Ferdinand Langen (1918-2016)

Ferdinand Langen was de telefoontjes een beetje beu. Overleed er een Nederlandse schrijver, dan werd hij meteen gebeld om voor de zoveelste keer die ene anekdote op te hoesten. HP/De Tijd, meende hij, was het ergst: dat tijdschrift had hem bovenaan de bellijst staan. Nu Ferdinand Langen zelf dood is, is er niemand meer om te bellen.

In 2008 stelde ik met Coen Peppelenbos een themanummer van Tzum samen over A. Marja. Daarvoor benaderde ik drie oude vrienden van de in 1964 gestorven dichter. Van Langen kreeg ik per kerende post een grote envelop waarin vijf getikte vellen met zijn levendige herinneringen aan Marja. Ze vertoefden in vooroorlogs Groningen in kringen van veelbelovende schrijvers en schilders. Langen wist Marja mooi te typeren: ‘meester in het mengen van hartelijkheden en hatelijkheden’. In de begeleidende brief leverde hij een korte autobiografie aan, omdat hij veronderstelde dat ‘niet alle lezers van uw tijdschrift literatuurgeschiedenis hebben gestudeerd’. (Ferdinand Langen behoorde tot de ‘vergeten schrijvers’, een tegenwoordig populair genre.)

Sindsdien hadden we geregeld contact. Hij schreef me brieven, gericht aan ‘Waarde directeur’. Ik stuurde hem nu en dan een pakket met uitgeprinte stukjes voor Artistiek Bureau. Vaak maakte dat weer iets los bij hem. Kwam hij in een tekst van mij de naam ‘H. Drijvers Jr.’ tegen, dan dook hij zijn archief in om interessante brieffragmenten over te tikken. Hij had Henk en Dini Drijvers uiteraard persoonlijk gekend.

Mijn stukjes vond hij het leukst wanneer ze niet zo braaf waren. Of een tikje vilein eindigden. Hij had ‘heel erg gelachen’ om ‘De dikste maatjes’ (over Connie Palmen en Hans Warren).

Het mogen dan details zijn die je opspoort, maar ze zijn wel waardevol en voegen vaak iets peperachtigs toe aan de auteurs die je noemt.

In zijn brieven bleef hij me voeren met details over literaire figuren. Er kwam een stroom aan particuliere herinneringen op gang.

Aan Hendrik de Vries, zijn overbuurman in Groningen, met wie hij ’s avonds ‘rondjes Bernoulliplein’ liep (‘daarbij wriemelde hij zijn beweeglijke vingers in elkaar, soms kon hij ze als we afscheid namen moeilijk weer uit elkaar krijgen’). Aan Reinold Kuipers, met wie hij eens per week een kop koffie in De Poort van Cleef ging drinken (‘bij die koffie bestelde Reinold altijd een portie leverworst’). Aan Lucebert, die op bankjes in het Vondelpark sliep en door hem weleens op een maaltijd bij de Chinees werd getrakteerd (‘veel voor weinig’). Aan Johan van der Zant, buurjongen op de Stadhouderskade in Amsterdam, die wilde weten wat Ferdinand van zijn liefdespoëzie vond (‘niks dus, maar wat mij opviel was de naam die hij eronder had gezet: Hans Andreus’). Aan de ex van Andreus, die lesbisch werd, een verhouding kreeg met omroepmanager Marijke Rawie, wier broertje nogal eens in geldnood verkeerde (‘een beginnend dichter, die soms geen brood op de plank en geen drank in het glas had’). Aan Max Dendermonde, die strontlazarus zijn auto in de heg parkeerde. Aan de logeerpartij van Reve en aan de handdruk van Claus.

Voor iemand die zei dat hij eigenlijk niet van terugblikken hield, keek hij opvallend vaak terug.

Een enkele keer kon ik iets terugdoen. Halverwege de jaren ’50 had hij de literatuur verruild voor een baan in de marketing (‘daar leerde ik wat een liquid lunch was’). Zijn uitgever Kuipers had hem gescout vanwege zijn kraakheldere stijl. Heel wat jaren had Ferdinand zijn creativiteit in zijn baan gestopt. Pas in 1981 verscheen er van zijn hand weer een verhaal, in een bundel ter ere van Geert Lubberhuizen, die afscheid nam van De Bezige Bij. (Bij dezelfde uitgeverij was Ferdinand gedebuteerd, had hij een tijdschrift opgericht en een boekenreeks geredigeerd.) Ook wilde hij zijn eigen werk weer compleet in de boekenkast hebben staan. In 2009 maakte ik hem blij met twee exemplaren van zijn enige in Duitsland verschenen boek. Zijn eigen exemplaren van Rot mit weissen streifchen, vermoedde hij, waren in 1957 meteen bij zijn ‘voormalige vijanden’ beland. (In dezelfde reeks van Langen Müller uit München verschenen vertalingen van Annie M.G. Schmidt en S. Carmiggelt.)

Van zijn belangstelling voor marketing had hij al blijk gegeven in een interview met Willem Elsschot. Voor de Haagse Post had hij – in een dag op en neer naar Antwerpen – in februari 1952, ter gelegenheid van de Boekenweek, de Vlaamse schrijver thuis opgezocht. Aan het eind van het artikel spreken beide schrijvers over de beste manier om voor een boek reclame te maken. Overigens was Ferdinand achteraf ontevreden over zijn interview.

Elsschot beantwoordde plichtmatig mijn vragen. Toen hij op de klok keek en mij vroeg mee te gaan naar zijn stamkroeg, heb ik beleefd geweigerd. Stom! Natuurlijk had die man met een slok op veel meer te vertellen.

Vier, vijf keer ben ik bij Ferdinand en zijn vrouw op bezoek geweest. Het waren vrolijke gesprekken die we voerden, zelden over de literatuur van vroeger. Op de grote hoekbank in de woonkamer lag meestal een stapel boeken uit de plaatselijke bibliotheek. De nieuwe Van Dis, de nieuwe Wieringa. Over Het boek Ont van Anton Valens was hij laaiend enthousiast. Om stipt vijf uur verplaatsten we ons dan naar het barretje in de keuken. Daar gingen we iets sterkers drinken dan thee. (Wie anders dan Ferdinand Langen publiceerde in 1945 het verhaal ‘Het recht op een borrel’.) Als ik ’s vrijdags kwam, kreeg ik een gebakken visje van de markt, alvorens ik op de Brink in Laren op de bus naar station Hilversum stapte.

Altijd waren zijn brieven in rood en zwart op een elektrische schrijfmachine getikt. Toen een winkeltje voor schrijfwaren in de Oude Kijk in ’t Jatstraat opheffingsuitverkoop hield, kocht Ferdinand de hele voorraad machinelint op.

En altijd stonden er spitsvondigheden in zijn brieven. Net als in zijn romans, in de dialogen met name, kon hij je listig op het verkeerde been zetten. Hij stond tamelijk zorgeloos in het leven. Bij de dood van Ton Lutz:

Mijn kapper die altijd heel goed geïnformeerd is, zegt: dood gaan we allemaal.

De laatste post uit Laren kwam naar aanleiding van de geboorte van mijn zoon: ‘Dag moeder Dag vader En hallo klein knuffeljoch’. Een lieve brief, ondertekend door ‘2 oude ervaringsdeskundigen’.

Geheime lade

Een sleets schrijfbureau van omstreeks 1920, uitgevoerd in walnoten- en beukenhout, met zes bureauladen voorzien van koperen handgrepen staat sinds gisteren te koop bij het Amsterdamse antiquariaat Hopi Bukinan. De prijs is 9500 euro.

Antiek in een tweedehandsboekhandel? De herkomst blijkt louter literair te zijn.

Het cilinderbureau is van Willem Elsschot geweest, meldt antiquaar Harry van Tienen. Hij kocht het in Antwerpen. De beschrijving van het meubel is kort maar zinnenprikkelend. Het bureau heeft namelijk een zevende, ‘geheime’ lade, waarin zich dertien liefdesbrieven uit de periode 1942-1945 bevinden, alle gericht aan Elsschot en ondertekend door ene ‘A. de T.’ De brieven zijn in lila inkt geschreven, worden bijeengehouden door een oudroze lint en ruiken, bijna zeventig jaar later nog, naar lavendel.

In 2004 onthulde Martine Cuyt in haar boek Willem Elsschot. Man van woorden de identiteit van Elsschots minnares: de dichteres Liane Bruylants. Volgens Bruylants had Elsschot nóg een geheime liefde, maar het spoor van Cuyt liep dood.

De antiquaar meldt desgevraagd dat de dertien onbekende brieven aan Elsschot mogelijk van zijn tweede minnares afkomstig zijn. Veel meer wil hij er niet over kwijt: ‘Meer kan ik u er ook niet over vertellen. Ik ga niks over de inhoud van de brieven zeggen. Dan is de lol er voor de eventuele koper af.’

Elsschot-biograaf Vic van de Reijt is zeer verrast door de ontdekking van het bureau en de brieven. ‘Hopelijk mag ik er binnenkort naar komen kijken. Voor een eventuele mystificatie is dit overigens wel erg goed gedaan.’

UPDATE 18-6-2014 Het leek al te mooi om waar te zijn. Binnen een etmaal, waarin Elsschot-kenners herhaaldelijk met elkaar en met mij e-mailden, was het wantrouwen geboren. Harry van Tienen bekent vandaag op NRC Boeken dat bureau en brieven een grote grap zijn.

Notities van Elsschot

Röntgenfoto’s van gewonde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, een Haarlemse incunabel, een middeleeuws handschrift, rijkvergulde boekbanden van Jules Verne. Nee, op basis van de advertentie had ik misschien niet de catalogus van de aanstaande veiling in Brugge uitgeplozen. De topstukken van de veiling zijn volgens mij verstopt in de afdeling ‘Nederlandstalige literatuur’. Twee notitieboekjes van Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, komen onder de hamer.

De originele boekjes zijn door de veilinghouder Elsschottiaans beschreven, dat wil zeggen: summier. Het eerste boekje, in bruin leer, telt 128 beschreven bladzijden, ‘met adressen, standen van zijn bankrekening, prijzen van papier en drukwerk, uren van de treinen, prijzen van advertenties’. Dan klinkt de notitie bij het tweede notitieboekje al spannender: ‘Al bladerend in Alfons De Ridder zijn notitieboekje, wordt men ondergedompeld in zijn leven als reclameman en uitgever’. De eerste bladzijde geeft naam en adres van de rechtmatige eigenaar. En: ‘terug te brengen tegen 1 frs belooning‘. Van deze bewering is de houdbaarheidsdatum inmiddels verstreken. De richtprijs voor beide boekjes is vastgesteld op 2000-2500 euro. Per stuk.

Het is overigens niet voor het eerst dat er zakagenda’s en notitieblokken van Elsschot in de handel komen. Een gerenommeerd Haags antiquariaat heeft al in 2001 een dergelijk notitieboekje verkocht. Jarenlang verpatsten kleinzonen van de schrijver snippers uit diens archief – met kort geding en bodemprocedure tot gevolg. In 2009 belandde het restant van Elsschots archief – nog steeds zeventien dozen documenten – bij het AMVC Letterenhuis.

Antwerpen, 22/10/1933

Waarde Vriend
Ik heb je presentexemplaar van Kaas aan V. Kampen meegegeven en veronderstel dat het in je bezit is.
‘K had het je liever zelf gebracht, maar niet wetend wanneer ik je nog eens zien zal, vond ik dit het eenvoudigst.
Ik heb hierin trachten te leggen de sentimenten en den gedachtengang van een gevoelsmensch in kontakt met de werkelijkheid (= met de Kaas).
Ik hoop dat je ’t nog eens lezen zal.

Aldus Alfons de Ridder, alias Willem Elsschot, op 26 oktober 1933 aan zijn goede vriend Jan Greshoff. Het was dankzij de stimulans van Greshoff dat Elsschot – in dat ongeëvenaarde record romanschrijven van 14 dagen, leerde ik op de middelbare school – zijn roman schreef. Kaas opent, bij wijze van opdracht aan Greshoff, met een gedicht van Elsschot.

Greshoffs eigen exemplaar van Kaas, met de handgeschreven en gesigneerde opdracht: ‘Aan den dichter van/ Pro Domo/ Antwerpen, 22/10/1933’, kwam onder de hamer op dinsdag 23 juni 1981. Het bracht, ondanks de voorzichtige richtprijs van 160-180 gulden, 2200 gulden op. Sindsdien werd het niet meer gesignaleerd. Tot eergisteren het laatste van de Vriendschap-vlugschriften in de mailbox plofte.

Antiquariaat Schuhmacher biedt het te koop aan. Wilma Schuhmacher heeft het boek al jaren in haar eigen boekenkast staan, maar gunt dit uitzonderlijke opdrachtexemplaar nu een goede bestemming.

Het was [in 1981] maar 200 gulden goedkoper dan de (m.i. te late) opdracht, eveneens aan Greshoff, in een luxe (!) Villa des Roses – en komt natuurlijk nabij het schitterend luxe exemplaar van dit boek met de even schitterende opdracht aan Anna van der Tak, zijn collega op de werf Gusto, die dit boek voor hem op Nederlands corrigeerde. Dit exemplaar – Anna dus – is nu op zijn (DV.) één na laatste bestemming in veilige handen. Ik gun deze Kaas een plaatsje naast haar.

De prijs voor dit opdrachtexemplaar, dat bovenaan de ladder der opdrachtexemplaren staat, is 6500 euro. Het vlugschrift van Schuhmacher eindigt met een waarschuwing aan het adres van ‘pingelaars’, die denken iets van de prijs af te kunnen kletsen.

Verder ben ik aardig – want bv. afbetalen in termijnen mag – en in tegenstelling tot een bank bereken ik dan geen rente.

Luxe villa

Vic van de Reijt heeft eindelijk zijn Elsschotcollectie compleet. ‘Ik heb twee weken geleden mezelf een cadeautje gegeven: het enige onbereikbare Elsschotboek dat ik nog niet had. Een luxe-editie van Villa des Roses. Daarvan zijn er tien op de markt gekomen, waarvan vijf in volperkament,’ vertelde de Elsschotbiograaf in zijn Radiodagboek.

Van de Reijt kocht het luxe-exemplaar van Elsschots debuut bij een Utrechtse antiquaar. ‘Nou, het bedrag viel me nog niet mee. Maar dankzij mijn Elsschotbiografie kreeg ik een mooi voorschot en dat heb ik helemaal in de aankoop van dat boek gestoken. Nog wat spaarcenten erbij moeten leggen ook. En nu staat het te pronken in mijn kast. Alle uitgaven van Elsschot in mijn kast. Wat moet ik nu nog verder?’

Elsschots eigen luxe-exemplaar, dat hij in 1913 van uitgever Van Dishoeck als honorarium kreeg en meteen schonk aan Anna van der Tak, kwam op 16 mei 2009 onder de hamer met een richtprijs van 20.000-25.000 euro. Dat een luxe-exemplaar in vroeger tijden niet bepaald een felbegeerd object was, bleek toen de jonge antiquaar Bert Hagen in de zestiger jaren de bibliotheek van de oude heer Van Dishoeck kocht. Hagen in 1995: ‘onder andere drie van de in totaal tien luxe exemplaren van de eerste druk van Villa des roses van Willem Elsschot, op geschept papier en gebonden in perkament. Zo ook van Achterberg’s Afvaart: drie van de tien luxe.’

Collectie X

Een nieuwe lente en een nieuw veilinghuis. Menige verzamelaar en boekhandelaar keek verrast op toen half april opeens De Voorbode op de deurmat plofte. Het eerste nummer van dit periodiek opende met het nieuws dat het bekende antiquariaat AioloZ in de hoofdstad een veilinghuis was begonnen. ‘Verkoop van topstukken uit verzameling X betekent droomdebuut voor ervaren starter,’ kopte de voorpagina. Die zin verraadt de enthousiaste toon van Piet van Winden, die samen met zijn vrouw Monique het voortouw binnen Aioloz Amsterdam Book and Print Auctions B.V. leek te nemen. De Voorbode beloofde ons met de eerste veiling louter topstukken op het gebied van boekkunst en literatuur, van het zeldzame Naenia tot het opgedoken persoonsbewijs van Vestdijk, van een handgekleurde Dijsselhof tot het luxe auteursexemplaar van Villa des Roses. Zelden zoveel superlatieven op een pagina gezien. De Voorbode deed niet onder voor Elsschots Wereldtijdschrift. De in het vooruitzicht gestelde catalogus kon eigenlijk alleen maar tegenvallen.

Eenmaal de schok te boven begon het speculeren over de identiteit van X. Het zou een man zijn die meer dan 30 jaar aan een uitzonderlijke collectie bouwde, kocht op de befaamde veilingen van Dirkx-Greshoff, Van der Loo en Polak, maar die nu met de verkoop van zijn verzameling wilde voorkomen dat zijn bijzondere boeken achter zijn portret zouden schuilgaan. Vandaar die X. Een handvol namen van grote verzamelaars uit Nederland en België zong rond, maar niemand voldeed aan het door AABP geschetste profiel. X bleef voorlopig X.

De puzzel werd allerminst makkelijker toen de catalogus verscheen. In de ‘Very fine’ getitelde inleiding stak Piet van Winden andermaal de loftrompet over de uitzonderlijke collectie boeken die hij onder de hamer mocht brengen, maar hij benadrukte ook dat het de laatste klus was van het echtpaar Van Winden voor AioloZ: met Hedgehog & Fox gaan zij de wereld van het ‘reputatiemanagement’ verkennen. Over X kon Van Winden enkel kwijt dat hij aan het begin van zijn antiquarische carrière met hem bevriend was geraakt. De verkoop van de collectie X moest de basis zijn van het nieuwe veilinghuis, dat onder leiding staat van Laurens Heij (voorheen in dienst bij Bubb Kuyper), bijgestaan door boekwetenschapper Heine Scholtens (voorheen Burgersdijk & Niermans) en kunsthistoricus Hannie Diependaal (voorheen Christie’s).

De oblong catalogus viel absoluut niet tegen. Hij was schitterend uitgevoerd, geheel in kleur, met talloze afbeeldingen. Er was nu eens geen apart illustratiekatern ingericht, maar de afbeeldingen stonden keurig bij de kavels, wat een hoop heen- en weer bladeren en gehannes met Arabische en Romeinse nummers scheelde. De veiling was opgesplitst in drie afdelingen: Book Art (534 nummers), Prints Drawings & Posters (44 nummers) en Dutch Literature (300 nummers). De eerste twee onderdelen waren in het Engels beschreven, het slotstuk in het Nederlands. Bij aandachtig bestuderen van de kavels werd X overigens alleen maar een groter vraagteken, want de aangeboden collectie was dermate eclectisch dat daarin geen lijn viel te ontdekken. Een X is overigens niet alleen een onbekende grootheid, maar ook een vermenigvuldigingsteken, en het leek erop dat de collectie X was aangevuld met eventuele collecties Y en Z, waaronder enkele plukjes onverkochte voorraad van antiquariaat AioloZ.

NRC Handelsblad berichtte op 9 mei over AABP Auctions, de nieuwe speler op de boekenmarkt. Titel: ‘Antiquarische boeken ook voor de gewone man’. In het paginabrede artikel legde Van Winden uit dat zijn marketingtechnieken een hoger doel dienden: hij wilde met kijkdagen op drie verschillende locaties en twee minisymposia over verzamelen in Antwerpen en Amsterdam verder kijken dan zijn neus lang was. Als de mensen niet naar de boeken komen, brengen wij de boeken naar de mensen, was zijn devies. Of die gewone man zich werkelijk aangesproken voelde, het is moeilijk te zeggen, maar het symposium in Antwerpen werd afgelast wegens gebrek aan belangstelling. Op de kijkdag in De Bijenkorf in Amsterdam was het verdacht rustig. Misschien ook liet de gewone man zich afschrikken door grote bedragen en de soms al te beknopte beschrijvingen.

Men kan lacherig doen over het rondreizende boekencircus van AABP, met zijn pleidooi voor meer promotie heeft Van Winden wel een punt. De meeste antiquaren zijn allergisch danwel te bescheiden voor een goede PR. De NVvA zou eens moeten overwegen om een Ambassadeur van het Boek aan te stellen, een Bekende Geletterde Nederlander, die zo nu en dan bij Matthijs van Nieuwkerk kan aanschuiven om bij een miljoenenpubliek het schone of zeldzame boek onder de aandacht te brengen. Boudewijn Büch, Diederik van Vleuten en ook Piet van Winden zelf hebben deze nuttige rol in het verleden vervuld. Een bibliofielenvereniging, een soort Nonpareil zonder de hoge eisen en dito leeftijden, met een toegankelijk forum op het internet zou wellicht ook een goed idee zijn.

De aanblik van een tjokvolle zaal bij Arti et Amicitiae was hoopgevend: het lijkt erop dat steeds meer verzamelaars hun gokje wagen op de veiling, om de antiquaar als tussenpersoon buiten spel te zetten. Om drie minuten over half twee ving de veiling aan, met een kleurrijk gekalligrafeerd abecedarium, waarop niet werd geboden. Voor een aantal luxueuze jaarboeken van de Antwerpse kunstclub De Scalden, verdeeld over 14 kavels, was tevens weinig belangstelling: ze bleven op de plank staan of gingen voor de inzet (tweederde van de laagste richtprijs) naar een commissie. Het lot met meer dan 200 boekbanden uit de periode die Ernst Braches zo goed heeft gedocumenteerd, haalde met €2250 eveneens maar net de inzet (geschat €4000-5000). De grote collectie was enkel op afspraak in te zien, wat blijkbaar niet of weinig was gebeurd. Verrassender was de strijd bij het hiernavolgende lot: 11 efemere publicaties uit dezelfde periode, wat prospectussen en tijdschriftjes, gingen naar een handelaar voor €550 (€120-180), exclusief 23,8% opgeld.

Eén van de twintig luxe-exemplaren van J.C. Bloems De Nederlaag uit 1937, een typografisch juweel, deed €360 (€350-500). Dit op Japans papier gedrukte exemplaar kwam al tweemaal eerder onder de hamer, bij de legendarische Beijers-veilingen van de collectie-Henri Dirkx en de collectie-Firmijn van der Loo in respectievelijk 1981 en 1983. De provenance was zichtbaar: op de binnenzijde van het voorplat waren ingeplakt het nobele, bescheiden ex libris van Dirkx en het afzichtelijke, spierwitte ex libris van Van der Loo. Er zijn restauratoren die een dergelijk eigendomskenmerk moeiteloos kunnen verwijderen.

Binnen Book Art was P.C. Boutens als uitgever ondergebracht in een speciale paragraaf; voor de handschriften en opdrachtexemplaren van Boutens moest men bij Dutch Literature zijn. Aan zo’n splitsing gaat ongetwijfeld een weloverwogen beslissing vooraf, misschien hoopte de veilinghouder op deze manier een internationaler publiek te bereiken, maar de meeste verzamelaars waren hier niet gelukkig mee. Hetzelfde gold voor E. du Perron: als uitgever in eigen beheer vond men hem in de eerste afdeling, als schrijver in de laatste afdeling. Niettemin was er voor de Boutens-uitgaven goede belangstelling: een heelperkamenten Verzamelde sonnetten uit 1907 ging voor €450 (€400-600) naar een Haags antiquariaat, terwijl de meeste andere voor de laagste richtprijs naar een en dezelfde commissie gingen.

Van de private presses was Carlinapers opmerkelijk meer in trek dan Sub Signo Libelli. Op de soms zeer experimentele uitgaven van C. van Dijk werd vanuit de zaal aardig geboden. Zo haalde Bomans’ Een verdwenen facet van Haarlem, met tekeningen van Harry Prenen, €110 (€50-80) en stopte het bieden op En de imam van Oman zei: “Amen” van de kinderboekenauteur Gerbrand Fenijn pas bij €140 (€50-80). De onder het zegel van de libel uitgegeven boekjes van Gerrit Kleis waren iets te hoog geschat: alleen bij Leopolds lange vers Van wijn een druppel hoefde Van Winden af te hameren.

Een schitterend exemplaar van de door H.N. Werkman gedrukte Turkenkalender uit 1941 bracht terecht €5500 (€5000-6000) op. De zonnestralen tijdens de kijkdagen bij De Bijenkorf hadden gelukkig geen schade aangericht. Het al even mooie Vestdijk-gedicht De doode zwanen uit 1944, gedrukt voor de leden van De Blauwe Schuit, verruilde voor €1100 (€1000-1500) van eigenaar. De koper, een bekend acteur en fotograaf, zou een goede kandidaat zijn voor de functie van Ambassadeur van het Boek.

Veel in perkament gebonden topstukken gingen weg voor de inzet. William Morris’ heelperkamenten The History of Reynard the Foxe en The Story of the Glittering Plain or The Land of Living Men deden respectievelijk €2950 (€3000-4000) en €3750 (€4000-5000). Een zeldzaam exemplaar van Van Eedens De kleine Johannes, gevat in verguld perkament, haalde met moeite €1750 (€2000-2500). Van Deyssels Verzamelde opstellen bleven steken op €8000 (€9000-12000), terwijl die vijf loodzware perkamenten turven er schitterend bij stonden.

Prints Drawings & Posters bevatte ondermeer twee heel aardige portretten van de dichter Gabriël Smit (1910-1981). De inkttekening door C.A.B. Bantzinger bleef onverkocht, maar de potloodtekening door Joop Moesman, van een naar wandelende tak transformerende Smit, werd voor €650 (€600-800) aan het Letterkundig Museum vergeven. Een aantal in het oog springende Flower Power-posters ging een paar keer over de kop. Het razend zeldzame door Wenckebach ontworpen reclameaffiche voor Couperus’ Williswinde uit 1895 werd afgehamerd op €250 (€100-150).

Eind 1913 ontving Willem Elsschot van uitgever Van Dishoeck dertig presentexemplaren en welgeteld één luxe-exemplaar van zijn debuutroman Villa des Roses. Dat volperkamenten auteursexemplaar schonk Elsschot meteen aan de vrouw die hem in 1910 aan het schrijven had gezet, Anna Christina van der Tak, ‘mijn trouwe vriendin’, aldus de gedrukte opdracht. De auteur voegde er in handschrift nog een liefdevolle opdracht aan toe. Dit indrukwekkende boek liet in 1993 vele harten sneller kloppen, toen het na een zenuwslopende strijd tussen twee handelaren voor f 21000 (geschat f 400-500!) werd verkocht op de veiling van de overrompelende verzameling van Johan Polak, die het boek vanaf ongeveer 1968 bezat. In 1993 barstte de zaal in applaus uit – nu ging deze luxe Villa tamelijk geruisloos voor €18500 (€20000-25000) naar een commissie.

Op een stoet opdrachtexemplaren van W.F. Hermans aan Cola Debrot werd enthousiast geboden vanuit de zaal. De schattingen waren dan ook aan de lage kant. Verschillende verzamelaars en handelaars kregen een opdracht toegewezen. Met evenveel hartstocht ging er een vinger in de lucht bij het opdrachtexemplaar van Paul van Ostaijen aan E. du Perron: €2000 (€800-1000). Van diezelfde Du Perron kwam een recordaantal uitzonderlijke boeken en handschriften onder de hamer. Behalve vier ongemeen zeldzame eigen beheeruitgaven trakteerde X ons op niet minder dan negen eigenhandige opdrachten van Du Perron. Hoewel de beschrijvingen er niet over repten, waren maar liefst zes van deze opdrachten onbekend aan Kees Snoek in diens nuttige naslagwerkje Het Leven is wellicht een farce. Geschreven boekopdrachten van E. du Perron. Onvermoede opdrachtexemplaren, dat zijn de leukste. Zo bracht een eerste druk van Poging tot afstand uit 1927, bovendien één van de twintig exemplaren hors commerce, met een fraaie opdracht aan de schrijver Joris Vriamont €225 op.

Rond een uur of zeven liep de veiling ten einde. De komiek Gummbah, bekend van zijn absurdistische tekeningen voor de Volkskrant, hield hierna nog een presentatie over het verzamelen van net niet verschenen boeken. De meeste verzamelaars schaarden zich echter in een rij voor de kassa en vluchtten naar huis, de verse aanwinsten onder hun arm.

Dit verslag van de veiling van AABP Auctions te Amsterdam op 16 mei 2009 verscheen in De Boekenwereld, jrg. 25, afl. 5 (juli 2009).

Op den dansvloer van een dandykot

Wanneer las u voor het laatst een gedicht van Herman van Snick? Beroepshalve maar niet plichtmatig bladerde De directeur op een hotelkamer in Antwerpen door een dikke ingebonden jaargang 1939 van het veelbelovende literaire tijdschrift Werk. Tussen de Achterbergen, Jac. van Hattums en Theun de Vriezen stuitte hij in het septembernummer van de eerste jaargang op een drietal malle versjes van Herman van Snick. Nee, dat is geen pseudoniem.

Herman van Snick (1914-????) mengde zich al vroeg in het literaire leven in België. In 1936 zat hij in de redactie van het obscure periodiek Prisma, dat een podium bood aan de jeugdzonden van Vlaamsche jongeren. Datzelfde jaar verscheen zijn dichtbundel Aanhef bij uitgeverij Varior in Sint Amandsberg. Niet veel later kregen zijn gedichten een plaats in de door Paul de Ryck samengestelde bloemlezing Elf Van de poëzie. Eugenie Boeye, Marcel Coole, Johan Daisne, Hermen De Cat, Maurits de Doncker, Flor Evi, Julia Tulkens, Luc van Brabant, Jos Verbraeken en Bart Vrijbos stonden ook wat regels af. Zijn bundels werden opgemerkt door de grote Boon, de grote Gijsen en de grote Jonckheere. Of ze verkochten? Een hart in negentien momenten, Het gesloten hek, Notedoppen en Tussentijd lijken van de aardbodem te zijn verdwenen.

Misschien heeft De directeur vanmiddag, bij een antiquariaat in de Wolstraat, wel het allerlaatste exemplaar van Balladen van hier beneen gezien! Het kleinood, slechts 38 pagina’s dik, had een handgeschreven opdracht van de dichter aan de grote Elsschot. Onder de indruk van de gedichten was hij niet bepaald. In het kloeke Elsschot-brievenboek komt Van Snick niet voor.

KLEOPATRA

Fijne heeren drinken whisky.
De gesprekken worden risky.
Meiden in hun zijden kleeren
Moeten heete handen weren
Stiekem op de loer.

Saamgelijmde paren
Schuiven dansgebaren
Over den beboenden vloer.

Plots een slag op de cymbaal!….
’t Wordt nu stiller in de zaal;
’t Roode licht wat meer gedoofd.
(Hand die gauw een rilling rooft.)

Uit een eeuwenver
verleden
Komt de dancingster
getreden,
Als uit steenen beeldenschrift
Op een obelisk gegrift.

Onder ’t zwarte haar
Oogen als amandelnoten,
Open, doch subliem gesloten
Voor de dronken tronieschaar.

Onbeweeglijk stil.

Tot een gekke gil
Van de saxofoon
Spotten komt met d’oude kroon
Die haar had omkranst.

Kleopatra danst.
Kleopatra danst een jazzband-hot
Op den dansvloer van een dandykot.

Heeft u toch een gedicht van Herman van Snick gelezen.