Een dertigjarige vriendschap

Aan de eerste bloemlezing die Koos Schuur uit eigen werk maakte, voegde hij een nawoord toe. Op de zes bladzijden achter in Gedichten 1940-1960 (1963) doet Schuur uit de doeken hoe zijn dichterschap ontlook. Hij omschrijft zichzelf omstreeks 1935 als een eenzaat in Veendam:

een knaap in de provincie met te onprovinciale aspiraties om door zijn omgeving volledig geaccepteerd te worden, een die verzen probeerde te schrijven in navolging van zijn tijdelijke ‘meesters’, zonder critiek

De enige met wie Schuur over poëzie kon praten was een domineeszoon uit Winschoten. Deze Theo Mooij schreef zelf ook aan de lopende band gedichten. Mooij en Schuur kwamen ’s weekends bij elkaar en onderhielden verder een levendige briefwisseling. Meestal bevatte een grote, aan Mooij geadresseerde envelop ‘talrijke manuscripten’.

Theo Mooij, alias A. Marja, zou de jeugdverzen van Schuur altijd bewaren. Hij duikelde ze op toen hij aan een literair profiel van Schuur werkte, dat werd opgenomen in Buiten het boekje (1954). In zijn portret van ‘de verbannen koning’ Koos Schuur breekt Marja een lans voor de ‘jeugdproducten’ van zijn oude vriend. Hij citeert het gedicht ‘een kind tekent…’ en noemt het ‘een bijzonder geslaagd specimen’.

een kind tekent…

koe en paard kakelbont
en een huis van carton
en op de weg een hond
en in de lucht een zon

(het heeft de boom vergeten)

de zon is geel de hond is bruin
de weg is wit – de witte weg –
en helemaal rondom de tuin
tot aan het huis een groene heg

(maar ’t heeft de boom vergeten)

het huis is rood het dak is rood
en uit de schoorsteen komt wat rook
waar is de boom?

o sapperloot
nu is de boom er ook.

Omdat Marja dit gedicht citeerde in zijn anekdotische portret in Buiten het boekje, kon Schuur erover beschikken toen hij jaren later verzen bijeensprokkelde voor zijn bloemlezing. (En Gerrit Komrij putte uit deze bloemlezing voor zíjn bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten (2007), waarin ‘een kind tekent’ op p. 604 is afgedrukt.) Uit Schuurs nawoord bij Gedichten 1940-1960 is op te maken dat Marja zijn vriend, die toen in Australië verbleef, niet van tevoren op de hoogte had gebracht van het in druk laten verschijnen van diens jeugdvers. De tijdelijke breuk tussen Marja en Schuur, begin jaren ’50, zal hiervoor de reden zijn geweest. Toch doet Schuur achteraf niet kinderachtig over de roofdruk:

Erkentelijk voor zijn [= Marja’s] goede zorgen voor dat manuscript draag ik het gedicht hierbij aan hem op.

Inderdaad staat er op bladzijde 15 van Gedichten 1940-1960 boven ‘Een kind tekent’ cursief gedrukt:

voor A. Marja

Tineke Schuur-Kaspers, die na de dood van A. Marja in 1964 de geliefde werd van Koos Schuur, herinnerde zich in 2008 levendig de eerste keer dat Marja en Schuur elkaar na een radiostilte van jaren weer zagen:

Dat was wel heel apart, die ontmoeting. Koos kwam de drie, vier trappen in zijn huis afgestormd en ze vielen elkaar echt om de hals. En kussen! Dat was toen nog niet zo gebruikelijk in die tijd. Ik keek mijn ogen uit! Je merkte wel dat het twee hele goede vrienden waren en dat is altijd zo gebleven. Het waren geen mannen die het verleden gingen analyseren. Nee. Dat was geweest. Klaar.

Het moet bij deze emotionele hereniging zijn geweest dat de dichters de meest recente bloemlezingen uit eigen werk uitwisselden. Koos Schuur kreeg Marja’s Nochtans een christen (1962) met een handgeschreven kwatrijn:

Voor Koos, de vriend, de oude bard:
weer in het oog, weer in het hart!
Wat er gebeurd is in ons leven:
‘Wat niet goed is, is niet geschreven.’
A’dam 22-9-63
Marja

A. Marja ontving uit handen van Schuur een exemplaar van Gedichten 1940-1960. Voorin zette Schuur:

voor Theo Mooy &
A. Marja
een dertigjarige
vriendschap
koosschuur
23-9-63

Uit de dateringen maak ik op dat de dichters elkaar tot in de kleine uurtjes hebben bijgepraat. De pocket van Schuur met de betekenisvolle opdracht vond ik in 2014 tot mijn verrassing op de deurmat. (Nochtans een christen uit het bezit van Schuur bevindt zich nog altijd in de opdrachtencollectie van antiquariaat Schuhmacher.)

Piratengedoe

De traditie schrijft voor dat er op de Beurs van Bijzondere Uitgevers iets onverwachts gebeurt. Een bewust onbemande stand, een schandaaltje of een vreemde mystificatie. Meestal is het een roofdruk van een gevierd schrijver, die vluchtig van plastic tas wisselt. Dit jaar viel de eer te beurt aan Jeroen Brouwers.

In Paradiso werden gisteren 99 exemplaren verspreid van Een kerstverhaal. Dit boekje – vier vellen, cahiersteek – verscheen bij Hijgh & Vanditmag. Het fonds van deze uitgeverij, die vernoemd is naar Nijgh & Van Ditmar, bestaat uit louter roofdrukken. In 1998 gaf Hijgh & Van Ditmag Gezicht op kerstmis, en Andere Geestelijke Liederen van Gerard Reve uit. Biesheuvels verhaal God Zelf verscheen in 2005 bij dezelfde. Louis Paul Boons Restanten. Een overzicht en ‘history’ van het vrouwelijk bloot – of bijna – zoals het onze wereld van vandaag wordt aangeboden, gepresenteerd op de Beurs voor Kleine Uitgevers in 1985, is waarschijnlijk Hijgh & Van Ditmags eersteling.

Op Facebook wordt intussen druk gespeculeerd over de initiatiefnemer(s) van deze ongeautoriseerde uitgaven. Publicist en oud Propria Cures-redacteur Bob Polak wordt genoemd, omdat hij in 1992 op de Beurs voor Kleine Uitgevers door hem samengestelde en gedrukte mystificaties van W.F. Hermans verkocht. Hermans spande een civiele procedure aan, Polak moest de schrijver 7500 gulden schadevergoeding betalen. (Ik geloof niet dat Polak erachter zit.)

Exclusiviteit, dat is de eis waaraan een illegale (her)druk moet voldoen. Dat betekent dat de tekst buiten het bereik van de gewone sterveling moet liggen. Bijvoorbeeld omdat deze alleen in een vergeten jaargang van een obscuur tijdschrift is afgedrukt, of omdat de tekst enkel aan een geselecteerd publiek als bibliofiele uitgave is gepresenteerd. Onvindbaar of onbetaalbaar. De margedrukkers die zich achter het imprint Godlofpers verschuilen, drukken niet eerder gepubliceerde brieven of opgedoken kladhandschriften van Gerard Reve. In 1980 werden er op de Beurs voor Kleine Uitgevers gefotokopieerde en gestencilde overdrukken van het toen uitsluitend voor 500 gulden verkrijgbare Kloof tegen cilinder (1980) van E. du Perron verkocht.

Een kerstverhaal is gezet uit twee opvallende corpsen en gedrukt in rood en zwart. Het frontispice is een portret van Brouwers door Joost Veerkamp, dat Hijgh & Vanditmag jatte uit het door de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst uitgegeven De zondvloed (1997). Met typografie en uitvoering is niks mis. De tekstkeuze van Een kerstverhaal is echter zeer matig.

De tekst is ontleend aan de roman Datumloze dagen (2007). Het betreft, om precies te zijn, het fragment over Nathans geboorte, maar dan flink bewerkt: woorden zijn veranderd, hele alinea’s zijn geschrapt. De exclusiviteit van Een kerstverhaal zit hem dus enkel in de oplage, want van Datumloze dagen zijn vele duizenden exemplaren verkocht. Hadden de roofdrukkers Brouwers’ bibliografie van verspreide publicaties bestudeerd, dan waren ze met iets aardigers op de proppen gekomen: het verhaal ‘Gedachtig Yolande, mijn kerstroos’. Het stond in 1963 in het kerstnummer van het katholieke tijdschrift voor de Nederlandse strijdkrachten Salvo en werd sedertdien bij mijn weten niet herdrukt.

Het is Brouwers’ derde roofdruk die gisteren verscheen. De eerste twee verschenen in 1983 bij een amateur in Antwerpen. Brouwers vernam van het bestaan van de roofdrukken, toen antiquaar Willem Huijer ze in een catalogus te koop aanbood. Jeroen Brouwers aan Hans Roest, in een brief van 27 mei 1983:

Ik ben met dat hele piratengedoe verre van blij. Mijzelf zeggen ze niks, vragen ze niks en sturen ze niet eens een exemplaar!

Er wordt dezer dagen gevloekt in Zutendaal.

Hemminkrood

In 1984 richtte Gert Jan Hemmink AMO op: een bibliofiele uitgeverij die de beste margedrukkers en knapste binders inzette om imposante dozen, luxe banden en genummerde plaquettes te vervaardigen, om ze vervolgens aan ‘een geselecteerd publiek’ te slijten. In 2004 rolde de laatste uitgave van de pers, zijnde nummer 136 in de bibliografie. Deze week verscheen een papieren verkoopcatalogus met het complete fonds van AMO.

Uit de chronologische lijst van AMO-uitgaven, achterin de catalogus opgenomen, is snel op te maken dat Hugo Claus de belangrijkste fondsauteur was: op zijn naam staan 54 titels. Verrassend is dat niet: al in 1962 was het voor Hemmink, scholier te Amersfoort, een uitgemaakte zaak dat Claus de schrijver van zijn leven moest zijn. Andere terugkerende namen op de fondslijst zijn Boudewijn Büch (vertegenwoordigd met 9 titels), Herman de Coninck (8 titels) en Henry van de Velde (6 titels).

De zevenenzeventigste catalogus van dit antiquariaat is de eerste met de tekst in twee kleuren gedrukt. Tussen de in simpel zwart weergegeven beschrijvingen, waarin alle uiterlijke kenmerken van het boek als mantra’s worden opgesomd, is des uitgevers commentaar gedrukt in, wat binder David Simaleavich noemde, ‘Hemminkrood’. Commentaar mag hier in de vele betekenissen van het woord worden opgevat. Hemmink maakt opmerkingen over de vormgeving, zet uiteen waarom hij een bepaalde auteur wilde uitgeven, verklaart een illustratie nader.

In rood haalt Gert Jan Hemmink dierbare herinneringen op aan De Coninck (‘aan Herman denk ik bijna iedere dag’), aan Frank Lodeizen, aan F.B. Hotz (‘ik weet nog hoe ik zijn hand leidde naar de plaats waar hij dit document ondertekenen kon’) en aan Peter van Straaten. Maar nu en dan heeft hij nog een appeltje te schillen, bijvoorbeeld met de drukkers en verspreiders van een als nagekomen AMO-uitgave vermomde reefdruk, waarvoor zij ongevraagd het door Alechinsky ontworpen AMO-vignet gebruikten. Commentaar is immers ook kritiek.

Vooral in die vuurrode stukken staan schitterende oneliners. Deze is voor Veerle Claus, Kristien Hemmerechts en Joop Schafthuizen:

Over schrijversweduwen weet ik het een en ander, de ergsten zijn die waarvan de auteur nog in leven is.

De man die twintig jaar vanuit huis met eigen middelen zijn uitgeverij runde is overigens in meer dan de helft van zijn fondsuitgaven zelf aanwezig: als auteur van een ‘Nadien’, een ‘Aantekening’ of de verantwoording, al zijn het soms maar een paar regels.

In elke AMO volgt dan nog een colofon, waarin nauwgezet lettersoorten, inktkleuren, nummeringen en papiersoorten worden gespecificeerd. Zerkall en Hahnemühle zijn de meest gebruikte papiersoorten, meestal gebruikt voor de ‘volkseditie’. Voor de exclusieve luxe-edities namen de AMO-drukkers hun toevlucht tot uitheemse papiermolens: Caractère, Hodumura, Svecia Antiqua. In een enkel geval was de keuze wel zeer gelukkig. Van De rode cabriolet (1987) van Joost Veerkamp, over de afgeketste aankoop van een Citroën DS, werden er 28 gedrukt op Bütten CV, terwijl de onbereikbare 7 luxe-exemplaren op Bütten DS werden opgeleverd.

Verdronken in een vat honing

Tijdens het lezen van De zanger van de wrok (2015), het tweede en laatste deel van Otterspeers Hermans-biografie, heb ik nogal eens zitten knikkebollen. Het leven van W.F. Hermans interesseert mij zeer, maar wanneer zijn biograaf het levensverhaal vult met bijzaken, opsommingen en vaagheden gaat bij mij langzaam het licht uit en dut ik in. Tegen onjuistheden kun je in het geweer komen. Tegen slepende saaiheid en slordige stijl begin je niets.

Gelukkig is er altijd een citaat van Hermans dat je doet opveren. Bij het eerste citaat in het vijfentwintigste hoofdstuk van De zanger van de wrok zat ik weer rechtop in mijn stoel.

Ik heb van het begin af het gevoel gehad dat mij op den duur de mond zou worden gesnoerd door een massale collectieve dwangneurose, tegen mij gericht. Daardoor heb ik altijd zo’n belangstelling voor Multatuli gehad, die hetzelfde overkomen is als mij – alleen op veel groter schaal. Ik ben nooit wat anders dan een schrijver geweest, geen sociale agitator. Voor schrijvers heeft helemaal niemand interesse, d.w.z. ik word òf doodgezwegen òf overschreeuwd met welwillende algemeenheden, verdronken in een vat honing.

Dit is slechts een fragment van een langer citaat, dat Otterspeer uit een brief van Hermans aan Freddy De Vree van 7 december 1964 plukt. Eerder haalde hij de brief aan in zijn essay Dorbeck, waar ben je? (2012). De Vree beeldde de volledige brief in facsimile af in zijn boek De aardigste man ter wereld (2002).

Deze depressieve zinnen maken een belangrijk kerncitaat. Dit vond ook de figuur die mij op 24 juli 2006, op de stoep van een voormalige garage in de Groningse Warmoesstraat, de roofdruk Verdronken in een vat honing overhandigde. In deze uitgave komt geen auteursnaam voor, maar de imprint ‘Hommeles – Spilsluizen’ zegt genoeg. De eigenlijke tekst bestaat uit bovenstaand citaat. Het colofon komt niet verder dan de mededeling ‘Geen colofon’; dat de tekst met de hand is gezet uit de Egmont en gedrukt in donkerbruin is mijn observatie.

Het laat zich raden wie er schuilgaat achter Verdronken in een vat honing. De uitgave is niet opgenomen in het lijstje verderfelijke drukwerken achterin Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans (2000 – met online updates); Janssen, Kegel en Van der Poel hebben deze ster nog niet aan het firmament gezien. De anonieme roofdrukker had wel het fatsoen om de zetfout in de derde regel (‘gesnord’) met een erratum in de vorm van een bladwijzer te herstellen.

Overigens verwijst ‘verdronken in een vat honing’ naar de wederopstanding van een zoon in een Griekse mythe. Het is de jongen Glaukos die, spelend in de wijnkelders van zijn vader, in een vat honing verdrinkt. Omdat het orakel van Delphi woord houdt, kan Glaukos – na tussenkomst van een wijze man, twee slangen en een kruid – weer tot leven worden gewekt.

Bewaren

De eerste veiling van ‘The Boonekamp Collection’ is geschied. Het overgrote deel van de Leidse literaire handtekeningenlawine is goed terechtgekomen; slechts een kwart van de kavels bleef onverkocht.

Beide kavels met het door mij ge(roof)drukte poëziedebuut “Laatste gedichten” van Hans Andreus (N.pl., n.pr., c. 2007) van Benno Barnard hebben een nieuwe eigenaar gevonden. Eén kaveltje Barnard, waarin nota bene een exemplaar van zijn mooiste boek, bleef op de planken liggen. De schrijver moet het onder de hamer komen van zijn werken wel met (leed)vermaak hebben aanschouwd. Zijn commentaar op deze geschiedenis was kort. ‘Zo wordt men zijn eigen curiosa.’

Welke Barnard-fans in Leiden hebben toegeslagen is mij niet precies bekend. De nieuwe eigenaar van kavel 377, waarin een uitgebreid gesigneerd exemplaar van “Laatste gedichten” van Hans Andreus, heeft zich inmiddels gemanifesteerd. Een boekwinkeltje in Franeker biedt het drukwerkje sinds gisteren aan. De opdracht van Barnard aan Boonekamp wordt volledig geciteerd: ‘Voor Gert, mijn oudste gedicht. Bewaar me… Benno 18.12.07. Een biblioseksuele drukker stuurde me dit – ik wist van niks’. In de beschrijving staat achter het veld ‘Uitgever’ echter: ‘Onbekend’. Voor 60 euro plus porto is het van u; mijn toelichting is gratis.

Het dubbelzinnige in deze opdracht van Barnard krijg ik nu pas in het oog. Natuurlijk, hij verkort hier de bekende krachtterm ‘God, bewaar me!’ Maar hij bedoelt het ook letterlijk: ‘Bewaar me’. Gert Boonekamp werd door sommige dichters beschouwd als hun liefhebbende archivaris of zachtaardige conservator. Hij miste geen knipsel, geen bloemlezing, geen vouwblaadje, hoe obscuur ook.

Voor dichters, die zichzelf niet verzamelen, moet het een geruststellende gedachte zijn geweest dat iemand, ergens op de wereld, al dat papier trouw naar zijn huis sleepte en in kasten, dozen en mappen stopte. Om te lezen en om te bewaren.

(N.pl., n.pr., c. 2007)

In de Leidse literaire handtekeningenlawine, aangekondigd voor dinsdagavond 7 mei, zitten zeker 74 signaturen van Benno Barnard. Zijn hele werk, in handelsedities en bibliofiele uitgaven, komt onder de hamer. Enkele kilo’s verspreid werk worden aan sommige kavels toegevoegd. Elke snipper is door de auteur gewaarmerkt.

Ik dacht dat ik aardig bij was met mijn verzameling Barnard, maar Gert Boonekamp is absoluut mijn meerdere. Geen vertaling heeft hij gemist, geen bloemlezing overgeslagen. ‘The Boonekamp Collection’ omvat honderden en honderden naoorlogse dichtbundels en romans, stuk voor stuk voorzien van een handtekening en/of een opdracht. Auteurs, wier achternaam begint met A-K, zijn het eerst aan de beurt. De veilingkavels zijn zo omvangrijk dat hooguit vijf boektitels met name genoemd worden. De overige boeken blijven, ook na autopsie, anoniem. Een afsluitend getal geeft aan uit hoeveel boeken de kavel in totaal bestaat.

In twee kavels zit een vouwblad met een gedicht van Benno Barnard verstopt. Uit de veilingcatalogus: ‘Id. “Laatste gedichten” van Hans Andreus. (N.pl., n.pr., c. 2007). Fold. leaf w. poem. “Gedrukt voor de dichter in vijf exemplaren”.’ Het veilinghuis heeft op het vouwblad geen plaats van uitgave gevonden, de drukker is niet achterhaald en van het jaar van uitgave rest slechts een vermoeden.

Boonekamp is een navorser. In zijn zoektocht naar publicaties in kranten en tijdschriften is hij gestructureerd te werk gegaan. Dat laten de dikke knipselmappen in zijn collectie zien. Ik moet het zelf meer van het toeval hebben. In 2005, toen de Universiteitsbibliotheek Groningen vele literaire tijdschriften nog in een open opstelling had staan, vond ik per ongeluk een gedicht van Benno Barnard. Negen regels poëzie, onderaan pagina 66 van In de Waagschaal, jaargang 7, nummer 3 (8 april 1978). De twee volgende pagina’s hebben, eveneens van de hand van Barnard, een bespreking van de postume bundel Laatste gedichten van Hans Andreus, onder de titel ‘Mantiek en semantiek’.

Het negenregelige vers haalde Barnards debuutbundel Een engel van Rossetti (1981) niet en bleef ook later ongebundeld. Ik besloot daarom zelf de eerste druk te verzorgen. En zo ontstond, in 2005 nog, “Laatste gedichten” van Hans Andreus. Een roofdruk, strikt genomen, maar wel geautoriseerd.

Geautoriseerd? Met het vers geconfronteerd, in december 2007, bleek de dichter, weliswaar ‘geamuseerd’, er geen enkele herinnering aan te hebben. ‘Uit welk Pleistoceen dateert het? En In de Waagschaal? Dat moet dan haast via mijn vader zijn gelopen.’ Willem Barnard zat inderdaad in de redactie van het tijdschrift.

Deze bibliografische achtergronden, gratis en voor niets, voor de koper(s) van de kavels met het vouwblad. Een gedicht, nog vroeger gepubliceerd dan ‘”Laatste gedichten” van Hans Andreus’, ben ik sindsdien niet tegengekomen. Met het vouwblad heeft de koper dus, min of meer, het debuut van Benno Barnard in handen.

Bibliografie Reefdrukken online

Tot voor enkele dagen was de bibliografie van alle bekende roofdrukken van Gerard Reve, ook wel reefdrukken genoemd, alleen verkrijgbaar op CD. Omdat ik het toch wat te omslachtig vond om een administratie te voeren van de afnemers van die CD, heb ik de boel online gezet. U vindt de bibliografie hier. Omdat de kopers van de CD als worst een gratis update is voorgehouden, zullen zij met een plezant drukje schadeloos worden gesteld, ik meen: de boel moet netjes worden afgehandeld.

Overigens herhaal ik graag de oproep die ook op de website te vinden is: voor aanvullingen, verbeteringen en verder commentaar hou ik me zeer aanbevolen.

Al met al levert de bibliografie een boeiend en zeer afwisselend beeld van wat er allemaal is verschenen. De vroegste reefdrukken stammen uit 1970 – hoewel je bij het reefdrukgehalte van die uitgaven een vraagteken kunt zetten: vier plano’s gedrukt op verzoek van Teigetje en Woelrat voor een jarige Reve.

In de jaren daarna verschijnt er zo nu en dan een uitgave, met uitschieters in 1982 (9) en 1985 (8). Daarna wordt het weer rustig tot 1995. In dat jaar verschijnen er maar liefst 58! Het wonderjaar in de reefdrukkelogie, waarvoor – het kan bijna niet anders – een collectief van drukkers verantwoordelijk moet worden gehouden. Daarna zakt de produktie weer in. 2007 en 2008 springen er nog uit met 10 en 18 uitgaven, maar 2009 heeft tot op heden pas één uitgave opgeleverd.

Het zou mij niet verbazen als het verschijnsel reefdruk zijn langste tijd heeft gehad. Er is natuurlijk nog veel ongepubliceerd materiaal, met name brieven, maar de dramatisch slechte verkoop van Reve’s Verzameld Werk, zou er op kunnen duiden dat ook Reve’s tocht naar de put der vergetelheid is ingezet. Veelzeggend is de kennelijk noodzakelijke geachte uitgave van: De laatste jaren van mijn Grootvader, een bloemlezing die Reve onder de aandacht van volgende generaties zou moeten brengen.

Hopelijk kan de verschijning van de biografie van Reve door Nop Maas hier nog enige vertraging in brengen. Maar liefst drie delen worden ons in het vooruitzicht gesteld!