Een echt antiquariaat

De handel in tweedehands en antiquarische boeken nam een vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Piet J. Buijnsters verklaart in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) waarom juist tweedehands boeken zo gewild werden: door de instelling van een censurerende Nederlandsche Kultuurkamer en sterke papierrantsoenen verschenen er aanzienlijk minder nieuwe boeken. Op boekenmarkten en bij antiquariaten konden leeshonger en verzamelwoede wel gestild worden. In de notulen van de jaarvergadering van de NVvA, gehouden op 20 april 1943, vindt Buijnsters deze constatering van voorzitter Menno Hertzberger:

De prijzen van het antiquarische boek zijn in enkele gevallen zoo gestegen, dat elke basis verloren is gegaan.

Dat de handel in tweedehands boeken ineens erg lucratief kon zijn, moet ook Adriaan Morriën zich toen hebben gerealiseerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij de schrijver van één dichtbundel. Bijna dertig, zat hij zonder werk en zonder inkomsten.

Vanuit het ouderlijk huis in IJmuiden begon Morriën in 1939 te corresponderen met Frits van Heerikhuizen, leraar Nederlands en letterkundige, twee jaar ouder dan hij. De flinke stapel brieven en briefkaarten die Van Heerikhuizen aan zijn vriendschap met Morriën overhield is mijn mooiste Marktplaats-vondst tot dusver.

In de handgeschreven epistels van Morriën komen zowel literaire zaken als dagelijkse beslommeringen langs. In een brief van 30 december 1941 laat hij Van Heerikhuizen weten dat zijn poging om in Frankrijk een baantje als administrateur te krijgen is mislukt. Nu zal zijn geld spoedig op zijn. Maar hij heeft nog wel een idee, dat hij zijn vriend in Bussum graag voorlegt.

Een plan van den allerlaatsten tijd is om, met behulp van geleend geld, goede litteratuur (antiquarisch) bij kennissen op te koopen, een catalogus samen te stellen en aan alle vrienden en kennissen te zenden. Wanneer men werkelijk goede boeken heeft, raakt men ze gemakkelijk kwijt.

Van Heerikhuizen wil Morriën blijkbaar wel op weg helpen met een lading boeken. Het haalt helaas weinig uit. Op 16 mei 1942 heeft Morriën nog maar weinig verkocht en een kennis, die een partij geërfde boeken zou inbrengen, laat hem in de steek. De dichter ziet het somber in.

Voor een echt antiquariaat komen natuurlijk andere dingen kijken. Daarvoor zijn geld en tijd noodig.

Drie maanden later is de situatie niet verbeterd. Van de boeken die Morriën uit Bussum meenam zijn er ‘enkele’ verkocht. Een catalogus heeft Morriën niet kunnen maken. Hij belooft Van Heerikhuizen zijn best te doen de rest ook ‘kwijt te raken’. In een brief van 4 augustus 1942 komt het avontuur voor het laatst ter sprake. De voorraad van het naamloze verzendantiquariaat van Adriaan Morriën is dan al ondergebracht bij vrienden in Haarlem, omdat bij een eventuele evacuatie van IJmuiden ‘slechts het allernoodzakelijkste’ mag worden meegenomen. Als de handelswaar niet meer binnen handbereik is, houdt het op.

De oorlog doorkomen

Grote roem verwierf Jan Bons met zijn affiches, ontworpen voor de toneelgroepen De Appel (Amsterdam) en Studio (Den Haag) en voor het IDFA. Minder bekend is het feit dat Bons, nog geen dertig jaar oud, in de oorlogsjaren illegale uitgaven drukte en illustreerde. In de zomer van 1944 maakte hij zelfs een boekje in een oplage van twee exemplaren.

Dit ontdekte historicus Bart de Cort, die aan een biografie van de schoonvader van Jan Bons werkt. Bons was getrouwd met Noor Dekker, een dochter van de socialistische schrijver Maurits Dekker. Vanuit Canada mailt De Cort me zijn verhaal.

Aan het begin van de oorlog woonde Jan Bons op Keizersgracht 522 met de fotograaf Carel Blazer, de journalist Maarten (‘Mik’) van Gilse en de fotograaf Violette Cornelius. Alle vier zouden ze op hun eigen manier een belangrijke rol gaan spelen in het verzet tegen de bezetter. Bons maakte zich zeer verdienstelijk, eerst bij het laten wegkomen van joodse vrienden via IJmuiden, de verspreiding van illegale krantjes, het onderbrengen van onderduikers, en aansluitend als bewerker van persoonsbewijzen. Bij deze vervalsingen werkte hij samen met Gi en Janka Boissevain van de verzetsgroep CS6.

Geheime vergaderingen met kunstenaars als L.P.J. Braat en Henk Henriët, die net als Bons weigerden voor de Kultuurkamer te tekenen, vonden weleens plaats in de woning van Bons op Prinsengracht 256. Daar organiseerde Bons ook een clandestiene tentoonstelling die ongeveer vijftig bezoekers kende, meest vrienden en bekenden.

De drukker Frans Duwaer kende Bons al uit de tijd van zijn vroege ontwerpen. Bons mocht in 1943 in diens Drukkerij J.F. Duwaer & Zonen zelf met de hand teksten van Kafka zetten in de 12-punts Mediaeval. Das Stadtwappen, verluchtigd met zeven litho’s van Bons, was vanwege de ‘heersende cultuurhonger’ (Bons) meteen uitverkocht. Een jaar later verscheen bij De Vijf Ponden Pers van A.A. Balkema Kafka’s Ein Landarzt met illustraties van Bons.

Over Duwaer heeft Bart de Cort nog een mooi verhaal. Want eenmaal ondergedoken in Landsmeer besprak Bons met Duwaer de mogelijkheid door middel van publicaties ‘de culturele banden met Frankrijk wat aan te halen’ (Bons), tijdens of anders na de oorlog. Bons vroeg aan zijn vriend Jaap Penraat om op zijn pendels naar Frankrijk foto’s van werk van Parijse schilders te verzamelen. Ook moest hij bij Kandinsky langs gaan. ‘Die gaf foto’s, gedichten en zelfs een origineel werk mee. […] Duwaer wilde meteen een clandestiene uitgave maken van 200 ex.’ (Bons in een terugblik). Dat werd 11 tableaux et 7 poèmes (1945), dat in vredestijd verscheen.

Uit het bibliofiele contact met Duwaer kwam meer verzetswerk voort. Duwaer begon stempels te leveren en regelmatig zat Bons bij hem op kantoor voor besprekingen. Daar liep hij een keer Gerrit Jan van der Veen tegen het lijf, die hij ondanks zijn ‘snor-bril-vermomming’ herkende. In dezelfde ruimte waar Duwaer alle weekends persoonsbewijzen stond te drukken maakte Bons samen met Duwaer Verzen voor een vriend drukklaar. De ‘vriend’ uit de titel is Bons’ boezemvriend Tom Koreman, die werd geëxecuteerd. Koremans zwangere vriendin Iara Wainschtok pleegde daarna zelfmoord. Het boek is daarom opgedragen ‘aan Tom en Yara’.

Door de arrestatie en executie van Frans Duwaer in juni 1944 verscheen Verzen voor een vriend pas in 1945 onder Bons’ pseudoniem Vernal. Maar het werd nog wel gedrukt op de persen van Duwaer, op papier van Barcham Green.

Voor de achtenveertigste verjaardag van zijn schoonvader Maurits Dekker, op 16 juli 1944, vervaardigde Jan Bons tekst en tekeningen voor een boekje in een oplage van precies twee exemplaren. Er staan een heleboel referenties – in woord en beeld – in naar het onderduikersbestaan van de commune ten huize van het artsenechtpaar Joop en Lies Odinot-Pruis in Landsmeer. Zangen van Mald’rdoor; Occupathologica heet het boekje en de titel heeft meerdere betekenissen. Allereerst is de satirische titel natuurlijk een verwijzing naar het vroeg-surrealistische De zangen van Maldoror (1868) van Comte de Lautréamont. In de tweede plaats refereert het naar een jeugdwerk van Dekker, de door De Lautréamont geïnspireerde roman Homo Cantat (1924). En in de derde plaats is het ‘rdoor’ uit de titel te lezen als ‘door de oorlog’. ‘Mal’ kan natuurlijk in de betekenis van ‘gek’ of ‘matrijs’. Dus: als een gek de oorlog door komen, of de oorlog doorkomen als in een matrijs gegoten. Het familie-exemplaar van Zangen van Mald’rdoor is zoek, maar het overgebleven exemplaar bevindt zich in de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Na de oorlog zou Jan Bons nog twee boeken van zijn schoonvader illustreren: de verhalenbundel De knopenman (1947) en het in de A.P. jeugdserie verschenen boek De nieuwe toverdoos met tien sprookjes (1952).

Het zou een understatement zijn om te stellen dat Bons en zijn vrouw beschadigd uit de oorlog kwamen, aldus De Cort. In de hongerwinter zijn ze eens gaan tellen: van die vijftig bezoekers aan de clandestiene tentoonstelling bijvoorbeeld waren er zeker al dertig gefusilleerd of op een andere manier omgekomen. Bons kreeg al snel last van depressies en angsten, apathie, rug-, knie- en maagklachten, slapeloosheid òf leed juist aan overmatige slaap, eczeem, een spijsverteringsstoornis en reumatische pijnen. In zekere zin was het maar goed dat hij eigen baas was, want áls hij in staat was om te werken, dan kon hij tenminste zijn eigen werktijden bepalen. Soms kon hij hele perioden niet werken, dan weer werkte hij bij voorkeur ’s nachts.

Het mag een wonder heten dat Jan Bons, in al die jaren die volgden, nog zoveel moois heeft kunnen produceren.

Schenkingen

In het door Kees Lekkerkerker aangelegde archief over Jacob Israël de Haan, dat ik in 2008 beroepshalve moest ordenen en beschrijven, kwam ik zijn naam voor het eerst tegen: M.B.B. Nijkerk. Lekkerkerker, pleitbezorger van De Haans rijke oeuvre, sprokkelt vanaf 1949 op eigen initiatief geld bij elkaar om de uitgave van De Haans Verzamelde gedichten (1952) zeker te stellen. Hij ontvangt kleine bedragen van goedwillende schrijvers en haalt 300 gulden op bij leden van de Shakespeareclub, maar Lekkerkerker heeft zijn hoop gevestigd op een door hemzelf samengestelde ‘Lijst van rijkaards’. Tussen de namen van diamantairs en horecamagnaten staat ook die van Nijkerk, een bibliofiel die zijn geld verdiend heeft in de metaal- en schroothandel.

M.B.B. (Bob) Nijkerk woonde en werkte sinds 1921 in Brussel, in een door Prosper de Meyst ontworpen villa op de kop van de boulevard Général Wahis, slechts een paar minuten lopen van zijn goede vriend Jan Greshoff, die zich eveneens in de wijk Schaerbeek had gevestigd. Met Greshoff deelde hij de liefde voor de letteren, voor typografie en mooi verzorgde boeken. Nijkerk was een buitenstaander in de literaire kliek, maar zijn rol was soms van doorslaggevende betekenis. Toen in 1936 de bibliofiele reeks Ursa Minor werd opgericht koos Greshoff de teksten, deed Stols de typografie en zorgde Nijkerk voor de financiën.

Bob Nijkerk geef ik géén exx. Als dìe niet meer zou koopen, zou niemand meer koopen!

schreef Greshoff aan Stols op 13 oktober 1932. Dit citaat typeert Greshoff misschien meer dan Nijkerk, maar de laatste was een geldschieter, een weldoener. Vanaf 1933 gaf hij, terwijl hij nog volop verzamelde, een aanzienlijk deel van zijn verzameling boeken en rijmprenten in bruikleen aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. Voor Nijkerks boekkunstcollectie was enige tijd zelfs een speciale zaal gereserveerd. Wat niet in de vitrine stond, kon op aanvraag geraadpleegd worden.

Toch vindt vandaag in Haarlem de eerste van twee (of drie) veilingen plaats met bibliofiele uitgaven en literatuur uit de collecties Nijkerk (meervoud, want zoon Karel verzamelde ook). Veilinghuis Bubb Kuyper meldt dat Nijkerks schenking tijdens de Tweede Wereldoorlog fictief was: Nijkerk was Joods en het risico bestond dat de bezetter beslag zou leggen op zijn bibliotheek. Het Stedelijk Museum kon de boeken gedurende de oorlog voor hem veiligstellen. Sommige kregen voor de zekerheid het museumexlibris mee.

Kalupso-Pers

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn bijna duizend illegale en clandestiene bundels en boeken verschenen. Dirk de Jong somt in Het vrije boek in onvrije tijd (1958) 982 titels op, uitgegeven onder tientallen verschillende (gelegenheids)imprints. In het standaardwerk van De Jong ontbreekt van de uitgaven van de Kalupso-Pers echter ieder spoor.

Het is niet verwonderlijk dat de Kalupso-Pers zelfs voor Dirk de Jong verborgen bleef, want de uitgeverij was alleen actief in het oorlogsjaar 1944. In tegenstelling tot andere, meer officiële clandestiene uitgeverijen had de Kalupso-Pers geen breed opgezet fonds, geen circuit van vaste auteurs en illustratoren. Heel wat illegaal drukwerk werd geproduceerd in onverlichte pakhuizen, met door fiets en vliegwiel aangedreven drukpersen, om vervolgens onder de rok van een verzetsvrouw als smokkelwaar naar een betrouwbare boekhandelaar te worden gebracht, die het dan onder de toonbank aan zijn vaste clientèle verkocht. Zulk avontuur is bij de Kalupso-Pers ver te zoeken: de uitgaven werden in huiselijke kring vervaardigd en verspreid.

De oprichters van de in Amsterdam gevestigde Kalupso-Pers waren twee twintigers: de gebroeders Jan en Jaap Wisse. Zij waren tevens de sterren van hun fonds: van de vier mij bekende uitgaven van de Kalupso-Pers zijn er twee door Jan en twee door Jaap geschreven. De boekjes zijn grotendeels op de schrijfmachine vervaardigd. Van Vergeefs afscheid (1944), een uitgetypte cyclus van zes gedichten van Jaap Wisse, zijn omslag, Franse titel, titelpagina en opdrachtpagina met Oost-Indische inkt getekend.

Naast het uitgeversmerk ‘KP’ op de titelpagina van Vergeefs afscheid staat ‘No. III’, zijnde de derde uitgave van de Kalupso-Pers. Jaap Wisses Kamer (1944), een volwaardige dichtbundel van 28 pagina’s in een kartonnen bandje met een gekalligrafeerde rugtitel, heeft op die plek het Romeinse cijfer ‘VI’. Kortom, de Wisses maakten minstens zes ondergrondse uitgaven. Er zijn er dus nog twee die bovengronds moeten komen.

In Kamer legt Wisse in vijftien gedichten zijn verstilde blik vast. Per vers beschrijft hij een object in of uitzicht uit zijn kamer. Behalve een lamp, een tafel en de gordijnen zijn dat een piano en een buste van Beethoven. Volgens het colofon werden alle exemplaren van Kamer genummerd en gesigneerd; een gedeelte van de oplage, ‘gereserveerd voor auteur en uitgever’, werd geletterd en gesigneerd. Aantallen worden niet gegeven, maar de oplagen van Kalupso-persuitgaven zullen zeer klein zijn geweest.

Van zowel Kamer als Vergeefs afscheid ken ik geen andere exemplaren dan de mijne. Ze zijn beide geletterd ‘B’ en voorzien van de handtekening van Jaap Wisse. Ik weet wie de eerste eigenaar is, omdat die zijn naam in de boekjes schreef: Kees Otten.

Net als Jan Wisse was Otten een geschoold musicus. Met de gebroeders Wisse vormde Otten van 1945 tot 1949 een muzikaal trio: Jaap speelde fluit, Jan piano en Kees blokfluit. Daarna zou Kees Otten blokfluitles geven en internationale samenwerkingen met musici en ensembles aangaan. Jan Wisse zou over muziek publiceren en eigen composities maken. Over een naoorlogse dichterscarrière van Jaap Wisse is mij niets bekend.

Vaders en zonen

De zelfmoord van zijn zoon heeft een onuitwisbaar stempel op het leven van Geert van Oorschot gedrukt. De 19-jarige Guido vergaste zichzelf op 7 oktober 1963 in de keuken aan de Herengracht en liet een brief achter, aan niemand in het bijzonder gericht, maar een verwijt aan het adres van zijn ouders. Het huwelijk van Geert en Hillie kreeg een enorme knauw. Van Oorschots rouwen vulde zich met angst en agressie. Alcohol moest het leed verzachten.

In het achttiende hoofdstuk van Arjen Fortuins biografie Geert van Oorschot, uitgever (2015) komt er een stoet aangenomen zonen langs: van de aanstormende schrijver Jeroen Brouwers tot de rechtenstudent Ulli Jessurun d’Oliveira. Fortuin signaleert Van Oorschots talent om razendsnel een intieme band te scheppen. In de jaren na Guido’s dood waren Van Oorschots nieuwe vrienden vaak mannen van de generatie van zijn zoon.

Ischa Meijer maakte in 1969 kennis met Geert van Oorschot, omdat hij de uitgever moest interviewen voor de Haagse Post. Het interview leidde tot een vriendschap, waarin ook Meijer uitgebreid aan het woord kon komen. Meijer – die een tweedegeneratietrauma had, omdat hij als baby met zijn ouders in Bergen-Belsen had gezeten – opende zijn hart in een brief aan Van Oorschot over het kamp, seksualiteit en zijn familie. De relatie met vader Jaap Meijer was problematisch.

‘Ischa is heel lief. Ik wou dat ik zijn vader kon zijn,’ schreef Van Oorschot in 1976 aan een vriend.

Een jaar later verscheen Meijers autobiografische roman Een rabbijn in de tropen. Na het moederboek Een brief aan mijn moeder (1974) stond in dit boek Meijers verhouding tot zijn vader centraal. De personages waren naar het leven getekend: de hoofdpersoon is een hoerenlopende journalist, zijn vader was rabbijn in een Nederlandse kolonie. Het leven in een concentratiekamp komt in flashbacks voorbij. Elke schlager, elke rashond is in dit boek een echo van de SS. Op de laatste pagina zingt de rabbijn ‘Het jodendom gaat nooit verloren, falderalderiere, falderalderore’, terwijl hij de liefde bedrijft met zijn zoon. Je kunt Een rabbijn in de tropen lezen als een literair experiment, de verwerking van een trauma en als een vadermoord.

Uiteraard gaf de aangenomen zoon Ischa Meijer een exemplaar van dit vaderboek aan Geert en Hillie van Oorschot, zijn nieuwe vader en moeder. Op de Franse titel staat in rode pen:

voor Geert,
die ik vertrouw en
bemin! van zijn
Ischa
nov. ’77
en voor Hil
een kus!
I.

Roddels en revelaties

In de net verschenen Du Perron-catalogus staat maar weinig dat niet door de schrijver in hoogst eigen persoon is aangeraakt: een visitekaartje, een ten geschenke gegeven dichtbundel, een boek uit zijn bibliotheek, een handgeschreven gedicht. Voor de prijs van drie romans, twee dichtbundels en een literaire scheurkalender is het mogelijk de zweem van een vingerafdruk van E. du Perron of een door hem gelikte postzegel in huis te halen.

Soms heb je weinig woorden nodig om een handschrift aan de man te brengen. Centimeters, regels, doorhalingen, varianten, citaatje – een goede afbeelding doet de rest. De langste beschrijving in de nieuwe catalogus valt onder ‘Varia’ en betreft een onthullend pak brieven van Fred Batten, een Du Perron aanbiddende jongeman en na diens dood in 1940 zijn plaatsvervanger op aarde. Battens handschrift, ook in deze epistels, is amper van dat van Du Perron te onderscheiden. De samenvatting van Battens brieven aan Kees Lekkerkerker is ruim 1100 woorden groot – en nog te kort.

De rode draad in de correspondentie, die al in 1937 aanvangt, is natuurlijk Du Perron. Wat Lekkerkerker met Slauerhoff doet (zeldzame uitgaven opsporen, tijdschriftbijdragen overschrijven, andere aanbidders afvallen), doet Batten met Du Perron. Het zijn echter de roddels en revelaties in de brieven die naar meer smaken.

Vestdijk heeft een ‘onuitroeibaar dienstbodecomplex’, vindt Batten, Van Schendel is volgens hem de ‘merkwaardigste grijsaard in ons land’ en Voeten gaat met een schattige en schatrijke juffrouw een kapsalon runnen. Batten waarschuwt uitgever Veen via Lekkerkerker voor de oud-leden van het in 1936 opgeheven Louis Couperus Genootschap: dat zijn ‘deftige strebers, kletsmeiers en halfzachten’. Henri van Booven, eerste voorzitter van de club en Couperus-biograaf, is bovendien ‘reeds enige jaren een notoir fascist’.

In zijn lange monologen voor Lekkerkerker schrijft Batten ook over zijn geheime werkzaamheden voor de met A.A. Balkema en Adriaan Morriën opgerichte uitgeverij Het Zwarte Schaap. Dankzij zijn contacten in de literaire wereld is hij snel op de hoogte van de bekende roofdruk van de herdenkingsuitgave voor Du Perron en Ter Braak. Op 27 maart 1942 meldt hij Lekkerkerker vol afschuw:

Misschien heb je gehoord dat het gedicht van Roland Holst: In Memoriam E.d.P. et M.t.B onlangs door een smerigen anonymus voorzien van een allergoedkoopste inleiding met grapjes over de “siamese tweeling” e.d. zonder toestemming van A.R.H. clandestien herdrukt is in een fraaie uitvoering? De uitgave gaat hier voor fantastiese prijzen: ‘sGr. liet mij zijn ex. zien dat f 5,50 gekost had en vertelde mij dat een ander er reeds f 25.- voor had betaald. In de 18e eeuw was er hier te lande een tulpenzwendel en dit is nu een beschamende zwendel met boeken.

Van de zich al tijdens de oorlog ontwikkelende windhandel in illegale uitgaven zijn andere gevallen bekend. De ironie wil dat de bewuste roofdruk, door Batten gezien als een smet op de net gebeitelde grafsteen van Du Perron, tegenwoordig voor grof geld verhandeld wordt. Beschamend is de handel in clandestiene boeken allang niet meer.

En een kind

‘Het huwelijk’ is het enige gedicht van A. Marja dat geheel op eigen kracht, zonder enige promotie van Coen Peppelenbos en mij, de eenentwintigste eeuw heeft gehaald. Het behoort intussen, samen met de gedichten van Elsschot en Nijhoff, tot de canon van de huwelijkspoëzie. Deze vier eenvoudige regels zijn te vinden in bloemlezingen over geluk, verzamelingen light verse, werkstukken van Turkse studenten en op poëziekalenders, keukenschorten en papieren servetten.

Ik heb je alles gegeven:
een gedicht, mijn maandsalaris
en een kind; wil je nu even
kijken of het eten klaar is?

Autobiografisch of uit het leven gegrepen is ‘Het huwelijk’ niet. Toen A. Marja het schreef was hij geen echtgenoot, maar een puber zonder vaste verkering. De allereerste publicatie van ‘Het huwelijk’ is in de eerste en enige jaargang van Pomp, het maandblad voor scholieren in Winschoten, waarvan Jan E. Folkerts en Arthjo Marja de redactie voerden. Er komt dan nog geen kind in voor.

Ik heb je alles gegeven:
een gedicht, mijn maandsalaris
en een zoen. – Wil je nu even
kijken of het eten klaar is?

Met een minieme wijziging in de derde regel (een puntkomma voegt de twee zinnen samen) nam Marja ‘Het huwelijk’ een paar maanden later op in zijn debuutbundel Stalen op zicht (1937), in de afdeling ‘Ironisch omspoeld’, tussen dertien andere humoristische en wat wrange ‘kleine trompetsolo’s’. Vier van deze versjes hebben met het geloof te maken, de overige gaan over meisjes, vrouwen en relaties.

Overgenomen uit Stalen op zicht belandt het gedicht voorop de aankondiging van Marja’s huwelijk met zijn jeugdliefde Puckje op 8 juni 1944. De vouwkaart werd gedrukt door H.N. Werkman aan het Lage der A in Groningen. Boven het uit een schreefloze cursief gezette vers vervaardigde Werkman in rood en blauw een sjabloondruk. Volgens de deskundigen is Werkmans illustratie abstract, maar sinds ik een exemplaar in huis heb zie ik er een fluitketel op het vuur in.

De overige tekst op de trouwkaart is nogal melig. Het zal ook wel het idee geweest zijn van Marja, actief immers als clandestiene uitgever, om een colofon op de kaart te drukken en alle 42 genummerde exemplaren door ‘beide slachtoffers’ te laten signeren. Het ging Werkman, blijkens een brief aan August Henkels van 20 juni 1944, allemaal wat ver:

Hij wilde n.b. die kaarten ook door mij laten teekenen, de lui zijn gek met hun signeeren.

Na de oorlog schrapte Marja de zoen en introduceerde hij het kind in zijn gedicht. In zijn eerste verzamelbundel Van mens tot mens. Gedichten 1935-1946 (1948) staat het gedicht in de definitieve versie. Marja was intussen zelf vader geworden; Van mens tot mens is in druk opgedragen aan zijn dochter Marjo en zijn zoon Wim.

In zijn tweede verzamelbundel Nochtans een christen (1962) is het vergeefs zoeken naar ‘Het huwelijk’. De afdeling ‘Oud’ bevat geen enkel gedicht uit Stalen op zicht, zelfs geen vers van voor de oorlog. Misschien zocht de dichter met zijn recentere poëzie aansluiting bij de nieuwe generatie. Of misschien is de reden van het ontbreken van ‘Het huwelijk’ te vinden in de biografie van de dichter, wiens eerste huwelijk in 1953 strandde en wiens tweede huwelijk in 1963 ontbonden zou worden.

Het is merkwaardig dat een van de eerste gedichten van A. Marja verreweg zijn bekendste is geworden, terwijl de dichter zelf, aan het eind van zijn leven, bij het samenstellen van een overzichtswerk zijn vroege poëzie negeerde. ‘Het huwelijk’ was voor hem oud en afgedankt.

Meer onder dan boven water

Precies zeventig jaar geleden werd de kunstenaar H.N. Werkman, samen met negen anderen, in de bossen bij Bakkeveen gefusilleerd door de Duitse bezetter. Werkman was op 13 maart 1945 opgepakt door de Sicherheitsdienst en had sindsdien opgesloten gezeten in het Scholtenhuis aan de Grote Markt en het Huis van Bewaring in Helpman. Over Werkmans executie op 10 april 1945, zo kort voor de bevrijding van Stad, zijn veel details te vinden in Hendrik Nicolaas Werkman. De drukker van het paradijs (1980). Biograaf Hans van Straten geeft daarin op basis van allerlei bronnen en getuigenissen een reconstructie van de laatste dagen van Werkman.

‘Beste Papa’ zet Theo Mooij (alias A. Marja) op 1 mei 1945 boven een brief aan zijn vader in Yerseke. De oorlog is net afgelopen; in de brief overheersen gevoelens van blijdschap en opluchting. Theo is bijna genezen van colitis ulcerosa. Zijn echtgenote Puckje is in blijde verwachting van hun eerste kind. Maar de brief handelt ook uitgebreid over het lot van vrienden en kennissen in Groningen en Zeeland, van wie sommigen ‘goed’ en anderen ‘fout’ zijn gebleken.

Twee alinea’s gaan over ‘het droevige einde van onze beste vriend Werkman’. De informatie is – ‘met de kennis van nu’ – historisch misschien niet correct, maar toch belangwekkend. De dichter beschrijft wat hij uit eerste hand over Werkmans executie en de identificatie van diens lijk heeft gehoord. De moord op boekhandelaar Godert Walter, een andere Groningse vriend, komt ook ter sprake.

Je ziet, we hebben hier wel onder een schrikbewind geleefd de laatste maanden, en waren meer onder dan boven water.

De laatste vijf woorden van deze zin vormen de titel van de integrale uitgave van de brief van A. Marja aan Pa Marja, die ik van een korte toelichting voorzag. De Uitvreter drukte van Meer onder dan boven water 70 exemplaren op een Adana degelpers FAG proefpers en naaide ze in een hemelblauw omslag. Het boekje wordt kosteloos toegestuurd, wanneer men – met vermelding van adresgegevens – 12,50 euro overmaakt op rekening NL23INGB0001883734 ten name van C.A.J. Thomassen. (Zolang de voorraad strekt.)

Die vrouw

Dankzij de ogenschijnlijk goed gedocumenteerde biografie van Willem Otterspeer kent het liefdesleven van W.F. Hermans amper geheimen. In de veertiger jaren was Hermans een rokkenjager, een hitsige adolescent die veel meisjes versleet en er nog veel meer begeerde. Hun namen zijn in De mislukkingskunstenaar (2013) geboekstaafd. Aan Hannie Blind liet Wim voor het eerst zijn piemel zien. Met Jenny de Groot had hij de allereerste keer geslachtsgemeenschap, in de duinen bij Brielle.

Getrouwd was geen excuus, voor Hermans. Hij deed het halverwege de jaren ’40 met Juusje Hartman, Albertien de Wolf, Genia Timmer – alle voor de wet gehuwd. Via het echtpaar Genia en Charles B. Timmer maakte Hermans kennis met de acteur Johan Schmitz en diens echtgenote Reny. Zij waren buren in de Botticellistraat in Amsterdam. Reny Schmitz-Knufman was Hermans’ nieuwste verovering.

In de Hermans-biografie komt Reny tweemaal voorbij, maar Otterspeer laat niet veel meer over haar los dan ‘dat Hermans ook een verhouding had met die vrouw’.

Uit het net opgedoken opdrachtexemplaar van Hermans’ debuutbundel Kussen door een rag van woorden blijkt dat Reny belangrijker voor de schrijver is geweest dan de Hermansianen, Otterspeer voorop, tot dusver hebben aangenomen. In december 1944 schonk Hermans haar een van zijn laatste exemplaren van zijn bundel, met een vleiend-verontschuldigende opdracht: ‘Voor Reny, in de hoop dat zij mij vergeven wil dat ik haar/ zoo welluidende naam op de leege plekken die de vrouwelijke hoofdpersoon/ in het dagboek van Karel R. moesten voorstellen, heb ingevuld’.

Het is mogelijk dat ‘die vrouw’ model stond voor het personage Madelon in de als dagboek gebrachte novelle In de mist van het schimmenrijk, waarnaar Hermans in de opdracht verwijst. Maar Otterspeer hult zich in een wolk van niet weten. De zeven brieven die het echtpaar Schmitz aan Hermans schreef (aanwezig in het Hermans-archief in het Letterkundig Museum) worden in De mislukkingskunstenaar ook niet genoemd.

Illustreren

In het niet genoeg te prijzen boek De omgevallen boekenkast (1987) herinnert Hans van Straten zich nauwkeurig welke dichters en schilders hij, in de oorlogsjaren, in Leiden ontmoette. De namen van twee van hen herhaalt hij in een voetnoot: Will H. Tweehuysen en Bob Smits. Beide kunstenaars, zo blijkt uit de noot, illustreerden voor Van Straten een boek:

Bij gebrek aan schetsboeken gebruikten schilders en tekenaars in de oorlogsjaren vaak dichtbundels, die er met hun vele ‘wit’ om vroegen geïllustreerd te worden. Zo bezit ik een exemplaar van Hoorniks dichtbundel De erfgenaam met pentekeningen van Will. […] Van hem [= Smits] bezit ik een geïllustreerd exemplaar van Hoorniks bloemlezing Twee lentes.

De vrije kunstenaar die in de oorlog, al dan niet tegen geldelijke vergoeding, dichtbundels van originele tekeningen voorziet: C.A.B. Bantzinger is hier het bekendste voorbeeld van. Hij pakte het bovendien professioneel aan: in de tweede helft van 1941 kregen sommige drukken van Vasalis’ succesbundel Parken en woestijnen (1940) een gedrukt kaartje mee: Bantzinger bood hierop zijn diensten aan, belangstellenden konden een door hem geïllustreerd exemplaar van de dichtbundel inzien ten kantore van uitgever A.A.M. Stols in Den Haag.

Van dergelijke door Bantzinger aangelegde Parken en woestijnen zijn maar een handvol exemplaren bekend. In 2011 kocht de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een exemplaar van de zevende druk met twaalf pentekeningen. Toen De Slegte nog De Slegte was en regelmatig smakelijke catalogi uitbracht, dook daar eens een achtste druk op met illustraties van Bantzinger. Onlangs kwam een geïllustreerd exemplaar onder de hamer in Diemen.

Willem Otterspeer beschrijft aan het eind van het zevende hoofdstuk van De mislukkingskunstenaar (2013) de toenemende welvaart van de held van zijn geschiedenis. Ook nadat de colleges fysische geografie in ‘het gevaarlijke jaar’ 1943 waren opgeschort, behield Willem Frederik Hermans zijn assistentenbaantje. Hij hoefde aan de universiteit weinig te doen en de loonstrookjes bleven komen. Het ging Hermans, aldus zijn biograaf, voor het eerst in zijn leven financieel voor de wind.

Dat Hermans halverwege de oorlog goed in de slappe was zat, leidt Otterspeer af uit diens theater- en concertbezoek en deelname aan een veiling bij G. Theod. Bom & Zn. Steeds minder mensen konden zich een avondje uit of een stilleventje veroorloven. Otterspeer: ‘Het blijkt vooral ook uit de bestelling van twee tekeningen bij de Haarlemmer tekenaar Bantzinger om zijn exemplaar van Parken en woestijnen van Vasalis mee te illustreren.’

Bestelde Hermans inderdaad twee losse tekeningen voor zijn Vasalis? Of reageerde hij simpelweg op Bantzingers ingelegde kaartje? Otterspeer geeft in een voetnoot de data van drie brieven van Hermans aan Bantzinger (20 mei, 18 juli en 2 november 1943), maar citeert ze niet. De drie brieven van Bantzinger aan Hermans blijven ongenoemd. Jammer, want als Otterspeer Hermans’ leven straks volledig in kaart heeft gebracht, gaat Hermans’ archief weer op slot. Dan zullen we het nooit weten.

Welke bedragen er met de twee tekeningen gemoeid waren, laat Otterspeer eveneens na te vermelden, ook al ziet hij Hermans’ bestelling bij Bantzinger als het belangrijkste bewijs voor diens rijkdom anno 1943. Het gedrukte kaartje uit de tweede helft van 1941 geeft f 10.- voor een met de hand geïllustreerde bundel. Ter (willekeurige) vergelijking: in dezelfde periode kostte de nieuwe roman van A. Marja f 2.- (ingenaaid) respectievelijk f 2.95 (gebonden). In december 1941 vroeg de boekhandelaar voor Vasalis’ ongeïllustreerde bundel f 2.25. Waren de prijzen, en vooral de verhoudingen, twee jaar later helemaal anders?

De kwestie komt nog meer op losse schroeven te staan, als Otterspeer het, ruim 150 bladzijden verder in De  mislukkingskunstenaar, heeft over ‘vermoedelijk een ets als die van Bantzinger die hij [= Hermans] in zijn Vasalis-exemplaar had laten binden’.

Illegale drukken

In de bundel Bezweringen (2013) van Willem van Toorn staat het gedicht ‘In memoriam Adriaan Roland Holst’, geschreven toen Van Toorn verbleef in het A. Roland Holsthuis, welk onderkomen dichters en vertalers (vooralsnog) met een beetje subsidie voor een maand kunnen huren. Het is het enige gedicht dat ik ken, waarin een illegale uitgave centraal staat: In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak (1940) van A. Roland Holst.

Het indrukwekkende in memoriam van Roland Holst slingert van levenskracht langs treurnis naar verslagenheid – en terug. Het roept ook verzet op tegen de bezetter, vaderlandslievend verwijzend naar het Nederlandse volkslied: ‘zij houden zoo – hun lot, hun eer -/ stand, zonder schild, maar met betrouwen’. Van Toorns gedicht begint met een aanklacht en eindigt met een waarschuwing: ‘[uw gedichten] leesbaar/ misschien pas weer als straks het water/ echt tot de lippen stijgt in Europa’. Deze laatste regels sluiten prachtig aan bij ‘de springvloed’ en de wensdroom van een ontmoeting bij ‘een ronde waterplek’ in het gedicht van Roland Holst.

Willem van Toorn had een slechter gedicht kunnen kiezen. In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak heeft een ingewikkelde drukgeschiedenis. Bibliograaf Dirk de Jong geeft in zijn naslagwerk over illegale en clandestiene letterkunde vier drukken van dit gedicht. De eerste druk liet Roland Holst in 1940 in een kleine oplage drukken door de firma Zwaan & Zn. te Alkmaar. De dichter verdeelde zijn exemplaren onder goede vrienden; er duiken vaak exemplaren met opdracht op. De oplage van de tweede druk, een jaar later bij Stols, is mogelijk nog kleiner: ‘vijf-en-twintig door den auteur gesigneerde exemplaren’.

In 2005 kwam Wilma Schuhmacher, die het vergelijken van veel exemplaren van hetzelfde boek tot kunst verheven heeft, tot de conclusie dat er binnen de eerste druk twee drukken bestaan. Roland Holst zou in 1941, vóór de tweede druk van Stols, zelf opnieuw in beperkte oplage het gedicht hebben laten drukken. Waar De Jong het dus heeft over tweede druk en derde druk, lees ik voortaan: derde druk en vierde druk.

De derde druk van In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak bereikte een groter publiek. Blommestein en Lubberhuizen, drijvende krachten achter de nieuwe uitgeverij De Bezige Bij, brachten in 1944 het gedicht in de reeks Quousque tandem (vrij vertaald: ‘Hoe lang duurt die verrekte oorlog nog?!’) uit in 525 genummerde exemplaren.

Buiten de drukken plaatst bibliograaf De Jong de roofdruk van In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak uit 1942. Een illegale druk van een illegale uitgave, veel bonter kun je het niet maken. Eddy van der Veen en Jacques Frenkel, als ‘Anonymus fecit’, maakten zonder toestemming van Adriaan Roland Holst een herdruk in 50 genummerde exemplaren. Het doel van hun onderneming is mij onbekend. Roland Holst was woedend over deze uitgave. Toen een bevriende kunstenaar hem in 1944 om een exemplaar vroeg, weigerde de dichter ‘noch mijn naam, noch een opdracht’ in het boek te zetten. Hij hekelde ook de zetfouten en de ‘slordige binding’.

Zij kopen kritiekloos

Naast vier dichtbundels verschenen er van A. Marja in de oorlog, zonder toestemming van de bezetter: een plaquette, twee vertalingen (proza en poëzie) en verschillende gedichten in minstens drie bloemlezingen. Dat is de score. Daarnaast was Marja, hoewel fysiek zwak, actief als uitgever voor In agris occupatis en de Volière-reeks. En in oktober 1944 begon hij in Groningen aan een reeks dagboeknotities, die in 1947 als Zeepbellen in de orkaan door De Bezige Bij werden uitgebracht.

Aan zijn dagboek vertrouwt Marja in november 1944 enkele kritische overwegingen over het peil van de huidige literatuur toe. ‘Ik kan mij niet voorstellen, dat deze jaren een belangrijke poëtische oogst in ons land zullen opleveren. Wel wordt de clandestiene boekenmarkt overstroomd met talloze bundels en bundeltjes, zodat het zelfs voor een verzamelaar nauwelijks bij te sloffen is, maar toch maakt het geheel de indruk of een algehele matheid de gemoederen der dichters bevangen houdt.’

Niet alleen de oorlogsdichters, ook de kopers moeten het ontgelden: ‘tegenwoordig kopen de zonderlingste mensen poëzie, niet alleen zwart-handelaars, dite het uit geldbelegging doen, maar ook notoire burgerlieden, in wier huis men vroeger hoogstens Het Financiële Weekblad of een psalmboek aan zou treffen. Zij kopen poëzie, dat wil zeggen zij kopen kritiekloos alles wat al of niet rijmt en tegen een exorbitant hoge prijs in de boekhandel wordt gebracht.’ (Over de literaire inflatie in de Tweede Wereldoorlog schreef ik eerder eens.)

In december 1944, het begin van de koude hongerwinter, slaat de twijfel toe: gedichten kan Marja nu niet schrijven, het manuscript van zijn tweede (nooit verschenen) roman legt hij opzij. De oorlog heeft hem min of meer ‘lamgeslagen’. Dezelfde vraag spookt door zijn hoofd: ‘Mag men, terwijl in Amsterdam duizenden weerloze joden worden weggesleept, in Groningen de lettergrepen van een nieuw sonnet zitten tellen?’ De dichter worstelt met zijn artistieke aspiraties.

Zijn poëtische productie lag in het laatste oorlogsjaar stil, en van sommige illegale initiatieven moest hij niets hebben, maar toch zal A. Marja geen actief ontmoedigingsbeleid hebben gevoerd. Tot in het voorjaar van 1944 verschenen er deeltjes in de mede door Marja gerunde Volière-reeks. Sommige deeltjes werden zo goed verkocht dat Marja een tweede druk oplegde, in 90 exemplaren. Een klein deel van de opbrengst van de boekjes was bestemd voor Marja, voor zijn vrouw Puckje en zijn dochtertje Marjo.

En lezen bleef hij ook – met haast religieuze toewijding. Aan het eind van Zeepbellen in de orkaan beseft Marja, die zich vanwege het luchtalarm in een kerk verschuilt, dat ‘vandaag of morgen’ de elektriciteit zal worden afgesloten. ‘Eventuele hongersnood leek mij plotseling minder erg dan de geestdodende duisternis, waarin geen boek meer ter hand genomen zou kunnen worden.’ Dan ontwaart hij, naast het beeld van de heilige maagd, ‘een kaars van formidabele afmetingen’. Die verdwijnt, als de koster uit zicht is, onder de jas van de dichter.

Zelfportretten voor haar

In de oorlogsjaren zijn, in het geheim en vaak tegen de bezetter gekeerd, bijna duizend bundels en boeken verschenen. Bibliograaf Dirk de Jong geeft 982 titels in zijn onmisbare werk Het vrije boek in onvrije tijd. Bibliografie van illegale en clandestiene bellettrie (1958). Vier dichtbundels staan op naam van A. Marja.

De eerste clandestiene bundel verzorgde de dichter zelf, in samenwerking met de bevriende schrijver Hans Redeker. Kerstballade 1940 verscheen te Groningen in februari 1941 in een oplage van 30 genummerde exemplaren, aldus het colofon. De Jong meldt in zijn bibliografie dat het werkelijke aantal exemplaren slechts 10 bedraagt. (Ik heb deze bundel nooit van mijn leven gezien.)

De tweede en derde bundel van Marja verschenen in 1943 en 1944 bij de kleine uitgever F.G. Kroonder, onder het impressum Homerus Pers. Van Maar ja, Marja en Waar ik ook ga werd een deel van de oplage op luxer papier gedrukt, genummerd en gesigneerd door de dichter. (Diverse exemplaren staan hier in de kast.)

Zelfportret voor haar is de vierde bundel – bij De Jong residerend onder nummer 541. De acht sonnetten in dit bijna vierkante boekje schreef A. Marja in betrekkelijk isolement: vanwege ernstige problemen met zijn darmen woonde de dichter bij zijn vader, dominee Mooij in Yerseke. Zijn geliefde bleef achter in Groningen. Voor haar heeft Marja in november 1943 dit poëtische zelfportret geschreven. Sombere gedichten.

De titelpagina geeft geen plaatsnaam, maar alleen de uitgever: In agris occupatis. Geleid door een driemanschap nam in deze uitgave Marja het voortouw. Hij vond in Yerseke een drukker bereid om de clandestiene bundel te verzorgen. De heer E.Th. Zoeteweij moest de gedichten met de hand zetten, maar door het gebrek aan loden letters kon hij niet meer dan twee gedichten tegelijk drukken. Zoeteweij was gedwongen om na voldoende afdrukken het zetsel weer te distribueren en de volgende twee gedichten te zetten en te drukken.

A. Marja kreeg de eerste exemplaren van zijn nieuwe bundel onder ogen op 14 maart 1944. Alle honderd exemplaren van Zelfportret voor haar (‘welke niet in de handel komen’) heeft hij toen in het colofon Arabisch genummerd en Hollands gesigneerd. De datum staat vast: aan verschillende vrienden stuurde hij het bundeltje toe, op de Franse titel voorzien van vergelijkbare opdrachten en nogmaals gesigneerd met dezelfde datum. (Ferdinand Langen schonk mij ooit zijn exemplaar.)

Dit is geen wonder van typografie. Zelfportret voor haar is eenvoudig met blauwe inkt gedrukt in een onopvallende cursief op dun houthoudend papier. Vier velletjes, een grijzig kaftje, twee nietjes. Andere uitgaven van In agris occupatis hebben ten minste een kleurrijk druksel van H.N. Werkman voorop. Hier alleen auteur en titel. Het colofon toont misschien een beetje verbeelding: het is in de vorm van een op de punt staande driehoek gezet.

Wat Dirk de Jong niet wist en wat ik onlangs per abuis ontdekte: Zoeteweij drukte er, naast de 100 reguliere exemplaren, een paar op papier van een betere, zwaardere kwaliteit (‘gehammertes’). Het boekje is millimeters groter en keurig met een koordje gebonden. Luxe-exemplaren bestemd voor de auteur? (Ik ben in het gelukkige bezit van twee stuks, beide met opdracht, gesigneerd op 14 maart 1944, in het colofon genummerd ‘IV’ respectievelijk ‘IX’.)

Pro Patria

Een voor het hele begrip van clandestiene en illegale uitgaven onmisbare paragraaf in het hoofdstuk ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’, in Het ideale boek (2010), is ‘Papierschaarste’. Hierin schrijft Sjoerd van Faassen over de door de Duitsers ingestelde papierdistributie, waardoor het voor verzetsdrukkers moeilijker werd om aan pakken papier te komen. De clandestiene drukkers zouden wel gek zijn om hun teksten voor te leggen aan de afdeling Boekwezen van de Kultuurkamer. Er zat dus niets anders op: jatten of creatief zijn.

Zo kende uitgever Bert Bakker jongens op de werkvloer van de papierfabriek Van Gelder, die bereid waren voor tegen de bezetter gerichte uitgaven vellen papier te ontvreemden. De Bezige Bij-oprichter Geert Lubberhuizen roofde in 1943 een papierpakhuis leeg.

De latere voorman van Bruna, Jaap Romijn, stal niet. Terwijl Bert Bakker grote risico’s nam om bijvoorbeeld een idioot grote uitgave van gedichten van Bertus Aafjes te kunnen drukken, gebruikte Romijn zijn hersens. In de Hongerwinter bedacht hij de Handpalm-reeks: boekjes zo klein dat je ze in je hand kon verstoppen.

In 1943 drukten de Gebroeders Pelle te Bussum 300 exemplaren van de bundel Maar ja, Marja van A. Marja. Waar uitgever F.G. Kroonder zijn papier haalde, is niet bekend. De eerste 75 exemplaren van de oplage werden gedrukt op ‘blauw-grijs, luxe-tekst’, terwijl de overige exemplaren werden opgeleverd op eenvoudig en authentiek ‘bruin pakpapier’. Deze laatste exemplaren kregen ook andere schutbladen mee: donkerbruine vellen met een motiefje. Het doet een beetje aan vooroorlogs behang denken.

Margedrukkers, die wel weten wat private press-verzamelaars willen, splitsen hun oplagen op in gewone, luxe en super-de-luxe exemplaren. Elk deel van de oplage wordt gedrukt op een verschillende papiersoort. Sinds Stols, in zijn boekverzorging een halve Fransoos, is het onderscheid een traditie. De mooiste boeken van A.A.M. Stols zijn gedrukt op keizerlijk Japans.

Ik bedenk nu dat die papiertraditie natuurlijk een uitkomst was voor clandestiene drukkers. Nu hoefden ze niet per se een grote voorraad eensoortig papier te bemachtigen, maar konden ze zich ook redden met een restje van dit en een stapeltje van dat. Van Gelder, Simili Japon, Pannekoek, Register Vergé: allemaal geschikt, als je je oplagen en je colofons er maar op aanpaste.

En toch. Dat verzet moet heel diep gezeten hebben. Illegale uitgevers drukten het liefst op papier des vaderlands. Het dichtbundeltje Novemberland (1943) van Koos Schuur is, aldus het colofon, ‘gedrukt in een oplaag van 100 exemplaren, waarvan 50 op Hollandsch papier’. Als ik de eerste pagina van mijn Novemberland tegen het licht houd, zie ik het watermerk: een Nederlandse leeuw, waarboven de woorden ‘Pro Patria’.

Stroppen van straks

Wat kostte een gewoon boek in de oorlog? Sjoerd van Faassen staat even stil bij de prijs van clandestiene uitgaven in het hoofdstuk ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’ in Het ideale boek (2010), met name bij de 50 gulden van Aafjes’ Omne animal (‘een vreselijke prijs,’ vond de auteur), maar nergens wordt een indruk gegeven van de geldelijke waarde van niet-illegale boeken. Antiquariaats- of veilingcatalogi (met opbrengsten) uit de oorlog zijn mij niet bekend. Buijnsters geeft in dit geval ook niet thuis.

In februari of maart 1944 bestelde de dichter Niek Verhaagen bij een boekhandelaar in Delft voor zijn vriend Kees Bantzinger Boutens’ Strofen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe. Zelf had hij kort daarvoor voor 2 gulden en 35 cent een eerste druk uit 1919 bemachtigd: Bantzinger keek niet op van die prijs en wilde de bundel graag hebben. Verhaagen in een brief aan Bert Bakker:

Nu stuurt de boekhandelaar mij een latere, aangevulde druk, bij Stols verschenen, en brengt mij daarvoor f 20,- in rekening. Het is een mooie uitgave en het ding is blijkbaar uitverkocht. Ik kan er echter niet aan denken voor deze uitgave f 20,- te betalen en ook Bantzinger zal er wel niets voor voelen.

Voor wat het waard is: de clandestiene bundels die Verhaagen tezelfdertijd kreeg aangeboden (en soms kocht) kostten rond de 6 of 7 gulden.

August Henkels was in de wolken toen hij op 18 april 1944 aan H.N. Werkman over zijn bezoek aan een Haags ‘boekenzaakje’ schreef:

Veel zaaks was er niet meer, maar ik schijn in zulke dingen altijd geluk te hebben. Vindt (sic) ik me daar nog een ex. van Paul van Ostayen’s (sic) Bezette Stad. De man vroeg f 18.- die ik grif heb neergelegd.

In Henkels’ herinnering deed hetzelfde boek tien jaar eerder al 15 gulden. ‘De prijs is dus wel heel laag gerekend naar de huidige begrippen.’

In dezelfde brief maakt Henkels melding van een set Nederlandsche Historiën (1642-1647) van P.C. Hooft, waarvoor in de zomer van 1943 al eens 500 gulden werd betaald.

Ik gaf voor een onberispelijk ex. destijds f 45.-. Ze zijn gek geworden; in zulke prijzen zitten al de stroppen van straks.