Een echt antiquariaat

De handel in tweedehands en antiquarische boeken nam een vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Piet J. Buijnsters verklaart in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) waarom juist tweedehands boeken zo gewild werden: door de instelling van een censurerende Nederlandsche Kultuurkamer en sterke papierrantsoenen verschenen er aanzienlijk minder nieuwe boeken. Op boekenmarkten en bij antiquariaten konden leeshonger en verzamelwoede wel gestild worden. In de notulen van de jaarvergadering van de NVvA, gehouden op 20 april 1943, vindt Buijnsters deze constatering van voorzitter Menno Hertzberger:

De prijzen van het antiquarische boek zijn in enkele gevallen zoo gestegen, dat elke basis verloren is gegaan.

Dat de handel in tweedehands boeken ineens erg lucratief kon zijn, moet ook Adriaan Morriën zich toen hebben gerealiseerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij de schrijver van één dichtbundel. Bijna dertig, zat hij zonder werk en zonder inkomsten.

Vanuit het ouderlijk huis in IJmuiden begon Morriën in 1939 te corresponderen met Frits van Heerikhuizen, leraar Nederlands en letterkundige, twee jaar ouder dan hij. De flinke stapel brieven en briefkaarten die Van Heerikhuizen aan zijn vriendschap met Morriën overhield is mijn mooiste Marktplaats-vondst tot dusver.

In de handgeschreven epistels van Morriën komen zowel literaire zaken als dagelijkse beslommeringen langs. In een brief van 30 december 1941 laat hij Van Heerikhuizen weten dat zijn poging om in Frankrijk een baantje als administrateur te krijgen is mislukt. Nu zal zijn geld spoedig op zijn. Maar hij heeft nog wel een idee, dat hij zijn vriend in Bussum graag voorlegt.

Een plan van den allerlaatsten tijd is om, met behulp van geleend geld, goede litteratuur (antiquarisch) bij kennissen op te koopen, een catalogus samen te stellen en aan alle vrienden en kennissen te zenden. Wanneer men werkelijk goede boeken heeft, raakt men ze gemakkelijk kwijt.

Van Heerikhuizen wil Morriën blijkbaar wel op weg helpen met een lading boeken. Het haalt helaas weinig uit. Op 16 mei 1942 heeft Morriën nog maar weinig verkocht en een kennis, die een partij geërfde boeken zou inbrengen, laat hem in de steek. De dichter ziet het somber in.

Voor een echt antiquariaat komen natuurlijk andere dingen kijken. Daarvoor zijn geld en tijd noodig.

Drie maanden later is de situatie niet verbeterd. Van de boeken die Morriën uit Bussum meenam zijn er ‘enkele’ verkocht. Een catalogus heeft Morriën niet kunnen maken. Hij belooft Van Heerikhuizen zijn best te doen de rest ook ‘kwijt te raken’. In een brief van 4 augustus 1942 komt het avontuur voor het laatst ter sprake. De voorraad van het naamloze verzendantiquariaat van Adriaan Morriën is dan al ondergebracht bij vrienden in Haarlem, omdat bij een eventuele evacuatie van IJmuiden ‘slechts het allernoodzakelijkste’ mag worden meegenomen. Als de handelswaar niet meer binnen handbereik is, houdt het op.

Boekenoverschot

In Het verzamelen van boeken (1992) zette Piet J. Buijnsters de basisprincipes uiteen van het aanleggen en onderhouden van een boekencollectie. In opdracht van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen schreef Paul van Capelleveen het ultieme anti-boek, de langverwachte pendant: De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties (2016). Het zevende hoofdstuk van deze verkapte handleiding heet ‘De kunst van het wegdoen van boeken’.

Schrijvers, bij wie het boek over het algemeen in hoog aanzien staat, ruimen hun boekenkast geregeld op. Weggeven, weggooien. Van Capelleveen nam de interviewreeks ‘De boekencollectie van’ op Boekensalon door en ging turven: van de 73 schrijvers en boekenvaklui deden er 46 ‘vaak’ boeken weg, 7 ‘soms’ en 18 ‘nooit’. Als boeken wegdoen inderdaad een kunst is, dan gaf Kees van Kooten het kunstzinnigste antwoord op de vraag hoe en waar je boekenoverschot te dumpen.

Wanneer ik ergens in het land mag komen voorlezen uit eigen werk, neem ik een grote tas overbodige boeken mee, die ik na de voorstelling in het geniep door de brievenbussen van de huizen in de buurt van het theater duw. Eén boek per adres. Want één boek kan iedereen er toch nog wel bij hebben?

In zijn column ‘De Boel’, opgenomen in de bundel Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (1998), beschrijft Remco Campert heel mooi hoe een poging tot het wegdoen van boeken eruitziet.

De dag dat je hebt besloten je boekenbezit te decimeren, regent het. Dat hoort zo. […] In het begin tast je kordaat toe, een man die gewend is beslissingen te nemen. Al snel vormt zich een stapel boeken die je nooit meer hoeft te zien. Maar niet lang daarna ontstaat hiernaast een steeds aangroeiende stapel van twijfelgevallen. Die kan wel weg, denk je het ene moment, nee toch niet, het volgende. En nog wat later – buiten is het gaan plenzen, je hebt het licht aangedaan – zit je te lezen en ben je vergeten waar het ook alweer om begonnen was.

Enkele geïnterviewden op Boekensalon gaven toe bang te zijn gezichtsverlies te lijden door bepaalde boeken af te danken. Het moeilijkst, aldus Campert in 1998, is het wegdoen van boeken die je cadeau hebt gekregen. Het allermoeilijkst zijn de boeken

die je met een welgemeende opdracht van de auteur zelf kreeg. Soms zijn dat helemaal geen goede boeken. De kans dat zo’n auteur op een rommelmarkt zijn eigen boek met opdracht aantreft, is niet denkbeeldig. Ik spreek uit ervaring, want ik heb weleens een van mijn boeken op zo’n plek aangetroffen, voorzien van mijn handtekening en een betuiging van vriendschap aan de ontvanger gericht. De vriendschap gaat sindsdien niet echt meer van harte, hoewel het mijn eer te na is om iets te laten merken.

Campert verzandt in twijfels en afwegingen.

Voor je alles weer terugzet, duurt even. Nog geruime tijd staan de stapels op de vloer, als stil bewijs van je poging tot trouweloosheid.

Intussen kan Remco Campert zich makkelijker van zijn boeken losmaken. De oude schrijver is aan het onthechten. Op diverse plekken zijn de laatste jaren boeken uit Camperts bibliotheek opgedoken. De mooiste boeken, veelal voorzien van vriendschappelijke opdrachten aan Campert, belanden tegenwoordig in Antwerpen, waar René Franken zich erover ontfermt.

In ‘De boekencollectie van’ is het vergeefs zoeken naar Wiel Kusters, maar vorige week werd duidelijk dat hij zijn boekenverzameling aan het uitdunnen is. Via boekwinkeltje Pim Pleisters uit Maastricht, genoemd naar de hoofdpersoon van Kusters’ jongste uitgave, biedt de schrijver momenteel tien boeken te koop aan. Enkele auteursexemplaren (op verzoek gesigneerd), evenals opdrachtexemplaren van Gerard Walschap, Albert Helman, Adriaan van Dis en Tomas Tranströmer.

De bibliofiel is een kleine zelfstandige geworden.

concludeert Paul van Capelleveen aan het slot van De complete verzameling. De schrijver ook.

Voorheen H.W. Meyer jr.

Opeens had iedereen het over dat antiquariaat in Utrecht. Het sufferdje schreef opnieuw over de verbleekte etalage van de al jaren gesloten boekhandel. De Utrechtse Internet Courant verzocht om meer informatie over het verlaten antiquariaat aan de Korte Jansstraat. Arjen Fortuin droomde in zijn column in NRC Handelsblad over de heropening van de tweedehands boekwinkel. Maar niemand wist wie de vorige eigenaar was van de Oude Boekhandel voorheen H.W. Meyer jr.

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld komt Niek Waterbolk, tot voor kort antiquaar te Utrecht, uitgebreid aan het woord. Waterbolk heeft zich altijd in de marge van het antiquariaat opgehouden. In de portrettengalerij in Buijnsters’ Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) wordt hij node gemist. Adriaan van Dis nam het laatste grote interview met Waterbolk af. Dat was in 1977. Op 1 oktober jongstleden zochten Freek Heijbroek en ik hem op in zijn zo goed als lege winkelpand op Schoutenstraat 10, op een steenworp afstand van het veelbesproken antiquariaat.

Waterbolk vertelt in het interview dat hij in de jaren ’70, nog werkzaam bij het veilinghuis Beijers, in zijn lunchpauzes vaak De Slegte en Meyer bezocht. Wat hij op de tweedehands afdeling van de eerste kocht, kon hij in het antiquariaat van de tweede uitstallen. Bij verkoop kreeg Waterbolk van de heer Driessen (sinds 1946 eigenaar) een percentage van de winst. In de zomer van 1973 verruilde Waterbolk de voorspelbaarheid van het veilinghuis (‘je zat er met een denkbeeldige ketting aan je typemachine vast’) voor de uitdaging van het zelfstandige antiquariaat. De heer Driessen had hem gevraagd.

Er is zelfs sprake van geweest dat ik die zaak zou overnemen, maar gelukkig zag ik op tijd in dat dat idee volstrekt mesjogge was. Je zou namelijk het hele leven van die man hebben verstoord.

In plaats daarvan begon Waterbolk in 1976 voor zichzelf, op Schoutenstraat 10. De verhuurder van dat pand had Waterbolk leren kennen in de winkel van Driessen. En die bleef daar tot zijn dood zitten.

‘Het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb’

Met het verschijnen van Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012) heeft Piet J. Buijnsters zijn trilogie over de Nederlandse en Belgische boekverkopers en -verzamelaars voltooid. Dit boek werd op 2 maart 2013 gepresenteerd in de Centrale Bibliotheek van de Universiteit Leuven. Sindsdien kwamen er al reacties van lezers en Buijnsters mocht tweemaal voor de Belgische radio uitgebreide interviews geven. De verschijning leek Kees Thomassen en mij een goede aanleiding met Buijnsters in gesprek te gaan. De afspraak was dat het nieuwe boek centraal zou staan, maar in de praktijk kwamen zijn eigen ervaringen als verzamelaar en liefhebber minstens zo vaak ter sprake.

We hadden het wel verwacht, maar waren toch verrast. Piet J. Buijnsters laat ons plaatsnemen in de achterkamer op de begane grond, waar drie van de vier wanden zijn bekleed met boekenkasten waarin oude banden ons uitnodigend opwachten. Zijn vrouw Leontine Buijnsters-Smets, tevens co-auteur van een aantal belangrijke naslagwerken, schenkt intussen thee. ‘In de beginjaren van de ILAB heeft oprichter Menno Hertzberger de wens uitgesproken dat er voor elk land dat lid was van deze club een nationale geschiedenis van het antiquariaat zou komen. Een mooi plan, waar natuurlijk nooit iets van terecht is gekomen. Eigenlijk is iets dergelijks alleen gebeurd in Engeland, met Out of Print & Into Profit (2006), en in Nederland, met mijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007). En nu met mijn laatste boek, in België. Ik zou graag willen dat er voor Frankrijk en Italië ook zo’n werk verscheen, maar dat zal wel niet gebeuren. We mogen blij zijn als er een goede biografie van Pierre Berès komt, de voornaamste antiquaar uit Parijs.’

‘Ik heb van begin af dossiers gevormd over antiquaren, ook Engelse en Amerikaanse, maar ik ben niet zo pretentieus om daar iets over te schrijven. België heeft altijd in de bedoeling gelegen. De dag na de verschijning van mijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie (2012) ben ik begonnen met dit werk. Als ik tijd van leven had gehad, dan had ik voor België ook twee boeken gemaakt, eerst de antiquaren en dan de bibliofielen.’

Zijn werkzame leven bracht Buijnsters door op de universiteit van Nijmegen, als hoogleraar achttiende-eeuwse letterkunde. Ook was hij ruim 25 jaar verbonden als docent aan de MO-opleidingen in Arnhem en Utrecht. Maar altijd was Buijnsters in de weer met het antiquariaat, als koper, als verzamelaar, en als kweker van nieuwe antiquaren. ‘Mijn studenten heb ik altijd gejaagd in de richting van antiquariaten en boekenbeurzen. Bij sommige had dat resultaat. Anita van Elferen, die een bijvak bij mij deed, stuurde ik eens naar de RAI, toen daar de internationale antiquarenbeurs werd gehouden. Daar stond de antiquaar Frits Knuf, een hypersolist. Toen hij hoorde dat ik Anita had gestuurd om bij hem naar werk te informeren, stemde hij van de weeromstuit in. Dat heeft nog wel hilarische situaties opgeleverd. Knuf zei: “Dat dametje van je weet werkelijk helemaal niets.” Anita, een dag later bij mij, vertelde dat Knuf haar had gezegd dat ze “alles moest vergeten wat die Buijnsters je geleerd heeft”. Zo ging dat op en neer. Uiteindelijk mocht Anita de zaak van Knuf overnemen.’

‘De kloof overbruggen tussen boekwetenschap, de academische studie en de wereld van antiquariaat en bibliofilie. Dat heb ik altijd getracht te doen. Ik geloof dat die kloof nooit een centimeter kleiner is geworden, overigens. Boekwetenschappers zien particuliere verzamelaars vaak nog als ‘bezitters’, een scheldwoord. En dat stoort mij geweldig.’

België-Nederland

Buijnsters schreef over Betje Wolff en Aagje Deken, over oude kinderboeken, over papieren speelgoed. ‘Mijn grootste passie is, realiseer ik mij nu, al die tijd toch geweest: de geschiedenis van het antiquariaat en de bibliofilie. Wat niet wil zeggen dat mijn vrouw Lin en ik de andere onderwerpen helemaal buitengesloten hebben. Die hebben nog steeds onze belangstelling, maar niet meer onze aandacht. Wie mij nu nog benadert voor een artikel over iets achttiende-eeuws, die krijgt pertinent “nee” te horen.’

‘Ach, ik heb altijd spijt wanneer een van onze projecten weer voltooid is. Lin en ik hebben een heel spannende tijd beleefd dankzij dit boek. Een week in Gent, een week in Brugge, enzovoort. Logistiek was het soms wat lastig. Dat de trein niet verder reed dan Breda, vanwege koperdiefstal. En terugkomend van ons bezoek aan Werner Waterschoot hebben we een ernstig auto-ongeluk gekregen. We zijn er levend uit gekomen, maar het had niet veel gescheeld. De trance waarin deze verzamelaar verkeerde, toen hij ons zijn schatten toonde, was besmettelijk. We waren echt ondersteboven van dat bezoek.’

Antiquaren en bibliofielen, waar ook te lande, staan bekend als gesloten personen. Hoe lukte het Buijnsters, toch een buitenstaander in de Belgische boekenwereld, om het vertrouwen van mensen te winnen? ‘Ik ben geen Hollander, zei ik meer dan eens, en dat ik uit Breda kom is misschien een zegen geweest. Bij de verzamelaars kon ik binnenkomen als collega-verzamelaar, maar daar was de behoefte aan discretie veel sterker dan bij de antiquaren. Het is me bijvoorbeeld niet gelukt om door te dringen tot Roger De Kesel, een groot verzamelaar van Middeleeuwse handschriften en getijdenboeken. Maar ik heb veel gehad aan de bemiddeling van onze vriend Jan Roegiers, oudbibliothecaris te Leuven. Als ik zijn naam noemde, gingen er deuren open. Aan de andere kant: mijn nationaliteit is ook een blessing in disguise geweest. Bij mijn bezoeken in België was ik noch Vlaming noch Walloniër.’

Problematisch bij het schrijven van zijn laatste boek was het gebrek aan bronnen. Er is in België geen centraal of boekhistorisch archief. Wel waren er documenten binnen de verschillende bibliofiele sociëteiten die België rijk is. ‘Maar die stukken zijn semi-geheim. En uiteraard mocht ik geen ledenlijsten inzien, want men is zeer gesteld op zijn privacy.’ De KB Brussel heeft een aardige maar allerminst complete verzameling antiquariaats- en veilingcatalogi. ‘Juist door dat gebrek aan bronnen is dit het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb. Het moeilijkste was Papertoys, over spellen zoals ganzenborden, kijkdozen, maquettes en dergelijke, want op dat gebied bestond helemaal niets.’

‘De belangrijkste vondst in mijn boek trof ik bij Michel Lhomme in Luik. Ik hoefde met hem geen afspraak te maken, want Lhomme had ons per e-mail verzekerd praktisch altijd in de zaak aanwezig te zijn. Mijn vrouw en ik troffen echter alleen zijn zoon. Toen heb ik de druk even moeten opvoeren: “Belt u uw vader maar om te zeggen dat de professor er is.” Dus toen Michel Lhomme zijn zaak betrad was hij enigszins not amused. Het gesprek kwam moeizaam op gang, maar geleidelijk aan ging het beter, want we bleven allebei kalm. Toen het gesprek op de liquidatie van het befaamde antiquariaat Gothier kwam, geveild door Lhomme, wilde ik natuurlijk weten of er geen dossier of archief bewaard was gebleven. Lhomme schudde zijn hoofd. Welnu, aan het eind van het gesprek stond Lhomme op, hij trok een lade open en gaf mij drie kleine boekjes. In twee van die boekjes staan de handgeschreven memoires van Jean Joseph Gothier, die eind achttiende eeuw de zaak had gesticht. “Pas grand marchandise, pour vous, pour vous.” Dat vond ik ongelooflijk. Fantastisch gewoon. Diezelfde avond, op de hotelkamer, heb ik evenwel geen kans gehad om ze te lezen, want mijn vrouw rukte ze uit mijn handen en heeft ze verslonden.’

Bibliofilie met wachtlijsten

‘Ik zal niet zeggen dat bibliofilie in Wallonië genetisch bepaald is, maar het viel me wel op dat daar – meer dan in Vlaanderen, laat staan in Nederland – een verzameling en ook het lidmaatschap van een bibliofielenclub nog vaak van vader op zoon gaat, generaties achter elkaar.’ Buijnsters somt enkele verschillen op tussen Belgische en Nederlandse bibliofielen. ‘Het is jaren zo geweest dat je, bijvoorbeeld bij een veiling bij Beijers in Utrecht, wel kon inpakken als er Belgen in de zaal zaten. Belgen hadden altijd veel hogere limieten. Die gingen tot het randje. In België zijn het vaker de captains of industry, de zakenmensen en de politici die boeken verzamelen. Mensen met een zeker vermogen. Hier in Nederland zie ik geen rijke voetballer zoiets doen. Het zijn vaak gewoon leraren Nederlands. Joost Ritman is hier te lande een uitzondering.’

In het boek is een apart hoofdstuk gewijd aan de vijf genootschappen van bibliofielen die België kent, en waarvan de oudste, de Société des Bibliophiles Belges séant à Mons, al in 1835 werd opgericht. Wat waren de beweegredenen om tot zo’n genootschap toe te treden: statusbevestiging, het onderlinge sociale verkeer, uitwisseling van informatie? En zijn ze vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Nederlands Genootschap van Bibliofielen? ‘Al de in het boek genoemde Belgische bibliofielenclubs zijn begonnen met het doel om voor de regio of eigen groep belangrijke teksten te editeren. Het verzamelen als zodanig stond nooit voorop. Tegenwoordig is liefde voor en bestudering van boek en prent wat de leden verbindt.

Door recrutering uit de intellectuele en sociale bovenlaag kreeg het lidmaatschap vanzelf een zekere status. Als je het genootschap te Mons als voorbeeld neemt: het aantal leden was beperkt tot 50, later uitgebreid tot 75. Aspiranten moesten wachten tot er door overlijden of vertrek een genummerde zetel vrijkwam. Bij de Société des Bibliophiles liégeois was het niet anders. Weliswaar telt die vereniging nu 150 persoonlijke leden en 26 op naam van een instelling, maar het lidmaatschap van “de Luikse bibliofielen” is altijd een heftig begeerd maar niet gemakkelijk verkregen prerogatief gebleven. Als prestigieuze landelijke club lijkt de Société royale des bibliophiles et iconophiles de Belgique, denk ik, nog het meest op ons Nederlands Genootschap van Bibliofielen.’

Wat opvalt is het grote aantal boekenveilingen in België, met vaak een kwalitatief hoog aanbod. Zijn er speciale redenen waarom kopers en verkopers het risico van veilen boven de vastigheid van de antiquariaatshandel stellen? ‘Belgische boekhandelaars, antiquaren in het bijzonder, zijn van oudsher dikwijls tegelijk als veilinghouder opgetreden. Dat veilingwezen heeft daar nu mede een hoge vlucht genomen, omdat in België nog zoveel particulier boekenbezit van hoog niveau verscholen lag dat nu op de markt komt. Bijvoorbeeld uit het bezit van de in maart 2011 overleden Brusselse antiquaar Albert van Loock.’

‘Daarnaast heb je ook in België het verschijnsel van beurzen. Maar spijtig genoeg zijn de jaarlijkse antiquarenbeurzen in Brussel (Rue de la Madeleine) en eerder al die in Antwerpen plotseling gestopt. De jaarlijkse decemberbeurs in het cultureel centrum te Mechelen blijft onverminderd aantrekkelijk, ook al door de onmiddellijke nabijheid van prima restaurants. Ik heb daar mooie dingen kunnen kopen, waarbij je vroeger erg moest opletten of voor een boek nu in Franse of in Belgische francs gerekend werd. Dat kon aardig in de prijs schelen.’

‘Overigens vertelde Marc Van de Wiele, antiquaar en veilinghouder te Brugge, mij iets wat mij bevreemdde: als een boek in de etalage van zijn winkel ligt, dan wordt het niet zo snel verkocht. Een Belg wil echt het idee hebben dat een zeker boek voor hem bestemd is, dat het voor hem apart ligt, dat hij eerste keus heeft.’

‘Tja, en of ze het lezen allemaal, de bibliofielen? Ik denk het wel.’ Met een glimlach: ‘Ik lees ook niet al mijn boeken. Dat doen jullie ook niet. Dan mag je jezelf wel opsluiten.’

Wie aan België boekenland denkt, denkt onwillekeurig aan Redu-sur-Lesse, de tegenhanger van Haye-on-Waye en, zo men wil, Bredevoort. In Buijnsters’ visie zijn deze ‘boekendorpen’ een aflopende zaak. ‘Te veel uitschot aan boeken dat men evengoed op internet kan aantreffen. De eerste tien jaar kon Redu de naam boekendorp wel waarmaken, maar met het vertrek van de mensen van het eerste uur, kwam de klad erin. Het boekenaanbod is, als te verwachten, bijna exclusief Franstalig en doorgaans van matige kwaliteit. Buiten het seizoen zijn de winkels maar beperkt open en zomers trekt er een horde van veelal onoordeelkundige koopjesjagers langs. Men kan alleen maar respect hebben voor de antiquaren die vandaag de dag in Redu-sur-Lesse of Damme hun toko draaiend proberen te houden.’

Verschuivingen

Het eerste deel van Buijnsters’ nieuwste naslagwerk heeft een hoge informatiedichtheid: zoveel namen, zoveel jaartallen. Maar de auteur wilde zo volledig mogelijk zijn, hij had maar één kans. Bovendien ergert Buijnsters zich aan geschiedenissen die nadrukkelijk essayistisch zijn. ‘Allemaal meningen, daar koop ik weinig voor. Ik houd van feiten. Uit feiten kunnen meningen groeien.’ Het tweede deel van zijn boek, waarin de bibliofielen aan het woord komen, is veel levendiger.

Een persoon die in het boek schittert door afwezigheid is Henri Dirkx, alias Suikerjan, een legendarisch verzamelaar van bellettrie. Iets dat Buijnsters achteraf betreurt: ‘Ik had voor hem toch een aparte plaats moeten inruimen, in plaats van alleen maar te verwijzen naar mijn eerdere uitvoerige artikel over hem in De Parelduiker en in mijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie. Henri Dirkx was namelijk de enige Belgische boekenverzamelaar die door Vlaamse én Waalse bibliofielen met evenveel respect als voorbeeldfiguur werd gezien. Daarmee verbond hij in alle bescheidenheid als centrale figuur binnen eigen land zeer uiteenlopende culturen en op politiek gebied licht ontvlambare temperamenten.’ Buijnsters herinnert zich de legendarische veiling van de collectie-Dirkx als de dag van gisteren. ‘En wat er zich ook allemaal omheen afspeelde. Voorafgaand aan de veiling zelf was er een kleine bijeenkomst bij antiquariaat Forum. Daar zaten alle grote spelers, achterover geleund. “Och, aan een boom zo vol geladen…” Men dacht dat het wel goed zou komen met de prijzen. Maar die appeltjes vielen niet naar beneden, die vielen omhoog!’

Buijnsters merkt op dat er bij de boekenverzamelaars een verschuiving plaatsvindt van fictie (bellettrie) naar non-fictie (cartografie, pomologie, historiografie). ‘Als je van de afgelopen 50 jaar veilingcatalogi doorneemt, dan zie je aanvankelijk grote collecties met nadruk op klassieke, Franse literatuur onder de hamer komen. Wilde je toen meetellen, dan moest je zo’n literaire bibliotheek hebben, in mooie banden. Nu zie je, ook op boekenbeurzen, een spreiding: enerzijds nog de literatuur, maar dan vooral modern, anderzijds veel meer atlassen, geschiedwerken, handboeken, enzovoorts.’

Buijnsters koopt weinig oude boeken meer, omdat het aandachtsveld nu is verlegd naar zestiende-eeuwse Noord- en Zuidnederlandse grafiek. Vroeger maakte het echtpaar Buijnsters vaste rondes langs antiquariaten in de regio. ‘Ik kon geen dag zonder antiquariaat. Antiquariaat Brabant, antiquariaat Alfa. Zondag was een problematische dag, want dan was alleen Lambiek Coopmans geopend. Onze hond vond die bezoekjes aan Lambiek ook prettig: hij woonde boven een slagerij en had altijd een grote kluif voor de hond klaar liggen. Ik mis het onderweg-zijn, het contact verschrikkelijk.’ Heeft hij dan weleens een boek via het internet besteld? Resoluut: ‘Nooit. Ik moet het altijd zien, voelen, gebruiken. Ik vind er ook geen klap aan om dat te doen. Bovendien, je moet maar afwachten wat je krijgt.’ Maar Buijnsters is nog wel met zijn boeken bezig. Zijn bibliotheek is een levende. ‘Er zijn nu grote gaten geslagen in de kasten. Er is namelijk een grote tentoonstelling in Nijmegen, Uit de plooi, over de achttiende eeuw. Ik heb boeken, pamfletten en een enkele prent ter beschikking gesteld.’

Piet J. Buijnsters verzamelt samen met zijn echtgenote. ‘Dat is het grote geluk, dat mijn vrouw en ik beiden die belangstelling hebben. Wij zijn zo een jaar of 45 aan het verzamelen en ik heb vanaf het allereerste begin van elk boek precies genoteerd waar en wanneer ik het kocht. Liefst ook de hele herkomst. Ter afwisseling van mijn werk aan de drie Geschiedenissen heb ik deze informatie in de computer gezet.’

Geen doodsklokluider

Over de toekomst van het (oude) boek is Buijnsters niet zo pessimistisch als sommigen denken. ‘In mijn boeken beschrijf ik inderdaad ook het verdwijnen van het antiquariaat uit de binnenstad. Ik ben echter allerminst een doodsklokluider. Het antiquariaat zoals het geweest is, zoals ik het heb leren kennen, dat kan niet meer. Achter een bureau zitten met hoge stapels boeken en dan wachten tot de klanten komen, dat is geweest. Geen antiquariaat kan zonder internet. Ik denk wel dat sommige antiquariaten te laat de tekenen des tijds hebben gezien. Te lang voortgeborduurd ook op het oude prijsniveau. Er zijn bijvoorbeeld zaken geweest die voor oude kinderboeken krankzinnige prijzen vroegen. Wel het tienvoudige van wat redelijk was. En dan waren er altijd antiquaren die zogenaamd slechts de helft vroegen. Maar de helft van te duur is nog altijd te duur.’

‘Een antiquaar als Raymond Degreef van de Galerie Simonson in Brussel recruteerde ook verzamelaars. Die kon tegen een klant zeggen: “Dat moet je niet kopen.” Zelf heb ik dat bij Meijer Elte ervaren. Toen mijn vrouw en ik daar voor het eerst in de zaak kwamen waren we snotneuzen. Snotneuzen met een lege portemonnee. Wanneer ik een boek had gevonden dat ik leuk vond en dat ik kon betalen, zei Elte dikwijls: “Meneer, dat kunt u beter niet kopen, u moet dát boek kopen.” Op mijn tegenwerping dat dat boek mij veel te duur was, zei hij dan: “Maar we praten toch niet over geld?” Elte gaf heel goede aanwijzingen. Achteraf loonde zich dat. Je zou hopen dat antiquaren tegenwoordig meer stimuleren en initiëren. In België, heb ik gemerkt, doen ze dat heel weinig. Antiquaren zijn heel afwachtend.’

‘Let wel, achter elk boek schuilt nog een boek. Een ander, ongeschreven boek met alle belevenissen die je tijdens het schrijven hebt meegemaakt. Er zijn ook anekdotes die je niet, of nog niet, aan de openbaarheid kunt toevertrouwen.’ Buijnsters staat op en loopt naar zijn schrijfbureau. Uit een lade linksonder haalt hij een stapel volgeschreven schoolschriftjes. ‘Boekendagboeken. De verhalen die niet gedrukt konden worden, maar die ik wel kon opschrijven. Kijk, een groot deel van mijn leven heb ik geschreven over de achttiende eeuw. Die lui waren allemaal allang dood, en die familie was ook allang dood, maar daar kreeg je zelfs dan nog problemen mee. Ik heb gemerkt hoe riskant het is – zie de rechtszaken tegen Revebiograaf Nop Maas – om frank en vrij alles maar te publiceren. Deze boekjes zijn voor later.’

Tijd voor een rondgang langs alle boekenkasten in het huis ontbreekt helaas, maar bij ons vertrek gunt Buijnsters ons nog een blik in de voorkamer, waar onder meer de prachtige kast staat die op het stofomslag van Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie prijkt. Hebben de Buijnsters eigenlijk al besloten wat er uiteindelijk met hun verzamelingen gaat gebeuren? Het archief- en documentatiemateriaal gaat naar diverse openbare instellingen, maar in principe gaat verder alles weer de handel in, zodat nieuwe liefhebbers de kans krijgen om op hun beurt van al het moois te genieten.

Dit interview met Piet J. Buijnsters, afgenomen en geschreven in samenwerking met Kees Thomassen, verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

Keuterland

Historische cartografie staat vol in de schijnwerpers. Onze Koning ontving laatst het eerste exemplaar van de facsimile van De Atlas der Neederlanden, Kester Freriks en Joyce Roodnat maakten voetreizen over oude landkaarten en dan verscheen ook nog het cartografie-nummer van De Boekenwereld, wonderschoon geïllustreerd.

Perkamentus schreef vorige week bovendien over zijn oude liefde voor kaarten en prenten. Hij roerde ook de dubieuze praktijken van sommige prenthandelaren aan: zij kopen een atlas en snijden thuis alle kaarten eruit, omdat deze per stuk meer opleveren dan bij elkaar in een band. Perkamentus noemde een handelaar met naam en toenaam, waar hij zelf een nogal ontnuchterende ervaring mee had – maar er zijn er meer die al jaren ongenoemd blijven.

In zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) portretteert Piet J. Buijnsters dezelfde handelaar uit de bollenstreek, zonder zijn slooppraktijken te veroordelen:

‘Hij zit als het ware in de machinekamer van het Nederlandse antiquariaat en representeert daarmee het permanente spanningsveld tussen de ethische en de meer commercieel denkende handelaars.’ In België heeft de antiquaar de charmante bijnaam ‘De Gouden Schaar’.

Zelf houd ik meer van fictieve cartografie. De neiging om te knippen, snijden en scheuren is dan ook minder groot. De beste 1-aprilgrap van de vorige eeuw betrof een katern van The Guardian dat geheel in het teken stond van de tienjarige onafhankelijkheid van de kleine eilandengroep San Serriffe in de Indische Oceaan. Deze natie, inclusief alle aan lettertypes ontleende plaatsnamen, bestaat alleen op papier. Het is een kikker-in-je-bil-die-er-nooit-meer-uit-wil: sinds 1977 duikt de verzonnen archipel om de paar jaar weer op in officiële berichtgeving.

In mijn boekenkast vond ik twee voorbeelden van literaire of fictieve cartografie uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

De mij onbekende P.A. Eggermont maakte in 1932 de omslagtekening voor het najaarsnummer van het katholiek-culturele tijdschrift De Gemeenschap. Hij tekende een kaart van een naamloze kuststreek in de Lage Landen. Grofweg zijn er drie gebieden te onderscheiden: het Politiek Moeras, het Letterkundig Gewest en de Radiovlakte. In de Perszee ligt het Tijdschrifteneiland, daarvoor de Drukfoutenbank en het Nauw van Redaktie. In de Muskietendelta komt de Stroom der Welsprekendheid binnen, die meandert langs ’t Denkend Deel (waarin een Heilig Huisje), onder het Spreekkoorkanaal door. Deze streek is goed voorzien van openbaar vervoer: er loopt een spoorlijn van Lezersdorp, via het Lyries Labyrint en de Stille Plantage, naar de Bibliotheekbuurt. In het zuiden ligt dan nog een Epies Bos en het Proefveld van de Mij. tot veredeling van krachttermen.

Met de roman Keuterland voltooide Joh.W. Broedelet in 1910 zijn Vagebond-trilogie. (De drie boeken zijn volstrekt vergeten, maar daar kan de recente lancering van een verkorte herdruk van Hofstad, het tweede boek Vagebond uit 1909, verandering in brengen.) In dit onwaarschijnlijke reisverhaal gaat hoofdpersoon Vagebond op tournee door de provincies en langs de steden van Keuterland. Het leukst aan dit boek is niet het proza van Broedelet, dat slechts bij flauwe vlagen weet te boeien, maar de landkaart van Keuterland, die tegenover de titelpagina is afgedrukt.

De kaart van Keuterland, ‘met de provinciën, steden en gehuchten welke door Vagebond werden bezocht’, is een cartografische samenvatting van de satirische roman. Ter hoogte van Den Haag ligt Hofstad, op een schiereiland in het zuiden is Ziekirlee te vinden, waar Noord-Brabant te verwachten valt ligt West-Zwartland. De provincie Groningen, pardon: Noord-Keuterland kent vijf kleine plaatsen, per trein te bereiken: Onderdedirk, Dubbeldarie, Hoogkiek-Sappebroek, Kropdijkwoud en Herdegriepshornwolde. De legenda verklaart wat de stippellijn op de kaart in Broedelets werkelijkheid betekent: ‘omnibus in aanleg’.

Voorbestemd

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld vertelt chroniqueur Piet J. Buijnsters, naar aanleiding van zijn laatste boek, ook over de verschillen tussen Nederlandse en Belgische bibliofielen. Een onderscheid betreft de pecunia: onze zuiderburen hebben op Nederlandse boekenveilingen doorgaans hogere limieten. Dat komt ook, zegt Buijnsters, omdat het in België niet vreemd is voor een zakenman of rijke voetballer om boeken te verzamelen. De boekenliefde is er niet groter; de portemonnee is gewoon dieper.

Bij Marc Van de Wiele, antiquaar te Brugge, pikte Buijnsters een ander verschil op: ‘als een boek in de etalage van zijn winkel ligt, dan wordt het niet zo snel verkocht. Een Belg wil echt het idee hebben dat een zeker boek voor hem bestemd is, dat het voor hem apart ligt, dat hij eerste keus heeft’.

Deze suggestie van bibliofiele predestinatie bevreemdde Buijnsters. En toen hij het aan de twee Nederlandse interviewers van De Boekenwereld voorlegde, bevreemdde het hen ook. Antiquaren spelen een belangrijke rol bij de aankoop van boeken, maar zij hoeven voor goede klanten toch geen toneelstukjes op te voeren?

Een aantrekkelijk boek kan zichzelf wel verkopen. Het is coup de foudre of niet. Dat antiquarisch uithuwelijken is nergens voor nodig.

Als ik een mooi boek in de etalage van een antiquariaat zie staan, dan weet ik zeker dat het daar zojuist en enkel voor mij is neergezet. What are the odds? Dat wij, het boek en ik, elkaar treffen is voorbestemd. Na de verrassende kennismaking willen wij onze relatie bestendigen. Ik heb geen andere keuze dan het boek te kopen.

Stroppen van straks

Wat kostte een gewoon boek in de oorlog? Sjoerd van Faassen staat even stil bij de prijs van clandestiene uitgaven in het hoofdstuk ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’ in Het ideale boek (2010), met name bij de 50 gulden van Aafjes’ Omne animal (‘een vreselijke prijs,’ vond de auteur), maar nergens wordt een indruk gegeven van de geldelijke waarde van niet-illegale boeken. Antiquariaats- of veilingcatalogi (met opbrengsten) uit de oorlog zijn mij niet bekend. Buijnsters geeft in dit geval ook niet thuis.

In februari of maart 1944 bestelde de dichter Niek Verhaagen bij een boekhandelaar in Delft voor zijn vriend Kees Bantzinger Boutens’ Strofen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe. Zelf had hij kort daarvoor voor 2 gulden en 35 cent een eerste druk uit 1919 bemachtigd: Bantzinger keek niet op van die prijs en wilde de bundel graag hebben. Verhaagen in een brief aan Bert Bakker:

Nu stuurt de boekhandelaar mij een latere, aangevulde druk, bij Stols verschenen, en brengt mij daarvoor f 20,- in rekening. Het is een mooie uitgave en het ding is blijkbaar uitverkocht. Ik kan er echter niet aan denken voor deze uitgave f 20,- te betalen en ook Bantzinger zal er wel niets voor voelen.

Voor wat het waard is: de clandestiene bundels die Verhaagen tezelfdertijd kreeg aangeboden (en soms kocht) kostten rond de 6 of 7 gulden.

August Henkels was in de wolken toen hij op 18 april 1944 aan H.N. Werkman over zijn bezoek aan een Haags ‘boekenzaakje’ schreef:

Veel zaaks was er niet meer, maar ik schijn in zulke dingen altijd geluk te hebben. Vindt (sic) ik me daar nog een ex. van Paul van Ostayen’s (sic) Bezette Stad. De man vroeg f 18.- die ik grif heb neergelegd.

In Henkels’ herinnering deed hetzelfde boek tien jaar eerder al 15 gulden. ‘De prijs is dus wel heel laag gerekend naar de huidige begrippen.’

In dezelfde brief maakt Henkels melding van een set Nederlandsche Historiën (1642-1647) van P.C. Hooft, waarvoor in de zomer van 1943 al eens 500 gulden werd betaald.

Ik gaf voor een onberispelijk ex. destijds f 45.-. Ze zijn gek geworden; in zulke prijzen zitten al de stroppen van straks.

Kees Fens (1929-2008)

Toen mijn dierbare vriend Marc bij Kees Fens afstudeerde, was ik als gesjeesd student nét een antiquariaat begonnen. Dankzij Marc reed ik een jaar later naar Zandvoort omdat Fens ging verhuizen naar Amsterdam en een kamer vol boeken te koop had. ‘O, ben jíj het’, was het eerste dat hij zei toen hij de deur opendeed, om er op te laten volgen: ‘Je bent nooit afgestudeerd…’ Tja, ik was in 1983 Nederlands gaan studeren in Nijmegen, mede vanwege de Faam van Fens. Het was een mooie tijd, maar afstuderen, daar kwam het maar niet van.

Ruim een jaar geleden sprak ik hem voor het laatst, tijdens de presentatie van Buijnsters’ Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat, uitgegeven door de al eerder genoemde Marc, die inmiddels een succesvol, moedig en bewonderenswaardig uitgever was geworden. Fens vroeg me om hem vooral mijn catalogi te blijven sturen, al zou hij er nooit iets uit bestellen. Hij las ze van kaft tot kaft, bezwoer hij me.

Ik voelde me afgestudeerd, buiten de orde der doctorandi.

Fokas Holthuis