‘Na mijn dood zal niemand iets vinden’

In de voorbereiding van de aan Toon Tellegen gewijde Tzum benaderde ik Tellegens oudste illustratrice Mance Post met de vraag of zij enkele tekeningen wilde afstaan voor de rubriek Schetsboek. Ik had haar een nette brief geschreven en kreeg een nog nettere brief terug met het verzoek of ik haar wilde bellen. Aan de telefoon moest Mance Post me teleurstellen: ze wilde uiterlijk eind juni werk inleveren voor een project, dus ze had geen tijd voor tussentijds gedoe.

‘Mijn tafel ligt momenteel vol met schetsen, maar die mag u niet zien. Ik wil niets afstaan. Je gaat je mislukte kindertjes toch niet aan de buitenwereld tonen?’

‘Hoe gaat u verder te werk?’
‘Je maakt een schets, die gooi je weg, je maakt nog een schets, die gooi je weg, enzovoort. Tot je iets ziet wat ermee door kan. Vroeger plukten de buurjongetjes die schetsen uit de vuilniszak om ze thuis aan de muur te plakken.’
‘Schetsen, voorstadia kunnen heel interessant zijn.’
‘U bent zeker neerlandicus.’
Ik beken. Het is de droom van elke biograaf: in een bureaula een schitterende schets vinden of de eerste regels van een gedicht.
‘Na mijn dood zal niemand iets vinden.’

Eerder verschenen in Tzum 46

Toon Tellegen in Tzum

Bij de abonnees valt vandaag in de bus: Tzum 46, de Toon Tellegen-special. Behalve van de grootmeester zelf staan er verhalen en gedichten in van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, Kees ’t Hart, Tonnus Oosterhoff en Barber van de Pol. Componist Richard Ayres schreef een interessant stuk over zijn Tellegen-opera. Lili Ahonen en Judith Wilkinson doen een boekje open over de vertalerspraktijk. En er is meer, veel meer. Arthur Japin bijvoorbeeld. En A.L. Snijders. Alle 52 pagina’s goed!