begin tast je kordaat toe, een man die gewend is beslissingen te nemen. Al snel vormt zich een stapel boeken die je nooit meer hoeft te zien. Maar niet lang daarna ontstaat hiernaast een steeds aangroeiende stapel van twijfelgevallen. Die kan wel weg, denk je het ene moment, nee toch niet, het volgende. En nog wat later – buiten is het gaan plenzen, je hebt het licht aangedaan – zit je te lezen en ben je vergeten waar het ook alweer om begonnen was.

Enkele geïnterviewden op Boekensalon gaven toe bang te zijn gezichtsverlies te lijden door bepaalde boeken af te danken. Het moeilijkst, aldus Campert in 1998, is het wegdoen van boeken die je cadeau hebt gekregen. Het allermoeilijkst zijn de boeken

die je met een welgemeende opdracht van de auteur zelf kreeg. Soms zijn dat helemaal geen goede boeken. De kans dat zo’n auteur op een rommelmarkt zijn eigen boek met opdracht aantreft, is niet denkbeeldig. Ik spreek uit ervaring, want ik heb weleens een van mijn boeken op zo’n plek aangetroffen, voorzien van mijn handtekening en een betuiging van vriendschap aan de ontvanger gericht. De vriendschap gaat sindsdien niet echt meer van harte, hoewel het mijn eer te na is om iets te laten merken.

Campert verzandt in twijfels en afwegingen.

Voor je alles weer terugzet, duurt even. Nog geruime tijd staan de stapels op de vloer, als stil bewijs van je poging tot trouweloosheid.

Intussen kan Remco Campert zich makkelijker van zijn boeken losmaken. De oude schrijver is aan het onthechten. Op diverse plekken zijn de laatste jaren boeken uit Camperts bibliotheek opgedoken. De mooiste boeken, veelal voorzien van vriendschappelijke opdrachten aan Campert, belanden tegenwoordig in Antwerpen, waar René Franken zich erover ontfermt.

In ‘De boekencollectie van’ is het vergeefs zoeken naar Wiel Kusters, maar vorige week werd duidelijk dat hij zijn boekenverzameling aan het uitdunnen is. Via boekwinkeltje Pim Pleisters uit Maastricht, genoemd naar de hoofdpersoon van Kusters’ jongste uitgave, biedt de schrijver momenteel tien boeken te koop aan. Enkele auteursexemplaren (op verzoek gesigneerd), evenals opdrachtexemplaren van Gerard Walschap, Albert Helman, Adriaan van Dis en Tomas Tranströmer.

De bibliofiel is een kleine zelfstandige geworden.

concludeert Paul van Capelleveen aan het slot van De complete verzameling. De schrijver ook.

Een dertigjarige vriendschap

Aan de eerste bloemlezing die Koos Schuur uit eigen werk maakte, voegde hij een nawoord toe. Op de zes bladzijden achter in Gedichten 1940-1960 (1963) doet Schuur uit de doeken hoe zijn dichterschap ontlook. Hij omschrijft zichzelf omstreeks 1935 als een eenzaat in Veendam:

een knaap in de provincie met te onprovinciale aspiraties om door zijn omgeving volledig geaccepteerd te worden, een die verzen probeerde te schrijven in navolging van zijn tijdelijke ‘meesters’, zonder critiek

De enige met wie Schuur over poëzie kon praten was een domineeszoon uit Winschoten. Deze Theo Mooij schreef zelf ook aan de lopende band gedichten. Mooij en Schuur kwamen ’s weekends bij elkaar en onderhielden verder een levendige briefwisseling. Meestal bevatte een grote, aan Mooij geadresseerde envelop ‘talrijke manuscripten’.

Theo Mooij, alias A. Marja, zou de jeugdverzen van Schuur altijd bewaren. Hij duikelde ze op toen hij aan een literair profiel van Schuur werkte, dat werd opgenomen in Buiten het boekje (1954). In zijn portret van ‘de verbannen koning’ Koos Schuur breekt Marja een lans voor de ‘jeugdproducten’ van zijn oude vriend. Hij citeert het gedicht ‘een kind tekent…’ en noemt het ‘een bijzonder geslaagd specimen’.

een kind tekent…

koe en paard kakelbont
en een huis van carton
en op de weg een hond
en in de lucht een zon

(het heeft de boom vergeten)

de zon is geel de hond is bruin
de weg is wit – de witte weg –
en helemaal rondom de tuin
tot aan het huis een groene heg

(maar ’t heeft de boom vergeten)

het huis is rood het dak is rood
en uit de schoorsteen komt wat rook
waar is de boom?

o sapperloot
nu is de boom er ook.

Omdat Marja dit gedicht citeerde in zijn anekdotische portret in Buiten het boekje, kon Schuur erover beschikken toen hij jaren later verzen bijeensprokkelde voor zijn bloemlezing. (En Gerrit Komrij putte uit deze bloemlezing voor zíjn bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten (2007), waarin ‘een kind tekent’ op p. 604 is afgedrukt.) Uit Schuurs nawoord bij Gedichten 1940-1960 is op te maken dat Marja zijn vriend, die toen in Australië verbleef, niet van tevoren op de hoogte had gebracht van het in druk laten verschijnen van diens jeugdvers. De tijdelijke breuk tussen Marja en Schuur, begin jaren ’50, zal hiervoor de reden zijn geweest. Toch doet Schuur achteraf niet kinderachtig over de roofdruk:

Erkentelijk voor zijn [= Marja’s] goede zorgen voor dat manuscript draag ik het gedicht hierbij aan hem op.

Inderdaad staat er op bladzijde 15 van Gedichten 1940-1960 boven ‘Een kind tekent’ cursief gedrukt:

voor A. Marja

Tineke Schuur-Kaspers, die na de dood van A. Marja in 1964 de geliefde werd van Koos Schuur, herinnerde zich in 2008 levendig de eerste keer dat Marja en Schuur elkaar na een radiostilte van jaren weer zagen:

Dat was wel heel apart, die ontmoeting. Koos kwam de drie, vier trappen in zijn huis afgestormd en ze vielen elkaar echt om de hals. En kussen! Dat was toen nog niet zo gebruikelijk in die tijd. Ik keek mijn ogen uit! Je merkte wel dat het twee hele goede vrienden waren en dat is altijd zo gebleven. Het waren geen mannen die het verleden gingen analyseren. Nee. Dat was geweest. Klaar.

Het moet bij deze emotionele hereniging zijn geweest dat de dichters de meest recente bloemlezingen uit eigen werk uitwisselden. Koos Schuur kreeg Marja’s Nochtans een christen (1962) met een handgeschreven kwatrijn:

Voor Koos, de vriend, de oude bard:
weer in het oog, weer in het hart!
Wat er gebeurd is in ons leven:
‘Wat niet goed is, is niet geschreven.’
A’dam 22-9-63
Marja

A. Marja ontving uit handen van Schuur een exemplaar van Gedichten 1940-1960. Voorin zette Schuur:

voor Theo Mooy &
A. Marja
een dertigjarige
vriendschap
koosschuur
23-9-63

Uit de dateringen maak ik op dat de dichters elkaar tot in de kleine uurtjes hebben bijgepraat. De pocket van Schuur met de betekenisvolle opdracht vond ik in 2014 tot mijn verrassing op de deurmat. (Nochtans een christen uit het bezit van Schuur bevindt zich nog altijd in de opdrachtencollectie van antiquariaat Schuhmacher.)

Gewoon in de kast

Boudewijn Büch was dus geen slechte journalist. Al die opmerkelijke uitspraken in het meest spraakmakende interview uit zijn carrière, hoofdredactionele commentaren en ingezonden brieven uitlokkend, bleken gewoon te kloppen. Aan het eind van het negende hoofdstuk van Boud (2016) schrijft Eva Rovers, na de originele gespreksopnamen met de gepubliceerde tekst vergeleken te hebben, dat Büch geen van Reves uitlatingen had verdraaid. Tien dagen na de verschijning van de Büch-biografie werd dit voor de bühne bevestigd.

Krap twee jaar na het beruchte Reve-interview arrangeerde Büch een tweegesprek met Augusta (‘Guusje’) Buwalda-Slauerhoff. Gewapend met een bandrecorder bezocht Büch eind 1984 Slauerhoffs jongste zus, een toen 84-jarige dame in Haarlem. Büch was de eerste journalist met wie zij de herinneringen aan haar beroemde broer deelde. Op 8 januari 1985 zond VPRO Boeken het interview van een uur uit. Naar beproefd recept wist de journalist het verhaal tweemaal te verkopen: Vrij Nederland publiceerde op 9 februari 1985 ‘In gesprek met de zuster van Slauerhoff’, aan welk stuk Wim Hazeu in zijn biografie van J. Slauerhoff bepaalde details ontleent.

Het is niet moeilijk voor te stellen waar Büchs belangstelling voor Slauerhoff vandaan kwam. Ze waren allebei verslingerd aan eilanden. Slau en Boud hadden beiden een romantische inborst en een rusteloze natuur.

Tijdens het interview met Slauerhoffs zus werkt Büch geen vragenlijst af, maar zit hij gewoon gezellig bij Zusje Slau aan tafel. Terwijl de band loopt nuttigen de oude dame en de jonge journalist een broodje ham – ‘Mag ik ook kauwen?’, vraagt zij op een gegeven moment. Levensbeschrijvingen en poëtica boeien Büch niet. Hij zoekt naar het persoonlijke verhaal, vist naar intimiteiten en curiositeiten. En spreekt daar dan af en toe zijn verbazing over uit.

Twee van de grootste dichters [A. Roland Holst en Slauerhoff] van hun tijd blijken ’s middags een dutje te doen! […] U gelooft dat hij naar de hoeren is geweest?

Aldus informeert mevrouw Buwalda-Slauerhoff Büch over de stoeipartijen met haar broer, de stijve en strakke Hendrik de Vries, de dansschool van Darja Collin, het slappe handje van Constant van Wessem en over de boze brief van Du Perron die ze na de dood van broer Jan vond en verscheurde. Een rommelig interview dat barst van de human interest.

Slauerhoffs lievelingszus vertelt ook, ietwat getergd, dat zij zich over het boekenbezit van haar dichtende broer moest ontfermen. De boeken die uit Tanger waren meegekomen bleken nogal ‘verwaterd’ te zijn. Zij regelde wel dat alles netjes op de planken kwam te staan.  Ze verzorgde ook Slauerhoffs post, of hij nu in Nederland was of over de zeeën zwierf.

Waar ik niet altijd pakjes naartoe moest sturen. En als hij weer ergens anders woonde, vroeg hij me sokken [te sturen] of weet ik wat.

Nieuwsgierig is Büch naar een tastbare herinnering aan J. Slauerhoff. Helaas, deelt de zus mee, het was hun oudste broer Feije die van elke nieuwe publicatie van Slauerhoff een exemplaar kreeg. En dan stelt Büch de vraag die elke waerachtige bibliophiel zou stellen.

– U heeft dus geen boek met opdracht van uw broer?
– Ik wel. Twee, maar niet [in boeken] die hij geschreven heeft. Maar die ik van hem gekregen heb.
– Ja, maar geen eigen boeken dus.
– Nee. Ik heb wel boeken, van IJslandsche Visscher, en van Annie Salomons, dat hij dan schreef “met zestien jaar, huwbare leeftijd” en dat hij naar Amsterdam ging.
– En die staan hier gewoon ergens in de kast?
– Ja, die staan hier gewoon in de kast. Wat moet ik ermee? In een lijstje zetten?

Beide boeken hebben nog lang in de kast gestaan, in elk geval tot 1995, het jaar waarin Slauerhoffs zuster overleed. Het boekje Langs het geluk (1913) van Annie Salomons, dat Slauerhoff zijn jongste zus schonk op haar zestiende verjaardag, is nu boven water gekomen. Gewoon te koop. Het is niet uitgesloten dat de volgende eigenaar het inlijsten zal.

Opdracht van Gerrit Komrij

Ivan Wadiemovitch Sitniakowsky schreef een paar duizend boekbesprekingen, nam honderden schrijversinterviews af en publiceerde één boek. In het 32 bladzijden tellende Opdracht van W.F. Hermans (1999) verzamelde hij anekdotes over zijn ontmoetingen met de schrijver en somde hij op welke boeken hij van Hermans cadeau kreeg, al dan niet van opdrachten voorzien.

Behalve van het werk van Hermans was Sitniakowsky een liefhebber van dat van Gerrit Komrij, met name van diens poëzie en essayistiek. Op 6 januari 1973 besprak de 28-jarige recensent, freelancer nog voor De Telegraaf, de vierde dichtbundel van de 28-jarige dichter:

Ik heb aan die bundel een plezierig uurtje beleefd, niet in het minst omdat alles er anders verloopt dan in de hooggestemde “officiële” wereld der Nederlandse dichtkunst. Er zitten in deze bundel naar mijn smaak geen clichés, niet in de manier waarop hij regels laat rijmen of bijna net niet rijmen, noch in de beelden en gedachten zelf.

Niet door Sitniakowsky ondertekend maar ongetwijfeld ook door hem geschreven was het bericht van 26 januari 1974 dat er de laatste tijd een ‘kleine opleving’ in de belangstelling voor ‘bibliofiele boeken’ te bespeuren viel. Als enig voorbeeld werd genoemd de door C.J. Aarts uitgegeven bundel Op de planken (1973) van Komrij. Toen later dat jaar Daar is het gat van de deur (1974) verscheen, stelde Sitniakowsky Komrij’s kritieken en essays op het niveau van Mandarijnen op zwavelzuur.

En hij bleef Komrij loven en prijzen. In Fabeldieren (1975) stonden, volgens Sitniakowsky, ‘geen mislukte gedichten’. Horen, Zien en Zwijgen (1977) was ‘weergaloos’ en moest verplichte lectuur worden voor iedereen in Hilversum, ‘van omroepbons tot programmamaker’. Dood aan de grutters (1978) noemde hij een charmant pamflet. De vette kop boven de door ‘I.S.’ geschreven recensie van Papieren tijgers (1978) luidde ‘Vorstelijke essays van Komrij’. De gelukkige schizo (1985): ‘een schitterend boek vol venijnige uitvallen’. Intimiteiten (1993): ‘uitzonderlijk’ (‘zoals het gehele oeuvre van Komrij’). In zijn boekbesprekingen wees Sitniakowsky de lezers van De Telegraaf bovendien op het bestaan van genummerde en gesigneerde luxe-edities.

Op 19 januari 1979 vroeg Sitniakowsky zich op de pagina ‘Uit de kunst’ hardop af waarom Komrij, na ‘een waanzinnig produktief jaar’, nog steeds geen literaire prijs had gewonnen. Aan het slot van zijn betoog signaleerde hij een verzamelwoede bij Komrij-lezers:

Zijn nog maar kort geleden in beperkte oplage verschenen dichtbundels zijn al gezochte verzamelobjecten geworden, die voor gepeperde bedragen van de hand gaan.

En als het niet zo was, dan was het nu wel zo. Het stond immers zwart op wit in De Telegraaf.

Uit zoveel waardering moet haast wel een vriendschap ontstaan. Dat gebeurde. Sindsdien werd Sitniakowsky’s eigen verzameldrift bevredigd door de schrijver zelf. Als een van de weinigen hoefde de recensent niet te betalen voor Capriccio (1979), de zo fraai door Sub Signo Libelli gedrukte homo-erotische gedichtencyclus. Hij kreeg een luxe-exemplaar hors commerce, waarvan er slechts vijf waren gedrukt.

Het neusje van de zalm van de laaglandse boekdrukkunst en de krant van wakker Nederland was overigens een wonderlijke combinatie. De enige keer dat meesterdrukker Ger Kleis tot het herdrukken van een SSL-uitgave besloot was nadat daarover op 27 februari 1981 in De Telegraaf had gestaan: ‘fraai uitgegeven voor weinig geld’. Het betrof twee gelegenheidssonnetten van Willem Kloos, voor wie geen enkele reguliere uitgever op dat moment belangstelling had. Sitniakowsky zou nog een paar keer over Sub Signo Libelli-uitgaven schrijven, altijd enthousiasmerend.

In een zojuist verschenen Komrij-catalogus staan twaalf titels met een handgeschreven opdracht van Gerrit Komrij aan Ivan Sitniakowsky. De inscripties variëren van het beknopte ‘Voor I.’ tot ‘voor Ivan,/ als herinnering aan een/ paar heerlijke/ februari-dagen!’. Deze laatste opdracht staat in De pagode (1990), een souvenir dat Sitniakowsky overhield aan een verblijf in Vila Bouca da Beira. Op 2 maart 1990 vulde Sitniakowsky de pagina ‘Uit de kunst’ met een groot interview met Komrij, waarbij ‘exclusieve foto’s’ werden afgedrukt, en een voorpublicatie van Komrij’s nog te verschijnen roman Over de bergen (1990).

Van een enkel boek kreeg Sitniakowsky, blijkens de opdracht, zelfs het allereerste exemplaar.

In deze verkoopcatalogus zit een boek verstopt. Het tweede boek van Ivan Sitniakowsky, dat ongeschreven bleef.

You’re screaming blue murder

Bernadette Gallis was zeven jaar gelukkig getrouwd met Floris Pelgrim, toen ze op Eerste Kerstdag 1974 bij een wederzijdse vriend Boudewijn Büch ontmoette. De vervolgafspraken vonden plaats bij Bernadette thuis, wanneer haar man en kind al op bed lagen. Die avonden vulden zich met gesprekken over muziek en literatuur. Toen was er een zoen. In april 1976 ging het verliefde stel samenwonen op Bakker Korffstraat 12a te Leiden.

De foto’s uit die tijd suggereren een idylle. Bernadette en Boudy glimlachen gelukzalig. Allebei het haar tot op hun schouders, zij in een nauwsluitende zigeunerjurk, hij in een zachtgeel overhemd met scherpe punten en een zwarte cape. Alsof ze zo uit een eenakter met zang en dans van de plaatselijke toneelvereniging zijn komen lopen.

En al die tijd zat de echtgenoot van Bernadette Gallis gedesillusioneerd in de coulissen. Maar in januari 1978 besloot Gallis naar haar man terug te keren, in een laatste poging haar huwelijk te redden.

Büch reageert op het verlies van zijn geliefde zoals een dichter dat doet: op papier. Hij schrijft op 27 januari 1978 het gedicht ‘You’re screaming blue murder’, laat dit in honderdvoud drukken als affiche en hangt er in februari de binnenstad van Leiden vol mee.

De titel van Büchs gedicht is een citaat uit het nummer ‘Short and Curlies’ (1974) van The Rolling Stones. Dat gaat over het in de ban zijn van een vrouw:

It’s too bad, she’s got you by the balls
She’s nailed you to the wall
[…]
And you can’t get away from it all

Het is een hyperromantische daad, een poëtische hartekreet. Tegelijk neigt het naar emotionele chantage. Dichten over je liefdesverdriet en je verlangen – en daar dan elke willekeurige Leidenaar lastig mee willen vallen. Gallis wist dat ze de enige was die wist dat zij in het gedicht werd aangesproken, maar zij moet het toch anders gevoeld hebben, wanneer ze voor het rode stoplicht te midden van andere weggebruikers met het gedicht werd geconfronteerd. Büch had van iets persoonlijks en pijnlijks kunst gemaakt. En een publiciteitsstunt.

Het gewenste effect van het affiche bleef overigens uit. Wel bleven Büch en Gallis altijd bevriend.

You’re screaming blue murder is een lichtblauw vel papier van 50 bij 39 centimeter, in donkerblauw bedrukt naar een wrijfletter van Mecanorma. Vermoedelijk heeft Büch zelf het moedervel gemaakt, voor hij het naar de kopieerinrichting bracht. Het gebruikte lettertype Avant Garde Gothic kent verschillende e’s, v’s en w’s (vooroverhellend, romein en achteroverhellend) en deze varianten zijn op de poster willekeurig ingezet. (Helaas heeft dit font bij recente digitalisering veel karakteristieks verloren.)

Het blauwe affiche is de allereerste eigenbeheeruitgave van Boudewijn Maria Ignatius Büch, die daarvóór wel boekjes in elkaar fröbelde, maar altijd in een oplage van een enkel exemplaar. You’re screaming blue murder, vervaardigd in een door de auteur genummerde en gesigneerde oplage, is tevens de eerste in een lange rij bibliofiele uitgaven. Harry G.M. Prick heeft opgemerkt dat het bovendien Büchs eerste sonnet is.

Ik zag de affiches in de loop der maanden verrotten of verscheurd worden…

herinnerde Büch zich in 1990, nadat hij het affiche eerder al eens als ‘onvindbaar’ had bestempeld. Natuurlijk zijn niet alle exemplaren verloren gegaan. Hans Maarten van den Brink, die Büch kende van het Leidse universiteitsblad Mare, had het affiche op zijn studentenkamer hangen. Prick ontving zijn exemplaar in een kartonnen koker per post. Zelfs Bernadette Gallis zou, pas op de laatste meidag van 1978, nog een affiche krijgen. De laatste vijftien jaar heb ik er zo zeker nog twee of drie gesignaleerd.

In mijn bezit is een exemplaar gemerkt ‘h.c.’ – wat opmerkelijk is, want ook de van 1 tot 100 genummerde exemplaren bleven buiten de handel. Het gebruik van de term ‘hors commerce’ (er bestaan ook exemplaren ‘épreuve d’artiste’) laat zien dat de 29-jarige Büch al goed op de hoogte was van de bibliofiele zeden.

Verrot of verscheurd is mijn affiche niet, wel is het gekreukt en heeft het aan de onderrand waterschade opgelopen. Rechtsonder staat een gesigneerde opdracht van Büch met de toevoeging ‘too late’. In elk geval slaat dat op het feit dat de dichter dit affiche pas in 1981 aan een vriend overhandigde, maar Büch kan hier ook bewust een regel uit het Stones-nummer ‘Hand of Fate’ (1976) hebben aangehaald. Hij wist toen zeker dat de liefde met Bernadette Gallis voorgoed voorbij was. Niets aan te doen.

I’m on the run, I hear the hounds
My luck is up, my chips are down
So goodbye baby, so long now

Die vrouw (2)

In 2014 dook een exemplaar van het debuut van W.F. Hermans op, met een mooie opdracht van de jonge schrijver aan een van zijn toenmalige minnaressen. In de drie regels handschrift uit december 1944 suggereert Hermans dat de ontvanger van het boek, Reny Knufman, model stond voor het personage Madelon in de als dagboek gebrachte novelle In de mist van het schimmenrijk (1993). Was dat daadwerkelijk zo? Na raadpleging van de Hermans-biografie van Otterspeer bleef het speculeren, want de biograaf noemt de jonge actrice slechts terloops.

Deel 6 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans neemt alle twijfel over het belang van Hermans’ opdracht weg. In tegenstelling tot Otterspeer hebben de tekstbezorgers van de vier in dit deel samengebrachte prozawerken wel hun huiswerk gedaan. Uit bestudering van de overgeleverde fragmenten van ‘Argeloze terreur’, de oerversie van In de mist van het schimmenrijk, blijkt dat Hermans tijdens het schrijven in eerste instantie naar aan zijn eigen leven refereerde. Aanvankelijk hadden de personages nog de namen van Hermans’ kennissen.

Maar dat daarbij in het hier geciteerde fragment en ook elders in het manuscript consequent sprake is van ‘Reni’ in plaats van ‘Madelon’, ‘Truus’ of ‘T.’ is verreweg het meest opvallend.

De ‘zoo welluidende naam’ van Reny Knufman belandde dus op de lege plekken in Hermans’ manuscript. ‘Argeloze terreur’ voltooide de schrijver op 15 december 1944, dezelfde maand dat hij zijn minnares met een dichtbundel bedankte.

De blinde vlek van een biograaf

In zijn ‘met zorg geschreven boek’ over de eerste dertig levensjaren van W.F. Hermans wijdt Willem Otterspeer twee hele hoofdstukken aan Hermans als lezer. In het elfde hoofdstuk van De mislukkingskunstenaar (2013), ‘Lezen’, komt de lectuur van de middelbare scholier Hermans aan bod. Het vierentwintigste hoofdstuk, ‘Hij las’, behandelt Hermans’ lectuur in de Tweede Wereldoorlog. Van de door Otterspeer geraadpleegde archivalia wordt het ‘Lijstje van boeken die mij het meest getroffen hebben, resp. “openbaringen” waren, “vereerde” schrijvers’, in de oorlog door Hermans samengesteld, herhaaldelijk opgevoerd. De eerste foto van een volwassen Hermans, in deze biografie, toont hem lezend.

Overigens staan pa en ma Hermans in het illustratiekatern eveneens lezend afgebeeld, hun gezichten afgewend van camera en fotograaf. Otterspeer beschrijft het gezin waarin Hermans opgroeit als ‘een in zichzelf gekeerde wereld’. Hermans wordt in isolement opgevoed: op straat spelen is er niet bij. De biograaf geeft angst als motief voor de strikte beslotenheid van dit gezin, dat radicaal burgerlijk is. Uit angst wordt nooit iets weggegooid, uit angst wordt alles achter slot en grendel bewaard.

Krasse constatering: in het ouderlijk huis van W.F. Hermans stonden de boeken in afgesloten en vergrendelde kasten.

De lectuur van Hermans wordt in De mislukkingskunstenaar besproken, maar nergens wordt zijn bibliotheek genoemd. In De zanger van de wrok (2015), over Hermans’ leven van 1953 tot aan zijn dood in 1995, worden alleen een aflevering van Autokampioen (waarin Hermans twee kruisjes naast gewilde automobielen plaatste) en Panizza’s Aussprüche (waarin hij een passage aanstreepte) genoemd. Als Otterspeer schrijft welke boeken Hermans las, bedoelt hij meestal welke teksten Hermans tot zich nam; zelden komen de exemplaren ter sprake die hij daadwerkelijk in handen had. Daardoor blijven ook zijn leesaantekeningen buiten beeld, de talloze krabbels in de kantlijn. Hermans schreef immers terwijl hij las.

Sinds de verkennende studie Marginalia. Readers writing in books (2001) van H.J. Jackson is de aandacht voor marginalia in de wereld van boek en bibliotheek flink toegenomen. Groot nieuws was in 2014 de ontdekking van het woordenboek van Shakespeare, voorzien van diens aantekeningen in de marge. En een van de belangrijkste redenen voor de Universiteitsbibliotheek Leiden om de bibliotheek van Menno ter Braak te verwerven, was juist het feit dat de schrijver tijdens het lezen streepjes zette, vraagtekens noteerde, opmerkingen maakte. Ter Braaks boekerij is nu een uitzonderlijk studieobject. Eerder werden de bibliotheken van Lucebert en Mulisch al in kaart gebracht.

Otterspeer had toegang tot alle hoeken en gaten van Hermans’ gigantische archief. Zat Hermans’ boekenkast soms op slot?

Niet bepaald. De complicerende factor bij onderzoek naar het boekenbezit van W.F. Hermans is het feit dat zijn bibliotheek over een periode van tientallen jaren versnipperd is geraakt, waardoor een groot deel van de boeken onbereikbaar was voor de biograaf. De bibliotheek van Willem Frederik Hermans, als cumulatie van een leven lang kopen en lezen, is een fictie. Een verhuizing was voor Hermans vaak het uitgelezen moment om in zijn boekenkast te wieden en overbodig of oninteressant geworden boeken weg te doen. Vanaf de jaren zeventig zijn er honderden boeken met aantekeningen van Hermans beland bij veilinghuizen en antiquariaten.

Een biograaf werkt altijd met thema’s en aandachtspunten. Hij moet, zeker wanneer er een overstelpende hoeveelheid materiaal is, keuzes maken. Zo noemt Otterspeer in zijn boeken wel dat Hermans als jong ventje nu en dan een pak voor zijn blote billen kreeg en aan wie de schrijver voor het eerst zijn piemel liet zien, maar koos hij ervoor om de enkele honderden boeken uit het bezit van Hermans in de collectie van het Letterkundig Museum links te laten liggen. Bij het optekenen van het levensverhaal van een schrijver die zichzelf omschreef als iemand die ‘au fond voor boekenwurm in de wieg gelegd [was]’ is dat tamelijk opmerkelijk.

Willem Frederik Hermans stapte vaak een antiquariaat binnen. Zijn leeshonger dreef hem als puber al naar boekenmarkten op het Amstelveld en het Waterlooplein. Willem Otterspeer heeft zich niet door zijn held laten inspireren. Het antiquariaat is de blinde vlek van de biograaf. Momenteel, en ook toen Otterspeer aan zijn biografie werkte, zijn er tientallen interessante boeken uit het bezit van Hermans – sommige aan hem opgedragen, andere met zijn aantekeningen – te vinden bij de antiquariaten Schuhmacher, A. Kok & Zn., Hinderickx & Winderickx en Fokas Holthuis. Ook deze exemplaren werden niet door de Hermans-biograaf geraadpleegd.

Friedrich Nietzsche was een van de helden van de jonge Hermans. Also sprach Zarathustra las Hermans als vijftienjarige al (oordeel: ‘heel prachtig’) en in 1939 hield hij voor de literaire schoolvereniging een verhandeling over Nietzsche. De filosoof was een levenslange fascinatie: naar Nietzsche’s huizen en werkplekken maakte Hermans begin jaren tachtig pelgrimages. Otterspeer in De mislukkingskunstenaar: ‘Er bleef jammer genoeg maar één deeltje bewaard van zijn oude Nietzsche-uitgaven’ – gevolgd door een citaat van de passage die Hermans in dit deel aanstreepte. In het antiquariaat wordt echter ook veel waardevols bewaard: sinds 2007 staan achttien delen van Nietzsche’s wetenschappelijke brieveneditie, ‘with annotations & markings in pencil on some of the first endpapers & margins by W.F. Hermans’, te koop bij Kok in Amsterdam.

Maar het kan altijd erger. Na de dood van de schrijversweduwe Emmy Hermans-Meurs in 2008 doken er bij de plaatselijke kringloopwinkel in Broek in Waterland opeens boeken op met het ingeplakte exlibris van Hermans. Een oplettende verzamelaar uit Amsterdam-Noord haalde bij deze ‘kringloopwinkel +’ een tiental mooie boeken van de plank. Vroegtwintigste-eeuwse Spaanse literatuur, evenals biografieën van Dickens en Flaubert, met in de kantlijn strepen en aantekeningen van W.F. Hermans. Voor minder dan twee tientjes kon de verzamelaar ze meenemen. Geen Hermans-biograaf, geen Hermans-instituut had bedacht dat die boeken nog van nut konden zijn.

En zelf kon ik even later – via een tussenpersoon, die een riant vindersloon bedong – uit dezelfde dozen het zo goed als complete poëtische oeuvre van Gust Gils, in afzonderlijke dichtbundels, bemachtigen. Uiteraard staan in elk exemplaar vriendschappelijke opdrachten van Gils en leestekens van Hermans. Gemist door Otterspeer, die de briefwisseling Hermans-Gils typeerde als ‘een van de boeiendste uit het hele Hermans-archief’.

Dat een reconstructie van Hermans’ boekerij niet meer tot de mogelijkheden behoort, daar valt mee te leven. Verbijsterend is evenwel dat deze biograaf – die zich tien jaar lang op leven en werken van een schrijver heeft gestort, die te pas en te onpas pronkte met het hem door de erven geschonken aantekenboekje waarin de schrijver opschreef wat hij las – niet heeft willen zien wat er bij de weduwe Hermans in de boekenkast stond. Dat waren de boeken die Willem Frederik Hermans nooit had afgedankt, die hij tot het eind van het leven bij zich wilde hebben. Otterspeer had het kunnen weten: bij Hermans zijn de laatste drukken, de boeken het laatst ingezien, het belangrijkst.

Draaikolk

De vriendschap tussen Boudewijn Büch en Cees Nooteboom is te reconstrueren aan de hand van interviews, brieven en opdrachtexemplaren. De laatste categorie is al goed gedocumenteerd, doordat Eric J. Schneyderberg in 1991 de opdrachten van Nooteboom aan Büch in een verkoopcatalogus van De Slegte heeft geciteerd. Het afgelopen jaar zijn vijf boeken van Nooteboom uit Büchs bezit, elk van een handgeschreven opdracht voorzien, in mijn boekenkast aanbeland. Daar staan ze naast Büchs gelegenheidsuitgave De Boekhandel (1985), vanwege de inscriptie op de titelpagina:

voor Cees [Nooteboom]
van de verdrinkingsdood
gered –
3 X 1985
boudewijn büch

De rechte haken in dit citaat zijn nu eens niet van de antiquaar, die een prijsopdrijvende provenance geeft, maar van de auteur zelf. Blijkbaar was Büch bang dat ik dertig jaar later aan Buddingh’ zou denken.

Voordat Eva Rovers in allerijl een heldhaftig hoofdstuk aan haar Büch-biografie toevoegt: de opdracht is dichterlijke vrijheid, een grapje of een kleine leugen. Zoals zovele van Büchs verhalen moet deze op schrift gestelde herinnering met een kilo zout genomen worden.

Eind juli 1985 bezocht VPRO-verslaggever Büch Cees Nooteboom op Menorca, waar de schrijver sinds de jaren ’60 een seizoen per jaar leeft en werkt. Op dit eiland schreef Nooteboom In Nederland (1984), en stukken van Rituelen (1980) en Een lied van schijn en wezen (1981). Maar meer is het Spaanse eiland te vinden in Nootebooms poëzie. De schrijver kan er, vertelt hij Büch, de rotsen aanwijzen die aanleiding waren voor een gedicht.

Op de radio deed Büch uitgebreid verslag van zijn ontmoeting. Na een helse klim van drie kwartier bereiken de Hollandse schrijvers de werkplek van Nooteboom. Die beweegt zich het hele jaar ‘als een idioot’ over de wereld, maar kan hier achter een muur van steen ongestoord zitten schrijven. ‘Is dit mooi? Het is meer een woestenij.’ Zo lokt Büch voor de microfoon een lofzang van Nooteboom op het eiland uit. Zee, strand, bos – en nergens is een mensenhand in te herkennen. Heel in de verte staan de resten van een Arabische wachttoren uit de tiende eeuw.

Op Nootebooms tweeënvijftigste verjaardag gaan de schrijvers een dagje naar het strand. Büch zit in het zand, Nooteboom gaat de zee in. En opeens is Nooteboom uit zicht. Büch denkt nog dat hij net om een rots aan het zwemmen is, maar het ging anders. Nooteboom, diezelfde avond:

Ja, Boudewijn. Het is een heel wilde zee vandaag, maar ik ken die plek daar heel goed. Dus ik was daar aan het zwemmen en ineens riep iemand mij, beduidde dat we niet verder kwamen. Ik had het helemaal niet in de gaten. Ik was krachtig aan het zwemmen, er waren hoge golven. Toen ik één vast punt in het oog hield merkte ik inderdaad dat ik heel langzaam achteruit ging. Ik zat in een soort draaikolk, had geen grond meer onder mijn voeten. Even dacht ik nog: hé, daar ga je. Een paar mensen op het strand, die vanochtend hetzelfde hadden meegemaakt, hebben me vanaf een rots met een stok en een touw eruit getrokken.

En al die tijd zat Büch naar die rots te kijken, wachtend tot Nooteboom erachter vandaan zou komen. Büchs reactie (microfoon open) is vol spanning en sensatie:

Je bent dus echt gered? Mocht ik dat hebben mogen meemaken? Ik zag het dus niet. Ik wist van niks. Sterven er hier ook mensen eigenlijk?

Vaders en zonen

De zelfmoord van zijn zoon heeft een onuitwisbaar stempel op het leven van Geert van Oorschot gedrukt. De 19-jarige Guido vergaste zichzelf op 7 oktober 1963 in de keuken aan de Herengracht en liet een brief achter, aan niemand in het bijzonder gericht, maar een verwijt aan het adres van zijn ouders. Het huwelijk van Geert en Hillie kreeg een enorme knauw. Van Oorschots rouwen vulde zich met angst en agressie. Alcohol moest het leed verzachten.

In het achttiende hoofdstuk van Arjen Fortuins biografie Geert van Oorschot, uitgever (2015) komt er een stoet aangenomen zonen langs: van de aanstormende schrijver Jeroen Brouwers tot de rechtenstudent Ulli Jessurun d’Oliveira. Fortuin signaleert Van Oorschots talent om razendsnel een intieme band te scheppen. In de jaren na Guido’s dood waren Van Oorschots nieuwe vrienden vaak mannen van de generatie van zijn zoon.

Ischa Meijer maakte in 1969 kennis met Geert van Oorschot, omdat hij de uitgever moest interviewen voor de Haagse Post. Het interview leidde tot een vriendschap, waarin ook Meijer uitgebreid aan het woord kon komen. Meijer – die een tweedegeneratietrauma had, omdat hij als baby met zijn ouders in Bergen-Belsen had gezeten – opende zijn hart in een brief aan Van Oorschot over het kamp, seksualiteit en zijn familie. De relatie met vader Jaap Meijer was problematisch.

‘Ischa is heel lief. Ik wou dat ik zijn vader kon zijn,’ schreef Van Oorschot in 1976 aan een vriend.

Een jaar later verscheen Meijers autobiografische roman Een rabbijn in de tropen. Na het moederboek Een brief aan mijn moeder (1974) stond in dit boek Meijers verhouding tot zijn vader centraal. De personages waren naar het leven getekend: de hoofdpersoon is een hoerenlopende journalist, zijn vader was rabbijn in een Nederlandse kolonie. Het leven in een concentratiekamp komt in flashbacks voorbij. Elke schlager, elke rashond is in dit boek een echo van de SS. Op de laatste pagina zingt de rabbijn ‘Het jodendom gaat nooit verloren, falderalderiere, falderalderore’, terwijl hij de liefde bedrijft met zijn zoon. Je kunt Een rabbijn in de tropen lezen als een literair experiment, de verwerking van een trauma en als een vadermoord.

Uiteraard gaf de aangenomen zoon Ischa Meijer een exemplaar van dit vaderboek aan Geert en Hillie van Oorschot, zijn nieuwe vader en moeder. Op de Franse titel staat in rode pen:

voor Geert,
die ik vertrouw en
bemin! van zijn
Ischa
nov. ’77
en voor Hil
een kus!
I.

De woorden, ach de dingen

In Met een bevroren jas en een geleend tientje (2015), de door Guus Middag te boek gestelde herinneringen van Thérèse Cornips, komen niet alleen haar avontuurlijke liefde met Chris van Geel en haar liefdevolle avontuur met Marcel Proust aan bod. Het gaat hier en daar ook over dierbare vriendschappen, zoals met de dichteressen Anneke Brassinga en Elisabeth Eybers.

De eerste ontmoeting tussen Cornips en Brassinga moet eind jaren ’70 hebben plaatsgehad, schrijft Middag. In 1976 was het eerste door Cornips vertaalde deel Op zoek naar de verloren tijd verschenen, een jaar later verscheen Nabokovs De gave in een vertaling van Brassinga. De jury van de jaarlijkse Martinus Nijhoff-prijs voor vertalingen had besloten de prijs, vijfduizend gulden groot, in 1976 en 1977 niet toe te kennen vanwege een vermeend gebrek aan kwaliteit.

Deze beslissing werd genomen in een tijd dat vertalers onderbetaalde letterknechten waren (drie cent per woord). Er barstte een storm van kritiek los: onder de door vele vertalers ondertekende open brief aan de geboycotte jury stond ook Cornips’ naam. Toen dezelfde jury in 1978 De gave wilde bekronen, vond Brassinga dat ‘vervelend’.

Ze was nog maar een aankomend vertaler. Ze had natuurlijk ook die open brief van de vertalers in de krant gelezen, en daarom kwam ze bij mij met de vraag of ik die prijs niet met haar wilde delen – dán zou ze hem kunnen accepteren.

Thérèse Cornips zag er niets in. Brassinga kon de prijs maar beter weigeren, was Cornips’ suggestie, en dan zou zij wel vijfduizend gulden lospraten bij alle sympathisanten van vertalers en ondertekenaars van de brief. Dat plan slaagde – al moest Johan Polak hiervoor wel zijn bankrekening aanspreken. Cornips en Brassinga: door verwantschap en solidariteit in vriendschap verbonden.

Vanaf haar officiële debuutbundel Aurora (1987) mocht Cornips een exemplaar van elke nieuwe Brassinga ontvangen. Op 1 oktober 1991 kreeg ze de dichtbundel Thule (1991), met deze aan de gedrukte opdracht (‘voor Peter Yvon’) toegevoegde regels:

en
voor Thérèse,
vooral het groen
Anneke

Met ‘groen’ doelt Brassinga op de tweede afdeling van de uit twee afdelingen (‘IJszee’ en ‘Gras’) bestaande bundel. Het vijfde gedicht in ‘Gras’ heet ‘Spoorwegovergang’ en is, volgens de ‘Aantekeningen’ achterin, opgedragen aan ‘Th. Cornips’. ‘Spoorwegovergang’ is een prachtig Proustiaans vers over ‘verloren tijd’. Het ‘double entendre’ in de tweede regel is erg goed gekozen: ambiguïteit, het spelen met betekenissen, is voor vertalers van wezenlijk belang.

Toen de vertaling van de volledige cyclus À la recherche du temps perdu haar voltooiing naderde, speelde Cornips met de gedachte de eerste delen van haar vertaling te herzien. Brassinga zou haar daarbij helpen. In Met een bevroren jas en een geleend tientje staat een foto van beide vrouwen in de tuin van Cornips’ huis in het Belgische Renouprez in 1999: twee lachende gezichten, twee volle wijnglazen, twee brandende sigaretten. Philip Mechanicus legde het moment vast.

Brassinga’s dichtbundel Verschiet (2001) is, het staat voorin gedrukt, ‘in dankbaarheid opgedragen aan Erik Menkveld en Thérèse Cornips’. Naast haar vaste redacteur Menkveld moet dus ook haar vertaalvriendin een rol hebben gespeeld in de totstandkoming van de bundel. Brassinga bekrachtigde de opdracht door op de Franse titel van Cornips’ exemplaar te schrijven:

TWEEDE
[VERSCHIET]
14.7.01
voor Thérèse & Carlos,
van jullie A.

In de bundel zitten aanwijzingen verstopt naar Cornips’ bemoeienissen. Misschien heeft ze de titel van het gedicht ‘Ik droomde, het was de waarheid’, ontleend aan het gedicht ‘Aanbreken van de lente bij aanbrekende dag’ van Chris van Geel, gesuggereerd. Cornips’ oude liefde komt ook terug in ‘De woorden, ach de dingen’, een komische klaagzang aan de boekenkast. Hierin glijdt de dichteres met haar ogen langs de ruggen van allerlei dichtbundels en poëzie-essays op de boekenplank. Die titels somt zij zo op dat er een verhaal ontstaat, dat vierentwintig keer onderbroken wordt door de verzuchting ‘ach’. De laatstgenoemde titel in dit gedicht is die van Van Geels bundel Vluchtige verhuizing (1976). (Ook de buitenkant van Verschiet wijst naar Cornips: het portret van de dichteres, op de achterflap, is gemaakt in de tuinkas in Renouprez.)

Maar later ging het mis. De herziene Proust-vertaling mislukte en de vriendschap tussen Cornips en Brassinga liep spaak; Middag schrijft niet waarom en waardoor. Bij de verhuizing van Renouprez naar Haarlem in 2012 deed Cornips Brassinga’s bundels weg.

In Wachtwoorden. Verzamelde, herziene gedichten 1987-2015 (2015) heeft Brassinga haar poëzie, met terugwerkende kracht, verontpersoonlijkt: de gedrukte opdrachten zijn geschrapt. Ook Thérèse Cornips is van de pagina’s verdwenen.

Omzwervingen

Wanneer Cees Nooteboom in de jaren ’80 een nieuw boek publiceerde, dan stond de schrijver altijd een exemplaar af aan zijn vriend en fondscollega Boudewijn Büch. In Aas (1982), een bundel met veel filosofische gedichten over reizen en verre landen, schreef Nooteboom voorin deze regels, die een verschil in levenshouding benadrukken:

voor Boudewijn Büch
die niet van reizen
houdt,
van Cees Nooteboom
die veel moet reizen.
Cees N.
Asd. 11-10-82

De schrijver die tijdens zijn korte leven miljoenen Air Miles bij elkaar vloog en dertien televisieseizoenen vulde met reisprogramma’s, wilde niet altijd al naar het einde van de wereld. In het artikel ‘Tussen eerste druk en edelkitsch’ in De Boekenwereld 30/1 roept Eva Rovers in herinnering dat Büch begon als boekenkastreiziger: tijdens het schrijven van zijn eerste reisboek Eilanden (1981) had hij Nederland niet eens verlaten. Pas in 1982 maakte hij zijn eerste grote reis, samen met radiomaker Paul Aalbers, naar Nieuw-Zeeland, Tahiti, Fiji en Skiros. Pas toen begon Büch van reizen te houden.

In 1991 was zijn weerzin tegen ‘het literaire wereldje’ te groot geworden: Büch verkocht, via zijn vaste leverancier Eric J. Schneyderberg, zijn complete collectie Nederlandse literatuur. Daar waren talloze boeken bij die hij, getuige de vriendschappelijke opdrachten, van collega’s had ontvangen. Hij deed ook zijn Nooteboomen weg – de meeste, niet alle. Vier van deze bijzondere opdrachtexemplaren zijn, na omzwervingen, in mijn boekenkast aanbeland.

Toen Boudewijn Büch op 23 november 2002 overleed, bevond zich in zijn enorme bibliotheek een ongelezen exemplaar van de eerste druk van de Deense vertaling van Nootebooms bekendste roman. Drie weken voor zijn dood had Büch, vaste gast in de talkshow Barend en Van Dorp, het boek Ritualer (1987) nog voor de camera’s omhoog gehouden. Omdat de naam van de schrijver op het omslag consequent verkeerd was gespeld (‘Cess Noteboom’), zou deze druk nooit in de handel zijn gebracht, aldus Büch. Maar hij kreeg een auteursexemplaar cadeau met de opdracht:

voor Bodivan Bucc,
van Cess Noteboom,
Amsterdam,
28-10-87

Het was niet voor het eerst dat Nooteboom zijn naam verhaspeld had zien worden. Begin 1987 was hij een paar maanden Visiting Professor aan Berkeley, waar hij met studenten zijn werk besprak en hen onderwees over Nederlandse koloniale literatuur. Op een van zijn wekelijkse spreekuren, te midden van kasten vol – God betere – ‘Gotische Schillers en Goethes’, werd hij door ‘een getourmenteerde schrijver’ aangesproken met ‘Are you Professor Noetbaum?’

Noetbaum. Nussbaum. Noetboem. Noodebawm. Noddebom. Nobody. Ik tors die naam met me mee als een schat.

vervolgt Nooteboom in het reisverhaal ‘De tweede auto’, opgenomen in de bundel De wereld een reiziger (1989). Ook hiervan kreeg Büch een eerste druk met een inscriptie, die nu een Wahlverwandtschaft behelst:

voor Boudewijn
zelf eeuwige pelgrim
Cees,
Amsterdam
1 juni ’89