Klerken en gedichten

In 2010 bedacht de redactie van De Wereld Draait Door een nieuwe rubriek. Naar aanleiding van een opmerkelijk nieuwsfeit mochten een schrijver en een componist samen een Actuele Opera maken. Op 22 april 2011 kwam de twee minuten durende opera Het verraad der klerken semi-live de huiskamer binnen, over de in opspraak geraakte held Marco Kroon. Het libretto was van de hand van A.L. Snijders, Joey Roukens schreef er muziek bij.

Het verraad der klerken verschijnt nu voor het eerst in druk, in- en uitgeleid door een toepasselijk zkv van A.L. Snijders. Grafisch vormgever Theo Rabou heeft de opera woord voor woord, noot voor noot in beeld gebracht. Zijn ‘visuele partituur’ kwam niet zonder slag of stoot tot stand. Toen Rabou de oplage eindelijk van de drukker ontving, bleken veel exemplaren beschadigd te zijn. Pas vier maanden na de offerte had hij de beschikking over een volledig gave oplage.

De uitgave is oblong en telt 44 pagina’s. De eerste van 75 met de numerator genummerde en door Snijders en Roukens gesigneerde exemplaren zijn goed ontvangen, meldt Theo Rabou, die de presentatie van zijn uitgave toch wel spannend vond. De schrijver was ‘blij’, de componist herinnerde zich de grafische partituren van avant-gardemuziek uit de jaren ’60. Ik moest bij de partituur onherroepelijk denken aan Van Ostaijens Bezette Stad. Door de muzieknoten te buigen en te vervormen hebben ze haast iets driedimensionaals gekregen.

Tegelijk met Het verraad der klerken verschijnt het 28 pagina’s tellende Acht gedichten van A.L. Snijders, in een oplage van 60 genummerde en gesigneerde exemplaren. Van de opera-uitgave zijn 50 exemplaren beschikbaar voor de verkoop (42 euro inclusief verzending in een stevige envelop), van de kleurrijke dichtbundel slechts 40 stuks (37 euro). De boekjes zijn niet in de boekhandel verkrijgbaar: bestellen kan rechtstreeks bij de uitgever (één exemplaar per bibliofiel).

Kalupso-Pers

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn bijna duizend illegale en clandestiene bundels en boeken verschenen. Dirk de Jong somt in Het vrije boek in onvrije tijd (1958) 982 titels op, uitgegeven onder tientallen verschillende (gelegenheids)imprints. In het standaardwerk van De Jong ontbreekt van de uitgaven van de Kalupso-Pers echter ieder spoor.

Het is niet verwonderlijk dat de Kalupso-Pers zelfs voor Dirk de Jong verborgen bleef, want de uitgeverij was alleen actief in het oorlogsjaar 1944. In tegenstelling tot andere, meer officiële clandestiene uitgeverijen had de Kalupso-Pers geen breed opgezet fonds, geen circuit van vaste auteurs en illustratoren. Heel wat illegaal drukwerk werd geproduceerd in onverlichte pakhuizen, met door fiets en vliegwiel aangedreven drukpersen, om vervolgens onder de rok van een verzetsvrouw als smokkelwaar naar een betrouwbare boekhandelaar te worden gebracht, die het dan onder de toonbank aan zijn vaste clientèle verkocht. Zulk avontuur is bij de Kalupso-Pers ver te zoeken: de uitgaven werden in huiselijke kring vervaardigd en verspreid.

De oprichters van de in Amsterdam gevestigde Kalupso-Pers waren twee twintigers: de gebroeders Jan en Jaap Wisse. Zij waren tevens de sterren van hun fonds: van de vier mij bekende uitgaven van de Kalupso-Pers zijn er twee door Jan en twee door Jaap geschreven. De boekjes zijn grotendeels op de schrijfmachine vervaardigd. Van Vergeefs afscheid (1944), een uitgetypte cyclus van zes gedichten van Jaap Wisse, zijn omslag, Franse titel, titelpagina en opdrachtpagina met Oost-Indische inkt getekend.

Naast het uitgeversmerk ‘KP’ op de titelpagina van Vergeefs afscheid staat ‘No. III’, zijnde de derde uitgave van de Kalupso-Pers. Jaap Wisses Kamer (1944), een volwaardige dichtbundel van 28 pagina’s in een kartonnen bandje met een gekalligrafeerde rugtitel, heeft op die plek het Romeinse cijfer ‘VI’. Kortom, de Wisses maakten minstens zes ondergrondse uitgaven. Er zijn er dus nog twee die bovengronds moeten komen.

In Kamer legt Wisse in vijftien gedichten zijn verstilde blik vast. Per vers beschrijft hij een object in of uitzicht uit zijn kamer. Behalve een lamp, een tafel en de gordijnen zijn dat een piano en een buste van Beethoven. Volgens het colofon werden alle exemplaren van Kamer genummerd en gesigneerd; een gedeelte van de oplage, ‘gereserveerd voor auteur en uitgever’, werd geletterd en gesigneerd. Aantallen worden niet gegeven, maar de oplagen van Kalupso-persuitgaven zullen zeer klein zijn geweest.

Van zowel Kamer als Vergeefs afscheid ken ik geen andere exemplaren dan de mijne. Ze zijn beide geletterd ‘B’ en voorzien van de handtekening van Jaap Wisse. Ik weet wie de eerste eigenaar is, omdat die zijn naam in de boekjes schreef: Kees Otten.

Net als Jan Wisse was Otten een geschoold musicus. Met de gebroeders Wisse vormde Otten van 1945 tot 1949 een muzikaal trio: Jaap speelde fluit, Jan piano en Kees blokfluit. Daarna zou Kees Otten blokfluitles geven en internationale samenwerkingen met musici en ensembles aangaan. Jan Wisse zou over muziek publiceren en eigen composities maken. Over een naoorlogse dichterscarrière van Jaap Wisse is mij niets bekend.

Soundtrack

In de bijna tweeduizend dichtbeschreven en volgetikte vellen die ik voor het brievenboek van Nanne Tepper mocht lezen ben ik geen enkele mededeling over Noorderzon tegengekomen. Als muziekliefhebber en -recensent had hij er natuurlijk wel iets te zoeken, maar Nanne Tepper was niet zo van de festivals. Aan grote mensenmassa’s had hij een hekel (aan middelgrote en kleine trouwens ook). Tepper bracht zijn dagen door achter zijn bureau, schrijvend aan briljante boeken en buitenissige brieven.

Toen Tepper zich begin jaren ’90 op de schrijverij stortte, had hij tien jaar lang een leven geleid dat volkomen rock-‘n-roll was. Poptempel Vera was in de jaren ’80 zijn tweede thuis. Pas als de lichten aan gingen verliet hij zijn stamkroeg. In een terugblik, aan Wilma Siccama, 26 maart 1994:

Bars en barmeisjes, music and misery, broken shoes, and a constant battle with the booze.

De drank afgezworen bleef Tepper zich met klanken omringen. Tom Waits, Frank Zappa en Gustav Mahler waren Teppers grote helden, totdat hij de muziek van de ‘wilde negers’ ontdekte en geen aflevering van het twee uur durende tv-programma Yo! MTV Raps wilde missen. Tijdens het werken aan zijn roman De eeuwige jachtvelden draaide hij onafgebroken muziek. Aan Jack van der Weide, 14 december 1994:

Mijn dagelijkse portie soundtrack tijdens het werken bestaat voor tachtig procent uit hiphop, voor tien uit klassiek, en voor tien uit Zappa en Beefheart.

Hij stelde hoge eisen aan de geluidsapparatuur in zijn ‘werkpaleisje’. Alle knoppen en schuiven moesten in de hoogste stand, het volume voluit. Wanneer hij weer eens zijn boxen had opgeblazen, kon hij in de hifi-zaak maar moeilijk kiezen, want de beste boxen waren niet te betalen. Zijn tweedehands cassettedeck was gereviseerd. De bandjes gangstarap die hij soms bij zijn brieven voegde tapete hij bij zijn jongere broer Wim, want zijn eigen versterker was natuurlijk niet goed genoeg.

Buitenshuis moest muziek ook perfect klinken. Een matige uitvoering van een klassiek concert beschouwde hij haast als een persoonlijke belediging. Eerst schreef hij daar alleen nog in zijn brieven over, maar later ging hij muziek bespreken voor OOR en Prime Time Magazine – ook omdat de meeste recensenten ‘een viool niet van een kat op een zinken dak’ wisten te onderscheiden. Zijn afzeiken was meesterlijk: een symfonie van Mozart klonk dan ‘alsof hij vanonder een graszode opsteeg’.

Toen hem op 1 september 1997 het Belcampo Stipendium werd uitgereikt, mocht Nanne Tepper zelf de muziek uitzoeken. En dus stonden er in de sjieke Statenzaal van het zeventiende-eeuwse Provinciehuis vijf hiphoppers te schreeuwen en te springen. Het was misschien niet het beste geluid, maar verder in elk opzicht een droom van een uitvoering.

Deze column schreef ik voor Radio Noorderzon en las ik voor in de uitzending van 27 augustus 2015.

Het laatste pianospel van Ida Simons

Ida Simons-Rosenheimer (1911-1960) speelde Liszt in het Kurhaus, Schumann in het Concertgebouw. De Tweede Wereldoorlog brak haar bloeiende carrière als pianiste af. Kort na de oorlog pakte ze de draad weer op: ze gaf door het hele land concerten met de violist en dirigent Sam Swaap, in 1950-1951 maakte ze zelfs een solotournee door de Verenigde Staten. In de tweede helft van de jaren vijftig stopte ze met spelen – voorgoed, volgens sommigen. Ida Simons ging schrijven. In 1958 voltooide ze het boek Een dwaze maagd, dat een jaar later bij uitgeverij Stols verscheen. De roman, over het joodse meisje Gittel dat pianiste wil worden, werd gunstig ontvangen en goed verkocht. Bij de Amsterdamse boekhandel Joachimstal was de ‘Joodse roman’ van Simons in maart 1959 het ‘boek van de maand’. Een dwaze maagd, onlangs door uitgeverij Cossee heruitgegeven, wordt opnieuw alom geprezen.

Het proza dat zij na Een dwaze maagd schreef zou postuum gepubliceerd worden. Ida Simons overleed, 49 jaar oud, op 27 juni 1960 in haar huis op Johan van Oldenbarneveltlaan 114 in Den Haag. Alfred Kossmann, in zijn in memoriam voor Het vrije volk, herinnerde zich van zijn ontmoetingen met Simons ‘de bekoring van zoveel spontane vriendschappelijkheid, zoveel geestdrift en humor’. ‘Zij stond op het punt om een roman te voltooien, toen zij zo plotseling stierf.’

Haar pianospel had zij echter niet helemaal opgegeven. Samen met de dichter A. Marja (1917-1964), eveneens woonachtig in Den Haag, trad zij op 3 juni 1960 op. In hetzelfde jaar als de debuutroman van Simons was Marja’s bundel Wat ik speelde verschenen, dertien gedichten bij evenzovele secties van de Kinderszenen van Robert Schumann. Lang voor Tonnus Oosterhoff zijn gedichten zou laten samenvallen met pianomuziek van Bach, schreef Marja deze muzikale gedichtencyclus – speels maar precies, klemtonen op muzieknoten. Volgens critici behoort Wat ik speelde tot zijn beste, meest persoonlijke werk. Het is, ook nu, ontroerend om deze poëzie en muziek tegelijk te lezen en beleven.

In verschillende Haagse kranten werd het optreden voor de Haagsche Kunstkring (in een ‘tot de laatste plaats bezette zaal’, aldus Het Vaderland) enthousiast begroet. Er is ook een zwart-witfoto bewaard gebleven, opgeplakt in het exemplaar van Wat ik speelde dat Marja schonk aan een collega van zijn echtgenote. Simons heeft haar handen aan het klavier en lacht vriendelijk naar de fotograaf, Marja leunt gebogen op de zwarte vleugel met zijn dichtbundel in de hand, het raam reflecteert een volle zaal. Geen bladmuziek te zien: Simons, die al op 20-jarige leeftijd in Diligentia de Kinderszenen had gespeeld, moet de muziek nog in haar vingers hebben gehad. Deze uitvoering van Schumanns Kinderszenen is het laatste publieke optreden van Ida Simons geweest.

Mieke H. Hille, student aan de School voor Fotografie en Fototechniek in Den Haag, hanteerde haar camera tijdens het optreden. Op de Schrijversmarkt in De Bijenkorf had zij, een paar jaar eerder, alle aanwezige auteurs op de foto gezet. Met sommige van hen was er een correspondentie of zelfs een vriendschap ontstaan. Het contact tussen Marja en Simons werd dan ook door deze jeugdige fotograaf tot stand gebracht. Hiervan getuigt de hartelijke opdracht van Marja aan Simons in zijn interviewbundel Buiten het boekje; het ‘musje’ in de tweede regel verwijst naar Hille, die door Simons ‘impresario Mus’ werd genoemd.

Met de laatste drie regels van het laatste gedicht in Wat ik speelde heeft Marja geworsteld: ‘poëzie -// nu ja -/ poëzie.’ werd op aandringen van twee Schumannkenners kort voor publicatie in 1959 veranderd in ‘poëzie -// ja -/ poëzie.’ In 1962, bij opname van de gedichtencyclus in zijn verzamelbundel Nochtans een christen, kon Marja zijn aanpassing herzien. Het uitgesproken, stellig einde van ‘Der Dichter spricht’ werd weer iets bedachtzamer, nonchalant. Achter in Nochtans een christen licht Marja toe:

Wijlen Ida Simons-Rosenheimer, schrijfster en pianiste, adviseerde dringend de oorspronkelijke versie te herstellen, als veel meer in overeenstemming met het slot van Schumann’s muziek.

Ida Simons is niet alleen de auteur van een roman vol ‘muzikaal proza’ (NRC), ‘ten onrecht vergeten, nu opnieuw ontdekt’ (de Volkskrant). Zij mag ook verantwoordelijk gehouden worden voor het vervolmaakte slot van de mooiste gedichtencyclus van A. Marja.

Dit stukje verscheen in De Parelduiker, jrg. 19, afl. 3 (augustus 2014). Daarbij werd de foto afgedrukt.