Taalstaat

Frits Spits, presentator van het radioprogramma De Taalstaat, stelde mij afgelopen zaterdag enkele vragen over mijn catalogus met opdrachtexemplaren. Dat zijn, aldus Spits, ‘boeken met van die mooie handgeschreven tekstjes’.

Ik leg uit waarom ik deze verzameling heb afgestoten, citeer enkele toepasselijke opdrachten, vertel welke boodschap de dichter Nijhoff voor de koningin had en verbaas mij over de verkrijgbaarheid van het mooiste opdrachtexemplaar.
(En dit alles in nog geen vijf minuten.)

Beluister het gesprek terug door hier op 11.00-12.00 te klikken (doorspoelen naar 13:55).

Mijn tweede vader

Naar aanleiding van zijn net verschenen biografie Lucebert praatte Wim Hazeu eergisteren een uur lang met Elfie Tromp in het radioprogramma Nooit meer slapen. De welingelichte interviewer stelde goede vragen, de opperbiograaf gaf eerlijke antwoorden. Uiteraard ging het over Lucebert en over zijn grote misstap in de Tweede Wereldoorlog, maar aan bod kwamen ook het dichterschap van Hazeu, zijn vroegste herinneringen en zijn enorme ambitie. Wim Hazeu wil de beste biograaf van Nederland zijn – misschien is hij dat al.

Tromp herinnerde Hazeu op een gegeven moment aan zijn stellige bewering, dat hij zijn tijd niet verspilt aan het schrijven van een biografie van een derderangs schrijver, waar vervolgens niet meer dan honderd exemplaren van worden verkocht. Tromp deed de voorzet en wilde ook zelf inkoppen.

En A. Marja dan?

Het is even geleden dat de naam van de dichter in de ether was. In de nacht van afgelopen woensdag op donderdag ging het op een radiozender met landelijke dekking opeens over A. Marja. Zeker een volle minuut.

Na een korte introductie van Tromp (‘dat is een totaal vergeten dichter, de meeste luisteraars zullen nu denken: wíé?’) vertelde Hazeu over het onderwerp van een van zijn eerste biografieën (A. Marja, dichter en practical joker verscheen in 1985). Zo persoonlijk deed hij dat in het openbaar niet eerder.

Het [schrijven van een biografie van A. Marja] was ook eerherstel, want hij was een beetje mijn tweede vader. Polemisch was hij heel erg sterk. Ik heb hem de laatste jaren van zijn leven gezien. Ik kwam daar heel vaak en hij kwam bij mij. En we hebben heel veel over Oost-Duitsland gesproken en over literatuur. Ik hield van die man. Het was een hele fysiek zwakke man, maar psychisch heel sterk.

Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Gewoon in de kast

Boudewijn Büch was dus geen slechte journalist. Al die opmerkelijke uitspraken in het meest spraakmakende interview uit zijn carrière, hoofdredactionele commentaren en ingezonden brieven uitlokkend, bleken gewoon te kloppen. Aan het eind van het negende hoofdstuk van Boud (2016) schrijft Eva Rovers, na de originele gespreksopnamen met de gepubliceerde tekst vergeleken te hebben, dat Büch geen van Reves uitlatingen had verdraaid. Tien dagen na de verschijning van de Büch-biografie werd dit voor de bühne bevestigd.

Krap twee jaar na het beruchte Reve-interview arrangeerde Büch een tweegesprek met Augusta (‘Guusje’) Buwalda-Slauerhoff. Gewapend met een bandrecorder bezocht Büch eind 1984 Slauerhoffs jongste zus, een toen 84-jarige dame in Haarlem. Büch was de eerste journalist met wie zij de herinneringen aan haar beroemde broer deelde. Op 8 januari 1985 zond VPRO Boeken het interview van een uur uit. Naar beproefd recept wist de journalist het verhaal tweemaal te verkopen: Vrij Nederland publiceerde op 9 februari 1985 ‘In gesprek met de zuster van Slauerhoff’, aan welk stuk Wim Hazeu in zijn biografie van J. Slauerhoff bepaalde details ontleent.

Het is niet moeilijk voor te stellen waar Büchs belangstelling voor Slauerhoff vandaan kwam. Ze waren allebei verslingerd aan eilanden. Slau en Boud hadden beiden een romantische inborst en een rusteloze natuur.

Tijdens het interview met Slauerhoffs zus werkt Büch geen vragenlijst af, maar zit hij gewoon gezellig bij Zusje Slau aan tafel. Terwijl de band loopt nuttigen de oude dame en de jonge journalist een broodje ham – ‘Mag ik ook kauwen?’, vraagt zij op een gegeven moment. Levensbeschrijvingen en poëtica boeien Büch niet. Hij zoekt naar het persoonlijke verhaal, vist naar intimiteiten en curiositeiten. En spreekt daar dan af en toe zijn verbazing over uit.

Twee van de grootste dichters [A. Roland Holst en Slauerhoff] van hun tijd blijken ’s middags een dutje te doen! […] U gelooft dat hij naar de hoeren is geweest?

Aldus informeert mevrouw Buwalda-Slauerhoff Büch over de stoeipartijen met haar broer, de stijve en strakke Hendrik de Vries, de dansschool van Darja Collin, het slappe handje van Constant van Wessem en over de boze brief van Du Perron die ze na de dood van broer Jan vond en verscheurde. Een rommelig interview dat barst van de human interest.

Slauerhoffs lievelingszus vertelt ook, ietwat getergd, dat zij zich over het boekenbezit van haar dichtende broer moest ontfermen. De boeken die uit Tanger waren meegekomen bleken nogal ‘verwaterd’ te zijn. Zij regelde wel dat alles netjes op de planken kwam te staan.  Ze verzorgde ook Slauerhoffs post, of hij nu in Nederland was of over de zeeën zwierf.

Waar ik niet altijd pakjes naartoe moest sturen. En als hij weer ergens anders woonde, vroeg hij me sokken [te sturen] of weet ik wat.

Nieuwsgierig is Büch naar een tastbare herinnering aan J. Slauerhoff. Helaas, deelt de zus mee, het was hun oudste broer Feije die van elke nieuwe publicatie van Slauerhoff een exemplaar kreeg. En dan stelt Büch de vraag die elke waerachtige bibliophiel zou stellen.

– U heeft dus geen boek met opdracht van uw broer?
– Ik wel. Twee, maar niet [in boeken] die hij geschreven heeft. Maar die ik van hem gekregen heb.
– Ja, maar geen eigen boeken dus.
– Nee. Ik heb wel boeken, van IJslandsche Visscher, en van Annie Salomons, dat hij dan schreef “met zestien jaar, huwbare leeftijd” en dat hij naar Amsterdam ging.
– En die staan hier gewoon ergens in de kast?
– Ja, die staan hier gewoon in de kast. Wat moet ik ermee? In een lijstje zetten?

Beide boeken hebben nog lang in de kast gestaan, in elk geval tot 1995, het jaar waarin Slauerhoffs zuster overleed. Het boekje Langs het geluk (1913) van Annie Salomons, dat Slauerhoff zijn jongste zus schonk op haar zestiende verjaardag, is nu boven water gekomen. Gewoon te koop. Het is niet uitgesloten dat de volgende eigenaar het inlijsten zal.

Reclamebladen

Dankzij de prachtige app VPRO Radio Gemist kon ik vannacht vroege afleveringen van Radio Bergeijk beluisteren, afgewisseld met een Argos-reportage over valse paspoorten, gelardeerd met de beste jazz uit Vrije Geluiden. Ook het archief van cultureel praatprogramma De Avonden is opgenomen in de app. Geen hele uitzendingen inclusief het weerbericht van 9 januari, maar losse gesprekken, zonder de toeters en bellen er omheen.

Jeroen van Kan besprak in De Avonden de inhoud van een nieuwe oude aflevering van het tijdschrift Boekenpost met hoofdredacteur Janneke van der Veer. Het ging vooral over ‘vloeiboeken’: mooi geïllustreerde vloeibladen die in de jaren 1870-1940 door uitgevers als relatiegeschenk werden verspreid. Van Kan is duidelijk gecharmeerd van deze elegante reclamebladen.

– Ik ken geen enkel ander tijdschrift dat aan zo’n onderwerp aandacht zou besteden.
– Ehm…
– Maar dat kan aan mij liggen, natuurlijk.
– Eh… Nou, ik ken er nog wel eentje, eigenlijk.

Het geweten van de hoofdredacteur van Boekenpost spreekt. Zij is dan toch eerlijk. De naam van dat andere boekentijdschrift noemt zij niet. Ik spel de naam even uit. B, O, E, K, E, N, W, E, R, E, L, D.

De Boekenwereld is het allermooiste boekentijdschrift van Nederland. Een nieuw nummer verschijnt aan het eind van deze maand. Nieuwe abonnees krijgen nu een flinke korting: slechts 25 euro voor de eerste jaargang (vijf nummers). Meteen aanmelden bij de uitgever dus.

Werkelijk afgespeeld

De Boekenweek verloopt rampzalig, maar het kan altijd erger. In een nieuwe oude uitzending van Radio Bergeijk hebben Toon Sporenberg en Peer van Eersel vannacht bekendgemaakt dat de Openbare Bibliotheek Bergeijk vrijwel de gehele sectie Nederlandse literatuur wil afstoten. ‘De volgende boeken kunnen afgehaald worden, omdat ze al vier jaar op de plank staan te verstoffen en nooit uitgeleend zijn. Sommige pagina’s moeten nog opengesneden worden.’ Het gaat onder veel meer om de boeken van Kader Abdolah, Robert Anker, Kees van Beijnum, Remco Campert, Marjolijn Februari, Rudy Kousbroek, Geert Mak, K. Schippers en Jan Wolkers. ‘Je kunt ze iemand cadeau doen, want ze zijn nooit uitgeleend en dus nooit gelezen.’

Bergeijkenaren zijn geen boekenlezers. Interviewer (Peer van Eersel) heeft het nieuwe boek van zijn gast niet gelezen. En de schrijfster (Irma van Veen) heeft kapsones gekregen, sinds ze Bergeijk voor de grote stad heeft verruild. Toch volgt er een interessante discussie naar aanleiding van de roman Half de jouwe.

Interviewer: ‘Misschien mag het in de literatuur wel hoogstaand zijn, maar hoe je in je boek met je geboortedorp omgaat, dat vind ik echt oneerbiedig.’
Schrijfster: ‘Zoals jullie misschien weten – of niet weten natuurlijk – heeft een schrijver altijd de vrijheid om fictie te gebruiken in zijn werk. Weliswaar gebruik ik af en toe namen en gebeurtenissen die zich ook werkelijk hebben afgespeeld.’
Interviewer: ‘Dat kan je wel zeggen. Er zijn een aantal mensen, en dan noem ik met je name je ouders, de oude meneer en mevrouw Van Veen, daar ga je toch, als ik dat mag zeggen, met weinig respect mee om, als ik het zo mag zeggen.’

Het gesprek loopt dusdanig uit de hand, dat de regisseur besluit ‘anti-schrijversmuziek’ te draaien. Deze schokkende uitzending is gelukkig nog te beluisteren.

Ik zorg toch dat ik in het nieuws blijf

Minister M. A. M. Klompé reikt staatsprijs voor Letterkunde,  de P. C. Hooftprijs  1968, uit aan G. K. van het Reve op Muiderslot
De archivaris van de Wereldomroep heeft een gesprek tussen Gerard Reve en Cees Middelhoff beschikbaar gesteld. Het zeven minuten durende interview vindt plaats na afloop van de P.C. Hooftprijs-uitreiking op 26 augustus 1969. Reve begint met een college over Romantiek, Decadentie en Mystiek (‘Ik schrijf en werk gewoon in een eerbiedwaardige, ongeveer twee eeuwen bestaand hebbende traditie’), licht vervolgens de zin ‘Moge God zich ontfermen over ons allen’ uit en bevestigt nog eens zijn commerciële instelling (‘Ik heb een winkel, ik heb een handel. Ik zorg toch dat ik in het nieuws blijf’). One-liners komen ook langs: ‘Ik speel toneel, maar ik geloof het zelf.’ Aan het slot plaatst Reve enkele kanttekeningen bij de reis naar de maan.

De directeur op Kgggk-radio

Ralph: ‘Misschien is hij opeens bang geworden en wil hij toch niet meewerken aan ons radioprogramma. Hij is boekhandelaar en we weten van de vorige uitzending dat boekhandelaren heel publiciteitsschuw zijn. Misschien zit hij een spannend boek te lezen en hoort hij de bel niet.’
Jasper: ‘Ik hoor ook geen bel.’
Ralph: ‘Druk jij dan nog eens.’

Maar de bel deed het wel. De directeur deed open. De jongens van Kgggk-radio stonden voor de deur. De batterijen van de recorder lieten ons herhaaldelijk in de steek, maar delen van het interview (28 minuten) staan op de site van deze nieuwe radiozender.