Klerken en gedichten

In 2010 bedacht de redactie van De Wereld Draait Door een nieuwe rubriek. Naar aanleiding van een opmerkelijk nieuwsfeit mochten een schrijver en een componist samen een Actuele Opera maken. Op 22 april 2011 kwam de twee minuten durende opera Het verraad der klerken semi-live de huiskamer binnen, over de in opspraak geraakte held Marco Kroon. Het libretto was van de hand van A.L. Snijders, Joey Roukens schreef er muziek bij.

Het verraad der klerken verschijnt nu voor het eerst in druk, in- en uitgeleid door een toepasselijk zkv van A.L. Snijders. Grafisch vormgever Theo Rabou heeft de opera woord voor woord, noot voor noot in beeld gebracht. Zijn ‘visuele partituur’ kwam niet zonder slag of stoot tot stand. Toen Rabou de oplage eindelijk van de drukker ontving, bleken veel exemplaren beschadigd te zijn. Pas vier maanden na de offerte had hij de beschikking over een volledig gave oplage.

De uitgave is oblong en telt 44 pagina’s. De eerste van 75 met de numerator genummerde en door Snijders en Roukens gesigneerde exemplaren zijn goed ontvangen, meldt Theo Rabou, die de presentatie van zijn uitgave toch wel spannend vond. De schrijver was ‘blij’, de componist herinnerde zich de grafische partituren van avant-gardemuziek uit de jaren ’60. Ik moest bij de partituur onherroepelijk denken aan Van Ostaijens Bezette Stad. Door de muzieknoten te buigen en te vervormen hebben ze haast iets driedimensionaals gekregen.

Tegelijk met Het verraad der klerken verschijnt het 28 pagina’s tellende Acht gedichten van A.L. Snijders, in een oplage van 60 genummerde en gesigneerde exemplaren. Van de opera-uitgave zijn 50 exemplaren beschikbaar voor de verkoop (42 euro inclusief verzending in een stevige envelop), van de kleurrijke dichtbundel slechts 40 stuks (37 euro). De boekjes zijn niet in de boekhandel verkrijgbaar: bestellen kan rechtstreeks bij de uitgever (één exemplaar per bibliofiel).

Heldendom

In het kielzog van een stel antiquarische heren bracht ik ergens in de eerste weken van 2009 een avond door met Gerrit Komrij. Veel boekenpraat en gezellige gossip. Komrij was dan wel woonachtig in Portugal, maar hij kende alle laatste literaire roddels uit zijn geboorteland. Hoe kon hij dat allemaal weten? Hij keek mij, die aan deze tafel de jeugd vertegenwoordigde, doordringend aan en vroeg of ik dan niet op Facebook zat. Nee, sorry.

Dat moest ik maar meteen doen. Ik zou er geen spijt van krijgen. Facebook was een geheim genootschap waarin dichters en denkers gelijkgestemden fris van de lever en rond de klok toespraken. Facebook was een gratis abonnement op aforismen en mini-essays. En vertier bracht het ook. Komrij’s grootste ontdekking in dit sociale netwerk was de groep Greek Men in Underwear, met enkele zeer actieve leden.

Dus ik maakte een account aan. (Als Gerrit Komrij toen had gezegd dat ik in de sloot moest springen, had ik dat waarschijnlijk ook gedaan.)

Twee jaar later bleken de statusupdates van de poëten en filosofen weinig te verschillen van die van mijn goede buren en verre vrienden. X had nieuwe schoenen. Y zag dat het regende. Z opende nog een fles.

Begin april 2011 verliet Joost Zwagerman met veel lawaai Facebook en verwijderde zijn account definitief. Menno Wigman trok op hetzelfde moment de stekker eruit. Ik zou terstond met Facebook stoppen als ik een schrijver was, liet ik mijn Facebookvrienden op 27 april weten.

Gerrit Komrij schreef me diezelfde nacht nog in een e-mail:

Uit Facebook stappen, nu ja, het nieuwe heldendom. Van het dak springen, dat is pas iets.
Je merkt dat ik je update net op Facebook heb gelezen.

Op 16 december 2011 had ik voldoende moed verzameld om mezelf voorgoed uit te schrijven bij Facebook. Het stond gelijk aan ondergronds gaan. Ik trad toe tot een nieuw verbond, waarvan het ledental snel toenam. Een club van analogen, van ongeïnformeerden.

Niet veel later vertelde Menno Wigman me dat hij toch af en toe op de account van zijn bedvriendin inlogde om te zien wat zijn vrienden op Facebook uitspookten. Menno en Joost keerden allebei terug. Uiteindelijk moest ook ik me weer gewonnen geven.

Maar nu is het klaar. Moeheid, schuldgevoel, datalek, walging. Tot nooit meer ziens, Zuckerberg.

(Heimwee heb ik nu al. Naar de tekeningen van Paul van der Steen, de inkt nog niet droog. Naar de geestige verhandelingen van professor Jos Joosten. Naar de eekhoorn bij mijn ouders in het bos, de hoofdrol in vijftien filmpjes. Naar de boekbanden van Philipp Janssen, goud op snee. Naar de columns van Peter Middendorp, buiten de betaalmuur van de Volkskrant om. En wellicht en zelfs misschien toch ook naar de lijkenpikkerij van de ongevaarlijke gek Bob Polak.)

Graag geef ik gehoor aan de oproep van Arjen Lubach, die weliswaar niet zulke prachtige sonnetten schrijft als Gerrit Komrij maar die hem in zijn kritiek op de media aardig weet te evenaren. Zondag gaf Lubach me net dat duwtje richting de afgrond van een totaal sociaal isolement dat ik nodig had.

De cirkel is weer rond. Een blauwe cirkel met een witte f in het midden.

Taalstaat

Frits Spits, presentator van het radioprogramma De Taalstaat, stelde mij afgelopen zaterdag enkele vragen over mijn catalogus met opdrachtexemplaren. Dat zijn, aldus Spits, ‘boeken met van die mooie handgeschreven tekstjes’.

Ik leg uit waarom ik deze verzameling heb afgestoten, citeer enkele toepasselijke opdrachten, vertel welke boodschap de dichter Nijhoff voor de koningin had en verbaas mij over de verkrijgbaarheid van het mooiste opdrachtexemplaar.
(En dit alles in nog geen vijf minuten.)

Beluister het gesprek terug door hier op 11.00-12.00 te klikken (doorspoelen naar 13:55).

Dialoog tussen antiquaar en verzamelaar

Leuk, al die opdrachten, maar waarom?

Sinds een jaar of tien verzamel ik aangeraakt papier. In eerste instantie richtte ik me op enkele favoriete schrijvers: A. Marja, Jan Hanlo, C.C.S. Crone en A.L. Snijders. Je hoort iedereen immers altijd roepen dat je je als verzamelaar moet beperken. De diepte in. Maar ergens ontstond het idee om daarnaast van mijn persoonlijke canon een collectie opdrachtexemplaren aan te leggen. Bovendien: na drieëntachtig opdrachten van A. Marja heb je het ook wel even gezien. En dan wilde ik bij voorkeur echte opdrachten hebben, dus geen verplicht nummertje met een handtekening eronder. Het verschijnsel signeersessie heeft wat dat betreft veel verpest. Een echte opdracht is een inscriptie in een boek dat daadwerkelijk door de auteur geschonken is aan een familielid, vriend of bekende – in liefde of in vriendschap. Opdrachten heb je in allerlei gradaties en schakeringen. Het hoogst haalbare is een ‘dedication copy’: dat ene exemplaar dat zowel in druk als in handschrift aan dezelfde persoon is opgedragen. Maar zo’n exemplaar bemachtigen is hoogst zelden haalbaar: het is mij drie keer gelukt.

Kijk, ik ben ook gecharmeerd van documenten en correspondenties, maar een brief waaiert vaak alle kanten uit. Die bevat dan allerlei details van details. Niets kan beter een verhouding tussen mensen samenvatten dan een opdracht van slechts een paar woorden. Het is, in het beste geval, een soort sublimatie, de kern van een relatie.

Ik heb er in mijn studententijd bij mijn literair dispuut zelfs een lezing over gehouden. Ik had in Amsterdam net een opdracht van J. van Oudshoorn gevonden en raakte er niet over uitgepraat. Het heftig zwaaien van mijn vrienden op de achterste rij vatte ik op als een uiting van enthousiasme. Ik geloof dat ze me na een uur en een kwartier van de kansel getrokken hebben.

De kwaliteit van sommige opdrachten heeft me verbaasd. Waar haalde je ze toch vandaan?

Overal en nergens: antiquariaten, veilingen, kringloop- winkels. Ik deed het liefst zelf ontdekkingen. Bijzondere boeken hoeven me niet op een presenteerblaadje aangeboden te worden. Liever niet, eigenlijk. Ik had dus, om maar iets te noemen, geen opdracht van Vestdijk aan Ans Koster in mijn bezit. De meeste van de hier aangeboden opdrachtexemplaren hebben ‘the advantages of unfamiliarity’, om een krachtterm te gebruiken die ik laatst in het tijdschrift The Book Collector tegenkwam. Ze circuleren niet. Je weet niet van hun bestaan, totdat ze voor je neus liggen.

Ik haalde de lol ook uit het stukje bij beetje informatie vergaren, om de betekenis en het belang van de opdracht te begrijpen. Ik heb trouwens nooit geaarzeld om bij te verkoper te hengelen naar de herkomst van een boek. In de gevallen van Faverey en Harmsen van Beek, twee schrijvers waar je überhaupt zelden opdrachten van tegenkomt, heeft dat ook echt iets opgeleverd. Bij het invoeren van de titels in de catalogus kon ik dus terugvallen op mijn aantekeningen.

Een flink deel van de opdrachtexemplaren vond ik op internet. Ik heb ook helemaal geen heimwee naar de tijd dat je het hele land door moest om in elke boekenzaak naar het plankje met bijzondere boeken te vragen. Ook online kun je onverwachte vondsten doen. Tik ‘gesigneerd’ in een zoekvenster en je hebt dezelfde serendipiteit. Dat moet je trouwens wel vaak doen, want boekenzoek- machines worden 24 uur per dag geüpdatet. Ik sloop ’s nachts weleens naar mijn laptop om een paar vaste websites te bezoeken.

What about the one that got away?

Missers zijn er in groten getale geweest. Toen ik De voetnoot van F.B. Hotz kocht, bleek de verkoper eerder al Eb en vloed met een vriendschappelijke opdracht van de schrijver aan hetzelfde echtpaar te hebben verkocht. Dat knaagt toch een beetje. En meer dan eens was ik op een veiling onderbieder.

Maar wacht… had je niet ook opdrachtexemplaren van W.F. Hermans?

Toegegeven, mijn canon hier is incompleet. Van de drie opdrachten van Hermans aan Gerard Reve en Hanny Michaelis kon ik niet scheiden. En mijn verzameling Vijftigers is nog in aanbouw: daar moeten opdrachtexemplaren bíj.

Dus de planken zijn niet leeg?

Eh, nee. Ik kocht twee weken geleden nog een stapel boeken en overdrukken van Ferdinand Langen, over wie ik een publicatie voorbereid, alle met opdracht aan zijn beste vriend Ab Visser. De veertig intieme opdrachten van Ab Visser aan zijn echtgenote Edith, de fotografe, waren een fijne bijvangst.


Vandaag verschijnt bij antiquariaat Fokas Holthuis catalogus 83. Daarin staan 303 bijzondere boeken uit mijn verzameling, gevolgd door deze verduidelijkende dialoog – een innerlijke dialoog, want er huizen twee zielen in mijn borst.

Mijn tweede vader

Naar aanleiding van zijn net verschenen biografie Lucebert praatte Wim Hazeu eergisteren een uur lang met Elfie Tromp in het radioprogramma Nooit meer slapen. De welingelichte interviewer stelde goede vragen, de opperbiograaf gaf eerlijke antwoorden. Uiteraard ging het over Lucebert en over zijn grote misstap in de Tweede Wereldoorlog, maar aan bod kwamen ook het dichterschap van Hazeu, zijn vroegste herinneringen en zijn enorme ambitie. Wim Hazeu wil de beste biograaf van Nederland zijn – misschien is hij dat al.

Tromp herinnerde Hazeu op een gegeven moment aan zijn stellige bewering, dat hij zijn tijd niet verspilt aan het schrijven van een biografie van een derderangs schrijver, waar vervolgens niet meer dan honderd exemplaren van worden verkocht. Tromp deed de voorzet en wilde ook zelf inkoppen.

En A. Marja dan?

Het is even geleden dat de naam van de dichter in de ether was. In de nacht van afgelopen woensdag op donderdag ging het op een radiozender met landelijke dekking opeens over A. Marja. Zeker een volle minuut.

Na een korte introductie van Tromp (‘dat is een totaal vergeten dichter, de meeste luisteraars zullen nu denken: wíé?’) vertelde Hazeu over het onderwerp van een van zijn eerste biografieën (A. Marja, dichter en practical joker verscheen in 1985). Zo persoonlijk deed hij dat in het openbaar niet eerder.

Het [schrijven van een biografie van A. Marja] was ook eerherstel, want hij was een beetje mijn tweede vader. Polemisch was hij heel erg sterk. Ik heb hem de laatste jaren van zijn leven gezien. Ik kwam daar heel vaak en hij kwam bij mij. En we hebben heel veel over Oost-Duitsland gesproken en over literatuur. Ik hield van die man. Het was een hele fysiek zwakke man, maar psychisch heel sterk.

‘Een onverstoorbare originaliteit’

I

Nanne Tepper was verslaafd aan brieven. Hij begon de dag met het schrijven van brieven, ‘om polsen en kwabben los te maken’. Na zijn dood in 2012 bleek dat hij, behalve de auteur van drie romans en een bundel prozastukken, ook de schrijver was van duizenden brieven. In de papierchaos van zijn schipperswoning aan het Noorderplantsoen in Groningen werden niet alleen vele aan hem gerichte brieven aangetroffen, maar ook meters rollen uit zijn matrixprinter en stapels fotokopieën van eigen brieven. Hij had zijn brieven altijd bewaard, in tegenstelling tot andere ongepubliceerde teksten – tot twee keer toe had hij vuilniszakken vol manuscripten en typoscripten aan de straat gezet.

Hij dronk brieven ‘als ooit eens Black Jack’. Van zijn correspondenten verlangde hij eigenlijk per omgaande antwoord. De brievenbundels van Flaubert, Kerouac en Poesjkin verslond hij en het was zijn ultieme droom om met Gerard Reve in correspondentie te treden. In zijn fictie paste hij meer dan eens de brief toe als literair procedé. In De avonturen van Hillebillie Veen citeert Veen het ‘onbetaalbare velletje’ dat zijn grote liefde hem stuurde als zestienjarig meisje. Het derde boek van De eeuwige jachtvelden, dat bestaat uit correspondentie tussen de hoofdpersonen, vond Tepper zelf het beste deel.

Zakelijk of puntsgewijs een brief beantwoorden deed hij zelden. Meer dan papieren tweegesprekken zijn deze brieven uitgelokte monologen – hij had maar een kleine voorzet nodig, een kattebelletje paste niet bij zijn karakter. Bij het kennismakingsgesprek met zijn uitgever en zijn redacteur was hij meteen uren aan het woord. De brief, zonder sociale conventies of adempauzes als beperking, was het ideale communicatiemiddel.

Een zekere noodzaak was er ook. In 1992 had Tepper de kroeg en de drank afgezworen, het nachtleven en de drugs vaarwel gezegd, en gekozen voor een burgerlijk leven in isolement: thuis achter zijn schrijftafel. Zijn vriendin Sonja, met wie hij toen ruim tien jaar samen was, steunde hem. Schrijven deed hij al vanaf zijn achttiende jaar, nu kwam het erop aan te publiceren. Tepper is, naar eigen zeggen, belachelijk geïnspireerd en verschrikkelijk ambitieus. Zijn goede vriend Klaas Koetje leent hem een paar afleveringen van het literair tijdschrift de Biels. Kort daarna vangt Tepper met de Biels-redacteur Marc Kregting een briefwisseling aan, resulterend in zijn allereerste publicatie: het verhaal ‘Fuck ‘Em All!’. Kregting is ook de eerste die met de post flarden van De eeuwige jachtvelden ter beoordeling ontvangt.

Al snel weet Tepper een kring kritische lezers om zich heen te verzamelen, een ‘Rode Stiften Kliek’, die zijn proza van commentaar voorziet. Onder hen zijn de Nijmeegse literatuurwetenschappers Wilma Siccama en Jack van der Weide, en de neerlandici Jos Joosten en Anja van Kessel. Later nemen tijdschriftredacteuren Atte Jongstra en Kees ’t Hart de rol van kritische meelezer over. Aan hen schrijft hij vaak over de worsteling met zijn werk. Zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden slaat in 1995 in als een bom. De lovende recensies zijn niet aan Tepper besteed: de afkeer van ‘Luiletterland’ neemt toe, interviews hekelt hij, publieke optredens weigert hij te geven. De verschijning van de moeizaam tot stand gekomen romans De avonturen van Hillebillie Veen en De vaders van de gedachte wordt in 1998 niettemin breed uitgemeten in de media. De depressies, die hij eerder telkens de baas was, worden grimmiger; angst en paranoia overvallen hem steeds vaker. In de brieven aan Geerten Meijsing, eveneens lijdend aan depressies, komen ook de ‘gecrashte kwabben’ aan de orde – al laat Tepper nooit het achterste van zijn tong zien.

Van lieverlede worden zijn correspondenties vrijwel het enige contact met de literaire wereld. In 2000 komt hij een zware depressie nauwelijks te boven. Op den duur maakt zijn verslechterde toestand het hem onmogelijk nog romans en brieven te schrijven. Zijn productie beperkt zich tot columns en recensies. Met de meesten van zijn penvrienden is in 2003 het contact verwaterd of verbroken.

In 2008 verschijnt De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke, maar het gros van de stukken daarin dateert al van voor de eeuwwisseling. In zijn hoofd blijven de verhalen ontstaan, maar hij krijgt ze niet meer op papier. Op 10 november 2012 kiest hij voor de laatste, door hem vaak met scherts besproken uitweg.

II

Nanne Tepper heeft rekening gehouden met de postume publicatie van zijn brieven. In een vroege brief merkt hij al op:

Mocht mijn roman stranden aan de poort van Het Singel, dan moet men, nadat ik mij vakkundig heb opgeknoopt, mijn correspondentie maar eens gaan verzamelen en uitgeven; krijg ik toch nog mijn Dikke Boek.

Soms bladert hij door zijn aandeel in verschillende briefwisselingen om te concluderen dat elke correspondentie ‘een onverstoorbare originaliteit’ heeft, ‘een eigen toon, telkens weer, geheel gerelateerd aan de persoon aan wie de brieven gericht zijn’.

Daar is geen woord van gelogen. In brieven aan de debutant is Tepper de docent die afkraakt en aanmoedigt. Met jonge vrouwen speelt hij het spel der verleiding, altijd hengelend naar intieme details en expliciete foto’s. Tegenover de gepromoveerde wetenschapper stelt hij zich op als de dwarse denker die weliswaar ‘enkel lagere school’ heeft afgemaakt, maar die toch echt beter tussen de regels door kan lezen. Zijn adressanten ontvangen zowel filmbesprekingen als landschapsbeschrijvingen, voetbalverslagen en liefdesbetuigingen aan pubermeisjes, kruistochten en literatuurcolleges, pastarecepten en songteksten, conferences en tirades – veel tirades, want Tepper is ‘kwaad geboren’. Om cruciale kleinigheden kan hij ontploffen. Zo moet de eerste oplage van het omslag van De eeuwige jachtvelden op zijn vlammende verzoek worden vervangen, omdat een redacteur het woord ‘insect’ in de flaptekst heeft aangepast aan de nieuwe spelling – wat niet het gewenste anagram oplevert.

Soms is de toon in zijn brieven bewonderend, dan weer weemoedig, soms cynisch, dan weer jolig. Altijd gaat Tepper er vol in. De introductie van Prozac ter bestrijding van zijn depressiviteit en slapeloosheid zorgt in 1996 evenwel voor een stijlbreuk: zijn brieven worden minder wijdlopig, zijn zinnen minder meeslepend. Verbazingwekkend is dat hij zijn humor en zelfspot behoudt: de van Wim T. Schippers geleende flauwiteiten en verhaspelingen van schrijversnamen blijven maar komen.

Het leven van Nanne Tepper stond volledig in dienst van de kunst. Schrijven was zijn afmattende en opwekkende dagtaak. Alle muziek en literatuur nam hij ernstig, met bijna religieuze volharding, tot zich: een slecht boek of een matig concert vatte hij op als een persoonlijke belediging. De schrijver doet belijdenis in vijf indrukwekkende brieven aan de theosoof Louis Geertman. En uiteindelijk vinden alle voor dit boek geselecteerde brieven hun oorsprong en hun afloop in de kunst. Ze weerspiegelen dagdromen van ongeschreven verhalen en niet-opgerichte tijdschriften, ze werpen licht op de ontstaansgeschiedenis van romans en geven inzicht in een zuiver kunstenaarschap, dat niet besmeurd mocht worden met banaliteiten als schrijverscafés en literaire prijzen.

III

Hoewel dit boek een periode van slechts negen jaar bestrijkt, komt het hele leven van Nanne Tepper aan bod: zijn eerste schoolpleinliefje, de teleurstellende lerarenopleiding, het legendarische optreden met zijn band, de ontdekking van de literatuur. De schrijver kwam ter wereld in Hoogezand, groeide op in Veendam, maar had het geheugen van een Rus.

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Net als in zijn fictie is herinneren een belangrijk thema in zijn brieven. Heimwee is, volgens Tepper, een aangeboren aandoening bij Oost-Groningers. Hij was een meester in terugblikken en herbeleven: als hij aan het woord is, is het vaak het geheugen dat spreekt.

Dat verklaart ook zijn fascinatie voor Vladimir Nabokov, wiens portret boven Teppers werktafel hing. Met deze schrijver bleek hij de zinnelijke beleving van het eigen verleden gemeen te hebben en een gevoeligheid voor oude kleuren en geuren te delen. In een reeks brieven geeft Tepper onnavolgbare analyses van Nabokovs proza. De onvermijdelijke liefde tussen Van Veen en zijn zus Ada uit Nabokovs incestroman Ada or Ardor: A Family Chronicle verwerkte hij in De eeuwige jachtvelden. In zijn brieven speelt hij een mythologisch spelletje door Sonja consequent ‘zusje’ te noemen, maar tegelijk drukt hij daarmee een verbondenheid uit die dieper gaat dan de gekozen band tussen geliefden. De naam die hij zijn huis in de Groningse wijk De Oosterpoort gaf ontleende hij aan de familiehoeve in Ada.

De gesprekken met zijn psychiater, de bezoekjes aan de hifizaak en andere ‘ervaringen in de tegenwoordige tijd’ weet hij vaak met smaak en virtuoos samen te vatten. Dankzij de brieven is het mogelijk verbanden te leggen tussen gebeurtenissen in zijn privéleven en ontwikkelingen in zijn werk. Maar omdat de schrijver nooit heeft uitgesloten dat zijn brieven in druk zouden verschijnen, zal hij veel ongenoemd hebben gelaten. Dit is vooral Teppers weergave van de werkelijkheid. De beleving van ‘een overgevoelige natuur’ hoeft niet per se historisch juist te zijn. Daarom is ervoor gekozen om niemand te vervelen met voetnoten, die de verslavende vaart van het boek alleen maar zouden verminderen. In de compositie van deze uiterst persoonlijke geschiedenis was geen ruimte voor verwijzingen naar krantenkoppen en hitlijsten: een chronologie en een correspondentenlijst volstaan.

De kunst is mijn slagveld is een zelfportret, geen autobiografie. Of zoals Teppers alter ego in De avonturen van Hillebillie Veen van zijn vriendinnetje te horen krijgt:

Ik weet het niet hoor, maar in je brieven ben je iemand die ik niet ken, zo lijkt het wel, of… Ben je nu iemand die ik niet ken maar die je in je brieven bent?

 

Dit is de inleiding van Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001 (2016). Lees hier de loftuitingen, bestel hier het boek.

Opscheppapier

Tot voor kort was de bibliografie van bibliofilie bij Benno Barnard niet meer dan een droge opsomming van titels, jaartallen en oplagen.

Drie jaar na de lancering van zijn debuutbundel Een engel van Rossetti (1981) verscheen bij Jaap Meijer Barnards eerste bibliofiele kleinood: de plaquette Föhn (1984), in 25 exemplaren. Gevolgd, bij dezelfde drukker, door het omvangrijkere Andrew Marvell, de definitie van liefde (1986).

In het volgende decennium gaf uitgeverij Herik in de Zwarte reeks in een genummerde en gesigneerde oplage de bundel Gedichten in melk geschreven (1996) uit – een speciaal geval, omdat de dichter in alle 299 exemplaren met de hand de verkeerd gespelde naam (‘Benno Barnhard’) in het colofon moest verbeteren. Net voor de eeuwwisseling liet uitgeverij AMO De bloeimaand (1999) drukken, waarvoor Roger Raveel een fraaie ets maakte – en ook hier ging het mis, want 32 exemplaren bleken een lelijke drukfout op pagina 13 te hebben, waardoor deze officieel nooit verspreid mochten worden.

De Carbolineum Pers is verantwoordelijk voor de eerste drie eenentwintigste-eeuwse bibliofiele uitgaven van Barnard. Boris Rousseeuw zette met de hand de toneelbewerking Lucifer (2001) evenals de bundels Antwerpse gedichten (2001) en Sulamiet (2004). Atalanta Pers gaf eigenzinnig Zijne kortstondigheid (2009) uit.

In de tussentijd was er een amateurdrukker in Groningen opgestaan, die aanvankelijk anoniem opereerde. (Dat was ik – ik, zei de gek.) Uit pure admiratie maakte ik op het Grafisch Centrum Groningen een heimelijke herdruk van Barnards allereerste vers, ‘”Laatste gedichten” van Hans Andreus’ (2005). Onder het impressum PS verscheen de typografisch geïllustreerde rijmprent De dichter bedrijft de liefde (2008), nu met toestemming én instemming van de dichter – nummer ‘2’ van de zes exemplaren hangt al jaren in de hal beneden.

In de meest recente (nog amper gerecenseerde, laat staan geprezen) bundel van Benno Barnard, Het trouwservies (2017), staat de gedichtencyclus ‘Gebed zonder eind’, die een zomer eerder afzonderlijk werd uitgegeven door De Carbolineum Pers.
En dat maakt elf.

In Het trouwservies staat ook het gedicht ‘Alweer november’. Een zestigjarige dichter maakt weemoedig de balans op en verliest zich in een dagdroom. Een droom van de ideale lezer en de ultieme bibliofiele uitgave:

                                                      De engel der rechtvaardigheid,
die gretige lezer, bezit een exemplaar van je Beste Gedicht,

opscheppapier, eenhoornleer, gezet in hiëroglief,
genummerd van één tot één. Je kent het nog niet, maar de vorm
is weergaloos: een doorzichtig geheim vol onvoorzichtig rijm –

Ik moest bij die engel aan meesterverzamelaar Gert Boonekamp denken. Aan Filip Marsboom. En misschien, stiekem, ook een beetje aan mezelf.

Parijs–Nijmegen

De hashtag MeToo is niet langer exclusief gereserveerd voor filmproducenten, acteurs en politici. In de letteren is ook sprake van ongewenste intimiteiten en seksueel misbruik – tot in het hoogste echelon. Hoofdredacteur Lorin Stein van het prestigieuze literaire tijdschrift The Paris Review diende op 6 december jongstleden zijn ontslag in, nadat hij was beschuldigd van seksueel overschrijdend gedrag. Stein gaf toe misbruik te hebben gemaakt van zijn positie bij het toonaangevende periodiek.

(Voorts verklaarde hij droogjes dat hij weliswaar af en toe seks op de werkvloer had gehad, maar dat de vrouwen in kwestie daarmee hadden ingestemd én dat er ten kantore van The Paris Review uitsluitend buiten kantooruren werd geneukt.)

The Paris Review is voor de Nederlandse literatuur van weinig betekenis geweest – en vice versa. Gerard Reve komt de eer toe in de hele twintigste eeuw als enige Hollander in The Paris Review te hebben gepubliceerd. Na tussenkomst van Eugene Walter verscheen Reve’s verhaal ‘The Acrobat’ in de vijfde aflevering (Spring 1954). ‘Gossamer’ van ‘Gerard-Kornelis Van Het Reve’ stond in aflevering 11 (Winter 1955).

De laatste Review die een deuk in mijn deurmat maakte onthult een nieuwe relatie tussen het tijdschrift en ons land. In aflevering 222 (Fall 2017) vertelt Maxine Groffsky uitgebreid over haar jaren bij het tijdschrift. Van 1965 tot 1974 was zij redacteur van The Paris Review in Parijs (er zat ook een redactie in New York). Groffsky beschrijft hoe ingewikkeld en tijdrovend het was om een nummer samen te stellen. De kopij kwam uit alle windstreken op het bureau van Groffsky terecht, die het na een laatste redactieronde naar de drukker stuurde. Die liet de Monotype overuren maken en retourneerde par avion drukproeven. Groffsky stuurde vervolgens de bijdragende auteurs de proeven door, verzamelde correcties en maakte met schaar en lijm een maquette. De drukkerij in kwestie zat niet in Parijs, niet in de Verenigde Staten, maar in Nijmegen.

Waarom dáár in hemelsnaam, wil interviewer Jeff Seroy op dit punt in het gesprek weten, zich in een slok wijn verslikkend. Uit het antwoord van Groffsky blijkt dat geld een doorslaggevende rol speelde. In de beginjaren van The Paris Review bevond het tijdschrift zich aan de rand van een faillissement.

The first two printers of the magazine had been in Paris, but in 1958 [Robert] Silvers found an excellent printer in Holland, G.J. Thieme, that did a much better job and charged less. Even so, by June 1965, when Larry [Bensky] and I went to the plant with issue no. 34, The Paris Review owed Thieme several thousand dollars. It took two trains and about eight hours to reach Nijmegen, the oldest city in Holland and renowned for its university. We spent all day in a pleasant but windowless room going over proof after proof. It was mind-numbing work.

Thieme deed dus niet moeilijk over openstaande rekeningen. Een degelijke Nederlandse drukkerij met raamloze kamers hield een vermaard literair instituut in leven.

P.S. In 2018 gaat deze website min of meer op slot. Ik kan dankzij het mij toegekende Hendrik de Vriesstipendium een boek maken over Ferdinand Langen. Klik op het (nieuwe!) logo bovenaan de pagina om de (nieuwe!) startpagina van Artistiek Bureau te zien.

Schaduwbiograaf

Wanneer precies de biografie van Hella S. Haasse verschijnt is nog niet bekend. De kans is echter groot dat Aleid Truijens, de in 2013 officieel aangestelde biograaf, zich nu een slag in de rondte tikt om haar deadline te halen. Op 2 februari 2018 zal het honderd jaar geleden zijn dat Hélène Serafia Haasse ter wereld kwam.

Thijs Kramer, geleerd musicus te Hilversum, heeft geen zin om tot een symbolische specifieke datum te wachten. Hij heeft zojuist het eerste deel van het onderzoek gepubliceerd waaraan hij vele jaren in stilte heeft gewerkt. Aanvankelijk bestudeerde hij alleen het dichtwerk van Haasse, maar zijn belangstelling bleek groter te zijn. De familie Haasse en anderen heet daarom zijn website.

Wat is er op Haasse e.a. te vinden? Allereerst een wijdvertakte stamboom, waarin grootouders, neven en nichten van de schrijver een plaats hebben gekregen. Dan een uitvoerige beschrijving van het poëtische oeuvre van Haasse, van het gedichtencahier dat zij met Kerstmis 1936 aan haar ouders schonk tot de laatste bij leven gepubliceerde gedichten in Het Liegend Konijn. Vervolgens komt een lang ‘lees- en kijkstuk’ over de jeugdjaren van Haasse: hierin toont Kramer nooit eerder gepubliceerde foto’s van het gezin Haasse en citeert hij uit het door hem opgespoorde dagboek van Haasse’s broer Wim. Het is hem ook gelukt enkele onvindbare toneelstukken van Haasse te bemachtigen, waarvan de omslagen zijn afgebeeld.

In deze stortvloed aan nieuwe feiten geeft de schaduwbiograaf soms zijn oordeel. Mals is hij niet. Haasse’s lange vers ‘De Koningin des Hemels’ uit 1945 vindt Kramer een ‘snertgedicht’, ‘De Kerseboom’ uit 1948 is niet veel meer dan ‘vier bladzijden kerstmis-zoetelijkheid’.

Het is veel om te verwerken: met dit bijzondere materiaal is een themanummer van De Parelduiker te vullen. Helaas wordt de tekst vooralsnog veelvuldig ontsierd door ■ ■ ■ : vierkante blokjes die Kramer, na een jurist geraadpleegd te hebben, op de plaats van Haasse-citaten heeft gezet. Blijkbaar hebben de dochters van Haasse hun medewerking aan deze Haasse-specialist opgezegd.

Een boek dat er moet komen

Uit het juryrapport van het Hendrik de Vriesstipendium 2017:

Nick ter Wal reflecteert op het journalistiek proces van deze tijd. Hij maakt de rol van biograaf zeer persoonlijk en door zijn werkplan maakt hij de jury nieuwsgierig naar zowel de persoon Ferdinand Langen als ook de fascinatie die deze schrijver op Ter Wal als mens én als schrijver en journalist uitoefent. De grenzen van het zuiver biografische worden hier opgerekt en de jury heeft er alle vertrouwen in dat Ter Wal Ferdinand Langen op een doortastende, inventieve en vooral meeslepende manier gaat beschrijven. Een boek dat er moet komen.

Aan de voet van een heuvelrug

In interviews naar aanleiding van het verschijnen van zijn roman Klont (2017) vertelde Maxim Februari dat hij zal verhuizen naar een andere streek. Na een geslachtsverandering, de dood van zijn partner en een grote brand in huis is het tijd om een frisse start te maken. Waar Februari zich precies gaat vestigen, heeft hij niet meegedeeld. Van de Utrechtse Heuvelrug naar de Betuwe, meldde NRC Handelsblad; ‘zo’n 20 kilometer van mijn huidige woonplaats,’ zei de schrijver op de radio.

Dit betekent dat er na de verkoop van het vrijstaande villaatje op Torenlaan 4, waar Vestdijk twintig jaar stofzuigde schreef, opnieuw een schrijverswoning in Doorn vrij zal komen. Herstel: de kijkdagen zijn al geweest. Het 168 vierkante meters beslaande herenhuis op Gezichtslaan 17a, alwaar ‘tekstschrijver’ Max Drenth (alias Maxim Februari) is gevestigd, is in twee weken tijd verkocht. Makelaardij Van der Linden deed snel zaken. Gelukkig heeft Funda een fotografisch geheugen.

Uiteraard zijn er op de foto’s veel boekenkasten te zien. Rondom de dubbele deur van de hal naar de ‘L-vormige living’ staan de boeken tot het plafond (mirror). In het zitgedeelte staat nog een metalen stellingkast met boeken en dvd’s. Maar er is op de begane grond ook een zwevend toilet, niet ver van de houtkachel. In de keuken staat een opvallend roze tafeltje, tegenover het kookeiland hangt een comtoiseklok (mirror). Een fijne mix van antiek en eigentijds, dit schrijversinterieur.

De bovenverdieping ging op 7 januari 2015 deels in vlammen op. Er is daarna veel vernieuwd. De glas-in-loodramen van de ruime werkkamer van Februari, aan de achterzijde van het huis, zijn vervangen door dubbelglas. Waar vroeger de boeken de volledige zijmuur bedekten, staan nu twee bescheiden Billy’s (mirror). De houten tafel, waarop honderden columns moeten zijn geschreven, is er gelukkig nog. Ook het gekleurde glas-in-lood op de overloop, zeer sfeerverhogend, heeft de brand doorstaan (mirror).

De koper van het schrijvershuis aan de Gezichtslaan zal dit worst wezen. Hij heeft zich Februari’s oeuvre nooit eigen gemaakt, misschien zelfs geen letter van hem gelezen. Pak, nieuwe eigenaar, De literaire kring (2007) er dan eens bij. Op de eerste bladzijden van deze roman staat een aardige beschrijving van een zeker dorp ‘aan de voet van een heuvelrug’, dat ‘autonoom voortdobbert’ en waar ‘helemaal niets’ gebeurt.

Het is onvoorstelbaar hoe weinig sensationeel deze plek is, als je de sensatie tenminste niet voelt van crosscountryritten en schaapskooien, maar mensenmassa’s verwacht, discotheken, lichtreclame of de broeierige criminaliteit van achterbuurten. Hier haalt het de dorpskrant als de wieldoppen zijn gestolen van een Mitsubishi Colt die geparkeerd stond voor het raam van de drogisterij.

Stofzuiger

Van alle schrijversrelikwieën die zich in het Literatuurmuseum bevinden spreekt de stofzuiger van Simon Vestdijk het meest tot de verbeelding. Zijn Nilfisk staat permanent te glimmen in het letterkundig kabinet. Het is een blikvanger. In Vestdijks lemma op Wikipedia wordt de stofzuiger genoemd onder ‘Trivia’.

Vestdijk zou het apparaat hebben gebruikt om omgevingsgeluid te overstemmen. Toen hij in Bilthoven woonde, waren dat stijgende en landende vliegtuigen. Later, in Doorn, zouden het luidruchtige buurkinderen zijn geweest. Zonder het monotone geruis kon hij niet schrijven. Kortom, aan deze Deense zuiger hebben we een aanzienlijk deel van Vestdijks tweeënvijftigledige oeuvre te danken.

Nol Gregoor – de bekendste groupie uit de Nederlandse letteren: hij verhuisde naar Doorn om voorgoed in Vestdijks aura te verkeren – heeft het verhaal van de stofzuiger vele malen verteld. In zijn dagboek, dat door Vestdijk-biografen Hans Visser en Wim Hazeu werd geraadpleegd, beschreef Gregoor op 2 augustus 1951 Vestdijks werkkamer:

Ergens staat altijd de befaamde stofzuiger klaar; het is geen verzinsel, Vestdijk heeft werkelijk vaak bij ’t werken die stofzuiger aan.

Dick Vestdijk, zoon van de schrijver, probeert de mythe van de stofzuiger door te prikken. In het door Jelle Pijpers samengestelde boekje Huis te koop: Torenlaan 4, Doorn (2017) – verschenen in vijftig genummerde exemplaren in de reeks PrimiPers – zet Dick Vestdijk een paar fouten recht over het huis waar zijn vader schreef en waar hij ter wereld kwam. Toen in de zomer van 2016 de schrijverswoning in Doorn in de verkoop ging, werden er helaas nogal wat onjuistheden over beweerd. Over de museale Nilfisk zegt Dick Vestdijk:

Volgens mij heeft hij maar één of twee keer een stofzuiger gebruikt om niet afgeleid te worden van zijn werk. Dat was toen vanwege het gejank van een hondje dat net geopereerd was. Wel gebruikte hij vaak oordoppen of een koptelefoon met muziek. Een journalist heeft het stofzuigerverhaal aangedikt en dat is toen een eigen leven gaan leiden.

Schaduwoeuvre

In de meeste necrologieën van uitgever Theo Sontrop, die vorige week zondag op 86-jarige leeftijd overleed, werd de omvang van zijn scheppend werk gememoreerd. Hij was de man van ‘het kleinste poëtische oeuvre van Nederland’ (Onno Blom), van een ‘bijzonder klein’ oeuvre (Kester Freriks), wiens gedichten ‘heel mondjesmaat, in pierdunne bundeltjes’ verschenen (Rob Schouten). Nee, ‘een veelschrijver was hij niet’ (NOS). Hier en daar werd een getal genoemd: 38, want zoveel verzen staan er in Sontrops Gedichten 1962-1996 (1996).

Maar het poëtische oeuvre van deze markante man is wel iets groter dan wat hij selecteerde voor en opnam in zijn officieuze Verzamelde gedichten. De 26 kwatrijnen van Het Alfabet (1975), een door Joost Roelofsz geïllustreerde dichtbundel, ontbreken bijvoorbeeld in Gedichten 1962-1996.

En Theo Sontrop liet een schaduwoeuvre na, verspreid over talloze schutbladen en titelpagina’s. De dichter die ‘legendarisch traag’ was (Blom), schudde de gelegenheidsverzen zo uit zijn mouw. Wanneer Sontrop zijn eigen bundels cadeau deed, verwerkte hij wel eens nieuwe poëzie in de opdracht. Voor in een exemplaar van zijn debuut Langzaam kromgroeien (1962) staat ‘Aan de ongelukkige koper’:

‘Ach, als ik dicht dan moet ge mededichten’
of laat ook maar, het is al dicht genoeg.
Hoe zouden woorden ook maar iets verlichten:
een brakke echoput, een schampscheut voor de boeg.

Met Sontrop bevriende schrijvers kregen ook vaak een boek uit zijn fonds ten geschenke, waarin hij bij overhandiging nog even vlot een kwatrijn neerpende. Criticus Ivan Sitniakowsky kreeg in 1988 de Achterberg-biografie cadeau:

Dit is het boek van I… Sitniakowsky,
die nooit de minnaar werd van Feetje Lowski.
Waar Achterberg viel in Neerlangbroek:
zéér veel te lijden, en dat alles voor één boek?

Uit de bibliotheek van Benno Barnard, die weer eens verhuizen moest, kocht ik in 2003 Maarten ’t Harts essaybundel Een dasspeld uit Toela (1990). Op de Franse titel van het boek staat in Sontrops priegelhandschrift:

Al draagt een aap een dasspeld
dan wordt hij nog geen dagheld.
En wat de criticus mag zeggen:
zal C. Pe[e]ters ooit een grens verleggen!?

Groene giro-envelop

Van de duizenden brieven die A. Marja in zijn korte leven moet hebben geschreven zijn er naar schatting nog driehonderd overgeleverd. Het gros ligt in de geklimatiseerde kelders van het Literatuurmuseum, maar er zijn er ook nog wel bij particulieren te vinden. Mijn eerste, door een jonge A. Marja ondertekende brief schafte ik aan op 27 november 2007 bij het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Nummer 77 uit catalogus 32.

Inmiddels ben ik tientallen originele brieven rijker. Handgeschreven kattebelletjes en lange, op rijm gestelde epistels uit de schrijfmachine. Enkele brieven kon ik na lang speuren traceren bij correspondent of nabestaande, maar voor de meeste was ik aangewezen op het antiquariaat.

De handel in handschriften van Nederlandse literatoren kwam tot bloei in de ‘roaring eighties’ (Buijnsters). Antiquaren als Willem Huijer, Max en Wilma Schuhmacher en Piet van Winden specialiseerden zich (ook) in manuscripten. Zaken als Demian, Fokas Holthuis en Hinderickx & Winderickx kwamen er in de negentiger jaren bij, met in het aanbod altijd wel een manuscript en ook volledig aan handschriften gewijde catalogi. Soms was daar een door Marja aangeraakt velletje papier bij.

De dichter zelf heeft ook in handschriften gehandeld, blijkt nu uit J.B.W.P. Het leven van Johan Polak (2017) van Koen Hilberdink. Polak en Marja kenden elkaar van het tijdschrift Cartons voor Letterkunde (1959-1962), waaraan de een als redacteur verbonden was en de ander poëzie en proza afstond. (Polak & Van Gennep zou in 1963 de elfde en laatste uitgeverij zijn die nieuw werk van A. Marja uitbracht: de dichtbundel Van de wieg tot het graf.)

Arme dichters wisten Johan Polak, de miljonair met een manuscriptenmanie, wel te vinden. Simon Vinkenoog en Gerard Reve verkochten delen van hun inkomende en uitgaande correspondentie voor harde guldens aan verzamelaar Polak. De immer in geldnood verkerende A. Marja vulde Polaks ‘bibliofiele archief’ aan met aan hem gerichte brieven van Nel Noordzij, Koos Schuur en Hendrik de Vries. Hilberdink citeert in zijn Polak-biografie Marja’s dankbrief van 4 augustus 1960:

Vanmorgen werd mij een groene giro-envelop nagezonden, waaruit ik jouw waarlijk christelijke (d.w.z. in wezen joodse) naastenliefde kon konkluderen.

De handel in aan A. Marja geadresseerde brieven is echter eerder op gang gekomen. De eerste verkoopcatalogus waarin aan Marja gelieerde manuscripten werden aangeboden dateert van 1954. Het Arnhemse antiquariaat Gijsbers & Van Loon bood in Lilliput 31, hun bekende gestencilde catalogus, een ‘verzameling brieven en gedichten van Nederlandse letterkundigen, gericht aan de schrijver A. Marja’ aan. Twaalf in getal, uit de periode 1936-1944, waaronder brieven van Blaman, De Mérode, Nijhoff en Vestdijk.

De Koninklijke Bibliotheek kocht de collectie, waardoor deze brieven voorgoed buiten het bereik liggen van de kooplustige particuliere verzamelaar. ‘Ter inzage’: aanraken, lezen en besnuffelen kan wel, maar de brieven moeten voor sluitingstijd worden afgegeven bij de baliemedewerker.

De ezelsoren van Joost Zwagerman

In april mocht ik mij beroepshalve een paar dagen opsluiten in de boekenkast van Joost Zwagerman. Na zijn dood waren de zesduizend boeken in zijn Haarlemse woning onverhoopt verweesd geraakt: enkele tientallen belandden daarna bij Zwagermans beste vrienden, maar het leeuwendeel ging naar het antiquariaat. Het was mijn taak om ruim honderd boeken met eigendomskenmerken van Zwagerman bibliografisch te beschrijven voor een kleine verkoopcatalogus (.pdf).

Joost Zwagerman was, zo werd mij snel duidelijk, geen bibliofiel. In zijn ogen was een boek een gebruiksvoorwerp: hij maakte ezelsoren, knakte ruggen en schreef veelvuldig in de kantlijn. Zwagerman was een heavy user. Ieder ander zou ik deze barbaarse omgang met boeken ernstig kwalijk hebben genomen. Nu het een bekende schrijver betrof waren de gebruikssporen en leestekens ineens interessant.

De aangestreepte passages en omgevouwen hoeken in de boeken van Douglas Coupland zie ik als de eerste bouwstenen van Zwagermans belangrijke essay ‘Net zo verloren als alle anderen. De generatieromans van Douglas Coupland’, opgenomen in In het wild (1996). De ezelsoren in David Vanns Caribou Island (2010) en in Dit is water (2011) van David Foster Wallace verhullen niets: op de betreffende bladzijden gaat het over zelfmoord.

Hoe zit het eigenlijk met de leeswoede van Zwagermans personages, vroeg ik me af toen de klus geklaard was.

Dat er wordt gelezen in de boeken van Joost Zwagerman, staat buiten kijf. In zijn debuutroman De houdgreep (1986) voert de schrijver een personage op dat boeken zelfs ‘verslindt’. De keuze van precies dat werkwoord licht Zwagerman tussen haakjes toe: ‘nee, er is geen ander woord dan het doorkookte ‘verslinden’ voor haar leesgedrag’.

In Vals licht (1991) dwaalt middelmatig student Nederlands Simon Prins door de rosse buurt, als zijn interesse wordt gewekt door een exemplaar van de Volkskrant in de vensterbank van prostituee Lizzie Rosenfeld. ‘Zo er achter het raam al werd gelezen, dan was het de PrivéDe Telegraaf of deeltje zoveel uit een damesromannetjesreeks’. De hoer is nogal in trek, Simon staat te dralen voor haar raam, is de derde wachtende in de rij. Na nog een rondje over de Wallen heeft er een rangschikking plaatsgevonden: nu ligt er een Nooit meer slapen in de vensterbank, ‘opengeslagen, met de rug omhoog, het omslag verfomfaaid, een aantal bladzijden voorzien van ezelsoren’.

In een van zijn aangrijpende vader-gedichten in de bundel Voor alles (2014) beschrijft Joost Zwagerman de zelfmoordpoging van zijn vader. De dichter verplaatst zich in de man die een overdosis pillen nam. Hij blijft echter in leven en wordt wakker op wat zijn sterfbed had moeten zijn. Zijn ‘versufte blik’ richt zich op ‘nachtkastje,/ een pocketboek met ezelsoor,/ twee wattenstaafjes,/ handvol lege pillenstrips’.

Meerdere voorbeelden van onbesuisd lezen vond ik in de humoristische roman Chaos en rumoer (1997). Daar is het radiopresentator Stan die in de marge van het draaiboek af en toe een trefwoord noteert. Riekje, redactrice van het radioprogramma, verschijnt op de redactie met een spraakmakende roman. Haar exemplaar is ‘vergeven van de ezelsoren’, hier en daar steken stroken papier tussen de bladzijden uit. Omroepbaas Berend maakt tijdens een vergadering ‘energiek’ een ezelsoor in zijn agenda.

Wat mag ik uit deze steekproef concluderen? Dat Joost Zwagerman echte werelden met echte lezers schiep. Een scheefgelezen boek maakt van een uit letters op papier bestaande constructie een mens van vlees en bloed. De personages van Zwagerman volgden trouw het voorbeeld van hun schepper. Exemplarisch is het woord dat hier perfect past.

Deze column verscheen eerder op de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (11 mei 2017).