Jaszak

Decennialang was het enig bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy (1951), het gestencilde debuut van Remco Campert, dat van Simon Vinkenoog. Hij werd niet voor niets beschouwd als de documentalist van een dichtersgeneratie. Toen Vinkenoog in 1963 op verzoek van het nieuwe tijdschrift Diagram zijn herinneringen aan de Vijftigers op schrift zette, vond hij in zijn archief ook zijn Ten Lessons with Timothy terug.

En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.

In september 2015 had ik er, na een speurtocht van vier jaar, nog drie gelokaliseerd. Ad den Besten had ooit een exemplaar toegestuurd gekregen, aartsverzamelaar Simon van Wouwe kocht een exemplaar uit een boekhandelsvitrine in Haarlem, en ten huize van Lucebert en Schierbeek vond Kees Groenendijk het zijne. Dit volmaakte kwartet stond centraal in mijn artikel voor het Campert-nummer van De Parelduiker.

De Parelduiker lag nog niet goed en wel in de boekhandel of er doken nog twee exemplaren van het absolute debuut van Remco Campert op. In het niet bijster gesorteerde archief van uitgeverij De Bezige Bij bleek een exemplaar te liggen. Giny Klatser-Oedekerk schreef me dat haar man en zij omstreeks 1952 voor f 2,50 bij de auteur een exemplaar hadden aangeschaft. Ooit had ze het uitgeleend aan het Letterkundig Museum, maar nu had ze het bundeltje weer in huis.

Omdat een half dozijn ook niet veel is, maakte René Franken in maart 2016 op de vloeistofduplicator een schitterende herdruk van Ten Lessons with Timothy.

Bij het lezen van de catalogus van de aanstaande veiling bij Bubb Kuyper viel ik, ter hoogte van kavel 1177, van mijn stoel. Er komt een tot dusver onbekend gebleven exemplaar van Ten Lessons with Timothy onder de hamer. Net als alle andere exemplaren is het in het colofon genummerd ‘een’ en gesigneerd door de auteur.

Desgevraagd laat veilinghouder Thijs Blankevoort weten dat de eerste eigenaar van dit exemplaar niet bekend is. Eigendomskenmerken, zoals een geschreven naam of een ex libris, heeft het te veilen exemplaar niet. Het is afkomstig uit een verzameling kunst en (clandestiene) letterkunde die ruim zestig jaar geleden is ontstaan; via vererving kwam het bij de huidige eigenaar terecht. Aan de beschrijving (mirror) kan Blankevoort het volgende toevoegen:

Het is duidelijk een exemplaar dat wat langer in gevouwen toestand heeft verkeerd en dat, gezien de vlekken en vlekjes, mogelijk langere tijd in een jaszak gebivakkeerd heeft.

Schenkingen

In het door Kees Lekkerkerker aangelegde archief over Jacob Israël de Haan, dat ik in 2008 beroepshalve moest ordenen en beschrijven, kwam ik zijn naam voor het eerst tegen: M.B.B. Nijkerk. Lekkerkerker, pleitbezorger van De Haans rijke oeuvre, sprokkelt vanaf 1949 op eigen initiatief geld bij elkaar om de uitgave van De Haans Verzamelde gedichten (1952) zeker te stellen. Hij ontvangt kleine bedragen van goedwillende schrijvers en haalt 300 gulden op bij leden van de Shakespeareclub, maar Lekkerkerker heeft zijn hoop gevestigd op een door hemzelf samengestelde ‘Lijst van rijkaards’. Tussen de namen van diamantairs en horecamagnaten staat ook die van Nijkerk, een bibliofiel die zijn geld verdiend heeft in de metaal- en schroothandel.

M.B.B. (Bob) Nijkerk woonde en werkte sinds 1921 in Brussel, in een door Prosper de Meyst ontworpen villa op de kop van de boulevard Général Wahis, slechts een paar minuten lopen van zijn goede vriend Jan Greshoff, die zich eveneens in de wijk Schaerbeek had gevestigd. Met Greshoff deelde hij de liefde voor de letteren, voor typografie en mooi verzorgde boeken. Nijkerk was een buitenstaander in de literaire kliek, maar zijn rol was soms van doorslaggevende betekenis. Toen in 1936 de bibliofiele reeks Ursa Minor werd opgericht koos Greshoff de teksten, deed Stols de typografie en zorgde Nijkerk voor de financiën.

Bob Nijkerk geef ik géén exx. Als dìe niet meer zou koopen, zou niemand meer koopen!

schreef Greshoff aan Stols op 13 oktober 1932. Dit citaat typeert Greshoff misschien meer dan Nijkerk, maar de laatste was een geldschieter, een weldoener. Vanaf 1933 gaf hij, terwijl hij nog volop verzamelde, een aanzienlijk deel van zijn verzameling boeken en rijmprenten in bruikleen aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. Voor Nijkerks boekkunstcollectie was enige tijd zelfs een speciale zaal gereserveerd. Wat niet in de vitrine stond, kon op aanvraag geraadpleegd worden.

Toch vindt vandaag in Haarlem de eerste van twee (of drie) veilingen plaats met bibliofiele uitgaven en literatuur uit de collecties Nijkerk (meervoud, want zoon Karel verzamelde ook). Veilinghuis Bubb Kuyper meldt dat Nijkerks schenking tijdens de Tweede Wereldoorlog fictief was: Nijkerk was Joods en het risico bestond dat de bezetter beslag zou leggen op zijn bibliotheek. Het Stedelijk Museum kon de boeken gedurende de oorlog voor hem veiligstellen. Sommige kregen voor de zekerheid het museumexlibris mee.

Een bibliofiele daad

Vandaag, de geboortedag van beide brievenschrijvers, komt de op een briefkaart na volledige correspondentie tussen Boudewijn Büch en Gerard Reve onder de hamer. In maart 2003 kwam deze briefwisseling voor het eerst in de verkoop: antiquariaat AioloZ beschreef de literaire post in zijn catalogus 61 voor de jaarlijkse antiquarenbeurs in de RAI, waar de brieven wel te zien waren maar al niet meer te koop (‘everything offered here is still available!!! (except the Büch-Reve correspondence)’).

De brieven zijn geschreven in de periode 1981-1984. De allereerste brief heeft mijn bijzondere belangstelling: Büch schrijf op 2 november 1981 zijn eerste epistel aan ‘Hooggeschatte Meester, Beste Markies’. De brief behelst een verzoek aan Reve om gedichten af te staan voor de private press Sub Signo Libelli van Büchs goede vriend Ger Kleis:

Oh! De komende weken wacht ik aan mijn brievenbus … verlang naar dat pakketje … jaag in huurrijtuigen naar de drukker … Maar nee … Uw dichterschap & anders zwijgt.

Reve stuurde een schitterende brief terug, maar geen pakketje verzen. Zijn dichterschap zweeg.

Dat Büch nog een tweede poging zou wagen om Reve in het illustere fonds van Kleis te krijgen, blijkt niet alleen uit de correspondentie. Behalve een uitwisseling van brieven vond er tussen Büch en Reve ook een uitwisseling van boeken plaats.

Op 16 november 1981 stuurt Büch, van wie op dat moment drie poëzie-uitgaven bij Kleis zijn verschenen, Reve ter overreding een fraai specimen van Sub Signo Libelli toe. Het is Auch ich in Arkadien, een Goethesk gedicht als vouwblad in omslag, gedrukt op de Sub Signo Libellipers in oktober 1980 ter gelegenheid van een margedrukkersfestival in Utrecht. Reve krijgt (geluks)nummer 7 van de 60 exemplaren.

Onder het colofon, helemaal in de stijl van de eerste brieven van Büch, schrijven drukker en dichter aansporende opdrachten: ‘Aan de voeten des Markies’/ dit eenvoudig geschenk/ van een nederige werkmansjongen/ Ger Kleis’ en ‘Om u te verlokken/ tot een bibliofiele daad,/ uw leerling/ Boudew*’.

‘Rode Vlag’ van Gustave Asselbergs

De collages van Gustave Asselbergs (1938-1967) bevatten affiches, krantenknipsels, kalenderbladen en tijdschriftfoto’s. Verknipt, verscheurd, (deels) overgeschilderd. Hij koos zijn basismateriaal met een enorme maatschappelijke betrokkenheid. Geen toevallig op straat gevonden tramkaartje, maar actualiteit in woord en beeld: ruimtevaart, politiek, techniek, film, literatuur. Het contrast is soms hard: een kindsoldaat naast een conferencier.

In mijn bezit is een onvervalste Asselbergs van acht bij veertien centimeter. Het is een ansichtkaart uitgegeven ter promotie van Pelletierbeschuit. De kitscherige afbeelding van gele rozen is diagonaal bijgekleurd met bloedrode viltstift. Rechts is een krantenfoto van Hitler opgeplakt. Bijschrift: ‘Oude orgelpracht’. Deze kleine collage maakt deel uit van de intrigerende collectie Asselbergs van Jan Cremer, door mij vorig jaar in een opwelling gekocht.

Jan Cremer was een pleitbezorger van de pop art van zijn vriend. Op zaterdag 9 februari 1963 opende Cremer ‘Werken van Gustave’ in De Krabbedans in Eindhoven, Asselbergs’ eerste solotentoonstelling buiten de Nijmeegse stadswallen. Na het succes van Ik Jan Cremer nodigde de schrijver Asselbergs bij hem uit en betaalde zijn vliegticket naar New York.

Zeker twee collageschilderijen van Asselbergs heeft Jan Cremer in bezit gehad.

In een grote bespreking van Asselbergs’ solotentoonstelling in de Amsterdamse galerie 845, in maart 1965, meldt de kunstcriticus van het Arnhemsch Dagblad terloops dat het duurste van de geëxposeerde werken is ‘gekocht door hem, Jan Cremer’. (Ik had er zeker overheen gelezen als Cremer deze woorden op het knipsel niet met gele stift én rode balpen had gemarkeerd.)

Terwijl Cremer zich onsterfelijk maakte in het Chelsea Hotel in New York, probeerde Asselbergs naar zijn beste kunnen Cremers lopende zaken in Holland te regelen. Om Cremers financiën op orde te krijgen, verkocht Asselbergs op zeker moment meubels en apparaten uit Cremers oude woning. Uit verschillende brieven van Asselbergs aan Cremer blijkt dat de schrijver slecht met geld was en overal leningen had lopen.

‘Gustave’ aan ‘Beste Jan’:

Steeds opnieuw weer vraag je naar je huizen, maar opgestaan is plaats vergaan. Het enige dat je in Nederland bezit behalve een stel mensen die je kaal willen scheren, zijn twee reusachtig mooi geschilderde doeken in goede staat en mooi verzorgd.

Dat zijn er twee van Asselbergs.

Uit de folder bij de expositie van schilderijen van Asselbergs in De Galerij in Brunssum,in juni 1965, weet ik de titel van een schilderij dat Cremer in elk geval heeft gehad. In de lijst ‘Tentoongestelde werken’ staat achter nummer 23: ‘Rode Vlag (coll. Jan Cremer)’. Dit schilderij dook niet op vorig jaar op de grote Cremerveiling – en gelukkig maar, want ik kan me per veiling maar een opwelling permitteren.

‘Rode Vlag’ kwam eerder onder de hamer. Het kunstwerk werd op 29 november 2011 bij Christie’s Amsterdam afgeslagen op 12.500 euro. De vorige eigenaar voelde blijkbaar de behoefte om het doek in anonimiteit aan te bieden. Bij grote veilinghuizen is de provenance een vast onderdeel van de beschrijving, maar nu stond er alleen: ‘property from a private Dutch collection’. Dat ‘Rode Vlag’ aan niemand anders dan Jan Cremer kon toebehoren, dat vertelt het schilderij zelf.

In het midden van ‘Rode Vlag’, half verscholen onder een portret van de president van Egypte, is het blauwe affiche te zien dat De Bezige Bij in 1964 verspreidde om de zevende druk van Ik Jan Cremer te vieren (‘op weg naar de 100.000 [exemplaren]’). Aan deze flard actualiteit is maar moeilijk een politiek statement te koppelen. Wel staat Jan Cremer op dit collageschilderij van zijn vriend Gustave voor eeuwig in het centrum van de aandacht.

Koffiemelkcupdeksels en bovenkaken

Catawiki bestaat al sinds 2008, maar het afgelopen jaar heeft de internationale veiling- en verzamelwebsite pas een hoge vlucht genomen. Meer dan twee miljoen bezoekers per maand, ruim honderdduizend gebruikers die hun verzameling aan de catalogus van Catawiki hebben toegevoegd, zesentwintig veilingen per week. Verzamelaars van atlassen, oldtimers, stripboeken, fototoestellen, dameshorloges, sportschoenen en koffiemelkcupdeksels wisselen op Catawiki niet alleen informatie met elkaar uit, maar verkopen er ook door henzelf beschreven en gefotografeerde items.

Soms met bizarre opbrengsten als resultaat: een door Drs. P voor het weekblad Panorama geschreven promotieboekje bracht op 30 januari jl. liefst 272 euro op. Bij een traditioneel veilinghuis was deze uitgave ofwel (onbeschreven) in een kavel opgenomen ofwel bij het oud papier beland. De generalist verliest het hier van de specialist, die de verzamelaar immers is.

René Schoenmakers en Marco Jansen, de oprichters van het in Assen gevestigde bedrijf, vonden het wel leuk om bij hun vijfjarig jubileum een tijdschrift te laten verschijnen. Het eerste nummer van Catawiki Magazine (ondertitel: ‘Hét blad over verzamelen’) verscheen in oktober 2013, het tweede lag eind januari op de deurmat. De adviesprijs van een aflevering is € 4,95, maar dat zegt niks: nummer 1 werd gratis verspreid, nummer 2 valt binnen een jaarabonnement van € 1,95. Voor Boormans Wereldtijdschrift hoefden abonnees ook amper te betalen.

Catawiki Magazine gaat over verzamelen, verzamelaars en Catawiki. In het eerste nummer vertelt televisiemaker Valerio Zeno (maat 42) uitvoerig over zijn collectie sneakers: dat zijn er zo’n 120 paar, voor 95 procent van het merk Nike. Fossielenverzamelaar Albert Hoekman laat in het tweede nummer zien wat hij zoal uit Nederlandse netten heeft gevist. Het werd zoveel dat hij er maar in is gaan handelen: ‘Een onderkaak van een mammoet. Zeer geliefd, ik heb er een wachtlijst voor. Een mooie onderkaak kost 2.400 euro. Bovenkaken? Die zijn minder mooi.’

De verkoopsuccessen van Catawiki komen aan bod in rubrieken als ‘Veilingopbrengsten’ en ‘De vondst’. Argeloze burgers vertellen over hun gelukjes, zoals het voor 1 euro opgeduikelde stripje De vrolijke Avonturen van Doris Dobbel (12.000 euro op een Catawiki-veiling) en de als wisselgeld ontvangen euromunt met het 50-eurocentstempel (500 euro dankzij Catawiki). Het zijn de waargebeurde sprookjes waaraan Tussen Kunst & Kitsch haar kijkcijfers dankt. In het gunstigste geval wakkeren ze de jachtlust aan. (Ik heb me weer voorgenomen vaker naar een kringloopwinkel te gaan.)

Hoogtepunt tot dusver is het interview door Vincent van de Vrede met de ‘literaire loodgieter’ Pierre Roth. Stereofoto’s, Paulus de Boskabouter, W.F. Hermans, S. Carmiggelt, Proost Prikkels: Roth verzamelt verzamelingen. Uit het gesprek komt hij naar voren als een aimabele doch wereldvreemde man. In ruil voor een lunch in de bedrijfskantine ordende hij het archief van papierfabriek Proost en Brandt, op de foto staat hij in korte broek en geruite pantoffels. Verrassend is het om te lezen dat Valerio Zeno perfect de verzamelpraktijk kan samenvatten: steeds engere criteria hanteren, aan exemplaarverbetering doen, onderhandelen, het verhaal erachter willen weten. Wat voor boeken geldt, geldt blijkbaar ook voor sneakers.

De vormgeving van het magazine is enigszins amateuristisch. Harde kleuren (Catawiki-blauw), weinig subtiele en nogal opgeblazen lettertypen, onhandige foto’s: zo pretentieloos als het tijdschrift zelf.

Deze bespreking van de eerste twee afleveringen van Catawiki Magazine verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 2 (juni 2014).

Knap

In Offeren aan Mercurius en Minerva (1995), een boek met interviews en mémoires ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren, vertelt Max Schuhmacher dat zijn zus en hij het eigenlijk al jaren fout doen: hun catalogi zijn te goed. Schuhmacher geeft zijn jonge collega’s in het interview wijze raad:

Als wij een Achterberg-catalogus maken, wordt dat een verzamelobject voor de mensen en een reden om hun brandverzekering te verhogen. Maar het is niet stimulerend voor de mensen: wij laten te weinig ruimte voor de particulier. De particulier wil zélf zijn vondsten doen, zélf de illusie hebben van “wat ben ik knap”.

O, wat ben ik knap. Ik weet nog goed wanneer die gedachte zich voor het laatst in mijn hoofd nestelde. November 2012: ik zat in de trein de afdeling ‘Dutch literature’ van een veilingcatalogus uit te spellen. Onder ‘Minco, M.’ werden handgeschreven gedichten van Marga Minco en Nico Scheepmaker in een of andere jubileumuitgave beschreven. Ik had mijn lectuur al bijna voortgezet bij het volgende kavel, toen ik zag dat er aan matte Marga en nietige Nico een dichtbundel van ‘Harmsen van Beek, F. ten’ was toegevoegd: de debuutbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965). Het exemplaar had een paginagrote parel van een opdracht. Kippevel. Het kavelnummer 2398 graveerde ik meteen in mijn geheugen.

Met de nonchalance en beroepsmatige desinteresse van een oude antiquaar nam ik op de kijkdag het kavel onder de loep. Magere Minco en Saaie Scheepmaker sloeg ik over, de opdracht in Geachte Muizenpoot keurde ik goed, mij restte enkel ‘2 others by the same, both with autograph dedication signed “Fritzi”‘. Deze opdrachtexemplaren waren al even fraai. Op de Franse titel van Neerbraak (1969) stond in dat karakteristieke handschrift: ‘van/ Fritzi voor Coen en Greetje/ in de hoop op en met de/ quasi belofte van/ betere, mooiere, aan-/ sprekende verhalen/ van mij/ met liefs, liefs’. In Kus of ik schrijf (1975) had de dichteres op pagina 4 gepend: ‘Voor Coen en Greetje/ met al liefs van Fritzi/ (een opdracht, vlak onder de/ titel, leek me te absurd/ 29.1.76’.

Het zong rond in mijn hoofd. Knap, ik. Knap, ik. Niemand zou voor Fritzi bij Marga zoeken of kijken. Ik was een particulier geworden die zélf zijn vondsten deed. De richtprijs van het kavel was schrikbarend laag: 60-80 euro. Ik gaf het veilinghuis mijn bieding door met een maximum van 250 euro. Just to make sure.

Thuis zocht ik uit wie de met Fritzi bevriende ‘Coen’ geweest kon zijn. Ik had die drie bundels bij wijze van spreken al op de plank staan. Het moest wel de bankier en kinderboekenverzamelaar Coen van Veen zijn, de mecenas van vele kunstenaars. In 1971 kocht hij voor 8000 gulden het arbeidershuisje in Garnwerd waar Fritzi tot haar dood zou wonen.

Kavel 2398 werd een mislukking en een teleurstelling. Ik was onderbieder. Een andere knappe kop ging voor 275 euro met al dit moois aan de haal. Sinds die donkere dag in november heb ik geen opdrachtexemplaar van Fritzi gezien.

Veilingverslag (2)

Met een half oog keek ik naar de online Cremer-veiling – en ik werd er al snel ingezogen. Ik was de enige niet; in de laatste paar uren voor de veiling namen de biedingen in rap tempo toe.

In een veilingzaal ontstaat de prijsopdrijvende competitie vanzelf: tegenbieders zitten een rij voor je of twee stoelen naast je. Een online veiling heeft geen zichtbare tegenbieders: je ziet niet of je in een volle of lege veilingzaal zit. Om toch dezelfde oerdrift en overlevingsdrang op te wekken gebruiken online veilingen andere termen. In een veilingzaal wijst een veilingmeester je vrij zakelijk een kavel toe. Online wordt een lot gewonnen. Victory! Groene pop-ups met uitroeptekens vliegen je om je oren. Onderbieders zijn geen onderbieders, maar losers.

Er kleven wel nadelen aan een online veiling. Het telkens verversen van je pagina, omdat de wekker niet blijft lopen, is op den duur zenuwslopend. In een springtij van bits and bytes zou je bijna vergeten dat je op fysiek materiaal aan het bieden bent. Echte boeken, tastbare brieven. Die moet je echter beoordelen vanachter je computer. John T. Winterich instrueerde in A Primer of Book Collecting (1966): ‘not many people like to buy anything sight unseen, and this is and should be particularly true of rare books’. De Cremer-veilingmeester stelde op het laatste moment een kijkdag in, vier dagen voor de veiling.

In het heetst van de strijd heb ik me laten verleiden tot de aankoop van 19 zeer uitgebreide brieven van de pop-artkunstenaar Gustave Asselbergs aan Jan Cremer. De beschrijving prikkelde. De foto lonkte. Eén klik en je bent verkocht.

Voorbestemd

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld vertelt chroniqueur Piet J. Buijnsters, naar aanleiding van zijn laatste boek, ook over de verschillen tussen Nederlandse en Belgische bibliofielen. Een onderscheid betreft de pecunia: onze zuiderburen hebben op Nederlandse boekenveilingen doorgaans hogere limieten. Dat komt ook, zegt Buijnsters, omdat het in België niet vreemd is voor een zakenman of rijke voetballer om boeken te verzamelen. De boekenliefde is er niet groter; de portemonnee is gewoon dieper.

Bij Marc Van de Wiele, antiquaar te Brugge, pikte Buijnsters een ander verschil op: ‘als een boek in de etalage van zijn winkel ligt, dan wordt het niet zo snel verkocht. Een Belg wil echt het idee hebben dat een zeker boek voor hem bestemd is, dat het voor hem apart ligt, dat hij eerste keus heeft’.

Deze suggestie van bibliofiele predestinatie bevreemdde Buijnsters. En toen hij het aan de twee Nederlandse interviewers van De Boekenwereld voorlegde, bevreemdde het hen ook. Antiquaren spelen een belangrijke rol bij de aankoop van boeken, maar zij hoeven voor goede klanten toch geen toneelstukjes op te voeren?

Een aantrekkelijk boek kan zichzelf wel verkopen. Het is coup de foudre of niet. Dat antiquarisch uithuwelijken is nergens voor nodig.

Als ik een mooi boek in de etalage van een antiquariaat zie staan, dan weet ik zeker dat het daar zojuist en enkel voor mij is neergezet. What are the odds? Dat wij, het boek en ik, elkaar treffen is voorbestemd. Na de verrassende kennismaking willen wij onze relatie bestendigen. Ik heb geen andere keuze dan het boek te kopen.

Herbonden

Telkens wanneer ik Gerrit Komrij sprak, nodigde hij me uit om eens naar Vila Pouca da Beira te komen. Boeken kijken. En telkens nam ik aan dat het een beleefdheidsfrase was. Nu is hij alweer een jaar dood.

De bibliotheek van Komrij heb ik voor een deel aanschouwd, eind november 2012, in Haarlem, in het kapitale pand van het veilinghuis. Met een scheef hoofd ben ik langs alle planken gegaan. Boeken kijken, maar ook de kunst van het verzamelen afkijken. Niet zozeer Komrij’s kennis van het boek was jaloersmakend, want kennis kun je eenvoudig kweken, maar zijn smaak.

En toch bracht de (eerste) veiling van Komrij’s boeken minder op dan verwacht. Of dat eenvoudigweg komt, zoals Arjen Fortuin toen schreef, doordat ‘de markt voor antiquarische boeken verzadigd is’? Gut, hier of daar staat misschien een overvolle boekenkast, maar verzadiging? Zolang ik wekelijks boekenjagers en -verzamelaars tegen het lijf loop, gaat die constatering er bij mij niet in. Een andere reden dan?

Misschien lag het aan de boeken zelf, dat zij geen nieuwe eigenaar vonden. Bij mijn inspectie in Haarlem ging mijn hoofd bij enkele exemplaren iets schever staan. Deze boeken waren herbonden. Het oorspronkelijke omslag, of de originele band, was verloren gegaan of verwijderd. Een boekbinder had de overgebleven katernen weer vakkundig bij elkaar gestoken. En zo was een kwetsbaar of kapot boek weerbaar gemaakt.

Soms leek het of de Pie Schmitz van Portugal aan de gang was geweest. (Pie Schmitz is de dyslectische boekbinder die de volledige boekerij van lesmethodemiljonair H.J.M.F. Lodewick van nieuwe linnen banden voorzag.) Boekbinderij Invicta Livro in Porto vergaloppeerde zich weleens door een sober boek in een knalrode halflederen band met platten van fluorescerend marmerpapier te steken.

Tja. Hoe streng in de leer ook, elke hooggestemde bibliofiel heeft een kast met lelijke boeken. Nieuwe paperbacks, herbonden zeldzaamheden, beduimelde deeltjes Nimmer Dralend. Er is niet alleen maar buitenkant. Je moet af en toe ook een boek lézen.

Roos Custers, vorige maand op pelgrimage naar Vila Pouca, noteert vandaag in een fijn bericht: ‘de boekenkasten worden weer mooi uitgevuld’. Zou dat betekenen dat de volgende veiling van Komrij’s boeken, toch al ‘uitgesteld voor onbepaalde tijd’, helemaal van de baan is?

Veilingverslag (1)

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld, dat over een week verschijnt, staat een verslag van een boekenveiling in België. Eindelijk, want voor het laatste veilingverslag moet je drie jaargangen terugbladeren. Wereldschokkend zijn deze reportages zelden, maar ze geven wel een mooi inkijkje in het antiquariaat in vol bedrijf.

Al publiceren veilinghuizen hun opbrengsten altijd wel online of in een volgende papieren catalogus; een veilingverslag legt een biedstrijd tussen twee verhitte verzamelaars bloot, verklaart niet gehaalde richtprijzen en onthult welke verzamelaar er heeft toegeslagen en welke handelaar er afdroop. Dat kan een lijstje met getallen niet. Voor een bibliofiel is een veilingverslag wat een rechtbankverslag moet zijn voor een jurist. Niet de uitspraak, maar het proces.

Een veiling, zeker in zo’n benauwd achterafzaaltje, heeft een eigen dynamiek. Ervaren bieders hebben verschillende aan de praktijk getoetste theorieën ontwikkeld. Over wat de beste plek is om te zitten (achterin de zaal heb je zicht op je tegenbieders). Over wat het juiste moment is om je hand op te steken (rust nemen en aan het eind van een biedstrijd onverwacht overrulen). En een kwartier voor de veiling kan er – gewenk, gesmiespel – nog een kongsi ontstaan.

Dit alles mist een online veiling. Gisteren stond op het tweede scherm de Cremer-veiling aan. Ik keek er met een half oog naar – en werd er al snel ingezogen.

Verloren gedichten

Kraters, manen, hel, bloed. In de vroege poëzie van Jan Cremer is het altijd nacht en zelden gezellig. Op de aanstaande Adams-veiling komen twee typoscripten van Cremer, uit de jaren 1956 en 1957, onder de hamer. Beide velletjes zijn niet in inkt gesigneerd. Cremer heeft ze vermoedelijk aan zijn muur gespijkerd, want de beschrijving rept van punaisegaatjes (‘Pinholes upper corners, one small tear lower centre’). Ondanks de lage richtprijs is er nog geen belangstelling.

Cremers debuut als dichter, met vier hoofdletterloze gedichten uit 1956, in het literair tijdschrift KLAT is ook te koop. De verzamelaars stellen hun biedingen nog even uit. Een openingsbod van 450 euro is niet gering. Ter overweging: een van de eerste gedichten van Gerrit Komrij, anno 1962, in een aflevering van het officieel orgaan van de Winterswijkse Lyceum Vereniging Kontakt kostte in 2004 65 euro. En Komrij is dichter.

Arme lezers kunnen deze veilingkavels overslaan: de KLAT-gedichten van Cremer zijn – deels herzien – herdrukt in het bundeltje Verloren gedichten (2004).

Kus, Arnon

Arnon Grunberg schrijft gekke dingen op titelpagina’s van boeken. Al in 2009 doken er in korte tijd bij verschillende handelaren boeken van Grunberg op, door de schrijver verrijkt met een zogenaamde handgeschreven opdracht aan Geert Wilders. Of Connie Palmen. Of Jörg Haider. Zelfs Jan Peter Balkenende moest eraan geloven.

Vanavond, een krap uur geleden, werden drie kavels Grunberg met curieuze opdrachtexemplaren verkocht op een veiling in Haarlem. Het is duidelijk dat Grunberg het genre opdrachtexemplaar nog steeds met verve ridiculiseert. In kavel 1707 (richtprijs 150-250, opbrengst 400 euro) zat, behalve een gecorrigeerde drukproef van Grunbergs laatste essaybundel Buster Keaton lacht nooit (2013), een vierentwintigste druk van De asielzoeker (2012) met een nogal pikante opdracht aan Willem Holleeder.

De daaropvolgende kavel met vijf opdrachtexemplaren (richtprijs 100-150, opbrengst 110 euro) bevatte twee liefdevolle opdrachtexemplaren van Grunberg aan collega Cees Nooteboom. In Euforie (2013) van Christiaan Weijts noteerde Grunberg: ‘Voor Cees N. Jij krijgt die prijs. Maak je niet druk. Jij verdient hem, alleen al vanwege je mooie mond. Kus, Arnon’. Ik denk niet dat Nooteboom deze exemplaren ooit heeft gezien.

En in De receptioniste (2012) flirtte Grunberg met onze nieuwe koning, zonder de koningin af te vallen: ‘Voor Maxima. Ik geef de voorkeur aan je man maar jij mag er ook zijn’.

Overigens beschreef Pieter van Os afgelopen vrijdag in NRC Handelsblad een kleine fittie tussen Grunberg en Bijzondere Collecties van de UvA naar aanleiding van de veiling van genoemde gecorrigeerde drukproef uit 2013. Sinds 2011 beheert Bijzondere Collecties het archief van Grunberg, met diens typoscripten, agenda’s, notitieboekjes en promotiemateriaal. Een prachtig, ‘levend’ archief ten behoeve van onderzoekers en studenten. Hoofdconservator Garrelt Verhoeven was vanzelfsprekend niet blij toen hij ontdekte dat de drukproef niet naar Bijzondere Collecties, maar naar de hoogste bieder zou gaan.

Ik hoop, voor de wetenschap, dat Grunberg fotokopieën van zijn drukproeven maakt.

Bewaren

De eerste veiling van ‘The Boonekamp Collection’ is geschied. Het overgrote deel van de Leidse literaire handtekeningenlawine is goed terechtgekomen; slechts een kwart van de kavels bleef onverkocht.

Beide kavels met het door mij ge(roof)drukte poëziedebuut “Laatste gedichten” van Hans Andreus (N.pl., n.pr., c. 2007) van Benno Barnard hebben een nieuwe eigenaar gevonden. Eén kaveltje Barnard, waarin nota bene een exemplaar van zijn mooiste boek, bleef op de planken liggen. De schrijver moet het onder de hamer komen van zijn werken wel met (leed)vermaak hebben aanschouwd. Zijn commentaar op deze geschiedenis was kort. ‘Zo wordt men zijn eigen curiosa.’

Welke Barnard-fans in Leiden hebben toegeslagen is mij niet precies bekend. De nieuwe eigenaar van kavel 377, waarin een uitgebreid gesigneerd exemplaar van “Laatste gedichten” van Hans Andreus, heeft zich inmiddels gemanifesteerd. Een boekwinkeltje in Franeker biedt het drukwerkje sinds gisteren aan. De opdracht van Barnard aan Boonekamp wordt volledig geciteerd: ‘Voor Gert, mijn oudste gedicht. Bewaar me… Benno 18.12.07. Een biblioseksuele drukker stuurde me dit – ik wist van niks’. In de beschrijving staat achter het veld ‘Uitgever’ echter: ‘Onbekend’. Voor 60 euro plus porto is het van u; mijn toelichting is gratis.

Het dubbelzinnige in deze opdracht van Barnard krijg ik nu pas in het oog. Natuurlijk, hij verkort hier de bekende krachtterm ‘God, bewaar me!’ Maar hij bedoelt het ook letterlijk: ‘Bewaar me’. Gert Boonekamp werd door sommige dichters beschouwd als hun liefhebbende archivaris of zachtaardige conservator. Hij miste geen knipsel, geen bloemlezing, geen vouwblaadje, hoe obscuur ook.

Voor dichters, die zichzelf niet verzamelen, moet het een geruststellende gedachte zijn geweest dat iemand, ergens op de wereld, al dat papier trouw naar zijn huis sleepte en in kasten, dozen en mappen stopte. Om te lezen en om te bewaren.

W.F. Hermans: ‘inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp’

Verliefd op dat leuke meisje van de boekhandel. Vroeg of laat overkomt het elke bibliofiel. Aan het begin van zijn schrijversbestaan had Willem Frederik Hermans het flink te pakken.

In 1944 moet Hermans, tijdens een bezoek aan het kantoor van de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever A.A. Balkema, door de bliksem zijn getroffen. Een vrouwelijke medewerker, begin twintig, schrijft een nota voor Hermans uit en zet meteen zijn hart in brand. Aan een vriend, de dichter Adriaan Morriën, vraagt Hermans om een ontmoeting te arrangeren. Het gebeurt niet. Bijna een jaar later, op 6 en 15 april 1945, schrijft Hermans twee lange liefdesbrieven aan Elly Freem.

‘Brieven aan een onbekende zijn mij een gruwel. Brieven van onbekenden ook, want ik ontvang ze nooit. Waarom ik u schrijf, vereischt dus toelichting en bewijsvoering dat u mij niet onbekend bent.’ In de eerste brief kleedt Hermans zijn verzoek tot nadere kennismaking omstandig in. Op een hoogdravende toon probeert Hermans de jongedame van zijn goede bedoelingen te overtuigen: ‘Als gramschap U bevangt, zal het mij aangenaam zijn wanneer die alleen mij treft; ik raak in geestdrift voor alles wat mij treft en tot u behoort. Maar waarom? Niets ligt mij verder dan een aanval op uw sereniteit. De eenige sereniteit welke in gevaar verkeert, is die van mijzelf en zelfs dat is niet mìjn schuld….’

Elly Freem antwoordt afwijzend. Haar affaire met de criticus D.A.M. Binnendijk wil ze niet op het spel zetten. Ze valt bovendien op oude(re) mannen: Binnendijk is bijna twintig jaar ouder, Hermans is zelfs een jaartje jonger dan zij.

Maar Hermans (‘inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp’) geeft zich niet gewonnen. Zijn tweede brief is ronduit lyrisch: ‘Wat zal ik zeggen over de ervaring? Ervaring is een bedekking en een vervlakking, waarmee de ouderdom zich maskeert als een park met herfstblaren, die immers alles één toon geven, de parken, de paden, de spiegels der vijvers zelfs. (…) Ervaring maakt hard. De vereelte hand is ervaren en er zijn mannen die van het vele zoenen eelt op hun lippen hebben gekregen. (…) Ervaring is een geestelijke verstarring, routine. Het meest ervaren wezen is de machine die op alles wat hem wedervaart feilloos, doch zonder variaties, reageert.’

Tja. In zijn belangrijkste boeken is de Tweede Wereldoorlog een groot thema, maar in de dagen rond de bevrijding van Nederland was de schrijver zelf druk bezig een meisje te versieren. Ik verheug me op de contextuele aanmerkingen van Willem Otterspeer in De mislukkingskunstenaar, het nog te verschijnen eerste deel van zijn Hermans-biografie. Otterspeer moet al langer van deze mislukte versierpoging op de hoogte zijn; het Letterkundig Museum bewaart drie (andere) brieven van Hermans aan Freem, eveneens uit 1945. De handgeschreven liefdesbrieven, waaruit hierboven is geciteerd, worden eind mei in Haarlem geveild. De inzet is 1500 euro.

De beoogde bemiddelaar Adriaan Morriën herinnerde zich later: ‘Hermans heeft erg achter Elly aan gezeten’. Ook een collega van Elly Freem wist de hevige verliefdheid van Hermans nog te memoreren: ‘Hij bracht eens een prachtige bloem voor haar mee; een soort vogelbek, een tropische plant. Een stille hommage; het was een sombere minnaar; uit de verte. Elly was een beroemde schoonheid in Amsterdam; voor haar viel iedereen’.

Hermans’ bewogen brieven haalden niets uit, hoewel juffrouw Freem en hij in oktober 1945 eenmaal op date gingen. Twee jaar later trouwde Elly Freem met Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1950 vroeg de schrijver Emmy Meurs ten huwelijk – met succes.

(N.pl., n.pr., c. 2007)

In de Leidse literaire handtekeningenlawine, aangekondigd voor dinsdagavond 7 mei, zitten zeker 74 signaturen van Benno Barnard. Zijn hele werk, in handelsedities en bibliofiele uitgaven, komt onder de hamer. Enkele kilo’s verspreid werk worden aan sommige kavels toegevoegd. Elke snipper is door de auteur gewaarmerkt.

Ik dacht dat ik aardig bij was met mijn verzameling Barnard, maar Gert Boonekamp is absoluut mijn meerdere. Geen vertaling heeft hij gemist, geen bloemlezing overgeslagen. ‘The Boonekamp Collection’ omvat honderden en honderden naoorlogse dichtbundels en romans, stuk voor stuk voorzien van een handtekening en/of een opdracht. Auteurs, wier achternaam begint met A-K, zijn het eerst aan de beurt. De veilingkavels zijn zo omvangrijk dat hooguit vijf boektitels met name genoemd worden. De overige boeken blijven, ook na autopsie, anoniem. Een afsluitend getal geeft aan uit hoeveel boeken de kavel in totaal bestaat.

In twee kavels zit een vouwblad met een gedicht van Benno Barnard verstopt. Uit de veilingcatalogus: ‘Id. “Laatste gedichten” van Hans Andreus. (N.pl., n.pr., c. 2007). Fold. leaf w. poem. “Gedrukt voor de dichter in vijf exemplaren”.’ Het veilinghuis heeft op het vouwblad geen plaats van uitgave gevonden, de drukker is niet achterhaald en van het jaar van uitgave rest slechts een vermoeden.

Boonekamp is een navorser. In zijn zoektocht naar publicaties in kranten en tijdschriften is hij gestructureerd te werk gegaan. Dat laten de dikke knipselmappen in zijn collectie zien. Ik moet het zelf meer van het toeval hebben. In 2005, toen de Universiteitsbibliotheek Groningen vele literaire tijdschriften nog in een open opstelling had staan, vond ik per ongeluk een gedicht van Benno Barnard. Negen regels poëzie, onderaan pagina 66 van In de Waagschaal, jaargang 7, nummer 3 (8 april 1978). De twee volgende pagina’s hebben, eveneens van de hand van Barnard, een bespreking van de postume bundel Laatste gedichten van Hans Andreus, onder de titel ‘Mantiek en semantiek’.

Het negenregelige vers haalde Barnards debuutbundel Een engel van Rossetti (1981) niet en bleef ook later ongebundeld. Ik besloot daarom zelf de eerste druk te verzorgen. En zo ontstond, in 2005 nog, “Laatste gedichten” van Hans Andreus. Een roofdruk, strikt genomen, maar wel geautoriseerd.

Geautoriseerd? Met het vers geconfronteerd, in december 2007, bleek de dichter, weliswaar ‘geamuseerd’, er geen enkele herinnering aan te hebben. ‘Uit welk Pleistoceen dateert het? En In de Waagschaal? Dat moet dan haast via mijn vader zijn gelopen.’ Willem Barnard zat inderdaad in de redactie van het tijdschrift.

Deze bibliografische achtergronden, gratis en voor niets, voor de koper(s) van de kavels met het vouwblad. Een gedicht, nog vroeger gepubliceerd dan ‘”Laatste gedichten” van Hans Andreus’, ben ik sindsdien niet tegengekomen. Met het vouwblad heeft de koper dus, min of meer, het debuut van Benno Barnard in handen.