In de sterren geschreven als opgegeven

In het verhaal ‘Een mooie jonge vriendin’ haalt Remco Campert herinneringen op aan liefde en poëzie in het begin van de jaren vijftig.

Omdat ik voelde dat ik een jonge dichter was – mijn dichterschap bestond toen nog voornamelijk uit het voelen dat ik dichter was – voelde ik ook dat ik een jonge vriendin moest hebben en die moest bij voorkeur mooi zijn.

Maar het waren jaren van schaarste en armoede. Wanneer een mooie jonge vriendin een cadeautje verlangde, moest de dichter zich van zijn vindingrijke kant laten zien.

Je schreef een gedicht op een wc-papiertje en zette eronder: Oplage 1 exemplaar.1

Deze passage in een vermakelijk verhaal is wel meer dan een voorbeeld van Camperts lichtvoetigheid en milde ironie. Het is ook een knipoog naar het gemak waarmee een groep dichters, aan het begin van het decennium waaraan zij hun naam ontleenden, in kleine oplagen uitgaven in eigen beheer vervaardigden. Soms met zeer beperkte middelen, maar altijd met enorme geestdrift. Zo gaven Hans Andreus en Hugo Claus beiden een dichtbundel met illustraties van Karel Appel uit, en liet Simon Vinkenoog als nieuwjaarswens een gedicht met handgekleurde tekeningen van Corneille drukken.2 Campert zelf deed ook een dichtbundel het licht zien, maar in tegenstelling tot de fraai geïllustreerde, bijna bibliofiele bundels van zijn vrienden is Camperts uitgave sindsdien zelden gesignaleerd. Dit is het verslag van mijn zoektocht naar de overgeleverde exemplaren van het zelfgemaakte debuut van Remco Campert: Ten Lessons with Timothy.3 Een dichtbundel, zo vluchtig als een wc-papiertje.

Experimentelen in Parijs

Oktober 1950. Zonder duidelijk doel of aanlokkelijk vooruitzicht stapt Rudy Kousbroek in de nachttrein naar Parijs. In 1949 heeft hij de zomervakantie in de Franse hoofdstad doorgebracht, samen met Remco Campert, die hij kent van de schoolkrant Het Amsterdams Lyceïsten Orgaan, kortweg Halo. Dat bezoek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. Hoewel Campert en hij net vier nummers van hun tijdschrift Braak hebben uitgegeven en hij een verstandige studie wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam is begonnen, vertrekt Kousbroek toch naar Parijs. De aantrekkingskracht van de lichtstad werkt ook op andere jonge kunstenaars en aanstormende schrijvers: Hugo Claus en Elly Overzier hebben net hun intrek genomen in een hotel, Karel Appel en Corneille delen hun eerste Parijse atelier.4 Experimentelen en atonalen voelen zich er thuis. De Cobra-beweging is al op haar hoogtepunt.

Na enkele korte verblijven in Parijs besluit Remco Campert zijn goede vriend op 22 november 1950 achterna te reizen. Hij neemt een dichter, die zich Lucebert noemt, met zich mee. Hun bestemming is Boulevard Jean-Jaurès 21, waar Simon Vinkenoog, sinds twee jaar Parijzenaar, op de vierde verdieping een ruime woning huurt.

Kom hier in het rode buisje en neem Lucebert mee5

had Vinkenoog geschreven. De arme dichters uit Amsterdam mogen voorlopig bij Vinkenoog logeren, al moeten ze voor de maaltijden een vergoeding aan de gastheer betalen.6 Aanvankelijk verdiende Vinkenoog zijn geld als naaktmodel in de ateliers van Léger en Zadkine, nu is hij in vaste dienst bij Unesco. Als Special Requests Documents Officer houdt hij zich binnen de idealistische organisatie bezig met archivering en reproductie. Op elk ander uur van de dag wijdt hij zich aan poëzie en zijn eenmanstijdschrift Blurb.

Na een logeerpartij van een week, waarin Vinkenoog voor het eerst Lucebert hoort voordragen, nemen Campert en Lucebert hun intrek in een goedkoop hotel.7 Lucebert is bij vlagen echter zeer ongelukkig en keert begin december terug naar Amsterdam. Remco Campert trekt op dat moment in bij Kousbroek, die een armzalige kamer huurt in Hôtel Beauséjour.8 Het vriest overdag flink: de Amsterdamse jongens zoeken verwarmde cafés op om er hun gedichten te schrijven. Als Vinkenoog een paar dagen voor Kerst met Juc Cohen op huwelijksreis naar Londen gaat, mogen Campert en Kousbroek op zijn woning passen. Zo zitten de redacties van Braak en Blurb korte tijd onder één dak.

Ik zal het prettig vinden als jullie terug zijn, tot die tijd dan maar Lodeizen en Pound. De ondergang van de familie B. wordt mij uit Holland opgestuurd, zodat ik van trieste literatuur niet verstoken zal zijn.9

schrijft Campert aan het echtpaar.

In Een zachte vernieling, een sleutelroman over deze jaren, geeft Hugo Claus mooie omschrijvingen van Remco Campert, alias ‘Emile’, en van Simon Vinkenoog, hier ‘Floris’. Het is Campert die

zwijgzaam, hoogrood en hortend als je onverwacht iets tegen hem zei, behoedzaam door het appartement schuifelde op zijn sokken, alles dronk wat hij zag; het liefst jazztrompettist wilde worden, maar er was iets mis met zijn longen.

En dan Vinkenoog

die een absurd uitgroeiende documentatie aanlegde van wat er over de geschiedenis, de zeden en gewoonten van die lugubere Parijse tijd gepubliceerd werd; knipte en plakte en ordende en catalogiseerde.10

In dit klimaat van schrijven, lezen en drinken besluiten Campert en Kousbroek, omstreeks de jaarwisseling 1950-1951, allebei een bundel van tien gedichten te drukken. Dankzij bemiddeling van Vinkenoogs echtgenote heeft Kousbroek intussen een baantje bij het International Theatre Institute, twee jaar eerder door Unesco opgericht. Daar maken de jonge dichters heimelijk gebruik van de reproductiemogelijkheden. Campert bewaart er een warme herinnering aan.

In het gebouw van die organisatie vermenigvuldigden Rudy Kousbroek en ik meer dan zestig jaar geleden op een stencilmachine onze poëzie, die we vervolgens trachtten uit te venten op de Parijse boulevards. Daar was die stencilmachine niet voor bedoeld. Eerder voor dikke rapporten, maar de mazen in het Unesco-net waren groot. Rudy had er een nederig baantje. Met de beveiliging van nu zou ik het gebouw nooit zijn ingekomen. Het was een koude winter, maar in ons hart brandde het heilig vuur.11

Kousbroek geeft zijn uitgave de titel 10 variaties op het bestiale mee, terwijl Campert zijn cyclus Ten Lessons with Timothy doopt. De oplagen bestaan uit 25 genummerde en gesigneerde exemplaren, aldus de colofons.

Nu, vijfenzestig jaar later, zijn beide bundels praktisch onvindbaar. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is in het bezit van Kousbroeks uitgave, maar die van Campert is in geen enkele bibliotheek of kunstinstelling in Nederland te vinden. In de bibliografie van Campert voor de Mededelingen van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum komt de bundel niet voor. In Brinkman’s Cumulatieve Catalogus is de uitgave ook niet te vinden. Bibliografen hebben de dichtbundel nooit te pakken gekregen. Tot op heden was het enige bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy dat van Simon Vinkenoog.

Gehad noch gezien

Vinkenoog ontvangt het allereerste nummer van de oplage op 5 januari 1951, op de dag dat hij van zijn huwelijksreis uit Engeland terugkeert.12 De datum is bekend vanwege een korte handgeschreven opdracht van Campert, en omdat Vinkenoog zijn exemplaar altijd heeft bewaard – gekoesterd past hier misschien beter: Vinkenoog verwijderde de nietjes in de linkermarge en zette de bundel vast in een halflinnen map, zodat de veertien kwetsbare vellen niet zouden kreuken. Het was ook zijn exemplaar dat werd gefotografeerd voor en afgebeeld in het schrijversprentenboek De beweging van vijftig.13 Terugblikkend op zijn Parijse jaren kon Vinkenoog zich later eigenlijk niet voorstellen dat er meer exemplaren waren overgeleverd:

de exemplaren in mijn bezit van Camperts 10 lessons with Timothy (naar een gelijknamige grammofoonplaat van Dizzy Gillespie) en Kousbroeks 10 variaties op het bestiale dragen ieder nr. 1. En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.14

Zouden Campert en Kousbroek inderdaad, als dank voor de huisvesting, hun vriend als enige een exemplaar hebben gegeven?

In de loop der jaren schonk en verkocht Vinkenoog af en toe schrijverscorrespondentie, boeken uit zijn bibliotheek en schilderijen aan handelaren, instellingen en verzamelaars. Zo kon het Amsterdamse antiquariaat Schuhmacher Vinkenoogs exemplaar van Ten Lessons with Timothy in 2000 beschrijven en te koop aanbieden in een aan opdrachtexemplaren gewijde catalogus. In oktober 2011 vond dit exemplaar, na te zijn aangeboden in een Vlugschrift, in één dag tijd een nieuwe eigenaar.15 Wilma Schuhmacher, de grande dame van het Nederlandse antiquariaat, kent geen tweede exemplaar.16 Andere in Nederlandse literatuur gespecialiseerde antiquariaten hebben de uitgave nooit gehad.17 Bij het grootste boekenveilinghuis van Nederland is nimmer een exemplaar onder de hamer gekomen.18

Zeldzame boeken zijn, voor een verzamelaar die zelf in het antiquariaat werkzaam is, een uitnodiging; zogenaamd onvindbare uitgaven vormen een uitdaging. Maar op de lange lijst van mogelijke eigenaren van Ten Lessons with Timothy moest ik keer op keer een naam doorstrepen. Karel N.L. Grazell, die in Amsterdam in 1950 en 1951 vaak achter Camperts schrijfmachine te vinden was, heeft de bundel gehad noch gezien.19 Letterkundige Braak-abonnees als Jan Hanlo, Ferdinand Langen en Nico Lijsen hebben geen exemplaar gekregen of gekocht.20 Rondvragen en zoeken in de omgeving van de Vijftigers leverde ook niets op. In de boekenkasten van Hans Andreus en Hugo Claus is de bundel niet te vinden.21 In de bibliotheek van Jan G. Elburg werd het door zijn biograaf niet aangetroffen.22 Zelfs Kousbroeks exemplaar is spoorloos.23 En de Keizer der Vijftigers? De inventaris van de boekenkast van Lucebert geeft niet thuis.24

Simon Vinkenoog was al sinds eind 1946 bevriend met Kees Lekkerkerker. Ze kenden elkaar uit kringen rond het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) in Amsterdam. Ook na Vinkenoogs vertrek naar Parijs blijft Lekkerkerker een van zijn literaire raadgevers. Hoewel Lekkerkerker zich in deze jaren volledig stort op de moeizame tekstbezorging van Slauerhoff en De Haan, volgt hij de jongste literaire ontwikkelingen op de voet. Zo is hij geabonneerd op eendagstijdschriften als De dualist en Spleen, en probeert hij obscure uitgaven in eigen beheer te pakken te krijgen. Wanneer Vinkenoog hem begin 1951 iets over een bundel van de onbekende Remco Campert schrijft, is zijn nieuwsgierigheid gewekt. Maar Lekkerkerker vist vermoedelijk achter het net.

Dat bundeltje van Remco Campert: Ten lessons with Timothy komt in zijn geheel in het volgende nummer van Podium25

deelt Vinkenoog hem tot troost mee.

Weggedaan, verdwenen

Particuliere verzamelaars treden niet graag met hun collectie uit de schaduw. De bibliofielen die ik benaderde verleenden wel hun medewerking, maar bleken zelden erg mededeelzaam. Tientallen brieven, telefoontjes, e-mails: het spoor liep telkens dood. Alleen Gert Jan Hemmink, collectionneur par excellence, komt met goed nieuws: hij heeft in de loop der tijd ‘diverse exemplaren’ van Camperts uitgave gezien.

Mijn exemplaar kocht ik bij Geerts’ Boekhuis in Arnhem, eind jaren ’60, een tweedehandsboekwinkel tegenover Gysbers & van Loon. Bij Geerts, een heer op leeftijd, kocht ik ook Braak, Blurb, enzovoorts. Hij was al jaren zijn voorraad aan het inventariseren, maar is nooit verder dan de letter D gekomen. Op een bepaald moment heb ik het werk van Remco Campert weggedaan, toen is ook Ten Lessons verdwenen.26

Waar dit exemplaar is gebleven, herinnert Hemmink zich niet. Wel weet hij zeker dat hij bij de uitgever en bibliofiel Johan Polak, die immers ook op Het Amsterdams Lyceum had gezeten, ooit een exemplaar in handen heeft gehad.27 In de veilingcatalogus van diens imposante bibliotheek is evenwel geen Ten Lessons with Timothy beschreven.28 Polaks biograaf stelt mijn verwachtingen bij:

Over het archief en de bibliotheek van Johan Polak zijn al veel verhalen verteld, vooral door (anonieme) mensen die zeggen bevriend met hem te zijn geweest. Iedereen heeft van alles gezien, maar ik moet het allemaal nog maar zien.29

De regel ‘in alle huizen waar ik kom liggen van mij boeken’, uit Camperts gedicht ‘ik, ik, ik’, geldt tegenwoordig allerminst voor zijn zelfgemaakte debuut.30

Dat de in 2009 gemaakte beschrijving van Luceberts bibliotheek geen melding maakt van Ten Lessons with Timothy, wil niet zeggen dat de dichter-kunstenaar nooit een exemplaar heeft gehad. De Amsterdamse tandarts C.A. (Kees) Groenendijk kocht vanaf de jaren ’50 tekeningen en soms boeken rechtstreeks van Lucebert; zijn Lucebert-verzameling ging in 1986 over naar het Stedelijk Museum.31 Toen Lucebert, Bert Schierbeek en hun beider geliefde Frieda Koch nog hun domicilie hadden in Van Eeghenstraat 152 Van Eeghenlaan 7, heeft Groenendijk vermoedelijk een Ten Lessons with Timothy bemachtigd.32 Antiquaar André Swertz kocht het vervolgens van Groenendijk en verkocht het aan poëzieliefhebber Wim van Til.33 Die deed het op zeker moment weer over aan Swertz, zodat deze hetzelfde exemplaar opnieuw kon verkopen, nu aan de Belgische bibliofiel Dirk-Emma Baestaens.34 Dit exemplaar, het tweede mij bekend, is eveneens genummerd ‘een’ en gesigneerd, maar is te onderscheiden van andere exemplaren doordat de laatste vellen in de rechteronderhoek lichtelijk verschroeid zijn. De bundel heeft ooit iets te dicht bij een brandende sigaret gelegen. De schuldige laat zich niet meer kennen; vrijwel alle Vijftigers rookten.

Dubbelgevouwen

Behalve met Lekkerkerker correspondeerde Vinkenoog ook intensief met Ad den Besten.35 Op zestienjarige leeftijd was Den Besten gedebuteerd als dichter in het protestantse tijdschrift Opwaartsche Wegen, kort na de oorlog kwam hij als lector in dienst bij de christelijke Uitgeversmaatschappij Holland. Den Besten was altijd geïnteresseerd in de literatuur van dit moment. Na enkele vergeefse pogingen slaagt hij er in februari 1950 in de poëziereeks De Windroos te beginnen, waarvoor hij als enig redacteur de verantwoordelijkheid draagt. In De Windroos wil Den Besten vooral werk uitgeven van jonge dichters, die hij stimulerend en kritisch begeleidt. Vinkenoog debuteert in de laatste week van 1950 in De Windroos met de bundel Wondkoorts. In de hieraan voorafgaande correspondentie tussen Den Besten en Vinkenoog komt Remco Campert een paar keer voor. Dat Ad den Besten begin 1951 een exemplaar van Ten Lessons with Timothy ontvangt, is hoogstwaarschijnlijk te danken aan Vinkenoogs enthousiasme voor Camperts verzen.36

Het exemplaar van Den Besten, alweer genummerd ‘een’, staat decennialang in de boekenkast: dubbelgevouwen heeft het bijna hetzelfde formaat als een bundel in De Windroos. In 2011 moet Den Besten, die aan Alzheimer lijdt, verhuizen naar een verpleeghuis. Een deel van zijn boekerij gaat naar Tjerk de Reus, die werkt aan een proefschrift over Den Besten. In december biedt De Reus op internet de uitgave aan. Ik mag mezelf een maand later de gelukkige koper noemen. De opbrengst van Den Bestens exemplaar komt volledig ten goede van diens biografie.

Ad den Besten was een kritische lezer, die in de kantlijn van de poëzie aantekeningen maakte. Zo voorzag hij het begin 1951 in het tijdschrift Podium afgedrukte gedicht ‘Lente suite voor Lilith’ van Lucebert met potlood veelvuldig van commentaar. Onder het woord ‘torrelt’ zette hij een streep en de opmerking: ‘oubol’, naast de bekende ‘kyrie eleison’-passage noteerde hij:

hoe draag je dat voor? overvloed van leestekens gewenst. waarom niet ki ka ko?

Ook in Ten Lessons with Timothy staan in potlood en inkt enkele strepen. Den Besten schrapt bovendien twee regels in het negende gedicht en twee strofen in het tiende gedicht.

Uit de enig bewaard gebleven brief van Den Besten aan Campert spreekt dezelfde kritische houding. Op 13 januari 1951 reageert Den Besten, met het oog op een uitgave, op een door Campert toegestuurde verzameling verzen. Op de vijftien gedichten die hij de moeite van het bundelen waard vindt, geeft hij beargumenteerd commentaar, beleefd doch ‘unverfroren’.37 Sommige dichtregels vindt Den Besten ‘zomaar vervelend’. Een algemene opmerking luidt:

Waarom doe je toch zo op-de-hoogte-van-de-moderne-techniek, terwijl je veelal met die gegevens niets doet, ze alleen noemt en uitstalt?38

Den Bestens begeleiding resulteert in de zomer van 1951 in Vogels vliegen toch, het officiële debuut van Remco Campert, de veertiende bundel in de reeks De Windroos.

Uitgevent en weggegeven

Gewend om niet alles te geloven wat gedrukt staat, schrijf ik Remco Campert een brief over zijn in eigen beheer uitgegeven debuut. Of de oplage werkelijk maar 25 exemplaren bedraagt? Ergens koester ik de hoop dat Campert een exemplaar tevoorschijn zal toveren. Sterker, het is niet ongebruikelijk dat schrijvers een stapeltje of doosje exemplaren van hetzelfde boek op zolder hebben staan. En anders weet hij de bundel misschien te traceren.

De dichter herinnert zich weinig meer:

Een paar exemplaren hebben we uitgevent op de Boulevard St. Michel aan Nederlandse Parijsbezoekers, de rest weggegeven aan vrienden (zoals Simon V.) en kennissen. Aan wie allemaal is uit mijn geheugen gewist; het is lang geleden. Zelf heb ik geen ex. meer.39

Remco Campert is überhaupt nooit een verzamelaar of bibliograaf van zijn eigen werk geweest. Tien jaar na het Braak-avontuur moest hij een medewerker van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum bekennen geen enkel nummer van zijn eigen tijdschrift bewaard te hebben, ‘gevolg van grote slordigheid’.40

Dit was niet de eerste keer dat een verzamelaar de dichter over diens debuut aansprak. De Haagse bibliofiel Simon van Wouwe deed het dertig jaar geleden ook, kort nadat hij Ten Lessons with Timothy pardoes in bezit had gekregen.

Ik liep de toenmalige antiquarische afdeling van boekhandel H. de Vries in Haarlem binnen. En daar, in de vitrine, lag Camperts debuut. Nummer één van de oplage. Prijs: fl 39,50. Ik sprong natuurlijk een gat in de lucht.

Toen Van Wouwe Campert later in de koffiehoek van Athenaeum Boekhandel op het Spui zag zitten, sprak hij hem aan.

Ik vertelde dat ik Ten Lessons had gevonden. Hij wilde het onmiddellijk van mij kopen. Dat wilde ik natuurlijk niet. Ik was toen heel serieus Vijftigers aan het verzamelen. André Swertz was in 1977 met zijn catalogus De Vijftigers gekomen en die vroeg heel andere prijzen.41

Over de herkomst van Van Wouwe’s exemplaar, dat ook dubbelgevouwen is geweest, is niets bekend.

Warme verwarring dichten

Ten Lessons with Timothy laat zich lezen als een neerslachtig relaas van Camperts verblijf in Parijs. ‘Het was een koude winter’… De barre decembermaand van 1950 is het decor van de tien gedichten. In het eerste gedicht vriezen ’s nachts ‘sterren in de stoepen’ en ‘drukken wij plakplaatjes van vogels/ op de bloemenruiten af’. Bomen zijn ‘bijna ontzield’, takken zijn dood, een sloot is bedekt met ‘stijfgevroren water’. Er wordt naar warmte verlangd. In het vierde gedicht loopt ‘een jongetje in matrozenkleren’ verwonderd te dwalen op ‘het warme strand’. Maar de dichter realiseert zich – want ‘hoe ver is van hier’ – dat dit slechts een vaag verlangen kan zijn. Melancholisch zijn het derde en vijfde vers, waarin ‘Moldau en Seine/ twee eendere rivieren zijn/ door dezelfde bruggen ingesnoerd’ en ‘alles [scheen] te zijn geplaatst onder een adembenemende glazen stolp’.

Droevig en bijna meelijwekkend is het negende gedicht, dat opent met de fraaie regel: ‘het verstilde gelaat van alles in kou’. Kranten slaan ‘een krans van gestolde bloedkorrels’ om het voorhoofd.

ik loop geen bontkraag van warmte
over dit gezicht
geen vijftiende eeuws gedicht
ik sta in de sterren geschreven
als opgegeven

De tweede strofe van ‘9.’ heeft een romantisch citaat van Lucebert, uit diens gedicht ‘de amsterdamse school’, waarvan de inkt toen nog nat was (‘we schrijven dichters 2 nov 1950’ is de datering in het gedicht) en dat net was verschenen in het novembernummer van Braak. Aan het slot van Camperts vers is weer de triestheid, die toch ook een glimlach oproept.

‘ik wil alleen wonen
tussen mijn alleenstaande ledematen’
maar in mijn lichaam
zijn altijd kamers te huur
voor de laagstbiedende
en ik verwissel de nummers
om warme verwarring te dichten

In het tiende en laatste gedicht wordt de Timothy uit de titel drie keer rechtstreeks aangesproken en een les geleerd. Het gedicht opent met een uitzicht op Parijs: ‘Timothy/ de daken zijn swinters/ spiegels alleen voor sterren’. Timothy – en ook de lezer – moet naar jazzmuziek luisteren uit ‘de glazen piano van papa Tristano’. Verder staan er in dit gedicht louter inzichten van uitzichtloosheid en metaforen van vergeefsheid. Seinen van ‘reeds gestorven planeten’ zijn ‘onontcijferbaar’ en wij zijn gedoemd ‘een sleutel te zoeken/ die verroest is en vergaan’. Dit is het enige gedicht uit de bundel, volgens het colofon ‘geinspireerd op de gelijknamige gramofoonplaat van Dizzy Gillespie’, waarin sprake is van muziek: ‘barre vogel van Klee/ vliegend in een zacht getinte poolnacht’ luidt de associatie.

Paarsrode balpen

Van slechts vier exemplaren van Camperts absolute debuut is nu de verblijfplaats bekend. Het is opmerkelijk dat alle getraceerde exemplaren van Ten Lessons with Timothy in het colofon nummer ‘een’ hebben meegekregen. Vijfenzestig jaar na dato heeft Campert wel een vermoeden waarom ze dat deden:

ik denk dat we iedereen nummer 1 gunden. En ook uit een soort jonge honden speelsheid.42

De nummers en handtekeningen in de vier colofons zijn vrijwel identiek: waarschijnlijk is de gehele oplage op hetzelfde moment genummerd en gesigneerd met dezelfde paarsrode balpen.

Slechts vier? Vooralsnog vier. De Amerikaanse antiquaar H.P. Kraus merkt in zijn autobiografie op:

In this business, you never assume that six copies exist because six are recorded. There could be another one. There could be, though not likely, another six.43

Na een zoektocht van vier jaren weet ik alleen niet of dit nu troostend of verontrustend is.

Dit verslag van een zoektocht naar het debuut van Remco Campert verscheen in De Parelduiker, jrg. 20, afl. 4 (september 2015). Een uitgebreide en herziene versie was de losse bijlage van de herdruk van Ten Lessons with Timothy (2016).


Noten

1. Remco Campert, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (Amsterdam 1999), p. 13.
2. Hugo Claus en Karel Appel, De blijde en onvoorziene week (Parijs 1951); Hans Andreus en Karel Appel, De ronde kant van de aarde (Parijs 1952); Simon Vinkenoog en Corneille, Driehoogballade (Parijs 1950). Ondanks hun kleine oplagen (200, 100, resp. 60 stuks) duiken exemplaren van deze uitgaven geregeld in de (kunst)handel op.
3. Vergelijkbare zoektochten naar en inventarisaties van (alle) exemplaren van één specifieke Nederlandse twintigste-eeuwse uitgave zijn eerder ondernomen. Marco Goud traceerde in Een ondraaglijke drukfout (Woubrugge 2005) elf van de veertien exemplaren van Boutens’ Naenia en Anneke de Vries beschreef in het Ploeg Jaarboek (Groningen 2008) de kopers van de eerste suite Chassidische legenden van H.N. Werkman, terwijl De Vries samen met Paul van Capelleveen voor de website van de Koninklijke Bibliotheek een census van Werkmans Hot Printing maakte. In de Angelsaksische wereld valt te denken aan de catalogus bij de tentoonstelling van 24 ‘eerste’ exemplaren van Joyce’ Ulysses door Glenn Horowitz (New York 1998) en de diepgravende studie van William S. Peterson en Sylvia Holton Peterson, The Kelmscott Chaucer. A Census (New Castle 2011).
4. Zie voor een overzicht van Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs: Paul Arnoldussen, Rue d’Amsterdam (Amsterdam 2002) en Diederik Stevens, Hoogtij langs de Seine (Amsterdam/Antwerpen 2012). Het laatste boek geeft veel data en adressen.
5. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 15 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1. Het ‘rode buisje’ is vermoedelijk een verwijzing naar de in 1914 vermoorde socialistenleider Jean Léon Jaurès.
6. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 28 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1.
7. Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert (Amsterdam 2004), p. 230.
8. Remco Campert, ‘Rue Mouffetard’ in: de Volkskrant, 12 juli 2014.
9. Brief Remco Campert aan Juc Cohen en Simon Vinkenoog, 28 december 1950. Collectie Letterkundig Museum. Signatuur: C 01463 B 1.
10. Hugo Claus, Een zachte vernieling (Amsterdam 1988), p. 82.
11. Remco Campert, ‘Slaperig en immaterieel’ in: de Volkskrant, 12 maart 2011. Opgenomen in: Remco Campert, Het verband tussen de dingen ben ik zelf (Amsterdam 2012), p. 79.
12. De newlyweds verbleven van 22 december 1950 tot 4 januari 1951 in Londen. Zie: Hans Andreus en Simon Vinkenoog, Brieven 1950-1956. Inleiding, tekstverzorging en aantekeningen door Jan van der Vegt (Baarn 1989), p. 63.
13. Gerrit Borgers, Jurriaan Schrofer, Simon Vinkenoog en Ellen Warmond (samenstelling), De beweging van vijftig (Amsterdam/Den Haag 1965), p. 35 en 51.
14. Simon Vinkenoog, ‘Sprokkelen in de herinnering: de nederlandse 5-tigers’ in: Diagram, jrg. 1, afl. 1 (januari 1963), p. 5.
15. Antiquariaat Schuhmacher, Catalogus 236 De Tooverfluit: 608 Boeken in eerste druk met opdrachten van Nederlandse & Vlaamse schrijvers – in vriendschap – voornamelijk aan mede-auteurs (Amsterdam 2000), nummer 78; Antiquariaat Schuhmacher, Vlugschriften, 24 en 25 oktober 2011; ‘Camperts debuut 61 jaar dichter’ in: de Volkskrant, 29 oktober 2011.
16. Mededeling Wilma Schuhmacher aan mij, 6 maart 2013.
17. Mededeling René Hesselink aan mij, 14 maart 2012; mededeling Fokas Holthuis aan mij, 16 januari 2012; mededeling Berend Immink aan mij, 13 februari 2012; mededeling Han Rouwenhorst aan mij, 25 juni 2012.
18. Mededeling Jeffrey Bosch aan mij, 26 juni 2012; mededeling Bubb Kuyper aan mij, 27 augustus 2012.
19. Mededeling Karel N.L. Grazell aan mij, 23 februari 2012.
20. Mededeling Ser J.L. Prop aan mij, 26 maart 2012; mededeling Ferdinand Langen aan mij, (10 juni 2013); mededeling Michiel Schierbeek aan mij, 2 juli 2012.
21. Mededeling L.J.A. van der Zant-Paulides aan mij, 11 juli 2012; mededeling Veerle Claus-De Wit aan mij, 5 augustus 2012.
22. Mededeling Jan van der Vegt aan mij, 25 juni 2012.
23. Mededeling Sarah Hart aan mij, 16 februari 2012.
24. Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert. Bibliotheek van een dichter (Nijmegen 2009).
25. Brief Simon Vinkenoog aan Kees Lekkerkerker, 19 april 1951. Collectie erven Lekkerkerker. Met een enkele wijziging verschijnt de cyclus van tien gedichten in: Podium, jrg. 7, afl. 2 (maart-april 1951), p. 81-86.
26. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 3 februari 2012.
27. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 24 februari 2012.
28. Veilinghuis J.L. Beijers, The bibliophile and scholarly library of the late J.B.W. Polak (1928-1992) (Utrecht 1993).
29. Mededeling Koen Hilberdink aan mij, 12 maart 2012.
30. Vijf 5tigers (Amsterdam 1958), p. 36.
31. Website, 20 mei 2014.
32. Mededeling André Swertz aan mij, 3 februari 2012.
33. Mededeling Wim van Til aan mij, 12 februari 2012; mededeling André Swertz aan mij, 25 januari 2013.
34. Mededeling Dirk-Emma Baestaens aan mij, 2 april 2013.
35. Tjerk de Reus, ‘Biografische schets van Ad den Besten’ in: Dader van het woord. Over Ad den Besten (Rotterdam 1998), p. 4-87.
36. Brief Simon Vinkenoog aan Ad den Besten, 30 september 1950. Geciteerd in: Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 193.
37. Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 192-195.
38. Fotokopie van brief Ad den Besten aan Remco Campert, 13 januari 1951. Collectie erven Den Besten.
39. Brief Remco Campert aan mij, 30 januari 2012.
40. Brief Remco Campert aan Kees Lekkerkerker, 1 juni 1960. Geciteerd in: Antiquariaat Fokas Holthuis, Catalogus 61 Het Lachende Boek (Den Haag 2012), nummer 14.
41. Mededeling Simon van Wouwe aan mij, 23 maart 2013.
42. Brief Remco Campert aan mij, 19 februari 2012.
43. H.P. Kraus, A Rare Book Saga (New York 1978), p. 144.

Een weinig, maar wel goed

De uitgaven van De Literaire Loodgieters zijn zeldzaam – gemaakt, niet geworden. Een boekje in een oplage van 4 exemplaren is bij verschijnen al bijkans ongrijpbaar. Pierre Roth, bij wie de drukpers van De Literaire Loodgieters in huis stond, zegt hierover in een interview in Het Parool (3 juli 1982):

De oplagen zijn zelden groter dan tien of twintig, tot vertwijfeling van een aantal bibliofielen, hoop ik. […] Wat soms wel erg leuk is, is te bedenken dat sommige mensen niet aan mijn boekjes kunnen komen.

Toch hebben verscheidene antiquaren in de afgelopen dertig jaar de hand weten te leggen op uitgaven van De Literaire Loodgieters. Vandaag ging er weer een aantal in de verkoop.

Drukwerk van het Amsterdamse driemanschap duikt voor het eerst op in catalogus 205 van antiquariaat Schuhmacher, in de lente van 1982 geheel gewijd aan W.F. Hermans. Nog geen half jaar na het door De Literaire Loodgieters uitgeven van Sita van de Wissels Beertje Bombazijn (1981) is een exemplaar voor duizend gulden bij de antiquaar te verkrijgen. Dat Sita van de Wissel en Lionel Prent pseudoniemen zijn van Hermans en Ewald Spieker is hier al bekend.

In september 1985 opent Willem Huijers papieren verkooplijst met liefst 41 items van De Literaire Loodgieters, waaronder alle verjaardagsuitgaven. De veelal ‘HS’ bestempelde of ‘nietig’ verklaarde exemplaren zijn vrij beknopt beschreven. Huijers toelichting bij De Literaire Loodgieters is veelzeggender:

Geuzennaam, voor een paar – mij sympathieke – mensen, die drukken wat hun bekoort. En dit zetten met de hand.
Een niet-commerciële pers, die vrij onbekend is. Hetgeen zeker te maken zal hebben met de oplagen.

De meeste prijzen liggen onder de honderd gulden. Uitschieter in Huijers catalogus is Per boot van Venetië naar Padua (1983) van Gerrit Komrij en Jaap Drupsteen: f 1975,-

In de De Slegte-catalogus 15 jaar nederlandse bibliofilie. De verzameling David J. Simaleavich neemt Eric J. Schneyderberg eind 1989 werk op van dertien belangrijke Nederlandse bibliofiele uitgeverijen, voor het overgrote deel afkomstig uit de collectie van de befaamde boekbinder.

In de inleiding wordt al gewaarschuwd voor de zeer beknopte beschrijving, die ‘noch volledig noch consequent’ is. Deze opstandigheid zit ook in de ondertitels van de op uitgeverij gesorteerde afdelingen. Bij Sub Signo Libelli is de keuze ‘in chronologische volgorde’ en bij De Regulierenpers ‘in willekeurige volgorde’, terwijl In de Bonnefant ‘in onlogische volgorde’ wordt gepresenteerd. Bij De Lange Afstand heeft Schneyderberg een grens getrokken:

Een keuze, waarbij afgezien is van beschrijving van werken verpakt in zakken zaagsel of gedrukt op ballpoints en van boeken met een oppervlakte van meer dan een halve vierkante meter.

Van De Literaire Loodgieters zijn drie uitgaven opgenomen: ‘een weinig, maar wel goed’. Ten opzichte van Huijers lijst zijn de prijzen bijna verdubbeld.

In de volgende twee decennia komt er maar sporadisch een uitgave langs. André Swertz heeft in 1990 een Beertje Bombazijn met een Parijse opdracht van Hermans à f 1300,- Antiquariaat AioloZ neemt in maart 2003 Sal Santens gesigneerde “Brief-fragmenten” (1981) mee naar de antiquarenbeurs in de RAI, waar niemand er de gevraagde 125 euro voor gaf – het luxe-exemplaar stond er een jaar later weer.

Pas in oktober 2008, wanneer de Hermans-collectie van Arie Oexman door Fokas Holthuis onder de loep wordt genomen, zijn er weer uitgaven van De Literaire Loodgieters verkrijgbaar. Beertje BombazijnSuid-Afrika (1983) en Willem Frederik Hermans’ schrijfmachineverzameling (1980) hebben stuk voor stuk een opdracht aan Ruud Broens, een van De Literaire Loodgieters. Voor de verjaardagsuitgave Suid-Afrika, het enige niet-nietige exemplaar ter wereld, wordt vijfduizend euro gevraagd. Misschien niet weinig, maar wel heel erg goed.

Het vreemde land

Wijs en eigenwijs als zij is, heeft Wilma Schuhmacher museumdirecteur Gerrit Borgers ooit afgeraden om de afmetingen van boeken te vermelden in het bibliografisch bulletin van het Letterkundig Museum. Haar redenering is goed te volgen:

Later hebben we de complete bibliotheek van Van Nijlen kunnen kopen met al diens eigen Van Nijlens. Die heb ik toen naast mijn eigen Van Nijlens in de kast gezet. Bleken er allerlei variantomslagen te zijn op afwijkend formaat. Toen heb ik tegen Gerrit Borgers gezegd, die zelf de bibliografische kaarten voor het Letterkundig Museum verzorgde, dat je dus geen maten moet vermelden. Nooit denken dat je weet hoe een boek eruitziet, dus blijf exemplaren kopen en naast elkaar leggen. Dat is mijn leidraad gebleven. Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit.

De laatste zinnen zijn een mooie kop boven een interview.

De eerste zelfstandige publicatie van Jan Hanlo is niet meer dan een vel geschept papier, aan weerszijden met tekst bedrukt, eenmaal verticaal gevouwen. Het vreemde land, negen gedichten groot, verscheen in september 1951 in de vergeten reeks De Zilveren Scherf (‘Prijs 30 cents per pamflet’), onder redactie van O.J.C. van Loo te Kerkrade.

Borgers, zo feitelijk mogelijk, over het uiterlijk van Hanlo’s debuut: ‘vier blz., zonder omslag, 15 × 21 cm’. Het ene exemplaar van Het vreemde land in mijn verzameling voldoet geheel aan deze beschrijving. Het andere niet.

Voortreffelijke boeken kocht ik, begin dit jaar, in Antwerpen. In het stapeltje Hanlo van Gils zat ook een vreemd exemplaar van Het vreemde land: het vouwblad is genaaid in een iets groter omslag van dofzwart papier, dat keurig in witte drukletters auteur en titel geeft. Gils kreeg de uitgave eind juli 1955 toegestuurd uit Valkenburg.

Hanlo-kenners geloven niet dat dit zwarte omslag (15,5 x 23 cm) oorspronkelijk deel uitmaakt van de uitgave: er zijn hen geen andere exemplaren met omslag bekend. Anderzijds is het onwaarschijnlijk dat Gils zich zoveel moeite heeft getroost om, voor dit ene vouwblad in zijn reusachtige bibliotheek, een drukker de opdracht te geven een omslag te drukken.

Gaat het hier dan om een auteursexemplaar, waarvan er enkele door de uitgever voor de auteur zijn vervaardigd? Het is bij tijdschriftbijdragen jarenlang heel gebruikelijk geweest dat auteursexemplaren in een (provisorisch) omslag geniet of genaaid werden afgeleverd.

Of is Hanlo misschien zelf met naald en draad bezig geweest? Iemand die op intuïtie aan motorfietsen sleutelt, legt blindelings een knoopje in twee stukjes boekbindersgaren.

In een zoektocht naar het antwoord op dergelijke vragen, die nogal eens retorisch lijken, wil ik over zoveel mogelijk informatie beschikken. Alle feiten op tafel, niet eronder. Zonder de beschrijving van Borgers had ik me nu nog steeds afgevraagd wat de verschijningsvorm van Hanlo’s debuut is.

Ik ben ook blij dat Borgers zijn liniaal hanteerde en de afmetingen noteerde. Niet iedereen heeft de beschikking over twee of drie exemplaren van hetzelfde boek. Je hebt een norm nodig om een afwijking te constateren. Je hebt een regel nodig om een uitzondering te maken, al kan de regel in de loop van de tijd veranderen.

Size does matter – al beweren sommige vrouwen bij hoog en bij laag van niet.

‘Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit’

De grande dame van het Nederlandse antiquariaat, een éminence grise, een instituut. Het zijn woorden die je vaak vindt in combinatie met haar naam: Wilma Schuhmacher. Sinds 1952 drijft zij onafscheidelijk samen met haar halfbroer Max, tot deze in 2007 overlijdt, het hoofdstedelijke antiquariaat op Gelderschekade 107. Als je het over antiquariaat Schuhmacher hebt, hanteer je de oude spelling van de straatnaam. Op een zonnige donderdagmiddag beklim ik de houten wenteltrap van het grachtenpand op de hoek van de Gelderschekade en de Rechtboomssloot. De gevel van het zeventiende-eeuwse huis helt angstig voorover. ‘Max vertelde dat hier vroeger grote zeilen werden opgeslagen, voor de scheepvaart. De top steekt bijna een meter naar voren, zodat er geen ruiten zouden sneuvelen bij het neerhalen’, meldt Schuhmachers assistente Anne-Marie Rutten, als ze me op de eerste verdieping aan de keukentafel installeert. Het wordt een gesprek over kleine, minieme details die soms de doorslag geven. Had ik op de ochtend van het interview niet nog een briefje van Schuhmacher op mijn deurmat gevonden, waarin de zinsnede ‘Ik ben nu eenmaal een precieseling’ voorkwam?

Terwijl ik het opnameapparaat in gebruik neem, pakt Wilma Schuhmacher met enige gretigheid het boek uit dat zojuist met de post kwam. Het is een eerste druk van Gorters Mei uit 1889, in de bordeauxrode band met bloemendecoratie. ‘Wacht eens even.’ Opeens liggen er twee exemplaren op tafel. Meteen ontwaart Schuhmacher een verschil in de belettering op beide banden. Zoiets maakt haar dag weer goed, al geeft ze schoorvoetend toe dat het eigenlijk een onverantwoorde aankoop is.

‘Ons tweede magazijn, een pakhuis aan de Brouwersgracht, bevat zeker 70.000 boeken. Tweemaal 120 meter. Ik zit dus niet bepaald om boeken verlegen. Kopen is onzin, maar we zijn nu eenmaal collectiemakers. Ik kan het niet hebben als een grote kavel Gerrit Kouwenaar onverkocht blijft, dus die heb ik een maand geleden op de veiling maar aangeschaft. Later dacht ik natuurlijk: ik moet daarmee ophouden, want mijn naam is niet Hansje Brinker. Ik kan in mijn eentje die tendens niet tegenhouden. Maar ik ben bang dat dingen wegraken. Als Elsschot klaar is, dan is het werk niet gedaan. Denk aan Multatuli’s pak van Sjaalman: een opsomming van wat we allemaal nog moeten. Deo Volente. Het enige wat je kunt doen is ergens beginnen. Het valt alleen altijd tegen. We zijn met veel, misschien wel te veel dingen tegelijk bezig geweest.’

Een omvangrijke voorraad kan je kracht en tegelijk je zwakte zijn. Als je het debuut van de bijna vergeten schrijver Johan de Meester zoekt, zul je slagen bij Schuhmacher. Vorig jaar hebben de kunstboeken en literaire paperbacks uit de jaren zestig die altijd voorin de winkel stonden, het veld moeten ruimen voor negentiende-eeuwse letteren. De opruiming ging matig, al kon de UB Leuven om niet worden verblijd met dertig dozen. Maar dan nog is de voorraad van antiquariaat Schuhmacher te groot voor twee personen. De zolders kraken onder de literaire tijdschriften.

Sinds oktober 2009 eindigen Schuhmachers Vlugschriften – maillijsten rondom een schrijver of thema – steevast met de mededeling: ‘Opvolger gezocht’. ‘Dat hebben Max en ik nooit gewild, maar ik vrees anders dat een deel van onze voorraad straks containerwaarts gaat, want geen veilinghuis kan ineens zo’n grote bulk verwerken. Peter Heringa, die twee perioden bij ons heeft gewerkt, is misschien de enige aan wie we de zaak ooit hadden willen overdragen. Hij heeft een goede catalogus W.F. Hermans gemaakt.’ Na een moment stilte: ‘Ik mis de samenwerking wel. Peter was heel exact, maar hij holde door. Hij kon niet ophouden.’

Rekenen en vergelijken

‘In 1963 kwam onze eerste Couperuscatalogus uit, die goed liep. De dominee heeft deze lijst als leidraad gebruikt.’ Schuhmacher doelt op ds. J.A. Eekhof wiens omvangrijke collectie Louis Couperus in 2006 voor 225.000 euro werd verkocht aan de Koninklijke Bibliotheek en het Letterkundig Museum. ‘Direct erna heb ik Max de stad in gejaagd: “Couperus kopen!”. De door de verkoop ontstane leemte moest meteen worden opgevuld, want een grote collectie Couperus wilden we permanent in huis hebben. Die boekbanden hebben mij altijd bekoord en geïnteresseerd. De hoeveelheid naslagwerken was natuurlijk beperkt. Internet bestond nog niet. Onze vriend Ernst Braches zou pas tien jaar later met zijn proefschrift komen. Braches kenden we overigens al van de Nieuwe Keizersgracht waar we tot 1956 waren gevestigd.’

‘Degelijke tekstedities bestonden in de jaren zestig nog niet. Ik ergerde me aan incomplete verzamelde werken. Die werden – als ik het kwaadaardig zeg – op een achternamiddag in elkaar getrapt. Van Pierre Kemp verscheen bijvoorbeeld in 1953 de door Adriaan Morriën samengestelde Een bloemlezing uit zijn kleine liederen. Nota bene Gerrit Borgers zei op een gegeven moment tegen me: “Dat is toch een verzameld werk?” Als iemand die verder zo precies is dát denkt, dan is er toch echt iets mis. Toen ben ik gewoon gaan rekenen en vergelijken: welke gedichten uit welke bundels komen terug in een verzameld werk.’ Schuhmacher vervolgt op ernstige toon: ‘Kijk, ik ben een lettervreter. Als ik vroeger niets te lezen had, ging ik desnoods het telefoonboek op de kop lezen. Of een oude krant die om de prei heen zat.’

In de voorkamer op de eerste verdieping hangt een indrukwekkende verzameling negentiende-eeuwse schilderijen waaronder een paar ‘Florissen’ (Arntzenius en Verster). De eigenaresse leidt me langs de kunst die voor een deel nog tegen een lage tafel staat geparkeerd. Over haar voorliefde voor schilderijen heeft iemand eens gezegd dat Schuhmacher off the road verzamelt: de minder populaire, niet voor de hand liggende onderwerpen. ‘Van Breitner heb ik een sneeuwlandschap, maar je moet natuurlijk zo’n gracht hebben. Dát wil iedereen hebben. Ik ben dus ontzettend tegen zo’n canon. Zo is het ook met literatuur: belangrijke boeken hebben niet altijd een publiek.’

‘Ik verzamel zelf onder anderen Jan van Nijlen. Ook een beetje uit boosheid, omdat die lange tijd niet werd verkocht. Later hebben we de complete bibliotheek van Van Nijlen kunnen kopen met al diens eigen Van Nijlens. Die heb ik toen naast mijn eigen Van Nijlens in de kast gezet. Bleken er allerlei variantomslagen te zijn op afwijkend formaat. Toen heb ik tegen Gerrit Borgers gezegd, die zelf de bibliografische kaarten voor het Letterkundig Museum verzorgde, dat je dus geen maten moet vermelden. Nooit denken dat je weet hoe een boek eruitziet, dus blijf exemplaren kopen en naast elkaar leggen. Dat is mijn leidraad gebleven. Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit.’

Beschrijven

De werkverdeling is genoegzaam bekend: Max deed de inkoop en de winkel en liep de veilingen af, terwijl Wilma de beschrijvingen maakte. Verder prijsde Max de gewone boeken en Wilma de bijzondere. Over een juiste prijs kan ze lang zitten dubben. Een vaste formule bestaat er niet voor. ‘Op een gegeven moment staat de wijzer stil.’ Aan ‘pingelaars’ heeft ze een hekel, omdat deze geen respect tonen voor de beredeneerde prijs. ‘Achter elk bedrag gaat een hoop kennis schuil.’

Een enkele keer ging Wilma Schuhmacher mee op inkoop, bijvoorbeeld toen A. Roland Holst wilde verkopen. ‘Holst was een vriend van vader, dus dat was anders. In zijn badkamer in Bergen stond een kast met een rubberen gordijn ervoor. Die boeken mochten we taxeren. Max en ik zaten op de rand van het bad boek voor boek te bekijken en te betasten. Max heeft later bij de verhuizing van de Nesdijk nog geholpen met inpakken, want de laatste vriendin van Holst had een hernia. Ik geloof dat Max zelfs de droogboeketten en asbakken in papier heeft verpakt! Ik kreeg van Holst drie boeken cadeau, waaronder een eerste druk van Mei, met een handgeschreven opdracht van Gorter en zijn vrouw Wies Cnoop Koopmans aan de moeder van Holst.’

‘Als ik bezig ben met een nieuw onderwerp, dan bedenk ik een beschrijvingssysteem. Als het niet werkt, stel ik het bij. Niet alle boeken kunnen op dezelfde manier, met dezelfde termen en in dezelfde volgorde worden beschreven. Dat stringente boekbeschrijvingsgedoe stuit me tegen de borst. Ik laat me toch niet in een korset duwen. Een deeltje in de bibliofiele reeks Palladium is in eerste instantie een Palladium. Die informatie hoort niet in de noot, maar in de kop van de beschrijving, na de auteur en de titel. We hebben het toch ook altijd over Zilverdistels en Ooievaars? Dat onderaan hangen van wezenlijke informatie bevalt me niet. Bloemrijke beschrijvingen zul je in onze catalogi niet vinden, evenmin als biografische toevoegingen. Dat kunnen mensen tegenwoordig prima opzoeken op internet via Wikipedia. Bovendien kent degene die het van je gaat kopen die achtergronden wel. Ik zou bijna zeggen: als hij die niet kent, dan mag hij het niet eens kopen.’

‘Zo zal ik ook nooit aanbevelingen doen in een beschrijving, ergens in een noot, zoals “zeldzaam” of “mooi”, want dat kan ik niet. Ik zal iemand anders citeren: Schepers of Van Dijk en dan een nummer of een citaat. Een etiket als “zeldzaam” is gevaarlijk: wat weten we eigenlijk? Wat het ene moment zeldzaam is, kan het andere moment gangbaar worden. Zo’n Naenia van Boutens is toch echt niet zeldzaam, ook al is de hele oplage maar twaalf. Marco Goud heeft alle exemplaren getraceerd! Naenia is dus niet zeldzaam, het is duur. Weet je wat zeldzaam is? De echte eerste Cheops van J.H. Leopold. Die uitgave kan niet voor zichzelf zorgen. Hij ziet eruit als een overdruk met een blind, vaalblauw omslagje. Hiernaast hangt een Floris Verster, niet gesigneerd. Dus dan kan het doek wel in alle naslagwerken staan, maar het zorgt niet voor zichzelf. Het roept namelijk niet: “Hier ben ik!” Dat is ook soms met boeken het geval. Het zijn in wezen schlemieltjes waar je voor moet zorgen.’

In dit verband betreurt Schuhmacher het feit dat er in de Nederlandse handel amper deskundigen werkzaam zijn. ‘Bij Bubb Kuyper moet iedereen zo’n beetje alles beschrijven, van paperbacks tot incunabelen. In de kunstwereld is dat wel anders, tot voor kort tenminste. De aardewerkexpert hebben ze er bij Christies uitgegooid, want dat segment bracht toch maar twee miljoen op per veiling. Ik kocht daar met plezier Wit Delfts. Er is nu geen enkele veilinghouder die serieus aandacht heeft voor aardewerk. Bij Van Stockum veilen ze wel antiek, maar er is geen aparte man of vrouw voor keramiek. Zo is het hier met boeken ook, terwijl er in Duitsland – neem Bassenge in Berlijn – per onderwerp experts zijn.’ Dankzij specialisten en deskundigen, meent Schuhmacher, komen boeken en prenten eerder op de goede plek terecht. ‘De expert bemiddelt naar de klant toe.’

Elsschot

De sinds 2006 aangekondigde Elsschotcatalogus wil Schuhmacher in oktober 2010 ten doop houden in de achttiende-eeuwse kerk De Duif, tegenover het Amstelveld. ‘Zakelijk gezien is het mallotig, maar ik hoop met deze publicatie een deur open te zetten. Ik ben in 2003 serieus met Elsschot begonnen. Van sommige drukken was het overduidelijk dat die in verschillende bindpartijen zijn uitgebracht. Een boek dat in 1941 in de etalage ligt, kan gedrukt zijn in 1932, een titelpagina uit 1938 hebben en een band uit 1941. Het heeft soms wel maanden geduurd eer ik erachter kwam hoe het zat. Natuurlijk moet je zo veel mogelijk exemplaren van een druk tot je beschikking hebben, die boeken moeten letterlijk aan je voeten liggen. Ik heb wel twintig Beenen en veertig Pensioenen. De band van de eerste druk van Pensioen stelde me voor een raadsel. Daar heeft deze catalogus jaren op gehangen. Het horizontale streepje tussen auteur en titel – zowel in lengte als in positie wisselend – gaf uiteindelijk de oplossing. Tevens bleken er verschillende omslagen te zijn. De aanvankelijk door uitgever Van Kampen op de voorflap gedrukte aanbeveling had Elsschot geërgerd, zodat deze op een later omslag werd ingewisseld voor een citaat van Van Vriesland. Zo heb ik zeker twaalf varianten binnen de eerste druk uit 1937 kunnen traceren. Het was bijna onmogelijk om deze variatie binnen een-en-dezelfde druk op chronologische volgorde te zetten, al kwam ik een heel eind door naar de datering van handgeschreven opdrachten te kijken en naar de reclame op het omslag voor andere uitgaven.’

Bij het puzzelen kreeg Schuhmacher hulp van boekhistoricus Ernst Braches die haar ‘enthousiaste gekraai’ zonder terughoudendheid aanhoorde. Tevens zegt ze veel te danken te hebben aan haar ‘sterren’: Cyriel Van Tilborgh, Walter Mees, Vic van de Reijt en Thijs Wierema, alle vier ‘uit het juiste hout gesneden’ Elsschotverzamelaars. Willem Elsschot in boek en band. Een eerste inventarisatie van de bandvarianten van al zijn werk in alle drukken tot 1957 zal waarschijnlijk de eerste antiquariaatscatalogus zijn waarin afzonderlijke titelbeschrijvingen in druk aan personen zijn opgedragen.

Ze kijkt nog eens naar de aanwinst voor haar, waarvan de rode rug is verbleekt. ‘Het hoeft allemaal niet zo mooi, als het maar authentiek is. Hangt het boekblok een beetje uit de originele band? Fijn, dan kan ik in ieder geval zien hoe het is gebonden. Er was hier laatst iemand die vroeg naar een mint copy van Bezette Stad van Van Ostaijen. Die had ik niet en die wil ik niet. Zo’n grandioos boek moet toch minimaal een keer zijn ingekeken.’

Over de staat van de winkel is ze niet bepaald tevreden. ‘Max wist altijd alles te vinden. Ik riep iets en hij legde het voor mijn neus neer. Mijn assistente Anne-Marie, die hier sinds een paar jaar weer in dienst is, zoekt zich het leplazarus. Er is een tijd niet goed beheerd. Boeken zijn niet opgeruimd, maar ergens neergelegd. Kwetsbare uitgaven van Jaap Meijer en de Renildis Handpers vond Anne-Marie in de achterste kelder.’

Contacten

Als je zo lang in het boekenvak werkzaam bent, maak je vanzelf vrienden die je interesses delen. Dat kunnen verzamelaars en wetenschappers zijn, maar ook schrijvers. ‘Koos Schuur, de dichter, mochten wij ontzettend graag. In 1969 kochten we voor het eerst van hem. Het probleem was dat we die zomer juist naar Ierland wilden, terwijl we nog midden in het berekenen van ons bod zaten. Koos kon de ruimte echter goed gebruiken en hij suggereerde toen dat we zijn boeken alvast op onze zolder konden zetten. Ongebruikelijk en onprettig vond ik dat. In theorie konden we dan oneerlijk zijn. Dat heb ik Koos toen gezegd, waarop hij ontplofte: “Als ik u vertrouw!” Die man deugde gewoon. En toen ik in 1991 de Laurens Jansz. Coster-prijs kreeg, stond daar midden op die markt in Haarlem ineens Koos, glimmend en blij. Op slag verdwenen mijn zenuwen. Ik voelde me gedragen. Ik heb hem in 1995 in een radio-uitzending herdacht. Dat was de enige keer dat ik de tijd kwijt was. Het was te moeilijk. We waren echt bevriend.’

Schuhmacher memoreert de warme band met de Antwerpse bibliofiel Henri Dirkx. ‘Men leze over hem in het nieuwe boek van Buijnsters. Dirkx had de mooiste Stendhalcollectie van de wereld, echt. Eerste drukken in fraaie banden, in fraaie staat. Hij verzamelde de literatuur die hij mooi vond in zo goed mogelijke exemplaren. Daarvoor reed hij in zijn Mercedes net zo lang langs Parijse antiquariaten tot hij vond wat hij zocht.’ Er ontstond een hechte, stimulerende vriendschap tussen de Schuhmachers en Dirkx, al bleven ze elkaar vousvoyeren.

Met de uitgever en bibliofiel Johan B.W. Polak was het contact anders. ‘Hij kocht gewoon dure boeken. Het beroemde perkamenten luxe-exemplaar van Elsschots Villa des Roses – waar je langzamerhand een kind van krijgt – met een opdracht aan mejuffrouw Anna van der Tak was zijn trotse bezit. Later kocht hij echter nog zo’n luxe-exemplaar bij Kok. Maar Johan hield helemaal niet van Elsschot! Hij hield vooral van dure boeken. Uit de veilingcatalogus van zijn collectie blijkt dat hij verder alleen Elsschots Verzameld werk bezat. Kijk, zijn liefde voor Boutens en Leopold was echt. Maar in zijn verzamelen zat ook een element van patserigheid. Door familiekapitaal was Johan al miljonair op zijn achttiende, wat niet echt gezond is. Er is later een ruzie geweest tussen ons, omdat we via-via hoorden dat Polak fabeltjes over ons vertelde. Wij zouden de boeken duurder maken als hij in de buurt was. Dat is met het verschijnen van onze Boutens-Leopoldcatalogus in 1984 weer goedgekomen. Die vond hij geweldig.’

Oude en nieuwe plannen

Desgevraagd kan Schuhmacher niets zinnigs zeggen over de invloed van de economische crisis op de handel in boeken. ‘We zijn nog bezig met een soort herstructurering. Ik moet ook nog beslissen wat ik nu ga doen. Max is pas drie jaar dood. Sommigen, ook collega-handelaren, zeggen me dat het geen zin heeft nu een catalogus uit te brengen, terwijl ik er in wezen toch een aantal klaar heb staan. Het zou niet verkopen, het zouden slechte tijden zijn. Tja, ik moet nog maar zien wanneer de goede tijden komen.’

In de achterkamer liggen de gespreksonderwerpen voor het oprapen. Onbekende edities van Rhijnvis Feith, emblemata amatoria, Jacob Cats, etnografica uit de Congo, foto’s van het huis in Ierland waar Schuhmacher sinds 1970 elke zomer doorbrengt. Ze wijst naar de boekenplanken van Max. ‘Het staat er allemaal nog. Dat ik hem mis is een understatement. Ik ben een halve.’ Desalniettemin denkt ze na over de toekomst. Met Paul Dijstelberge, universitair docent en conservator van de UB Amsterdam, smeedt ze plannen voor een reeks colleges bij Boekwetenschap. Schuhmacher hoopt dat het praktisch haalbaar is, maar realiseert zich dat sommige plannen altijd plannen blijven. ‘Ik was heel graag dokter geworden, misschien ook een beste, omdat ik goed kan kijken. Liefst in India, omdat je “rendement” dan het grootst is. Daar hebben de mensen medische hulp harder nodig dan in ons eigen land.’

Een ander goed voornemen is het maken van een overzicht van door Jan van Krimpen typografisch verzorgde uitgaven. Schuhmacher kan het niet verkroppen dat er van andere twintigste-eeuwse vormgevers als A.A.M. Stols en Charles Nypels wel bibliografieën bestaan, maar van de letterontwerper Van Krimpen (‘de grootste, ook internationaal’) niet. ‘Omdat anderen blijkbaar geen tijd of zin hebben, doe ik het zelf maar. Ik ben weer aan het sparen. Ik zoek in de breedte, waardoor je ook heel zeldzame titels tegenkomt.’ Ze maakt de vergelijking met de magnolia’s in het Ierse arboretum van de Schuhmachers. ‘Je moet graven. Gewoon graven. Dan vind je vanzelf wat.’ Of dit project de grootte en diepte van de Elsschotcatalogus krijgt, kan ze nog niet zeggen. Desnoods wordt het een lijst die anderen kunnen uitbreiden. ‘Met Van Krimpen heb ik dat precieze gemeen, dat neurotische eigenlijk. Ach, en of dat nu allemaal nog lukt… Het plezier telt ook. Het genoegen van pakketten en pakjes boeken die binnenkomen en waarvan je nooit weet wat er precies in zit. Dat weet je pas als je het ziet.’

Dit interview met Wilma Schuhmacher verscheen in De Boekenwereld, jrg. 26, afl. 5 (juli 2010).

Knap

In Offeren aan Mercurius en Minerva (1995), een boek met interviews en mémoires ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren, vertelt Max Schuhmacher dat zijn zus en hij het eigenlijk al jaren fout doen: hun catalogi zijn te goed. Schuhmacher geeft zijn jonge collega’s in het interview wijze raad:

Als wij een Achterberg-catalogus maken, wordt dat een verzamelobject voor de mensen en een reden om hun brandverzekering te verhogen. Maar het is niet stimulerend voor de mensen: wij laten te weinig ruimte voor de particulier. De particulier wil zélf zijn vondsten doen, zélf de illusie hebben van “wat ben ik knap”.

O, wat ben ik knap. Ik weet nog goed wanneer die gedachte zich voor het laatst in mijn hoofd nestelde. November 2012: ik zat in de trein de afdeling ‘Dutch literature’ van een veilingcatalogus uit te spellen. Onder ‘Minco, M.’ werden handgeschreven gedichten van Marga Minco en Nico Scheepmaker in een of andere jubileumuitgave beschreven. Ik had mijn lectuur al bijna voortgezet bij het volgende kavel, toen ik zag dat er aan matte Marga en nietige Nico een dichtbundel van ‘Harmsen van Beek, F. ten’ was toegevoegd: de debuutbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965). Het exemplaar had een paginagrote parel van een opdracht. Kippevel. Het kavelnummer 2398 graveerde ik meteen in mijn geheugen.

Met de nonchalance en beroepsmatige desinteresse van een oude antiquaar nam ik op de kijkdag het kavel onder de loep. Magere Minco en Saaie Scheepmaker sloeg ik over, de opdracht in Geachte Muizenpoot keurde ik goed, mij restte enkel ‘2 others by the same, both with autograph dedication signed “Fritzi”‘. Deze opdrachtexemplaren waren al even fraai. Op de Franse titel van Neerbraak (1969) stond in dat karakteristieke handschrift: ‘van/ Fritzi voor Coen en Greetje/ in de hoop op en met de/ quasi belofte van/ betere, mooiere, aan-/ sprekende verhalen/ van mij/ met liefs, liefs’. In Kus of ik schrijf (1975) had de dichteres op pagina 4 gepend: ‘Voor Coen en Greetje/ met al liefs van Fritzi/ (een opdracht, vlak onder de/ titel, leek me te absurd/ 29.1.76’.

Het zong rond in mijn hoofd. Knap, ik. Knap, ik. Niemand zou voor Fritzi bij Marga zoeken of kijken. Ik was een particulier geworden die zélf zijn vondsten deed. De richtprijs van het kavel was schrikbarend laag: 60-80 euro. Ik gaf het veilinghuis mijn bieding door met een maximum van 250 euro. Just to make sure.

Thuis zocht ik uit wie de met Fritzi bevriende ‘Coen’ geweest kon zijn. Ik had die drie bundels bij wijze van spreken al op de plank staan. Het moest wel de bankier en kinderboekenverzamelaar Coen van Veen zijn, de mecenas van vele kunstenaars. In 1971 kocht hij voor 8000 gulden het arbeidershuisje in Garnwerd waar Fritzi tot haar dood zou wonen.

Kavel 2398 werd een mislukking en een teleurstelling. Ik was onderbieder. Een andere knappe kop ging voor 275 euro met al dit moois aan de haal. Sinds die donkere dag in november heb ik geen opdrachtexemplaar van Fritzi gezien.

Papieren zoekmachine

Begin 2012 verscheen de derde editie van deze vraagbaak voor boekengebruikers en bibliofielen: ten opzichte van de vorige uitgave uit 1996 aangevuld met lemmata, gemoderniseerd en voor het eerst rijkelijk geïllustreerd met boeken en prenten uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Maar een woordenboek lees je niet, al is het uniek in zijn soort, een woordenboek gebruik je. En hoe recenseer je een lexicon? Daarom: de bevindingen van iemand die dagelijks met boeken werkt en die de neiging om alles te googlen een jaar lang moest onderdrukken.

De papieren zoekmachine van Brongers omvat trefwoorden binnen de onderwerpen schrift, tekst, illustratie, drukken, binden, boekhandel, bibliotheek en biografie. De lemmata zijn meestal kort (zelden langer dan een kolom) en al te technisch taalgebruik wordt vermeden (een boekband ‘zorgt er voor dat het boekblok in de kast niet onderuitzakt’). Wanneer binnen een lemma een ander lemma wordt genoemd, dan wordt dit voorafgegaan door een asterisk. In de praktijk beland je, op zoek naar het ene, algauw bij het andere.

Het lemma ‘Antiquaar’ verwijst, na de eenregelige omschrijving, niet alleen naar ‘Antiquariaat’, maar ook naar ‘84 Charing Cross Road’, het ontroerende boek van Helene Hanff. De belangrijkste lemmata geven nuttige referenties naar standaardwerken en (soms wat obscure) tijdschriftartikelen – iets wat Google niet kan.

Maar je grijpt ook een paar keer mis, vooral waar het personen betreft. Typografisch ontwerper Piet Zwart heeft het Boekwoorden woordenboek gehaald, Paul Schuitema niet. Bibliomaan Boudewijn Büch komt uitgebreid aan bod, maar over de bibliofiel Gerrit Komrij geen woord. Wel Fré Cohen, niet M.C. Escher. Niet André Swertz, wel Max Schumacher (sic).

In de voor deze editie geschreven inleiding gaat Brongers in op nut en plezier van het boek en geeft hij praktische bezwaren tegen e-books, zonder meteen in de bekende bibliofiele stuip te schieten dat alle elektronische en technologische vooruitgang een bedreiging vormt voor het papieren boek. ‘Printing on demand’ en ‘Bookcrossing’ (een recente rage die alweer op zijn retour is) zijn evengoed lemmata.

Als je het boek vaker ter hand neemt, valt je pas op dat Brongers plezier moet hebben gehad in het samenstellen van deze leidraad. Een boekverkopende naamgenoot uit de achttiende eeuw wordt, hoewel van gering belang, om begrijpelijke redenen opgenomen. De boekwoordenwoordenboekenmaker permitteert zich hier en daar een opvoedkundige of kritische noot: bij het lemma ‘Boekenzoekdienst’ merkt hij op dat deze online zoekservice ‘natuurlijk niets meer met geduldig speuren of sneupen’ te maken heeft. Voor de veganisten (onder ‘Stencil’) die vanwege het gebruik van dierlijke gelatine bezwaar maken tegen offset heeft Brongers een scherpe vraag: ‘hoe zit dat met de bijen, die de was voor het stencil leveren en waardoor hun nest vernietigd wordt’?

Een grapje mag ook: ‘Asterisk Lett sterretje: * . Niet Asterix; dit is een populaire gallische *Stripheld’.

Deze bespreking van J. Ayolt Brongers, Boekwoorden woordenboek. Handleiding voor boekensneupers (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

Antwerpen, 22/10/1933

Waarde Vriend
Ik heb je presentexemplaar van Kaas aan V. Kampen meegegeven en veronderstel dat het in je bezit is.
‘K had het je liever zelf gebracht, maar niet wetend wanneer ik je nog eens zien zal, vond ik dit het eenvoudigst.
Ik heb hierin trachten te leggen de sentimenten en den gedachtengang van een gevoelsmensch in kontakt met de werkelijkheid (= met de Kaas).
Ik hoop dat je ’t nog eens lezen zal.

Aldus Alfons de Ridder, alias Willem Elsschot, op 26 oktober 1933 aan zijn goede vriend Jan Greshoff. Het was dankzij de stimulans van Greshoff dat Elsschot – in dat ongeëvenaarde record romanschrijven van 14 dagen, leerde ik op de middelbare school – zijn roman schreef. Kaas opent, bij wijze van opdracht aan Greshoff, met een gedicht van Elsschot.

Greshoffs eigen exemplaar van Kaas, met de handgeschreven en gesigneerde opdracht: ‘Aan den dichter van/ Pro Domo/ Antwerpen, 22/10/1933’, kwam onder de hamer op dinsdag 23 juni 1981. Het bracht, ondanks de voorzichtige richtprijs van 160-180 gulden, 2200 gulden op. Sindsdien werd het niet meer gesignaleerd. Tot eergisteren het laatste van de Vriendschap-vlugschriften in de mailbox plofte.

Antiquariaat Schuhmacher biedt het te koop aan. Wilma Schuhmacher heeft het boek al jaren in haar eigen boekenkast staan, maar gunt dit uitzonderlijke opdrachtexemplaar nu een goede bestemming.

Het was [in 1981] maar 200 gulden goedkoper dan de (m.i. te late) opdracht, eveneens aan Greshoff, in een luxe (!) Villa des Roses – en komt natuurlijk nabij het schitterend luxe exemplaar van dit boek met de even schitterende opdracht aan Anna van der Tak, zijn collega op de werf Gusto, die dit boek voor hem op Nederlands corrigeerde. Dit exemplaar – Anna dus – is nu op zijn (DV.) één na laatste bestemming in veilige handen. Ik gun deze Kaas een plaatsje naast haar.

De prijs voor dit opdrachtexemplaar, dat bovenaan de ladder der opdrachtexemplaren staat, is 6500 euro. Het vlugschrift van Schuhmacher eindigt met een waarschuwing aan het adres van ‘pingelaars’, die denken iets van de prijs af te kunnen kletsen.

Verder ben ik aardig – want bv. afbetalen in termijnen mag – en in tegenstelling tot een bank bereken ik dan geen rente.

Leven tussen boek en band

De documentaire Collecties – Leven tussen boek en band dompelt ons onder in een wereld van boeken. Hier wonen Wilma Schuhmacher, Professor Vyncke en August Kulche. Na een leven in het teken van het bedrukte papier blikken ze terug. Geconfronteerd met hun eigen grenzen leven ze vol overgave verder voor het boek, dat ook kwetsbaarder en fragieler wordt naarmate de jaren verstrijken. In de bijzondere wereld van het boek leven het bedrukte papier en de mens met elkaar.

De Vlaamse regisseur Jonatan Lyssens won met zijn boekenfilm meteen de prestigieuze prijs van Stichting Horlait-Dapsens. Hopelijk is Collecties – Leven tussen boek en band binnenkort ook in Nederland te zien.