Piekeraartje

Hier volgt de letterlijke weergave van een gesprek dat Hans van Straten op 8 februari 1967 had met zijn collega-journalist Piet Heil. Het typoscript van deze tekst werd aangetroffen in de literaire nalatenschap van Van Straten. Dit korte interview wordt hier voor het eerst gepubliceerd.

Je bent voor Het Vrije Volk redacteur geweest in het Gooi?

Jazeker, dat waren mijn eerste stappen op het journalistieke pad, mag ik wel zeggen. Dat is geweest van 1945 tot 1947.

In die tijd heb je ook Marja meegemaakt?

Marja is zelfs enige malen van mijn motorfiets gedonderd. Hij was namelijk nogal groot en zwaar en mijn motorfiets startte nogal snel, door een fout aan de koppeling, en schoot zogezegd als een snoek vooruit. En Marja viel dan achteruit.

Ik zie het haarscherp voor mij.

Hij woonde toen met zijn Puckje in het koetshuis van Kroonder, in Bussum.

Hij is je toneelmedewerker geweest.

Ja, ik heb hem een poosje aangehaakt. Het heeft niet zo lang geduurd. Wat hij toen voor beroep had, zo hij het al had, weet ik niet meer.

Hij zat toen bij Kroonder.

Ja, hij zat bij Kroonder, maar hij deed wat? Hij deed zelden iets.

Wat voor indruk heb jij van hem?

Mmm… moeilijk mens. Piekeraartje. Zwaar door de calvinistische wol geverfd.

Ja, zijn vader was wel dominee, maar toch geen calvinist! Die man stond bij de Vrije Evangelische Gemeente.

Ja, calvinisme gebruik ik dan ook niet in de strikte zin, meer als Nederlands verschijnsel. Theologisch gepieker, aangelengd met vele filosofieën. Maar het was wel gezellig. Je kon lekker ouwehoeren. Hij is tot in lengte van jaren wel de eeuwige puber gebleven. Poepgrapjes en zo. Een wat jongehondachtige jongen. Een ouwe jongen. Ach, ik mocht hem wel, ik had ook niet zo’n last van zijn practical jokes. Maar mensen die dat wel hebben gehad, vonden hem niet zo aardig.

Deed hij daar in het Gooi ook aan?

In het Gooi heb ik er nooit zoveel van gemerkt. Toen was hij ook nog niet zo bitter, ik weet het niet. Daar peinsde hij alleen nog maar. Later uitte het zich meer. Je kent toch het verhaal van dat briefje, dat hij aan Ferdinand Langen stuurde?

Ja, wat stond daar nou precies in?

Ze hadden hem gezegd dat ze een sociëteit wilden oprichten. Ab Visser was daarmee bezig.

Drieluik.

Ja, dat kan wel. Maar Marja schreef terug dat hij daar niet aan wenste deel te nemen, want het werd toch alleen maar een clubje voor ouwehoeren en beschaafd neuken. Dat had hij geschreven als ‘nöken’. En dat viel toen in handen van Ferdinands vader.

Ja, omdat hij het opzettelijk had geadresseerd ‘aan de heer Pannekoek’, zonder voorletters!

De clou van het verhaal is de wijze waarop Ferdinand zich eruit redde. Toen zijn vader vroeg wat ‘nöken’ betekende, zei hij: ‘Een Fins balspel.’ Waarom is het toch uit gegaan met Puckje? In die tijd ging het allemaal wel leuk. Ze was bezig een detective te schrijven. ’t Was wel een taaie actieve meid.

Hij kreeg op een gegeven moment een baan bij de reclassering in Den Haag en toen heeft hij zich tijdelijk, omdat hij niet voortdurend op en neer kon reizen van Bussum, op de Pauwhof neergelaten. Daar zat Louise Gaastra, een meisje dat in een leeszaal werkte. Daar heeft hij toen mee aangepapt en dat viel bij Puckje helemaal verkeerd. Die kon dat volstrekt niet plaatsen. Dat werd rottigheid over en weer en dat leidde vrij snel tot een breuk en echtscheiding.

Ben je daar wel eens geweest, bij Kroonder? Het was wel een mooi optrekje. Een schuur, een oud koetshuis. Beneden een grote open ruimte, waar vroeger de koetsen stonden. Dat was een stal geworden. Dan moest je met een kippetrapje naar boven en dan kwam je in één groot vertrek, waar het gezin Marja huisde.

Met een snel groeiend kindertal.

Het was wat men aanduidt als een artistieke bende. Wel leuk, moet ik zeggen.

Dus ze woonden daar met die vier kinderen in één kamer?

Ik kan me niet eens meer herinneren dat het er vier waren.

Op het laatst wel, ja. Hermans had in De Baanbreker geschreven, dat het portret van Marja hem deed denken aan de beschrijving die Faulkner geeft van de impotente gangster Popeye, in Sanctuary. Een wassen pop die te lang bij de kachel heeft gestaan. Dat heeft hem zó de dampen aan gedaan, dat hij als de bliksem vier kinderen op de wereld heeft geschopt.

Dat soort dingen trok hij zich inderdaad aan.

Administratie

Een kwart eeuw na de verschijning van Alice in Wonderland (1865) wilde Lewis Carroll er een nieuw boek van maken: geschikt voor en geadresseerd aan kinderen tot 5 jaar, met een ingekorte en vereenvoudigde tekst, met extra grote illustraties. Nog voordat The Nursery “Alice” (1889) naar de drukker ging, begon Carroll op 21 juni 1889 met het noteren van de namen van vrienden en familieleden die een presentexemplaar moesten ontvangen. Dit bruine schriftje, dat inzichtelijk maakt wie tot Carrolls inner circle behoorde, komt vanmiddag onder de hamer bij Sotheby’s (mirror).

Hoewel het document ook al in 1946 werd beschreven en per opbod verkocht, is het nooit beschikbaar geweest voor onderzoek. Het veilinghuis zet nu vooral in op de waarde van het schriftje als biografisch document (‘a fascinating snapshot into Carroll’s private life‘). Maar Carrolls schriftje is natuurlijk ook de natte droom van boekwetenschappers en Alice-verzamelaars. Niets is zo mooi als de handel en wandel van een exemplaar reconstrueren, laat staan van een halve oplage. (En wie weet vind je aan het eind van de rit een exemplaar voor jezelf, te koop of te geef.)

Voordat mijn zoektocht naar het debuut van Remco Campert mijn leven begon te domineren, had ik al een lijstje gemaakt van bekende exemplaren van Hermans’ Dinky Toys (1976) – voor het laatst geüpdatet in 2014. Kees Lekkerkerker stelde zich als jonge Slauerhoff-specialist ten doel om de 15 ‘in sirenenhaar’ genaaide exemplaren van Soleares (1933) te vinden. Hij kwam niet verder dan nummer 7 (in het bezit van zijn penvriend, de Arnhemse ambtenaar Pleun van Toledo) en nummer 10 (op naam van Emile van der Borch van Verwolde). Ik ken iemand die niet zal rusten voor hij alle 250 genummerde exemplaren van De Ode (1919) van Louis Couperus heeft getraceerd. Die census is pas echt een uitdaging.

Nooit is in beeld gebracht waar zich de enkele niet-vernietigde exemplaren van de eerste druk van Pijpelijntjes (1904) bevinden, terwijl zo’n staatje op de achterkant van een bierviltje past. Zelfs van de personen die op 1 november 1947 een eerste druk van De Avonden (1947) van de auteur kregen bestaat geen index. Binnenkort breng ik daar verandering in.

Van mijn eigen drukwerk bestaan al geheime distributielijsten met nummers en namen. Er is een waterdichte administratie. De Koninklijke Bibliotheek te Den Haag ontving van de laatste twee Artistiek Bureau-uitgaven nummer 13 van de oplage, omdat particuliere verzamelaars in het ongeluksgetal geloven. De zelfbenoemde bibliograaf kreeg vaak nummer 7 of 8. In de derde kolom van dit overzicht hield ik bij wanneer welk exemplaar aan de eerste eigenaar werd overhandigd of verzonden – net als Lewis Carroll deed.

Die vrouw (2)

In 2014 dook een exemplaar van het debuut van W.F. Hermans op, met een mooie opdracht van de jonge schrijver aan een van zijn toenmalige minnaressen. In de drie regels handschrift uit december 1944 suggereert Hermans dat de ontvanger van het boek, Reny Knufman, model stond voor het personage Madelon in de als dagboek gebrachte novelle In de mist van het schimmenrijk (1993). Was dat daadwerkelijk zo? Na raadpleging van de Hermans-biografie van Otterspeer bleef het speculeren, want de biograaf noemt de jonge actrice slechts terloops.

Deel 6 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans neemt alle twijfel over het belang van Hermans’ opdracht weg. In tegenstelling tot Otterspeer hebben de tekstbezorgers van de vier in dit deel samengebrachte prozawerken wel hun huiswerk gedaan. Uit bestudering van de overgeleverde fragmenten van ‘Argeloze terreur’, de oerversie van In de mist van het schimmenrijk, blijkt dat Hermans tijdens het schrijven in eerste instantie naar aan zijn eigen leven refereerde. Aanvankelijk hadden de personages nog de namen van Hermans’ kennissen.

Maar dat daarbij in het hier geciteerde fragment en ook elders in het manuscript consequent sprake is van ‘Reni’ in plaats van ‘Madelon’, ‘Truus’ of ‘T.’ is verreweg het meest opvallend.

De ‘zoo welluidende naam’ van Reny Knufman belandde dus op de lege plekken in Hermans’ manuscript. ‘Argeloze terreur’ voltooide de schrijver op 15 december 1944, dezelfde maand dat hij zijn minnares met een dichtbundel bedankte.

De blinde vlek van een biograaf

In zijn ‘met zorg geschreven boek’ over de eerste dertig levensjaren van W.F. Hermans wijdt Willem Otterspeer twee hele hoofdstukken aan Hermans als lezer. In het elfde hoofdstuk van De mislukkingskunstenaar (2013), ‘Lezen’, komt de lectuur van de middelbare scholier Hermans aan bod. Het vierentwintigste hoofdstuk, ‘Hij las’, behandelt Hermans’ lectuur in de Tweede Wereldoorlog. Van de door Otterspeer geraadpleegde archivalia wordt het ‘Lijstje van boeken die mij het meest getroffen hebben, resp. “openbaringen” waren, “vereerde” schrijvers’, in de oorlog door Hermans samengesteld, herhaaldelijk opgevoerd. De eerste foto van een volwassen Hermans, in deze biografie, toont hem lezend.

Overigens staan pa en ma Hermans in het illustratiekatern eveneens lezend afgebeeld, hun gezichten afgewend van camera en fotograaf. Otterspeer beschrijft het gezin waarin Hermans opgroeit als ‘een in zichzelf gekeerde wereld’. Hermans wordt in isolement opgevoed: op straat spelen is er niet bij. De biograaf geeft angst als motief voor de strikte beslotenheid van dit gezin, dat radicaal burgerlijk is. Uit angst wordt nooit iets weggegooid, uit angst wordt alles achter slot en grendel bewaard.

Krasse constatering: in het ouderlijk huis van W.F. Hermans stonden de boeken in afgesloten en vergrendelde kasten.

De lectuur van Hermans wordt in De mislukkingskunstenaar besproken, maar nergens wordt zijn bibliotheek genoemd. In De zanger van de wrok (2015), over Hermans’ leven van 1953 tot aan zijn dood in 1995, worden alleen een aflevering van Autokampioen (waarin Hermans twee kruisjes naast gewilde automobielen plaatste) en Panizza’s Aussprüche (waarin hij een passage aanstreepte) genoemd. Als Otterspeer schrijft welke boeken Hermans las, bedoelt hij meestal welke teksten Hermans tot zich nam; zelden komen de exemplaren ter sprake die hij daadwerkelijk in handen had. Daardoor blijven ook zijn leesaantekeningen buiten beeld, de talloze krabbels in de kantlijn. Hermans schreef immers terwijl hij las.

Sinds de verkennende studie Marginalia. Readers writing in books (2001) van H.J. Jackson is de aandacht voor marginalia in de wereld van boek en bibliotheek flink toegenomen. Groot nieuws was in 2014 de ontdekking van het woordenboek van Shakespeare, voorzien van diens aantekeningen in de marge. En een van de belangrijkste redenen voor de Universiteitsbibliotheek Leiden om de bibliotheek van Menno ter Braak te verwerven, was juist het feit dat de schrijver tijdens het lezen streepjes zette, vraagtekens noteerde, opmerkingen maakte. Ter Braaks boekerij is nu een uitzonderlijk studieobject. Eerder werden de bibliotheken van Lucebert en Mulisch al in kaart gebracht.

Otterspeer had toegang tot alle hoeken en gaten van Hermans’ gigantische archief. Zat Hermans’ boekenkast soms op slot?

Niet bepaald. De complicerende factor bij onderzoek naar het boekenbezit van W.F. Hermans is het feit dat zijn bibliotheek over een periode van tientallen jaren versnipperd is geraakt, waardoor een groot deel van de boeken onbereikbaar was voor de biograaf. De bibliotheek van Willem Frederik Hermans, als cumulatie van een leven lang kopen en lezen, is een fictie. Een verhuizing was voor Hermans vaak het uitgelezen moment om in zijn boekenkast te wieden en overbodig of oninteressant geworden boeken weg te doen. Vanaf de jaren zeventig zijn er honderden boeken met aantekeningen van Hermans beland bij veilinghuizen en antiquariaten.

Een biograaf werkt altijd met thema’s en aandachtspunten. Hij moet, zeker wanneer er een overstelpende hoeveelheid materiaal is, keuzes maken. Zo noemt Otterspeer in zijn boeken wel dat Hermans als jong ventje nu en dan een pak voor zijn blote billen kreeg en aan wie de schrijver voor het eerst zijn piemel liet zien, maar koos hij ervoor om de enkele honderden boeken uit het bezit van Hermans in de collectie van het Letterkundig Museum links te laten liggen. Bij het optekenen van het levensverhaal van een schrijver die zichzelf omschreef als iemand die ‘au fond voor boekenwurm in de wieg gelegd [was]’ is dat tamelijk opmerkelijk.

Willem Frederik Hermans stapte vaak een antiquariaat binnen. Zijn leeshonger dreef hem als puber al naar boekenmarkten op het Amstelveld en het Waterlooplein. Willem Otterspeer heeft zich niet door zijn held laten inspireren. Het antiquariaat is de blinde vlek van de biograaf. Momenteel, en ook toen Otterspeer aan zijn biografie werkte, zijn er tientallen interessante boeken uit het bezit van Hermans – sommige aan hem opgedragen, andere met zijn aantekeningen – te vinden bij de antiquariaten Schuhmacher, A. Kok & Zn., Hinderickx & Winderickx en Fokas Holthuis. Ook deze exemplaren werden niet door de Hermans-biograaf geraadpleegd.

Friedrich Nietzsche was een van de helden van de jonge Hermans. Also sprach Zarathustra las Hermans als vijftienjarige al (oordeel: ‘heel prachtig’) en in 1939 hield hij voor de literaire schoolvereniging een verhandeling over Nietzsche. De filosoof was een levenslange fascinatie: naar Nietzsche’s huizen en werkplekken maakte Hermans begin jaren tachtig pelgrimages. Otterspeer in De mislukkingskunstenaar: ‘Er bleef jammer genoeg maar één deeltje bewaard van zijn oude Nietzsche-uitgaven’ – gevolgd door een citaat van de passage die Hermans in dit deel aanstreepte. In het antiquariaat wordt echter ook veel waardevols bewaard: sinds 2007 staan achttien delen van Nietzsche’s wetenschappelijke brieveneditie, ‘with annotations & markings in pencil on some of the first endpapers & margins by W.F. Hermans’, te koop bij Kok in Amsterdam.

Maar het kan altijd erger. Na de dood van de schrijversweduwe Emmy Hermans-Meurs in 2008 doken er bij de plaatselijke kringloopwinkel in Broek in Waterland opeens boeken op met het ingeplakte exlibris van Hermans. Een oplettende verzamelaar uit Amsterdam-Noord haalde bij deze ‘kringloopwinkel +’ een tiental mooie boeken van de plank. Vroegtwintigste-eeuwse Spaanse literatuur, evenals biografieën van Dickens en Flaubert, met in de kantlijn strepen en aantekeningen van W.F. Hermans. Voor minder dan twee tientjes kon de verzamelaar ze meenemen. Geen Hermans-biograaf, geen Hermans-instituut had bedacht dat die boeken nog van nut konden zijn.

En zelf kon ik even later – via een tussenpersoon, die een riant vindersloon bedong – uit dezelfde dozen het zo goed als complete poëtische oeuvre van Gust Gils, in afzonderlijke dichtbundels, bemachtigen. Uiteraard staan in elk exemplaar vriendschappelijke opdrachten van Gils en leestekens van Hermans. Gemist door Otterspeer, die de briefwisseling Hermans-Gils typeerde als ‘een van de boeiendste uit het hele Hermans-archief’.

Dat een reconstructie van Hermans’ boekerij niet meer tot de mogelijkheden behoort, daar valt mee te leven. Verbijsterend is evenwel dat deze biograaf – die zich tien jaar lang op leven en werken van een schrijver heeft gestort, die te pas en te onpas pronkte met het hem door de erven geschonken aantekenboekje waarin de schrijver opschreef wat hij las – niet heeft willen zien wat er bij de weduwe Hermans in de boekenkast stond. Dat waren de boeken die Willem Frederik Hermans nooit had afgedankt, die hij tot het eind van het leven bij zich wilde hebben. Otterspeer had het kunnen weten: bij Hermans zijn de laatste drukken, de boeken het laatst ingezien, het belangrijkst.

Verdronken in een vat honing

Tijdens het lezen van De zanger van de wrok (2015), het tweede en laatste deel van Otterspeers Hermans-biografie, heb ik nogal eens zitten knikkebollen. Het leven van W.F. Hermans interesseert mij zeer, maar wanneer zijn biograaf het levensverhaal vult met bijzaken, opsommingen en vaagheden gaat bij mij langzaam het licht uit en dut ik in. Tegen onjuistheden kun je in het geweer komen. Tegen slepende saaiheid en slordige stijl begin je niets.

Gelukkig is er altijd een citaat van Hermans dat je doet opveren. Bij het eerste citaat in het vijfentwintigste hoofdstuk van De zanger van de wrok zat ik weer rechtop in mijn stoel.

Ik heb van het begin af het gevoel gehad dat mij op den duur de mond zou worden gesnoerd door een massale collectieve dwangneurose, tegen mij gericht. Daardoor heb ik altijd zo’n belangstelling voor Multatuli gehad, die hetzelfde overkomen is als mij – alleen op veel groter schaal. Ik ben nooit wat anders dan een schrijver geweest, geen sociale agitator. Voor schrijvers heeft helemaal niemand interesse, d.w.z. ik word òf doodgezwegen òf overschreeuwd met welwillende algemeenheden, verdronken in een vat honing.

Dit is slechts een fragment van een langer citaat, dat Otterspeer uit een brief van Hermans aan Freddy De Vree van 7 december 1964 plukt. Eerder haalde hij de brief aan in zijn essay Dorbeck, waar ben je? (2012). De Vree beeldde de volledige brief in facsimile af in zijn boek De aardigste man ter wereld (2002).

Deze depressieve zinnen maken een belangrijk kerncitaat. Dit vond ook de figuur die mij op 24 juli 2006, op de stoep van een voormalige garage in de Groningse Warmoesstraat, de roofdruk Verdronken in een vat honing overhandigde. In deze uitgave komt geen auteursnaam voor, maar de imprint ‘Hommeles – Spilsluizen’ zegt genoeg. De eigenlijke tekst bestaat uit bovenstaand citaat. Het colofon komt niet verder dan de mededeling ‘Geen colofon’; dat de tekst met de hand is gezet uit de Egmont en gedrukt in donkerbruin is mijn observatie.

Het laat zich raden wie er schuilgaat achter Verdronken in een vat honing. De uitgave is niet opgenomen in het lijstje verderfelijke drukwerken achterin Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans (2000 – met online updates); Janssen, Kegel en Van der Poel hebben deze ster nog niet aan het firmament gezien. De anonieme roofdrukker had wel het fatsoen om de zetfout in de derde regel (‘gesnord’) met een erratum in de vorm van een bladwijzer te herstellen.

Overigens verwijst ‘verdronken in een vat honing’ naar de wederopstanding van een zoon in een Griekse mythe. Het is de jongen Glaukos die, spelend in de wijnkelders van zijn vader, in een vat honing verdrinkt. Omdat het orakel van Delphi woord houdt, kan Glaukos – na tussenkomst van een wijze man, twee slangen en een kruid – weer tot leven worden gewekt.

Hij kuste haar en sloeg het blad om

Typografisch kunstenaar Ewald Spieker heeft zijn werkplaats in hartje Amsterdam. Kees van Kooten woont bij hem om de hoek – ‘zesentwintig passen afstand’, om precies te zijn. De letterlievende buurmannen maakten samen het schitterende boek Letterlust (2003). Daarin bundelden ze hun beider kijk op het alfabet: de een met tekst, de ander met typografie.

Een Amsterdamse uitgever, die vorig jaar meeliep in een georganiseerde Hermans-wandeling door Amsterdam, vertelde me laatst dat de groep Hermansianen toen ook even halt hield bij Spiekers atelier aan de Groenburgwal. Op de smalle stoep van de gracht werd eerbiedig herdacht dat Spieker op deze plek in de herfst van 1981 het speelse boekje Beertje Bombazijn had gemaakt. ‘Dames en heren, kijkt u eens, hier werd de zeldzaamste Hermans gedrukt.’

Het prachtige en ingenieuze drukwerk van Ewald Spieker heb ik pas onlangs ontdekt. Het is lastig om al zijn uitgaven te bemachtigen, zeker het gelegenheidsdrukwerk (nieuwjaarswensen, uitnodigingen). Omdat er geen oeuvrecatalogus of bibliografie van Spieker bestaat, valt er ook geen lijst af te vinken. Uitkomst bieden de vele registers in de door Marieke van Delft en Kees Thomassen samengestelde Bibliografie van marginale uitgaven 1981-1994 (1996).

Ontroerend is de uitgave op groot formaat Vrede Paix Peace Friede (1980), een in memoriam John Lennon, door Spieker gezet en gedrukt daags na het overlijden van de muzikant en vredesactivist. De oplage van twintig exemplaren, bestemd voor gelijkgestemden en ‘not for sale’, kwam gereed op 20 december. Typografisch rouwen: vier verstilde rasterdrukken, ingeleid door de regel ‘only a day’ en afgesloten met ‘give peace a chance’.

Mijn favoriet is het smalle boekje Met-amor-fose (1989), gedrukt in 70 genummerde en gesigneerde exemplaren. Het is een sprookje over ‘een mooie mond’, die het verlangen heeft ‘te vliegen hoog boven de horizon’. In de vierde tekstpagina heeft Spieker een glimlachende mond uitgestanst, twee vuurrode vrouwenlippen. Een prins verwezenlijkt de droom van de mond: ‘hij kuste haar en sloeg het blad om waarop zij stond’.

Wie aldus de bladzijde omslaat, komt op het hemelblauw bedrukte hart van het boekje. De kus is een vlinder geworden, die fladdert met de beweging van de bladzijden, ‘geruisloos de horizon voorbij’. En zo ziet dat eruit.

En de prins? Die had sindsdien ‘de vlinder in zijn buik en zo leefden ze nog lang en gelukkig’.

Verhaal halen

In mei 1980 verscheen bij De Bezige Bij de bloemlezing Verhaal halen, met bijdragen van Jan Arends, C. Buddingh’, Remco Campert, Jan Cremer, Hugo Claus, Kees van Kooten, Harry Mulisch en vele anderen. Van Willem Frederik Hermans werd in dit boek het korte verhaal ‘Paramaribo’ opgenomen. Hermans’ presentexemplaar ging vergezeld van een honorariumberekening. Dat Hermans zelf een andere calculatie voor ogen stond, blijkt uit twee boze brieven van Hermans aan De Bezige Bij.

W.F. Hermans rekent in een brief van 11 juni 1980 de nieuwe Bij-medewerker Johannes Witteman voor dat zijn honorarium vreselijk laag is:

Er is f 60 per pagina betaald, d.w.z. in totaal 427 pagina’s tekst f 25620, dat is per exemplaar f 2,281 wat neerkomt op een royalty van slechts 4%… Schandelijk! Een honorarium van f 3,20 zou evenwel, zie bovenstaande berekening redelijk geweest zijn, ja zelfs heel matig. f 3,20 is 2,498 maal zoveel als wat jullie gedacht hadden te moeten betalen.

Wittemans antwoord bevalt Hermans allerminst. Op 26 juni 1980 komt de in zijn uitgever teleurgestelde schrijver met een oplossing:

Om een en ander te vergemakkelijken, wil ik er genoegen mee nemen dat het door mij nagevorde bedrag (f 1119,05 – f 480) = f 639,04 pas na het uitverkocht zijn van de eerste druk op mijn tegoedrekening wordt bijgeschreven. Van de volgende druk wil ik echter een honorarium hebben dat gebaseerd is op 10% van de verkoopsprijs.

Deze brieven worden samen te koop aangeboden door een antiquaar in Loosdrecht, die de hand heeft weten te leggen op enkele archiefstukken van De Bezige Bij. Daarbij zijn ook drie brieven van Gerard Reve en dummy’s van Lucebert en Marten Toonder. In andere, zakelijke brieven van Hermans aan zijn uitgever gaat het over een subsidieaanvraag, filmrechten en de Noorse vertaling van Nooit meer slapen:

Ik hoop dat die [uitgeverij] Guldendal inderdaad wat verkoopt van Nooit meer slapen en ben al blij dat zij, na van “Damokles’ Morkerom” niet veel verkocht te hebben, indertijd, niet bij zichzelf gezegd hebben “Nooit meer Hermans”.

De verkoop van brieven, opdrachtexemplaren en foto’s uit het archief van een literaire uitgeverij is niet nieuw, maar ook niet onomstreden.

Voormalig De Arbeiderspers-directeur Theo Sontrop is al jaren een lichtend voorbeeld. De via Sontrop in de handel gekomen typoscripten van F.B. Hotz zien sommigen liever in het depot van een openbare instelling verdwijnen. Ben Hosman, oud-uitgever bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, deed ook afstand van aan hem opgedragen boeken en unieke luxe-exemplaren van fondsuitgaven. In mei 2014 kwam een grote partij boeken, sommige met begeleidende schrijversbrieven en van intieme inscripties voorzien, uit het bezit van Bert Bakker jr. onder de hamer.

Die vrouw

Dankzij de ogenschijnlijk goed gedocumenteerde biografie van Willem Otterspeer kent het liefdesleven van W.F. Hermans amper geheimen. In de veertiger jaren was Hermans een rokkenjager, een hitsige adolescent die veel meisjes versleet en er nog veel meer begeerde. Hun namen zijn in De mislukkingskunstenaar (2013) geboekstaafd. Aan Hannie Blind liet Wim voor het eerst zijn piemel zien. Met Jenny de Groot had hij de allereerste keer geslachtsgemeenschap, in de duinen bij Brielle.

Getrouwd was geen excuus, voor Hermans. Hij deed het halverwege de jaren ’40 met Juusje Hartman, Albertien de Wolf, Genia Timmer – alle voor de wet gehuwd. Via het echtpaar Genia en Charles B. Timmer maakte Hermans kennis met de acteur Johan Schmitz en diens echtgenote Reny. Zij waren buren in de Botticellistraat in Amsterdam. Reny Schmitz-Knufman was Hermans’ nieuwste verovering.

In de Hermans-biografie komt Reny tweemaal voorbij, maar Otterspeer laat niet veel meer over haar los dan ‘dat Hermans ook een verhouding had met die vrouw’.

Uit het net opgedoken opdrachtexemplaar van Hermans’ debuutbundel Kussen door een rag van woorden blijkt dat Reny belangrijker voor de schrijver is geweest dan de Hermansianen, Otterspeer voorop, tot dusver hebben aangenomen. In december 1944 schonk Hermans haar een van zijn laatste exemplaren van zijn bundel, met een vleiend-verontschuldigende opdracht: ‘Voor Reny, in de hoop dat zij mij vergeven wil dat ik haar/ zoo welluidende naam op de leege plekken die de vrouwelijke hoofdpersoon/ in het dagboek van Karel R. moesten voorstellen, heb ingevuld’.

Het is mogelijk dat ‘die vrouw’ model stond voor het personage Madelon in de als dagboek gebrachte novelle In de mist van het schimmenrijk, waarnaar Hermans in de opdracht verwijst. Maar Otterspeer hult zich in een wolk van niet weten. De zeven brieven die het echtpaar Schmitz aan Hermans schreef (aanwezig in het Hermans-archief in het Letterkundig Museum) worden in De mislukkingskunstenaar ook niet genoemd.

Kont aan kont

Toen ik nog doorging voor ambitieus student Nederlands, in het jaar 2005, heb ik in twee maanden tijd 73 brieven van Pierre Kemp overgetikt en veredeld met 207 voetnoten. Bij een even grondige als gezellige opruiming in de archieven van Fokas Holthuis waren allerlei brieven van velerhande schrijvers tevoorschijn gekomen. Rijp en groen.

De schepranden van Verwey, het briefhoofd van Hermans. De foliovellen van Erens, het blocnootje van Hillenius.

In een rode overslagmap trof ik een stapel zeer leesbare brieven van Kemp aan. Alle ongepubliceerd. Ik kreeg ze te leen mee naar huis, ten behoeve van een bachelorscriptie editietechniek. Thuis leerde ik pas dat alle brieven aan dezelfde persoon gericht waren: E.F. Tijdens, oriëntalist en huidarts te Maastricht.

‘Het resultaat is zonder meer publicabel,’ oordeelde een professor in Groningen over mijn scriptie, maar het recht op publicatie bleek voorbehouden te zijn aan een professor in Maastricht. Van Kees Lekkerkerkers theorie over hoge en lage apen zou ik pas enkele jaren later kennisnemen.

Tezelfdertijd las ik in Bouwval van Frans Kellendonk het gepolijste verhaal ‘De waarheid en mevrouw Kazinczy’. Hoofdpersoon Van Stakenburg bezorgt een editie van opgedoken brieven van Vossius aan een zekere John Latham. Herkenbaar. Maar de brieven van Vossius blijken aan het eind van het liedje vervalsingen te zijn. ‘Each and every one of them utter frauds’. Van Stakenburgs transcripties belanden in de prullenmand.

Mijn ongepubliceerde scriptie Uw licht, dat niet anders dan Oosters-scherp kan zijn ingesteld belandde ten minste in de literatuurlijst van de Kemp-biografie. De originele brieven van Pierre Kemp gingen retour Den Haag. Plus een pakketje vers drukwerk.

Op de bodem van de rode map had ik een vel papier gevonden dat niets met Kemp of Tijdens te maken had. Het was een fragment van een brief, in doorslag, van de letterkundige Karel Reijnders. De geadresseerde was niet meer te achterhalen, dit was het tweede vel. Het brieffragment ging over Reijnders’ belevenissen na de promotie van Frans A. Janssen, in een Chinees restaurant te Amsterdam, waar W.F. Hermans ook opdook. Interessant genoeg om te verwerken in een geschenkdruk.

Kont aan kont met genoemde WF werd ontleend aan een late brief van KR. De tekst, gezet uit de 16-punts Bodoni, werd gedrukt op de pers van het Grafisch Centrum te Groningen door Nick ter Wal. De oplage bedraagt 4 exemplaren, bestemd voor de oprechte bibliofiel Fokas Holthuis – als dank voor het geleende papieren speelgoed. Dit is nummer [].

Onder dit colofon drukte ik een gele bol met een zwarte accolade door het midden. De ontvanger van de geschenkdruk zag er meteen de beoogde kont in.

Dinky Toys (3)

Freddy de Vree sleepte nummer 8 in de wacht, Marie-Claire Nuyens ontving nummer 9, Danny Bonne kreeg nummer 11 toegestuurd, Rob Delvigne bekwam nummer 16, Piet Schreuders bemachtigde nummer 38, Frans A. Janssen nam nummer 47 in ontvangst, Gert Jan Hemmink verwierf nummer 50. Het is nog geen elftal, maar de inventarisatie is iets uitgebreid: van deze personen is zeker dat zij een exemplaar van Hermans’ zelfgemaakte boekje Dinky Toys (1976) kregen.

De oplage van het begeerlijke boekje wordt door de bibliografen gehouden op ‘ca. 60’. Het colofon van Dinky Toys meldt wel dat alle exemplaren met de hand genummerd zijn en ‘sommige gesigneerd door de auteur’. De exemplaren die ik in catalogi en bij verzamelaars heb gezien zijn allemaal gesigneerd en bovendien voorzien van een opdracht van de auteur. Ook het exemplaar dat antiquaar Willem Huijer in 1984 in zijn verkoopcatalogus aanbood had een opdracht.

Huijer had de gewoonte om schrijversopdrachten niet (voluit) te citeren. Dat vindt Hermans in 1984 ook jammer. Hij wisselt vanuit Parijs drie brieven met de Amsterdamse antiquaar over het aangeboden exemplaar. Wie heeft het gewaagd een cadeautje te verpatsen? Het is de Rotterdamse uitgever en boekverkoper Pablo van Dijk, onthult Huijer. Als dank voor deze informatie geeft Hermans informatie over Van Dijks exemplaar en de oplage van Dinky Toys:

Het nummer van het boekje is, als ik me niet vergis 51. Er zijn in totaal 54 exemplaren geweest.

(Huijer liet de brieven in 1999 veilen; ik citeer uit de veilingcatalogus.)

Acht jaar na de verschijning van Dinky Toys meent Hermans dus te weten welk exemplaar hij aan Van Dijk gaf. Het zou me niets verbazen als Hermans, groot administrateur van zijn eigen leven, een distributielijst heeft bijgehouden. Een simpel lijstje met nummers en namen. Ik zou graag zien hoe de Dinky Toys zich als een olievlek, herstel: een plasje Eau Sauvage, over de aardbol verspreidden. Maar, als er zo’n distributielijst van Dinky Toys bestaat, waarom zouden de tekstbezorgers van de Volledige Werken er dan geen gebruik van gemaakt hebben?

Olifant

Zonder de oude zwart-witfoto’s van Groningse schrijvers en interieurs was de Literaire wandeling Groningen een stuk saaier geweest. In de overweldigende berg gedigitaliseerde foto’s in de Beeldbank Groningen vonden we bijvoorbeeld een strak portret van Belcampo anno 1956 en een opname van de sfeervolle Openbare Leeszaal en Boekerij in 1914. De Beeldbank geeft de mogelijkheid om op locatie te zoeken; voor ons literaire wandelaars, schrijvend van adres naar adres, een schitterende uitvinding.

Lunchroom Lang en de schrijvers en kunstenaars die er hun kopje koffie dronken zijn nooit door een fotograaf vastgelegd. De lunchroom, in de naoorlogse jaren gevestigd op Herestraat 45, wordt kort genoemd in onze wandelgids. Er is precies een scherpe foto van de volledige voorgevel van het pand, maar die viel meteen af, omdat manufacturenhandel C.H. Vroom er toen nog zat. Onze zoektocht leverde nog een foto op van lunchroom Lang, al wordt daarop de gevel aan het zicht onttrokken door een mensenmenigte en een olifant. En juist dit surrealistische kiekje (let op het verkeersbord) heeft beide drukken van de Literaire wandeling Groningen gehaald.

Een olifant in een wandelgids, waarom niet?

Het zijn er trouwens twee. Er staan twee olifanten in de Herestraat. Met dompteur Aage Nielsen maakten ze in juli 1951 een wandeling door de binnenstad, opdat het volk zou weten dat het rondtrekkende circus van Jos Mullens weer in Groningen was neergestreken. De zusters van het diaconessenhuis aan de Praediniussingel kregen de mastodonten ook te zien.

Het had niet veel gescheeld of Circus Jos Mullens had Groningen in 1951 overgeslagen. Eind 1949 moest de tournee worden afgelast vanwege een door storm vernielde tent. In april 1950 waren de stallen en 22 paarden bij een grote brand verloren gegaan. In mei 1951 kreeg directeur Mullens een proces-verbaal wegens overtreding van de Arbeidswet (kinderarbeid). Een maand later stortte weer een andere circustent in.

Van 6 tot en met 14 juli 1951 liepen er panters, olifanten, raspaarden, luchtacrobaten, slangenmensen en Vlaamse clowns over de Ossenmarkt. W.F. Hermans had ze vanachter zijn schrijftafel kunnen zien, maar hij heeft het hele circus op een haar na gemist. De schrijver ging pas eind 1952 in Groningen wonen.

Gelukkig bleef het circus, jaar in jaar uit, zijn tent opslaan op de Ossenmarkt. Hermans aan Reve, 10 september 1955:

Al een week lang wordt het huis aan de buitenkant geschilderd zodat er op de meest onverwachte ogenblikken mannen op ladders voor de ramen staan en naar binnen kijken. Ik kan geen pest uitvoeren. Als ze weg zijn komt er een circus voor de deur. Ik wil verhuizen, maar ik weet niet waar naartoe. Herhaaldelijk fantaseer ik dat ik een V2 ben die uit de stratosfeer geruisloos op deze stad afkomt en onder wellustige gevoelens uit elkaar springt.

Illustreren

In het niet genoeg te prijzen boek De omgevallen boekenkast (1987) herinnert Hans van Straten zich nauwkeurig welke dichters en schilders hij, in de oorlogsjaren, in Leiden ontmoette. De namen van twee van hen herhaalt hij in een voetnoot: Will H. Tweehuysen en Bob Smits. Beide kunstenaars, zo blijkt uit de noot, illustreerden voor Van Straten een boek:

Bij gebrek aan schetsboeken gebruikten schilders en tekenaars in de oorlogsjaren vaak dichtbundels, die er met hun vele ‘wit’ om vroegen geïllustreerd te worden. Zo bezit ik een exemplaar van Hoorniks dichtbundel De erfgenaam met pentekeningen van Will. […] Van hem [= Smits] bezit ik een geïllustreerd exemplaar van Hoorniks bloemlezing Twee lentes.

De vrije kunstenaar die in de oorlog, al dan niet tegen geldelijke vergoeding, dichtbundels van originele tekeningen voorziet: C.A.B. Bantzinger is hier het bekendste voorbeeld van. Hij pakte het bovendien professioneel aan: in de tweede helft van 1941 kregen sommige drukken van Vasalis’ succesbundel Parken en woestijnen (1940) een gedrukt kaartje mee: Bantzinger bood hierop zijn diensten aan, belangstellenden konden een door hem geïllustreerd exemplaar van de dichtbundel inzien ten kantore van uitgever A.A.M. Stols in Den Haag.

Van dergelijke door Bantzinger aangelegde Parken en woestijnen zijn maar een handvol exemplaren bekend. In 2011 kocht de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een exemplaar van de zevende druk met twaalf pentekeningen. Toen De Slegte nog De Slegte was en regelmatig smakelijke catalogi uitbracht, dook daar eens een achtste druk op met illustraties van Bantzinger. Onlangs kwam een geïllustreerd exemplaar onder de hamer in Diemen.

Willem Otterspeer beschrijft aan het eind van het zevende hoofdstuk van De mislukkingskunstenaar (2013) de toenemende welvaart van de held van zijn geschiedenis. Ook nadat de colleges fysische geografie in ‘het gevaarlijke jaar’ 1943 waren opgeschort, behield Willem Frederik Hermans zijn assistentenbaantje. Hij hoefde aan de universiteit weinig te doen en de loonstrookjes bleven komen. Het ging Hermans, aldus zijn biograaf, voor het eerst in zijn leven financieel voor de wind.

Dat Hermans halverwege de oorlog goed in de slappe was zat, leidt Otterspeer af uit diens theater- en concertbezoek en deelname aan een veiling bij G. Theod. Bom & Zn. Steeds minder mensen konden zich een avondje uit of een stilleventje veroorloven. Otterspeer: ‘Het blijkt vooral ook uit de bestelling van twee tekeningen bij de Haarlemmer tekenaar Bantzinger om zijn exemplaar van Parken en woestijnen van Vasalis mee te illustreren.’

Bestelde Hermans inderdaad twee losse tekeningen voor zijn Vasalis? Of reageerde hij simpelweg op Bantzingers ingelegde kaartje? Otterspeer geeft in een voetnoot de data van drie brieven van Hermans aan Bantzinger (20 mei, 18 juli en 2 november 1943), maar citeert ze niet. De drie brieven van Bantzinger aan Hermans blijven ongenoemd. Jammer, want als Otterspeer Hermans’ leven straks volledig in kaart heeft gebracht, gaat Hermans’ archief weer op slot. Dan zullen we het nooit weten.

Welke bedragen er met de twee tekeningen gemoeid waren, laat Otterspeer eveneens na te vermelden, ook al ziet hij Hermans’ bestelling bij Bantzinger als het belangrijkste bewijs voor diens rijkdom anno 1943. Het gedrukte kaartje uit de tweede helft van 1941 geeft f 10.- voor een met de hand geïllustreerde bundel. Ter (willekeurige) vergelijking: in dezelfde periode kostte de nieuwe roman van A. Marja f 2.- (ingenaaid) respectievelijk f 2.95 (gebonden). In december 1941 vroeg de boekhandelaar voor Vasalis’ ongeïllustreerde bundel f 2.25. Waren de prijzen, en vooral de verhoudingen, twee jaar later helemaal anders?

De kwestie komt nog meer op losse schroeven te staan, als Otterspeer het, ruim 150 bladzijden verder in De  mislukkingskunstenaar, heeft over ‘vermoedelijk een ets als die van Bantzinger die hij [= Hermans] in zijn Vasalis-exemplaar had laten binden’.

Gegarandeerd motecht

De herdruk van de briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve, Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel (2008), ligt vanaf deze week als paperback in de boekhandel. Alle Revianen en Hermansianen moeten dit boek lezen, als ze dat nog niet gedaan hebben. Maar wat moet je verzamelen als je van Hermans én Reve houdt? Wat wil de bibliofiel? Na een zoektocht in catalogi van antiquariaten en veilinghuizen en een graaftocht in mijn geheugen is dit de absolute, objectieve top 10 van leukste en belangrijkste items, waarin de twee grootste naoorlogse schrijvers verenigd zijn – met, wanneer bekend, de prijzen.

10.

Aflevering 15 van jaargang 4 van Criterium. Algemeen cultureel maandblad.
Pardon, een muffe tijdschriftaflevering, die elke antiquaar tegenwoordig bij het oud papier legt? Zeker: in dit bewuste nummer, verschenen in december 1946, debuteert ene Simon van het Reve met het ontroerende verhaal ‘De ondergang van de familie Boslowits’. W.F. Hermans, net aangetreden als redacteur van Criterium, publiceert in dit nummer een fragment uit de roman-in-wording De tranen der acacia’s en een krakende kroniek over het oorlogsdagboek van Bert Voeten. Hun eerste ontmoeting op papier; de lijfelijke kennismaking zal pas in september 1947 zijn.

9.

Reve/Hermans, een anekdote (1988).
Aardig boekje, geschreven door Bertus G. Antonissen, met 38 fantastische foto’s door Cas Oorthuys van Hermans en Reve anno 1955 op het Waterlooplein en op het dak van de Galerij, waar Reve met zijn echtgenote Hanny Michaelis woonde. Op de kiekjes zie je de schrijvers poseren met pannendeksels op hun hoofden of een serieus gesprek voeren in een sierlijk urinoir. Hermans en Reve roken op praktisch elke foto; er moet tijdens de shoot wel een halve slof sigaretten doorheen zijn gegaan. (€ 15)

8.

Mandarijnen op zwavelzuur (1964).
In Hermans’ grappige en tegelijk snoeiharde boek, verschenen na de breuk tussen de schrijvers in 1959, komt Reve ook voorbij. Hermans plaatst in de marge zogenaamde portretten van de schrijvers die hij ter sprake brengt (M. Vasalis draagt een boerka, Koos Schuur is een schedel, W.H. Nagel is een behaarde bodybuilder). De foto van Reve (een tegen een lantaarnpaal leunende jongeman in Chicago) lijkt zowaar op Reve. Het onderschrift luidt: ‘Waiting for understanding. Neither boy nor man.’ Vier jaar later probeert Reve – zonder succes – een afdruk van de foto te bemachtigen: ‘Ik vind hem erg vertederend. Ik heb al heel wat eksemplaren, op die pagina, voor bewonderaars moeten signeren.’ (€ 200)

7.

Het sadistische universum (1964).
In deze bundel scheppend en beschouwd proza staat het bekende essay ‘Monoloog van een anglofoob’: Hermans haat het Engelse volk, de politici, de rare gewoonten, de hoofdstad, de taal. Als Reve in 1952 Hermans out of the blue een in het Engels gestelde brief stuurt, omdat hij voortaan toch alleen in het Engels wil publiceren, reageert Hermans met een brief vol beredeneerde tegenwerpingen. In dit anti-Engelse essay wordt Reve uiteraard genoemd (‘Engeland is een vreselijk land voor schrijvers, maar zelfs voor verdienstelijke talenten.’). (€ 10)

6.

Reve’s exemplaar van Het sadistische universum (1964).
Meesterverzamelaar Arie Oexman verwierf ooit Reve’s exemplaar van dit boek. Het haalde in 2008 de verkoopcatalogus van zijn Hermans-collectie. Getuige een opdracht op de titelpagina kreeg Reve het boek rond de Kerstdagen van zijn vriendje Peter Lotgering, die in een Amsterdamse boekhandel werkte. Niet sensationeel, wel bijzonder. (€ 45)

5.

Hermans’ exemplaar van aflevering 11 van jaargang 3 van The Paris Review.
De redactie van dit vooraanstaande blad plaatst in december 1955 met genoegen ‘Gossamer’, een Engels verhaal van Reve. Als Reve in het begin van 1956 presentexemplaren ontvangt, stuurt hij Hermans bij wijze van nieuwjaarswens een exemplaar met opdracht toe: ‘For Wim & Emmy/ With best wishes for 1956/ 6/1/1956/ GerardKornelisVanHetReve’. Hermans bedankt lauwtjes – en in het Nederlands.

4.

Originele zwart-witfoto door W.F. Hermans van de etalage van een Groningse boekhandel.
Op 9 januari 1957 stuurt Hermans Reve een ansichtkaart met een door de etalageruit geknipte foto van spiksplinternieuwe exemplaren van Reve’s Verzameld werk (1956) en Hermans’ De God Denkbaar Denkbaar de God (1956), allebei door Van Oorschot uitgegeven, broederlijk naast elkaar.

3.

Reve’s rokkostuum.
Op 6 juli 1955 promoveert Willem Frederik Hermans cum laude tot doctor in de fysische geografie aan de faculteit wis- en natuurkunde. In de aula van de Universiteit van Amsterdam verdedigt Hermans zijn proefschrift met zijn vrienden Oey Tjeng-Sit en Gerard Reve als paranimfen. Reve draagt een keurige slipjas, volgens het etiket ‘gegarandeerd motecht’; het stond ook in de catalogus-Oexman. Ik heb het destijds mogen passen, maar bleef er met mijn linkerarm in steken. Groot schrijver, klein ventje, Reve. (€ 250)

2.

Originele, handgeschreven brief van Hermans aan Reve.
Van alle brieven in Verscheur deze brief! is er maar eentje in de handel geweest. Op 24 januari 1950 schrijft Hermans zijn vriend over een nieuw project: het schrijven van een gezamenlijke roman over een lesbische vrouw die samen met een intellectuele vriendin haar geslachtszieke man martelt. Het boek is er nooit gekomen, de brief is het enige bewijs van hun voornemen. (€ 3250)

1.

Reve’s exemplaar van De mandarijnenpers (1955).
Vanaf begin april 1955 vertoeft Reve in Londen. Zijn echtgenote Hanny blijft in Nederland en wordt te logeren gevraagd door het echtpaar Hermans. Reve informeert op 24 mei 1955 bij Hermans naar de logeerpartij en praat het overzeese drietal moed in: ‘Do not allow your life to be spoiled by the mental hunchbaks that inhabit the dwarfstate in which we, unluckily, were born.’ Van zijn net verschenen, in eigen beheer uitgegeven polemisch werkje De mandarijnenpers post Hermans drie dagen later in Groningen exemplaar nummer 29 (van de 500) naar Engeland. De opdracht luidt: ‘To Gerard Kornelis v.h. Reve,/ sincere greetings from a dwarf state,/ 3 midgets’. Ondertekend door Hanny, Wim en Emmy. (€ 1200)

Dinky Toys (2)

Aan de opsomming van exemplaren van Dinky Toys (1976) kan, sinds de verschijning van de catalogus Willem Frederik Hermans. Boeken en archivalia uit de collectie van Freddy de Vree, afgelopen vrijdag op de 34e Amsterdam Book Fair, eentje worden toegevoegd.

In de eigenzinnig ingedeelde lijst wordt onder het kopje ‘Mandarijnen’ exemplaar nummer 8 van Hermans’ huisvlijtboekje beschreven en afgebeeld. Freddy de Vree kreeg zijn Dinky Toys op 6 oktober 1977. Dat is niet toevallig dezelfde dag dat Marie-Claire Nuyens haar exemplaar (nummer 9) ontving; Nuyens en De Vree waren geliefden en gingen ongetwijfeld samen op bezoek bij Hermans.

De omslagen van de exemplaren van Nuyens en De Vree hebben genoeg gemeen: het grijsgroene papier, de zwarte typemachineletters. En terwijl Nuyens in de titel een handgetekende, kapitale ‘D’ vond, kreeg De Vree zijn exemplaar met een grote ‘S’ op het eind. Op het oog horen beide boekjes dus bij elkaar, in een gelegenheidsformatie van Alfa en Omega – net als de vorige eigenaren.

Dinky Toys

In het nieuwe nummer van Boekenpost staat een selectie zeldzame en opmerkelijke boeken uit de voorraad van deelnemers aan de aanstaande Amsterdam Book Fair. Op letterkundig gebied vallen een eerste druk van De stille kracht (1900) en een gesigneerd opdrachtexemplaar van Frederik van Eeden op.

Tamelijk spectaculair is de aanbieding uit Antwerpen: een exemplaar van het zeer zeldzame Dinky Toys (1976) van W.F. Hermans. De schrijver gaf het boekje in Parijs in eigen beheer uit: hij tikte de tekst op zijn Olivetti Lexikon 90 en vermenigvuldigde de kopij op een vloeistofduplicator in niet meer dan 60 exemplaren. In de neus springend detail: in plaats van een soort alcohol, spiritus bijvoorbeeld, gebruikte Hermans in het productieproces Eau Sauvage, de inmiddels klassieke eau de toilette voor mannen. Dit vermeldt althans het mythologische colofon.

Vele uren handenarbeid moeten er in het maken van Dinky Toys zijn gaan zitten. Hermans voorzag elk exemplaar met de pen of met wrijfletters van een uniek omslag. Zo is het in de Hermans-bibliografie afgebeelde exemplaar gevat in een vel zwart papier met de titel in witte plakletters, terwijl het exemplaar van Piet Schreuders knaloranje is met zwarte letters en een ornamentje. In 2008 heb ik zelf even mogen ruiken aan het exemplaar van Arie Oexman, in wit omslag met zwarte typemachineletters en een rode, schreefloze ‘T’. Het Antwerpse exemplaar heeft een grijsgroen omslag met zwarte typemachineletters en een (getekende) ‘D’.

In de handgeschreven opdracht aan de eerste eigenaar, Marie-Claire Nuyens, verwijst Hermans nog eens naar het omslag: ‘omdat ze deze de mooiste vond, dank je wel’. Nuyens richtte in 1977 samen met Hugo Claus en Mark Verstockt de bibliofiele uitgeverij Ziggurat op; in november van hetzelfde jaar nog gaf Ziggurat Hermans’ Bijzondere Tekens uit.