Veren

De middag was feestelijk, met flamboyante sprekers en een vrolijke receptie. Coen Schimmelpenninck van der Oije hield een meesterlijk laudatio bij de uitreiking van de Menno Hertzberger Prijs voor Ton Croiset van Uchelen, die vervolgens herinneringen ophaalde aan zijn jaren bij de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, waarna Freek Heijbroek het fenomeen weblog duidde en mij de fraaie oorkonde van de Aanmoedigingsprijs overhandigde.

Toen mocht ik mijn welgemeende dankwoord uitspreken en de vele felicitaties in ontvangst nemen. (Ik zit nog wat ongemakkelijk, vanwege de veren.) Toen bleek ook de knoop in mijn maag te zijn verdwenen.

Dankwoord

Dames en heren,

Niet zo lang geleden, maar wel voordat mij het verrassende bericht bereikte dat mij deze prestigieuze Aanmoedigingsprijs zou worden toegekend, kocht ik dit boek. Infinite Riches (1973): de avonturen van de Amerikaanse antiquaar David Magee. Met de titel verwijst Magee naar een citaat van Christopher Marlowe, ‘Infinite riches in a little room’, de oneindige rijkdommen – boeken dus – die Magee in zijn kleine zaakje in San Francisco bewaarde, maar ik denk dat Magee zich niet zou schamen voor een andere titelverklaring, namelijk de rijkdom die de verkoop van die oneindige rijkdommen hem bracht. Elk boek met memoires van een Amerikaanse antiquaar is een succes story. Ik moet zeggen, ik lees ze graag, ter inspiratie.

Dit boek belandde in september 1973 op het nachtkastje van een Nederlandse antiquaar. Hij las het boek met een potlood binnen handbereik, want op pagina’s 74 en 75 zette hij een streep naast een passage over het in omloop zijn van valse fore-edge paintings. Hij wilde deze waarschuwing van zijn Amerikaanse collega blijkbaar ter harte nemen.

In dit verband kan die Nederlandse antiquaar natuurlijk niemand anders zijn dan Menno Hertzberger. Aan hem is ook de handgeschreven opdracht op het schutblad gericht: ‘Inscribed for my old friend/ Menno Hertzberger/ with the author’s best wishes/ David Magee’/ Sept 1973. Hertzberger schreef een welwillende recensie van Infinite Riches in het tijdschrift De Antiquaar, waarvoor Magee hem in twee brieven dank zegde. Over aanmoedigen gesproken: Magee schrijft in zijn eerste brief dat hij zich verheugt op de avonturen van Hertzberger zelf: ‘I shall also look forward to a book about yourself from your pen. Now get to work and start it. It’s the starting that’s the hard part. After that it flows naturally. You can call it Sixty Years in this Lovely Rat Race‘.

Inmiddels weten we dat Menno Hertzberger zijn antiquarische herinneringen al in 1970 aan het papier had toevertrouwd, maar dat de publicatie ervan pas zou volgen na zijn dood.

Alle begin is moeilijk, daarna gaat het eigenlijk vanzelf, schrijft Magee in zijn brief. En hij heeft gelijk. Over mijn eerste bericht op Artistiek Bureau heb ik uren gedaan. Ik wist misschien ook niet wat ik wilde. Misschien weet ik dat nog steeds niet, maar het schrijven gaat me wel makkelijker af. Een gedachte wordt vanzelf een paar alinea’s tekst.

Het is een rare fabel dat bibliofielen hun boeken altijd zouden afschermen van de boze buitenwereld. Gerrit Komrij ging graag op een terras achter een witbiertje zitten om vervolgens vijf volle plastic tassen om te keren en zijn aanwinsten stuk voor stuk rond te laten gaan. Bij elk boek kon hij heel precies formuleren waarom hij het leuk of interessant vond. (Of: waarom de antiquaar er veel te weinig geld voor had gevraagd.)

Als ik iets wil met Artistiek Bureau, dan is het misschien dat: vertellen en laten zien waarom juist dat ene exemplaar zo leuk is, wat er juist aan dat boek bijzonder is. Of het nu het dubbele stofomslag, de drukfout op pagina 220, het vergulde schutblad of – mijn favoriete categorie – de handgeschreven opdracht is. Ik kan op honderd manieren naar een boek kijken. U kunt dat trouwens ook. Zet uw bril af en probeer het eens. Zelfs het meest vertrouwde boek, dat al jaren bij u op de plank staat, kan een geheim prijsgeven.

Het moment is daar om te danken. In de eerste plaats dank ik de leden van de jury van de Menno Hertzberger Stichting voor het wonderbaarlijke besluit om aan mij – mijn weblog Artistiek Bureau – de Aanmoedigingsprijs toe te kennen. Ik vind het niet alleen eervol, maar ook echt stimulerend.

Ook de bezoekers van Artistiek Bureau wil ik bedanken.

Ik dank de Nederlandse antiquaren voor het leveren van al het materiaal waarover ik sinds februari 2008 met plezier heb geschreven. Ik wil hier met name noemen Fokas Holthuis en Paul Snijders. Zij maakten mij wegwijs in de boekenwereld en hebben me sinds m’n eerste bericht op Artistiek Bureau aangemoedigd en opgepord om meer, en vaker, en langer over boeken te schrijven.

Dank ook aan mijn ouders, die mij de afgelopen jaren bij toch zeker vier verhuizingen hebben vervloekt, maar die bij elke verhuizing toch weer bereid waren om al die boekendozen in- en uit te laden. En het worden er alleen maar meer! Met het prijzengeld kan ik de volgende keer een verhuisbedrijf inschakelen.

Tot slot dank ik Esther, omdat zij er is. Omdat ze met mijn bibliofilie kan leven.

Stuk voor stuk

Even een fact check vanuit de rekenkamer van Artistiek Bureau. De statistieken van dit blog laten zien dat het afgelopen halfjaar de berichten over de diep betreurde Tonio en de journalistieke ambities van Arjen Fortuin de meeste bezoekers trokken. Via zoekmachines lazen veel surfers het in memoriam Gerrit Komrij.

Maar niemand zocht in Google op mijn allereerste berichten: de achterhoofden van Belcampo en Louis Th. Lehmann, door beide auteurs ingezet ter promotie (Achterflap (1), Achterflap (2)). Weinig in trek waren de berichten over A. Edward Norton, zijn bibliofiele eisen, zijn voorliefde voor opdrachtexemplaren. Slechts een enkeling las over een schok der herkenning bij de lectuur van Vinkenoogs autobiografie en over de hoge boekenprijzen in de oorlog.

Niemand zocht naar de veelbelovende dichter Bossu; ik zou de eerste en de laatste zijn. Het pijnlijk mislukte radioprogramma De leesclub ontmoet is ook allang vergeten. En na Siem Bakker klikte er niemand meer op mijn bericht over de brievenbezorger Siem Bakker.

Toch heb ik deze teksten, stuk voor stuk, met plezier geschreven.

De jongste grafieken tonen een kleine toename in aantallen nieuwe bezoekers. Misschien heeft het te maken met het zeer verrassende nieuws dat ik half november een eervolle prijs in ontvangst mag nemen.

Onleesbaar schrijven met slechte zinnen

It was a dark and stormy night is een wereldberoemde zin. Edward George Earl Bulwer-Lytton (1803-1873) opende er zijn onsterfelijke roman Paul Clifford (1830) mee. Om de Engelse schrijver te memoreren organiseren Amerikaanse grappenmakers sinds 1982 elk jaar de Bulwer-Lytton Fiction Contest. Wie de slechtste openingszin van een denkbeeldige roman schrijft, die wint. Dit jaar is de 55-jarige David McKenzie de gelukkige.

Een dergelijke literaire wedstrijd wordt in Nederland node gemist. Behalve de Tzum-prijs is er niets. Arnon Grunberg riep in zijn column in de VPRO-gids in 1997 zijn eigen prijs in het leven: de Grunbergprijs ofwel de Prijs voor Onleesbaar schrijven. Deze award, 2500 gulden groot, werd echter maar eenmaal uitgereikt. Kees van Gelder kreeg in april 1998 in het Amsterdamse Hilton de envelop met inhoud van de initiator zelf.

Hans den Hartog Jager schreef destijds in NRC Handelsblad: ‘Grunberg is in ieder geval van plan de prijs volgend jaar opnieuw toe te kennen. ,,De Grunberg-prijs voor Onleesbaar Schrijven is geen grap”, zegt hij. ,,Maar een bloedserieuze zaak die ik volgend jaar met nog meer voortvarendheid zal aanpakken.’ Rudie Kagie tekende later in Vrij Nederland uit Grunbergs mond op: ‘Als ik in een column aankondig dat ik een jaarlijkse Grunbergprijs van vijfentwintighonderd gulden heb ingesteld voor Onleesbaar Schrijven, dan houd ik me daaraan. Dit jaar werd die voor het eerst uitgeloofd, dat wordt een terugkerend evenement.’

Maar wat de Grunbergprijs betreft bleef het dus bij die ene uitreiking. Terwijl de pen toch machtiger is dan het zwaard!

Geen P.C.

‘De gedichten van Guillaume van de Graft, pseudoniem voor Willem Barnard, nemen een prominente plek in in de Brandaan van de christelijke poëzie . Het boek, een bloemlezing van christelijke poëzie na de Tweede Wereldoorlog, werd gisteren in Amsterdam gepresenteerd. De prominente plek van Van der Graft in de bundel is een statement, laat samensteller Rien van den Berg weten. ,,Van der Graft heeft namelijk nog nooit de P.C. Hooftprijs toegekend gekregen.” Barnard zelf kon vanwege zijn gezondheid niet bij de presentatie aanwezig zijn, maar voor de telefoon wil hij wel reageren op de suggestie dat hij de P.C. Hooftprijs verdient. ,,Die uitspraak komt helemaal voor rekening van de samensteller van de bundel”, zegt hij. ,,Maar om eerlijk te zijn, als ik op 88-jarige leeftijd die prijs nog toegekend zou moeten krijgen met alle soesa daaromheen, zeg ik: laat maar voorbijgaan.”’

Dit verklaarde Willem Barnard gisteren in het Nederlands Dagblad. Zoon Benno – die hier een nieuwe bloemlezing bekritiseert – is nog wel in de race.

Gebruiksaanwijzing

Prijzen winnen, verkiezingen desnoods… maar het mooiste van alles is toch wel de Nobelprijs voor Literatuur.

Sinclair Lewis was de eerste Amerikaan die hem kreeg. Na een ongelukkige jeugd (Sinclair was te lang, te verliefd en te verlegen) begon hij rond zijn dertigste serieus te schrijven. Vijftien jaar later was hij de auteur van vijf kolossale bestsellers, wereldberoemd, rijk, getrouwd met de bekende journaliste Dorothy Thompson en vader van een zoon. In 1930, vijfenveertig jaar oud, won hij de Nobelprijs. Hier ziet u hem op de boot onderweg naar Noorwegen met zijn vrouw, gekiekt door een journalist, om zijn prijs op te halen.

Na de Prijs zou hij nog eenentwintig jaar leven en een stuk of tien boeken schrijven. Twee daarvan werden eveneens wereldsellers. Daarbij raakte hij stevig aan de alcohol, en ook zijn overlijden was alcoholgerelateerd. Maar toch!