Boekenoverschot

In Het verzamelen van boeken (1992) zette Piet J. Buijnsters de basisprincipes uiteen van het aanleggen en onderhouden van een boekencollectie. In opdracht van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen schreef Paul van Capelleveen het ultieme anti-boek, de langverwachte pendant: De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties (2016). Het zevende hoofdstuk van deze verkapte handleiding heet ‘De kunst van het wegdoen van boeken’.

Schrijvers, bij wie het boek over het algemeen in hoog aanzien staat, ruimen hun boekenkast geregeld op. Weggeven, weggooien. Van Capelleveen nam de interviewreeks ‘De boekencollectie van’ op Boekensalon door en ging turven: van de 73 schrijvers en boekenvaklui deden er 46 ‘vaak’ boeken weg, 7 ‘soms’ en 18 ‘nooit’. Als boeken wegdoen inderdaad een kunst is, dan gaf Kees van Kooten het kunstzinnigste antwoord op de vraag hoe en waar je boekenoverschot te dumpen.

Wanneer ik ergens in het land mag komen voorlezen uit eigen werk, neem ik een grote tas overbodige boeken mee, die ik na de voorstelling in het geniep door de brievenbussen van de huizen in de buurt van het theater duw. Eén boek per adres. Want één boek kan iedereen er toch nog wel bij hebben?

In zijn column ‘De Boel’, opgenomen in de bundel Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (1998), beschrijft Remco Campert heel mooi hoe een poging tot het wegdoen van boeken eruitziet.

De dag dat je hebt besloten je boekenbezit te decimeren, regent het. Dat hoort zo. […] In het begin tast je kordaat toe, een man die gewend is beslissingen te nemen. Al snel vormt zich een stapel boeken die je nooit meer hoeft te zien. Maar niet lang daarna ontstaat hiernaast een steeds aangroeiende stapel van twijfelgevallen. Die kan wel weg, denk je het ene moment, nee toch niet, het volgende. En nog wat later – buiten is het gaan plenzen, je hebt het licht aangedaan – zit je te lezen en ben je vergeten waar het ook alweer om begonnen was.

Enkele geïnterviewden op Boekensalon gaven toe bang te zijn gezichtsverlies te lijden door bepaalde boeken af te danken. Het moeilijkst, aldus Campert in 1998, is het wegdoen van boeken die je cadeau hebt gekregen. Het allermoeilijkst zijn de boeken

die je met een welgemeende opdracht van de auteur zelf kreeg. Soms zijn dat helemaal geen goede boeken. De kans dat zo’n auteur op een rommelmarkt zijn eigen boek met opdracht aantreft, is niet denkbeeldig. Ik spreek uit ervaring, want ik heb weleens een van mijn boeken op zo’n plek aangetroffen, voorzien van mijn handtekening en een betuiging van vriendschap aan de ontvanger gericht. De vriendschap gaat sindsdien niet echt meer van harte, hoewel het mijn eer te na is om iets te laten merken.

Campert verzandt in twijfels en afwegingen.

Voor je alles weer terugzet, duurt even. Nog geruime tijd staan de stapels op de vloer, als stil bewijs van je poging tot trouweloosheid.

Intussen kan Remco Campert zich makkelijker van zijn boeken losmaken. De oude schrijver is aan het onthechten. Op diverse plekken zijn de laatste jaren boeken uit Camperts bibliotheek opgedoken. De mooiste boeken, veelal voorzien van vriendschappelijke opdrachten aan Campert, belanden tegenwoordig in Antwerpen, waar René Franken zich erover ontfermt.

In ‘De boekencollectie van’ is het vergeefs zoeken naar Wiel Kusters, maar vorige week werd duidelijk dat hij zijn boekenverzameling aan het uitdunnen is. Via boekwinkeltje Pim Pleisters uit Maastricht, genoemd naar de hoofdpersoon van Kusters’ jongste uitgave, biedt de schrijver momenteel tien boeken te koop aan. Enkele auteursexemplaren (op verzoek gesigneerd), evenals opdrachtexemplaren van Gerard Walschap, Albert Helman, Adriaan van Dis en Tomas Tranströmer.

De bibliofiel is een kleine zelfstandige geworden.

concludeert Paul van Capelleveen aan het slot van De complete verzameling. De schrijver ook.

Original Heidelberg Drukwerk

Paul van Capelleveen schreef een week geleden over een drukpers als rekwisiet in een toneelstuk anno 1905. Er stond evenwel geen echte drukpers op de planken: vanwege het enorme gewicht van lood en oud ijzer werd een voor deze gelegenheid gefabriceerd model gebruikt. Niet van echt te onderscheiden: na afloop van het toneelstuk ontvingen de revuebezoekers zelfs de krant die tijdens het toneelstuk was gedrukt.

In 1982 maakte saxofonist Rob Hauser furore met Original Heidelberg, een muziekstuk voor vijf saxofoons, twee gitaren, slagwerk en een drukpers. Rob Hauser, die met zijn broer Dick een opleiding had gevolgd aan de Grafische School, schreef deze ‘visuele muziek compositie’ in opdracht van het Shaffy Theater, sinds 1968 gevestigd in Felix Meritis. Daar werd het stuk van 29 juni tot en met 3 juli 1982 een keer of zeven opgevoerd. Vanwege de grote belangstelling waren er op de laatste speeldagen twee extra uitvoeringen, die om middernacht aanvingen.

De drukpers was een originele Heidelberg Degel Automaat van omstreeks 1914. In Hausers stuk is de drukpers geen rekwisiet, maar een instrument.

Volgens De Telegraaf (2 juli 1982) stond de Heidelberg ‘als een automatische dirigent’ voor de muzikanten, ‘zonder mededogen verschillende ritmes’ aangevend. De recensenten voelden zich alle aangetrokken tot het papier verslindende monster.

Het automatische in- en uitlegsysteem met een ronddraaiend zuignappenstelsel – karakteristiek voor dit ontwerp – werkte als focuspunt van de hele installatie.

schreef een criticus in het Nieuwsblad van het Noorden (25 oktober 1982), nadat hij de rondreizende voorstelling in De Kleine Zaal van De Oosterpoort had bijgewoond.

Drukker van dienst bij de eerste reeks uitvoeringen in Amsterdam was Ewald Spieker. Hij drukte het nieuws van de dag, gebruikmakend van de originele drukplaten van de voorpagina’s en sportpagina’s van Het Parool en de Volkskrant. De bedoeling was om ook besprekingen van de voorstelling te drukken, maar die verschenen helaas niet in deze dagbladen.

In Amsterdam leidde de voorstelling tot een uitgave: de map Original Heidelberg Drukwerk (1982) met acht in diverse kleuren gedrukte nieuwspagina’s, een pagina toelichting en een pagina credits. Tijdens de voorstelling legde Spieker de bladen, vers van de pers, op een tafeltje: een uitnodiging voor het publiek om er van elk een af te nemen.

De oplage van Spiekers individueel te vullen map was beraamd op driehonderd exemplaren. Hoeveel bezoekers van de voorstelling hebben toen de moeite genomen om alle bladen te verzamelen? Deze map is intussen zeldzaam geworden. Aan het eind van het stuk zullen de meeste bezoekers van het Shaffy Theater hebben gedacht: oud nieuws. Ruim dertig jaar later krijgt de kleurrijke map, losgezongen van de actualiteit, eeuwigheidswaarde.

Stoeptegel

Van 8 tot en met 11 februari verzamelen ruim tweehonderd boekkunstenaars, ontwerpers, margedrukkers en bibliofiele uitgeverijen van over de hele wereld zich in Richmond, Californië voor de CODEX International Book Fair. Het is de vijfde keer dat deze tweejaarlijkse beurs, opgezet door drukker Peter Rutledge Koch en papierconservator Susan Filter, in de Verenigde Staten wordt georganiseerd. De beurs valt samen met een tweedaags symposium, met in 2015 als hoofdsprekers Roberto Trujillo en Alberto Manguel. Wie het symposium wil bijwonen, kan beter niet lang wachten met het reserveren van een kaartje op de website (elk jaar uitverkocht). Voor de thuisblijvers zal ook ditmaal een verslag van de beurs in druk verschijnen.

Onder redactie van David Jury en Peter Rutledge Koch verscheen in 2013 Book Art Object 2. Second catalogue of the Codex Foundation biennial international book exhibition and symposium. Deze in elke dimensie flinke catalogus – eerder een stoeptegel dan een baksteen – bevat vijf in 2009 en 2011 gehouden toespraken van bibliothecarissen en drukkers, tien fijne inkijkjes in de studio’s van margedrukkers, en 300 beschrijvingen van bibliofiele boeken van 140 verschillende drukkers of uitgevers. Deze laatste categorie geeft een prachtige doorsnee van wat er de afgelopen vijf jaar wereldwijd aan bibliofiele, gelimiteerde en/of geïllustreerde boeken is verschenen.

Van ‘boek’ wordt hier niet de nauwste definitie gehanteerd: weliswaar komt de vorm van de meeste uitgaven ons zeer vertrouwd voor (leporello, cahiersteek, frontispice, gulden snede), een enkele boekkunstenaar geeft zijn uitgave gestalte met walnotenhouten planken en een bronzen sculptuur, verstopt de tekst in een kist met golvend papier en veel (los!) zand of schuift een miniatuurboekje in de borst van een porseleinen vogel. De kleurfoto’s in Book Art Object 2 – dat zijn er 1133 in totaal – spreken boekdelen. Omdat er zoveel te kijken valt, was een leeslint (of twee) geen overbodige luxe geweest.

Drukkers en vormgevers van eigen bodem worden behandeld in de toespraak van Paul van Capelleveen (‘Changing book: art and the contemporary Dutch private press book’). Ook in de interessante toespraak van Juan Pascoe (‘Presses in Mexico’) komen Nederlanders ter sprake. A.A.M. Stols schreef in Mexico enkele boeken, nam daarvan de typografische verzorging op zich en importeerde in 1962 een vracht lood (de 16-punts Spectrum van de gieterij Enschedé). Stols wordt door Pascoe ‘the patriarch of modern Mexican bookmaking’ genoemd. Beeldend kunstenaar Jan Hendrix, die zich in 1978 definitief in Mexico vestigde, is de andere ‘Dutch bookman’ – al worden zijn uitgaven meestal gezet en gedrukt door Hans van Eijk in het Limburgse dorpje Banholt.

Het is misschien jammer dat de kleurrijke catalogus Book Art Object 2 niet gekoppeld is aan een website, waarop elke CODEX-deelnemer het hele jaar door zijn nieuwe uitgaven kan tonen en beschrijven (en verkopen). Margedrukkers en bibliofiele uitgevers hier te lande hebben zich goed georganiseerd met de website van Stichting Drukwerk in de Marge; een vergelijkbaar initiatief zou de Nederlandse bibliofiel ertoe verleiden eerder en vaker over de grens te kijken. ‘Digital is dead’ is de slogan waarmee CODEX de internationale beurs als ontmoetingsplek en het aanraakbare van het fysieke boek aanprijst, evenwel laten veel boekkunstenaars en drukkers de onbegrensde mogelijkheden van het internet liggen.

Deze bespreking van David Jury en Peter Rutledge Koch (red.), Book Art Object 2. Second catalogue of the Codex Foundation biennial international book exhibition and symposium (2013) verscheen (ingekort) in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 4 (december 2014).

Voor de jarige

De Koninklijke Bibliotheek, die van alle Nederlandse uitgaven één exemplaar wil hebben, is het gelukt om het volledige fonds te bemachtigen van De Literaire Loodgieters, the most private van de twintigste-eeuwse Nederlandse private presses.

Conservator Paul van Capelleveen maakte gisteren bekend dat de laatste nog ontbrekende uitgaven onlangs werden aangekocht. De kop van zijn artikel – ‘De Literaire Loodgieters Compleet’ – komt in de ogen van een nederige verzamelaar utopisch voor. De Literaire Loodgieters hielden de oplagen van hun boekjes zeer laag: van 30, 20, 15, 6 tot slechts 4 exemplaren.

En intekenen behoorde niet tot de mogelijkheden. Sub Signo Libelli, die in de jaren ’80 ook tot bloei kwam, verspreidde vanaf het begin prospectussen voor te verschijnen uitgaven. Prijs en uitvoering stonden dan vast. Zo werd de liefhebber in staat gesteld bij voorbaat een (luxe-)exemplaar te bestellen.

Voor geen van de vijftig uitgaven van De Literaire Loodgieters is een prospectus vervaardigd. (Wel bestaat er, volgens de bibliografie, van een enkele uitgave naast de ingenaaide exemplaren een ‘luxe gebonden editie’.)

Het drukken van boekjes in een oplage van 4 exemplaren, waarvan er 3 bij verschijnen nietig werden verklaard, beschouwt Van Capelleveen als ‘een spel met de overdreven bibliofiele hang naar exclusiviteit’. De derde uitgave van De Literaire Loodgieters is al zo’n statement: De scheet in perkament gebonden (1980) is het commentaar van Vic van de Reijt op Komrij’s bibliofiele uitgave De bibliofiel (1980). Daarvan verschenen (zogenaamd) 15 genummerde scheten en enige losse flodders op toiletpapier.

In 1983 en 1984 werden twintig schrijvers op hun verjaardag verrast met de exclusieve uitgave van een eigen tekstfragment door De Literaire Loodgieters. In dit selecte gezelschap bevinden zich J.M.A. Biesheuvel, Maarten ’t Hart, W.F. Hermans, F.B. Hotz en Gerrit Komrij. Van de officiële oplage van 4 exemplaren moest de jarige schrijver 3 nietige exemplaren gesigneerd retourneren. Het niet-nietige exemplaar viel de schrijver ten deel.

(Dat ene auteursexemplaar is uiteraard onbereikbaar. Wel kan ik beamen wat de KB-conservator schrijft: ‘een ‘nietig’ exemplaar kunnen verwerven is voor een verzamelaar natuurlijk een triomf’. Hoe blij dat ik ben met mijn incomplete verzameling De Literaire Loodgieters.)

Nogal eens is de tekst van zo’n verjaardagsuitgave thematisch gekozen. Sprookje (1983) van Anton Koolhaas gaat over een stokoude koning, Belcampo’s Dichter (1983) nadert het graf, Jan Kals cadeautje is getiteld Een jaartje ouder (1983). In zeker twee gevallen heeft de tekst betrekking op het drietal uitgevers. Sal Santens De L.L. (1983) luidt:

Aardige mensen, die zich ten onrechte literaire loodgieters noemen, een naam die voor het eerst in Propria Cures is gebruikt, die een geuzennaam moet betekenen, maar na Watergate een nare bijsmaak heeft.

Voor de 33e verjaardag van Ewald Spieker werden de zaken omgekeerd: de tekst was niet van, maar voor de jarige. Op de titelpagina wordt als auteur vermeld ‘De L.L.’, waarachter hier vermoedelijk alleen Ruud Broens en Pierre Roth schuilgingen. De uitgave Ewald (1983) is geen spelletje met bibliofiele normen en waarden, maar een oprechte dankbetuiging:

Zonder jouw lessen hadden er nooit l.l. bestaan

‘Elke uitgave is een individu’

Hij is gestopt met zetten en drukken, zijn trapdegelpers is verhuisd. Gerrit Kleis (Coevorden, 1940) heeft afscheid genomen van zijn private press Sub Signo Libelli, maar hij is nog dagelijks in de weer met boeken. Naar aanleiding van het verschijnen van de afsluitende bibliografie van SSL blikt hij in zijn Drentse boerderij terug op zijn fonds, zijn studiejaren in Amsterdam en een Praags avontuur.

Links van de keuterij bij het dorpje Geesbrug, aan het Zwindersche Kanaal, staat een stevige houten schuur. We betreden de schuur door een extra brede deur (‘speciaal laten maken, anders paste de degelpers er niet door’) en nemen plaats aan een tafel. In dit atelier was Gerrit Kleis, wanneer hij niet voor de klas stond in Amsterdam, alle weekenden en vakanties aan het werk voor zijn eigen uitgeverij. Nu de drukpers en de bokken zijn verdwenen is er ruimte voor zijn verzameling Nederlandse literatuur en historische studies, zijn correspondentiearchief en een schrijftafel. Boeken staan zelfs in de nok, op de houten dwarsbalken. Boven onze hoofden hangt een wissellijst met de vijf etsen die Joost Veerkamp voor zijn uitgave De doos van Simon Carmiggelt maakte. Achterin staat een wasmachine. Naast de deur is een metalen bak gevuld met diverse heggenscharen, takkensnijders en rozensnoeischaren. Want Kleis is ook tuinier en rozenkweker.

Of het afscheid pijn deed, wil ik weten. ‘Ja. Zeker wel. Aan de andere kant: mijn ogen zijn slecht, ik heb een nieuwe knie, een nieuwe heup, moet nog een nieuwe knie. Het drukken ging met mijn kwaliteitseisen daarom niet meer.’
De Boston trapdegel, de Krause snijmachine en de vijf zetbokken zijn in 2012 verkocht aan een drukkerswerkplaats in Gouda. Het was Pieter Stroop, een oud-leerling van Kleis aan het Barlaeus Gymnasium, die het initiatief tot de overname nam. Tot Kleis’ genoegen blijft de lettercombinatie SSL verbonden aan de pers: van Sub Signo Libelli naar Sub Signo Leonis. De leeuw in de nieuwe naam verwijst naar de oudste drukker van Gouda, Gheraert Leeu. Binnenkort verhuist de pers nogmaals, van de Jeruzalemkapel naar de nieuwe openbare bibliotheek van Gouda.

De presentatie van het derde en afsluitende deel van de SSL-bibliografie vond plaats op 19 augustus in de Artis Bibliotheek. ‘Dat was een gezellige en leerzame middag, in het kader van de Summerschool bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Ik vond het leuk om de conservator van de Artis Bibliotheek in levende lijve te zien, want hij heeft mijn collectie rozenboeken gekregen, bij elkaar zo’n vier meter. Hij kon me vertellen dat het al mooi op de plank staat.’ Met de schenking van zijn rozenboeken en na de publicatie van De rozenteelt in Nederland. Geschiedenis, literatuur en documenten in 2007 heeft Kleis het onderwerp nu afgesloten. ‘Naar die bibliografie van mij wordt overigens nooit verwezen; mensen kopen blijkbaar geen oude rozenboeken. Nou ja.’

Oudezijds Achterburgwal

Zijn belangstelling voor literatuur en typografie werd aangewakkerd in Amsterdam, waar hij van 1962 tot 1969 Nederlands studeerde, met als bijvak analytische bibliografie. Studie en stad waren voor de 22-jarige Kleis een logische keuze. ‘Ik wilde natuurlijk weg uit de provincie. Maar ik wilde niet naar Groningen, waar ik iedereen al kende – of dacht te kennen. Ik wilde mijn vleugels uitslaan. De andere kant van het leven lonkte. Mijn toenmalige vriend was mij een jaar eerder voorgegaan naar Amsterdam. Maar toen ik er kwam, had hij het leven al leren kennen, dus die liet mij al gauw in de steek.’

‘In mijn studietijd woonde ik onder meer op de Oudezijds Achterburgwal, op de zolder van een pakhuis. Pim Scheele, een student Geneeskunde die ik kende van de sociëteit Olofspoort, woonde voor. Ik had een heel leuk mansardekamertje, maar als ik ’s winters wakker werd, was mijn dekbed besneeuwd. De sneeuw kwam gewoon tussen de dakpannen door. In de strenge winter van 1963 kwam ik vaak over de vloer bij George en Anke Groot, ook studenten Nederlands en toen nog geen Don Quishocking, die iets verderop woonden. Ik liep dan in de bijtende kou naar ze toe om me daar bij een groep vrienden te voegen, die bijeengepakt om een oliekacheltje zaten te kleumen. Het was wel romantisch.’ Hij zucht. ‘Ja, dat waren tijden.’

‘We zaten daar trouwens tussen de meisjes van lichte zeden. Naast het trappetje van mijn huis stond in deze uiterst felle winter, op houten plankjes, een hoertje. Ik heb haar toen weleens koffie gebracht. Het contact ontstond per ongeluk: ik gleed van die spekgladde trap af en toen ving zij me giechelend op.’

Zijn Amsterdamse jaren waren gelukkige jaren. ‘En ik heb de gekste dingen meegemaakt. Ik maakte wekelijks het huis van de oude dichter Jac. van Hattum schoon. Elke keer was dat weer een avontuur. Zo liet hij me zijn vriendin Josine Meijer eens in paniek opbellen met de mededeling dat het niet goed met hem ging – terwijl hij eigenlijk alleen platzak was. Josine stapte in Den Haag meteen op de trein, wat Van Hattum de tijd gaf om zogenaamd ziek op de bank te gaan liggen met een emmer naast zich. Van een gesprek met Josine knapte hij meteen op. Zij liet bij het weggaan geld op tafel achter. Of dit al een voorloper van zijn dementie moet zijn geweest? Toen ik hem later met de boodschappen hielp, trok hij naar Albert Heijn een zwarte pijmantel met een opvallend rode binnenvoering aan en zegende hij alle voorbijgangers.’

‘Bij Van Hattum heb ik trouwens Johan Polak ook voor het eerst ontmoet. Met hem heb ik later onder het imprint Astèr drie omvangrijke boeken gemaakt. Van Hattum zat altijd aan een grote tafel in zijn achterkamer, waar elke bezoeker verplicht een potje moest scrabbelen. Zelfs Geert van Oorschot. En daar zat Polak dus ook weleens aan. Van Hattum was ervan overtuigd dat scrabble goed voor de dichtkunst was. Aan dezelfde tafel tikte ik zijn geschreven teksten over en hield daarvan zelf een kopie. Die kwamen later goed van pas bij het samenstellen van Van Hattums verzameld werk.’

Inmiddels is Gerrit Kleis, hoewel niet lijfelijk, terug in Coevorden. ‘Ik schrijf veel over lokale geschiedenis, vooral over Coevorden, maar ook over begraafplaatsen en criminaliteit in het Drents verleden en over het werkkamp in Geesbrug, om maar wat te noemen. Daar heb ik vreselijk veel lol in.’

Jonge gevoelige jongens

De eerste twee delen van de SSL-bibliografie uit 1983 en 1999 hadden een algemene inleiding van Rudi Ekkart respectievelijk een verklarend verhaal van de drukker zelf; het onlangs verschenen deel De laatste loodjes bevat een interessante en vermakelijke bijdrage over publiciteit, verzamelaars en fonds van Sub Signo Libelli door Paul van Capelleveen.

‘Mijn geheugen wordt behoorlijk opgefrist door dat gespit van Paul. Hij heeft alle correspondentie gelezen en in zijn essay ruimhartig geciteerd. Ik heb die brieven natuurlijk wel gelezen in de tijd dat ik ze kreeg, maar dat zijn herinneringen geworden. En herinneringen zijn niet erg feitelijk of exact.’

Kleis was bijzonder geraakt door de nu opgerakelde geschiedenis met Jos ’t Gilde, een Zeeuwse hoteleigenaar in ruste. Diens brieven aan Sub Signo Libelli worden uitvoerig aangehaald in het stuk van Paul van Capelleveen. Daaruit komt naar voren dat ’t Gilde, keurig met een lieve vrouw getrouwd, altijd is blijven hunkeren naar een vriend. ‘Ik had het zo enorm met hem te doen. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik vond het heel fijn dat iemand aan mijn boeken, weliswaar wat laat, zo’n specifiek genoegen beleefde. Ontroerend, hoor, als een boek van mij zoiets voor iemand kan betekenen. Ja, dat herkende ik zelf wel, want als scholier dweepte ik met Hans Lodeizen. Daar stond ik mee op en ging ik mee naar bed. Hij was een icoon voor, laat ik zeggen, jonge gevoelige jongens. Goed tussen de regels door lezen heb ik toen geleerd. De poëzie die ik zelf schreef was helemaal op Lodeizen geënt.’

Kleis staat op en loopt naar de boekenkast tegen de linkerwand van de schuur. Hij geeft me een Meulenhoff-pocket uit 1962: Vermoeden van tijd. Poëzie van jongeren. Kleis staat erin onder het pseudoniem Pieter Nagel met negen gedichten. ‘Deze bloemlezing is voortgekomen uit de rubriek ‘Dichtershoek’ in het toenmalige Handelsblad, jaren gerund door Herman Besselaar. Een paar van die jongeren zijn nog bekend geworden: Jojada Verrips, Emma Brunt, Jaco Groot, Frank Martinus Arion.’

‘Herman Besselaar correspondeerde intensief met al die jongeren. Ik heb hier nog een stapel brieven van Besselaar liggen. Als ik nu op die tijd terugkijk, zie ik een zoekende jongen – die op een gegeven moment toch een beetje teleurgesteld raakt. Besselaar was nog wel iemand van zijn tijd. Hij had moeite met homoseksualiteit: niet dat hij je daar op aanviel, hij had er wel moeite mee. Ik herinner me dat hij Verrips een briefje stuurde met iets als “Wees voorzichtig!” toen hij vernam dat ik bij Jojada zou logeren.’

Litho’s uit Praag

Na het essay van Paul van Capelleveen volgt in De laatste loodjes een kleurenkatern met illustraties en de eigenlijke bibliografie van de pers van februari 1999 tot augustus 2010. Van ruim vijftig uitgaven worden formaat, bindwijze, papiersoort, varianten, etc. beschreven. Aan het eind van het boek staat een summier overzicht van de gelegenheidsuitgaven die Kleis, naast het strikt literaire werk, ook drukte. Het gaat om briefpapier, menukaarten en geboorteaankondigingen uit de periode 1969-2008. Valt dit drukwerk, soms nogal privé, eigenlijk niet buiten het bestek van het boek? ‘Het is niet mijn keuze geweest om het op te nemen. André Swertz, executeur-testamentair van mijn eerste bibliograaf Ronald Breugelmans, heeft dit boek opgevat als een hommage aan de verzameldrift van het echtpaar Breugelmans. Swertz beheert sinds de dood van Ronald en Lizanne hun collectie SSL en trof dus ook al dat efemere drukwerk aan. Hij nam het initiatief om de reeks compleet te maken.’

Uit de tellingen van Van Capelleveen blijkt dat de bloeiperiode van de belangrijkste naoorlogse private press tussen 1982 en 1986 ligt: er rolden toen, onder het teken van de libel, jaarlijks gemiddeld 16 nieuwe uitgaven van de pers. In deze jaren benaderde Kleis vaak ook kunstenaars voor originele grafiek in zijn uitgaven: een ets van Reinder Homan, een litho van Chris Buursen, een collage van Siep van den Berg, een tekening van Bob van Blommestein. Illustraties waren voor Kleis altijd een extra uitdaging, vanwege het kleurgebruik en de technische moeilijkheden.

‘De meeste moeite heb ik moeten doen voor een kleurenlitho van Vladimír Suchánek, dat was in de zomer van 1982, voor een dichtbundel van Leopold Andrian. Boudewijn Büch bracht mij op het spoor van deze Tsjechische kunstenaar. Toen ik in de aankomsthal van het vliegveld van Praag mijn naam hoorde omroepen, dacht ik nog: “Dat heeft die Suchánek goed geregeld.” Maar al snel werd ik door een man van de geheime politie in een taxi geparkeerd, naar het hotel gebracht met het strikte verbod om op eigen houtje de stad in te gaan, laat staan met inwoners contact te leggen. Ik zou de volgende dag onder begeleiding wel een tour door Praag krijgen. Die avond ben ik het hotel uit geslopen, heb snel in een telefooncel contact gezocht met Suchánek, die mij daar even later met zijn auto oppikte en naar zijn huis meenam. Afspraken gemaakt over de aantallen en de kleuren, Japans papier overhandigd, door mij thuis al op het juiste formaat gesneden. Uiteindelijk heb ik het met die staatsfunctionaris op een akkoordje gegooid. Hij zag ook wel dat ik geen spion was. Suchánek heeft zijn litho’s overigens per gewone post naar Leo van Maris, zijn agent in het Westen, gestuurd, naar ik vernam, verstopt in kalenders.’

Natuurlijk ging het in de drukkerij ook weleens fout. ‘In het begin had ik nog niet zo’n kijk op letters. Bij mijn boekje van Georg Trakl uit 1975 had ik niet in de gaten dat er twee verschillende kapitalen van de Bembo in de kast lagen. Na het drukken ontdekte ik pas dat de ene hoofdletter N veel breder was dan de andere. Al doende leert men.’

Interpretatieve typografie

De met inkt ingevulde getallen in de colofons van SSL-uitgaven verraden een precieze instelling. De meeste drukkers bepalen van te voren hun oplage, kopen daar hun hoeveelheid papier op in, en drukken dan de getallen van de oplage zwart op wit. Sommigen drukken zelfs het exemplaarnummer met lood. Kleis deed dat liever niet. ‘Je weet immers nooit zeker hoeveel goede exemplaren je van de oplage overhoudt. Je keurt namelijk exemplaren af, bijvoorbeeld omdat er een smet op een pagina zit. Daar komt ook bij dat op de pers nummeren met mijn trapdegel niet gemakkelijk was: die had een staande vorm, dus elke keer als je het zetsel van de pers haalde om het nummer te veranderen, was er kans op pastei of verschuivingen.’

Kleis drukte zijn uitgaven in oplagen van maximaal 100 exemplaren, meestal minder. Dat was niet alleen om reden van exclusiviteit: ‘Ik moest elk vel papier zelf op maat snijden, vaak meermaals bedrukken, vouwen, noem maar op. Een grote oplage is exponentieel meer werk. Het leukste blijft toch het bedenken van een vormgeving en het exemplaar voor jezelf en de auteur.’

‘Ik ben eens benaderd door Chris Leeflang, een van de oprichters van de Stichting De Roos, voor het drukken van een boek. Aan deze bibliofiele stichting zijn 175 leden verbonden, dus van de oplage worden er ook 175 stuk voor stuk genummerd. Een eervol verzoek van Leeflang, totdat hij meldde dat ik er 275 zou moeten drukken, 100 meer. Daar wilde ik mijn benen niet aan verslijten. Later begreep ik dat Leeflang zelf extra exemplaren gebruikte als ruilmiddel. Hij had een prachtige verzameling boeken en prenten.’

Als we een laatste blik op zijn fonds werpen, ruim 300 boeken en boekjes op rij, op de middelste plank van een antieke houten Engelse secretairekast in de voorkamer van de boerderij, wil Kleis mij wijzen op de grote variëteit in de vormgeving van zijn fonds.

‘Ser Prop drukt technisch feilloos, echt waar, maar het gaat hem, denk ik, vooral om de perfecte uitgave van een tekst. Zijn fonds heeft het uiterlijk van een serie in min of meer gelijke uitvoering. De Eliance Pers van Peter Muller, hetzelfde laken een pak. Ik heb altijd een andere opvatting gehanteerd, net als Hans van Eijk van In de Bonnefant en Peter Bekker met zijn Koekanger Handpers. Ik heb geprobeerd om van elke uitgave een individu te maken. Dus bij SSL zul je zelden een uitgave tegenkomen die gelijk is aan een vorige. Het is allemaal verschillend, omdat ik gezocht heb naar een nieuw jasje voor elke tekst. Het is uiteraard veel meer dan een jasje. Het is een maatpak. Met vormgeving in kleur, formaat, papier en typografie heb ik getracht een tekst toegankelijker te maken. Het grootste compliment dat ik ooit heb gekregen over mijn drukwerk is van Emile Puettmann. Hij zei: “Het is allemaal anders, maar ik zie toch altijd dat het van jou is.”’

Kleis pakt Nohant van Boudewijn Büch uit de kast. Dit halflederen exemplaar, met een frontispice van Suchánek, draagt nummer I. Hij drukte de gedichten in augustus 1979 in de Cancelleresca Bastarda van Jan van Krimpen. ‘Die loden letter beschikt over varianten binnen één letter. Zo zijn er drie verschillende b’s, vier verschillende h’s, drie verschillende k’s, slot-k’s, initiaal-k’s. En dat is alleen nog maar onderkast. Evenveel variëteit is er bij de kapitalen. Ik had voor alle varianten een eigen vakje in de letterkast, zodat ik ze bewust kon gebruiken. Hier in Nohant heb ik de aandacht op opzettelijke afkortingen willen vestigen door de sierlijke varianten te kiezen om ze bij elkaar te brengen in betekenis. Ook kon ik, omwille van de bladspiegel, een dichtregel enkele millimeters langer maken door een r te pakken met een slinger eraan. Ik heb me uiteraard ook wel vergist, je moet zuinig met die sierlijkheid zijn, anders leidt het af van het lezen. “Wat een bonte troep”, dacht ik dan als ik een proefdrukje had gemaakt.’

Een mooi voorbeeld van interpretatieve typografie vindt Kleis in de zwierige f in het woord ‘lief’. Voor het woord ‘infusen’, in een ander gedicht van Büch, koos hij een f op x-hoogte. ‘Dat kon natuurlijk geen staartletter zijn, die aan het eind opkrult. Nu is de f onderaan scherp, bijna een naald die het lichaam binnendringt.’ En de laatste letter in ‘sluier’ wappert iconisch.

Dit interview met Gerrit Kleis verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 6 (december 2013).

Boekenuil

Een paar maanden geleden vond ik in een antiquariaat een Duitse editie van de Rubáiyát van Omar Khayyám, vertaald door Hector G. Preconi en uitgegeven door Rascher & Cie in 1911. Het onopvallende boekje was opgesierd door een ingeplakt ex libris: een zwart-wit tekening van een mannenkop met een geabstraheerde boekenuil en de tekst ‘het is de aarde die drijft en rolt door de mensen’. De Nederlandse Rubáiyát-vertaler J.A. Vooren was de vorige eigenaar. Een leuke provenance.

Het fascinerende ex libris is niet gesigneerd, maar dankzij Lucebert, drukwerk voor anderen weet ik nu wie de maker is: Lucebert. De tekstregel is afkomstig uit diens gedicht ‘moore’ uit de bundel apocrief/de analphabetische naam (1952).

Paul van Capelleveen geeft in dit boek nauwkeurige beschrijvingen van advertenties, affiches, boekillustraties, cartoons, omslagontwerpen en vignetten die Lucebert om den brode of op verzoek van uitgevers en vrienden maakte. De bibliograaf baseert zich op de collecties van woordenboekenmaker Ton den Boon en vormgever Huug Schipper, de verzamelaars die Luceberts ‘drukwerk voor anderen’ nu weleens degelijk geïnventariseerd wilden zien.

De bibliografie is in meer dan een opzicht aantrekkelijk. Naast de feitelijke beschrijvingen (vindplaats, techniek, afmeting) worden flarden achtergrondinformatie gegeven, zoals citaten uit de mémoires van uitgever Wim Schouten en (niet eerder gepubliceerde) brieven van Lucebert. Omdat de citaten in rood zijn gedrukt, springen ze meteen in het oog: ik betrapte mezelf erop eerst de rode lappen te lezen, en daarna pas te zien over welke illustratie het gaat. Alle illustraties zijn overigens afgebeeld, de mooiste in een kleurenkatern. Pas dan wordt duidelijk dat Luceberts illustraties voor tamelijk uiteenlopende auteurs en tijdschriften zijn gebruikt. Omslagen voor boeken van bevriende Vijftigers als Kouwenaar en Schierbeek staan tussen die voor de traditionele werken van Halbo C. Kool en Clare Lennart.

Maar dat zo’n experimenteel als Lucebert zoiets bedaagds als een ex libris heeft ontworpen, had ik ook niet voor mogelijk gehouden.

Deze bespreking van Paul van Capelleveen, Lucebert, drukwerk voor anderen (2012) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 1 (oktober 2012).

Donkere kamer (2)

Zoveel boeken in de catalogus – terwijl het boek juist het enige product is dat IKEA níet verkoopt. Twee relevante citaten.

‘Het hele interieur komt uit Zweden. Daar past een boekenkast nauwelijks meer in. Het is gelukkig zo dat er bij Ikea daadwerkelijk boeken in de boekenkast staan, anders waren we het zelf ook al vergeten.’ Antiquaar Michel de Vries denkt, in een interview in De Boekenwereld (april 2011), dat antiquarische boeken te lijden hebben van ‘verikearisering’.

Paul van Capelleveen, wederom in De Boekenwereld (juli 2012), verbaast zich over advertenties voor boekenkasten. ‘Toegegeven, die zien eruit als gotische kathedralen of negentiende-eeuwse sociëteitswanden, maar de betekenis van de advertenties lijkt verder te gaan. Enerzijds openbaren de advertenties dat er een behoefte bestaat aan zulke degelijke, chique boekenwanden in art-decostijl; anderzijds zijn ze een teken van de behoefte van fabrikanten klanten voor hun houten producten te vinden. De kwestie is of de vraag van de klant groter of kleiner is dan die van de verkoper.’