Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Omzwervingen

Wanneer Cees Nooteboom in de jaren ’80 een nieuw boek publiceerde, dan stond de schrijver altijd een exemplaar af aan zijn vriend en fondscollega Boudewijn Büch. In Aas (1982), een bundel met veel filosofische gedichten over reizen en verre landen, schreef Nooteboom voorin deze regels, die een verschil in levenshouding benadrukken:

voor Boudewijn Büch
die niet van reizen
houdt,
van Cees Nooteboom
die veel moet reizen.
Cees N.
Asd. 11-10-82

De schrijver die tijdens zijn korte leven miljoenen Air Miles bij elkaar vloog en dertien televisieseizoenen vulde met reisprogramma’s, wilde niet altijd al naar het einde van de wereld. In het artikel ‘Tussen eerste druk en edelkitsch’ in De Boekenwereld 30/1 roept Eva Rovers in herinnering dat Büch begon als boekenkastreiziger: tijdens het schrijven van zijn eerste reisboek Eilanden (1981) had hij Nederland niet eens verlaten. Pas in 1982 maakte hij zijn eerste grote reis, samen met radiomaker Paul Aalbers, naar Nieuw-Zeeland, Tahiti, Fiji en Skiros. Pas toen begon Büch van reizen te houden.

In 1991 was zijn weerzin tegen ‘het literaire wereldje’ te groot geworden: Büch verkocht, via zijn vaste leverancier Eric J. Schneyderberg, zijn complete collectie Nederlandse literatuur. Daar waren talloze boeken bij die hij, getuige de vriendschappelijke opdrachten, van collega’s had ontvangen. Hij deed ook zijn Nooteboomen weg – de meeste, niet alle. Vier van deze bijzondere opdrachtexemplaren zijn, na omzwervingen, in mijn boekenkast aanbeland.

Toen Boudewijn Büch op 23 november 2002 overleed, bevond zich in zijn enorme bibliotheek een ongelezen exemplaar van de eerste druk van de Deense vertaling van Nootebooms bekendste roman. Drie weken voor zijn dood had Büch, vaste gast in de talkshow Barend en Van Dorp, het boek Ritualer (1987) nog voor de camera’s omhoog gehouden. Omdat de naam van de schrijver op het omslag consequent verkeerd was gespeld (‘Cess Noteboom’), zou deze druk nooit in de handel zijn gebracht, aldus Büch. Maar hij kreeg een auteursexemplaar cadeau met de opdracht:

voor Bodivan Bucc,
van Cess Noteboom,
Amsterdam,
28-10-87

Het was niet voor het eerst dat Nooteboom zijn naam verhaspeld had zien worden. Begin 1987 was hij een paar maanden Visiting Professor aan Berkeley, waar hij met studenten zijn werk besprak en hen onderwees over Nederlandse koloniale literatuur. Op een van zijn wekelijkse spreekuren, te midden van kasten vol – God betere – ‘Gotische Schillers en Goethes’, werd hij door ‘een getourmenteerde schrijver’ aangesproken met ‘Are you Professor Noetbaum?’

Noetbaum. Nussbaum. Noetboem. Noodebawm. Noddebom. Nobody. Ik tors die naam met me mee als een schat.

vervolgt Nooteboom in het reisverhaal ‘De tweede auto’, opgenomen in de bundel De wereld een reiziger (1989). Ook hiervan kreeg Büch een eerste druk met een inscriptie, die nu een Wahlverwandtschaft behelst:

voor Boudewijn
zelf eeuwige pelgrim
Cees,
Amsterdam
1 juni ’89

Hymn book

Drie films van Alfred Hitchcock achter elkaar: een middag van moedwil en misverstand. In The Lady Vanishes uit 1938 verdwijnt een oud dametje aan boord van een trein, passagiers en bedienden zitten in het complot, maar de knappe Miss Iris Henderson zal het mysterie ontrafelen.

Vertrouw nooit een non op hoge hakken.

In The 39 Steps uit 1935 wordt de onschuldige, goedgeklede zakenman Richard Hannay verdacht van moord op een spionne. Achtervolgd door de politie duikt hij een nacht onder bij een boerenpaar. De boer gelooft niet in de onschuld van Hannay, maar de boerin helpt hem ontsnappen via de achterdeur. Zij geeft hem de donkere overjas van haar echtgenoot, zodat Hannay in de duisternis kan verdwijnen.

De onschuldige zakenman wendt zich tot het laatste contact van de spionne: een gerespecteerde professor, die toevallig net de verjaardag van zijn dochter viert. Een heel huis vol. De plaatselijke sheriff drinkt ook een glaasje mee. Hannay speelt zenuwachtig met zijn sigaret. Beleefd dwingend werkt de professor zijn gasten de kamer uit. ‘There’s no hurry, my dear, but if you must go…’ Dan doet hij de deur op slot.

O, vertrouw nooit een professor zonder pink.

De spionerende professor biedt Richard Hannay een eenvoudige uitweg: hij wil dat de zakenman zelfmoord pleegt. ‘Supposing I left you alone with this revolver. Tomorrow’s newspapers would be able to announce that the murderer had taken his own life.’ Hannay slikt. En op dit ijskoude moment in de film veroorlooft Hitchcock zich een grapje: de vrouw van de professor – dea ex machina – komt de kamer binnen. ‘I thought we were going to lunch directly, dear. We’ve all been waiting. Will Hannay be staying?’ ‘I don’t think so, dear.’

De professor schiet. Hannay gaat tegen de vlakte. Maar het boek zal zijn redding zijn. Cigar cases, yes, but I’ve never seen it happen to a hymn book before, except on the movies.

Next to Dickens

Een nieuwe aflevering van Lewis. Deze aflevering heet Generation of Vipers en is minder leuk dan The soul of genius. Toch zit de belangrijke aanwijzing voor Lewis en Hathaway (alweer) verstopt in een boek. Of eigenlijk, om precies te zijn, in een boekenkast.

Bij de eerste inspectie van het huis van de (alweer) vermoorde professor zien Lewis en Hathaway een boek dat ondersteboven op een boekenplank staat. Het betekent niets. Pas als Lewis een foto onder ogen krijgt, waarop de professor enkele weken voor haar dood voor haar boekenkast poseert, ontstaat er iets van een vermoeden.

Toen de professor dood werd aangetroffen stonden de boeken er anders bij. Twee planken van de boekenkast blijken te zijn herschikt. Lewis: ‘And not very well.’ Hathaway demonstreert zijn algemene ontwikkeling als hij de herschikte planken beschouwt: ‘Paradise Lost next to Dickens. Shakespeare next to Ulysses. Either she was drunk. Or…’

Er moet een worsteling zijn geweest, waardoor de boekenkast omtuimelde. Een doodsstrijd die de professor verloor. En de boeken verloren in wanorde hun eigenaar. Maar de moordenaar wordt gevonden.

Olievlek

Henny Vrienten vertelde het afgelopen zomer op de landelijke televisie. De bibliotheek van Hans van Mierlo was verworden tot een berg bananendozen op het Waterlooplein. Connie Palmen had goed huisgehouden. Vrienten had met buitengewone belangstelling een stapel boeken uit een doos gevist met aantekeningen van Van Mierlo, misschien was er ook een enkel exemplaar met opdracht aan de overleden politicus. En zo ging het zeker vijf minuten over de aantrekkingskracht van marginalia, het speciale van een aangeraakt boek. Goed en fijn – wat je verder ook van Vrienten en zijn optreden in Zomergasten vindt. (Er is geen bal op de tv.)

Henny Vrienten was natuurlijk niet de enige die door de dozen van Van Mierlo ging. De bibliotheek van Van Mierlo verspreidde zich als een olievlek over Amsterdam. Binnen de kortste keren boden antiquariaten in de omgeving Van Mierlo aan. Ik vond in mei 2011 bij JOOT een uitgebreide, deels onleesbare opdracht van Jean-Paul Franssens aan Hans van Mierlo.

Het is geen geheim dat een klein deel van de bibliotheek van Hella S. Haasse op de boekenmarkt is beland. Af en toe duikt er een aan Haasse opgedragen boek op. Een olievlek? Nee, niet echt. Maar ik heb bij zeker vijf antiquariaten en boekverkopers opdrachtexemplaren gesignaleerd. Met de beste wensen van S. Carmiggelt, Max Croiset, Marc Jager, Margreet van Hoorn, Michael Hulse, Leonard Nolens, Cees Nooteboom, Aleid Truijens en Theun de Vries.

Nu wordt er in november een klein archief van Haasse geveild. Weer opdrachtexemplaren van Margreet van Hoorn en Willem Nijholt, maar ook vijf originele zwart-witfoto’s van een zeer jeugdige Hella S. Haasse, met een grote witte strik in heur haar.

Heimat

Het decor en de rekwisieten zijn werkelijk van bordkarton. Het gastpanel, bestaande uit vier professoren uit Gent, neemt het in deze aflevering van de Vlaamse quiz ’t Is maar een woord op tegen vier vaste medewerkers. Zij geven viermaal een betekenis van een woord, waarvan slechts eentje de juiste is. Vandaag is het woord ‘eimat’. Zelfs ik – afstammeling van groentemannen en landbouwers – had er nooit van gehoord. De gevierde auteur Louis Paul Boon begint met zijn definitie.

In 1964 kon je blijkbaar weer grapjes maken over de oorlog.