Pro Patria

Een voor het hele begrip van clandestiene en illegale uitgaven onmisbare paragraaf in het hoofdstuk ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’, in Het ideale boek (2010), is ‘Papierschaarste’. Hierin schrijft Sjoerd van Faassen over de door de Duitsers ingestelde papierdistributie, waardoor het voor verzetsdrukkers moeilijker werd om aan pakken papier te komen. De clandestiene drukkers zouden wel gek zijn om hun teksten voor te leggen aan de afdeling Boekwezen van de Kultuurkamer. Er zat dus niets anders op: jatten of creatief zijn.

Zo kende uitgever Bert Bakker jongens op de werkvloer van de papierfabriek Van Gelder, die bereid waren voor tegen de bezetter gerichte uitgaven vellen papier te ontvreemden. De Bezige Bij-oprichter Geert Lubberhuizen roofde in 1943 een papierpakhuis leeg.

De latere voorman van Bruna, Jaap Romijn, stal niet. Terwijl Bert Bakker grote risico’s nam om bijvoorbeeld een idioot grote uitgave van gedichten van Bertus Aafjes te kunnen drukken, gebruikte Romijn zijn hersens. In de Hongerwinter bedacht hij de Handpalm-reeks: boekjes zo klein dat je ze in je hand kon verstoppen.

In 1943 drukten de Gebroeders Pelle te Bussum 300 exemplaren van de bundel Maar ja, Marja van A. Marja. Waar uitgever F.G. Kroonder zijn papier haalde, is niet bekend. De eerste 75 exemplaren van de oplage werden gedrukt op ‘blauw-grijs, luxe-tekst’, terwijl de overige exemplaren werden opgeleverd op eenvoudig en authentiek ‘bruin pakpapier’. Deze laatste exemplaren kregen ook andere schutbladen mee: donkerbruine vellen met een motiefje. Het doet een beetje aan vooroorlogs behang denken.

Margedrukkers, die wel weten wat private press-verzamelaars willen, splitsen hun oplagen op in gewone, luxe en super-de-luxe exemplaren. Elk deel van de oplage wordt gedrukt op een verschillende papiersoort. Sinds Stols, in zijn boekverzorging een halve Fransoos, is het onderscheid een traditie. De mooiste boeken van A.A.M. Stols zijn gedrukt op keizerlijk Japans.

Ik bedenk nu dat die papiertraditie natuurlijk een uitkomst was voor clandestiene drukkers. Nu hoefden ze niet per se een grote voorraad eensoortig papier te bemachtigen, maar konden ze zich ook redden met een restje van dit en een stapeltje van dat. Van Gelder, Simili Japon, Pannekoek, Register Vergé: allemaal geschikt, als je je oplagen en je colofons er maar op aanpaste.

En toch. Dat verzet moet heel diep gezeten hebben. Illegale uitgevers drukten het liefst op papier des vaderlands. Het dichtbundeltje Novemberland (1943) van Koos Schuur is, aldus het colofon, ‘gedrukt in een oplaag van 100 exemplaren, waarvan 50 op Hollandsch papier’. Als ik de eerste pagina van mijn Novemberland tegen het licht houd, zie ik het watermerk: een Nederlandse leeuw, waarboven de woorden ‘Pro Patria’.

Potloodstreepje

Gij zult niet in boeken schrijven. Het is een van de tien geboden voor de bibliofiel. De stenen tafelen, waarin de woorden gebeiteld staan, worden al sinds jaar en dag geconserveerd in de klimaatkast van het Meermanno. Intussen komen er mooie voorbeelden langs van lezers die het gebod hebben overtreden. Zij schreven tijdens het lezen.

In zijn artikel over ‘H. Marsman, D.A.M. Binnendijk en de polemiek rond de bloemlezing Prisma (1930)’, in de bundel Schrift en signatuur. Case studies over moderne handschriften uit de Koninklijke Bibliotheek (2012), gebruikt Sjoerd van Faassen niet alleen briefcitaten om te laten zien hoe Menno ter Braak op het epigonisme van Binnendijk reageerde, maar hij bestudeert ook Ter Braaks exemplaar van Prisma. Vanaf de eerste bladzijde zet Ter Braak – letterlijk – vraagtekens bij Binnendijks inleiding. Zijn marginale krabbels kondigen het betoog aan dat in januari 1931 onder de titel ‘Prisma of dogma?’ in De Vrije Bladen verscheen.

In het fascinerende, boekige gedicht ‘Ik wil paardrijden en in God geloven’ vangt Delphine Lecompte de lading die een enkel potloodstreepje in een boek kan hebben. De onderstreping is van haar overleden grootvader.

Practise what you preach. Het gebod zal ik niet schenden, maar ik kan heimelijk genieten van lezers die dat wel deden, zeker wanneer die lezers schrijvers zijn. De honderden woorden die de eerste vertaler van The Blood of the Lamb (1961), een van de aangrijpendste boeken die ik las, in de marge van zijn exemplaar noteerde… De tientallen paginagrote tekeningen die een verveelde dichter, ’s avonds op zijn hotelkamer, na afloop van een PEN-congres in Wenen, in een bloemlezing maakte…