Mijn tweede vader

Naar aanleiding van zijn net verschenen biografie Lucebert praatte Wim Hazeu eergisteren een uur lang met Elfie Tromp in het radioprogramma Nooit meer slapen. De welingelichte interviewer stelde goede vragen, de opperbiograaf gaf eerlijke antwoorden. Uiteraard ging het over Lucebert en over zijn grote misstap in de Tweede Wereldoorlog, maar aan bod kwamen ook het dichterschap van Hazeu, zijn vroegste herinneringen en zijn enorme ambitie. Wim Hazeu wil de beste biograaf van Nederland zijn – misschien is hij dat al.

Tromp herinnerde Hazeu op een gegeven moment aan zijn stellige bewering, dat hij zijn tijd niet verspilt aan het schrijven van een biografie van een derderangs schrijver, waar vervolgens niet meer dan honderd exemplaren van worden verkocht. Tromp deed de voorzet en wilde ook zelf inkoppen.

En A. Marja dan?

Het is even geleden dat de naam van de dichter in de ether was. In de nacht van afgelopen woensdag op donderdag ging het op een radiozender met landelijke dekking opeens over A. Marja. Zeker een volle minuut.

Na een korte introductie van Tromp (‘dat is een totaal vergeten dichter, de meeste luisteraars zullen nu denken: wíé?’) vertelde Hazeu over het onderwerp van een van zijn eerste biografieën (A. Marja, dichter en practical joker verscheen in 1985). Zo persoonlijk deed hij dat in het openbaar niet eerder.

Het [schrijven van een biografie van A. Marja] was ook eerherstel, want hij was een beetje mijn tweede vader. Polemisch was hij heel erg sterk. Ik heb hem de laatste jaren van zijn leven gezien. Ik kwam daar heel vaak en hij kwam bij mij. En we hebben heel veel over Oost-Duitsland gesproken en over literatuur. Ik hield van die man. Het was een hele fysiek zwakke man, maar psychisch heel sterk.

Boekenuil

Een paar maanden geleden vond ik in een antiquariaat een Duitse editie van de Rubáiyát van Omar Khayyám, vertaald door Hector G. Preconi en uitgegeven door Rascher & Cie in 1911. Het onopvallende boekje was opgesierd door een ingeplakt ex libris: een zwart-wit tekening van een mannenkop met een geabstraheerde boekenuil en de tekst ‘het is de aarde die drijft en rolt door de mensen’. De Nederlandse Rubáiyát-vertaler J.A. Vooren was de vorige eigenaar. Een leuke provenance.

Het fascinerende ex libris is niet gesigneerd, maar dankzij Lucebert, drukwerk voor anderen weet ik nu wie de maker is: Lucebert. De tekstregel is afkomstig uit diens gedicht ‘moore’ uit de bundel apocrief/de analphabetische naam (1952).

Paul van Capelleveen geeft in dit boek nauwkeurige beschrijvingen van advertenties, affiches, boekillustraties, cartoons, omslagontwerpen en vignetten die Lucebert om den brode of op verzoek van uitgevers en vrienden maakte. De bibliograaf baseert zich op de collecties van woordenboekenmaker Ton den Boon en vormgever Huug Schipper, de verzamelaars die Luceberts ‘drukwerk voor anderen’ nu weleens degelijk geïnventariseerd wilden zien.

De bibliografie is in meer dan een opzicht aantrekkelijk. Naast de feitelijke beschrijvingen (vindplaats, techniek, afmeting) worden flarden achtergrondinformatie gegeven, zoals citaten uit de mémoires van uitgever Wim Schouten en (niet eerder gepubliceerde) brieven van Lucebert. Omdat de citaten in rood zijn gedrukt, springen ze meteen in het oog: ik betrapte mezelf erop eerst de rode lappen te lezen, en daarna pas te zien over welke illustratie het gaat. Alle illustraties zijn overigens afgebeeld, de mooiste in een kleurenkatern. Pas dan wordt duidelijk dat Luceberts illustraties voor tamelijk uiteenlopende auteurs en tijdschriften zijn gebruikt. Omslagen voor boeken van bevriende Vijftigers als Kouwenaar en Schierbeek staan tussen die voor de traditionele werken van Halbo C. Kool en Clare Lennart.

Maar dat zo’n experimenteel als Lucebert zoiets bedaagds als een ex libris heeft ontworpen, had ik ook niet voor mogelijk gehouden.

Deze bespreking van Paul van Capelleveen, Lucebert, drukwerk voor anderen (2012) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 1 (oktober 2012).

Onbekend scenario Lucebert opgedoken

Hans Groenewegen is bij zijn onderzoek naar de tekeningen van Lucebert een door de dichter/schilder geschreven filmscenario tegengekomen. Het tot nog toe onbekende scenario bevat de opzet voor een documentaire over zijn eigen kunstenaarschap, die op belangrijke punten zou afwijken van de documentaires die anderen over hem maakten. Het bevat commentaarteksten, de titels van de voor te lezen gedichten en de muziekkeuze. Het scenario is opgenomen in Groenewegens nieuwe boek Het handschrift van Lucebert, over de poëzie en de tekeningen van Lucebert. Groenewegen had hiervoor toegang tot de honderden tekeningen uit het atelier van Lucebert. Hier meer.

Liezeberthe

Een antiquariaat biedt vandaag in de nieuwe catalogus een exemplaar aan van Franckens Grieksche rudimenta, naar Krüger’s Grieksche spraakleer bewerkt, en met een vergelijkend overzicht van het Episch en Ionisch dialekt. De herkomst is leuk: Jan Hanlo gebruikte het boek tijdens zijn Griekse les in Heerlen. Zijn naam staat meermalen op de titelpagina. Helaas heeft de dichter niet de moeite genomen om het boek te verrijken met ongepubliceerde gedichten.

Elisabeth Keesing (u weet wel, van het bibliografische gedicht Men zoekt nog steeds Op de muur En dan zou jij zeggen… Maart is nog ver) kreeg de geest bij het lezen van de experimentele verzen van Lucebert. De eigenzinnige schrijfster maakte scherpe parodieën op de woordkunst van de Keizer der Vijftigers onder het pseudoniem ‘Liezeberthe’. Haar wervelende cyclus gedichten is gewoon te koop.

Poëzie is kinderspel

Meester Michiel van de Bosschool in Bergen heeft zijn leerlingen filmpjes laten maken bij gedichten van Lucebert. De klassieker ‘Er is een grote norse neger’ komt voorbij, evenals het toepasselijke ‘Poëzie is kinderspel’. Mijn favoriet is echter ‘twee handjes’ (Verzamelde gedichten, p. 235) door Sander en Thijs. Regels als ‘met het machinegeweertje waarmee hij zo scherp / tic tic tic kon schieten’ zijn op hun best als ze door een kinderstem worden voorgelezen. Het woord ‘allermiserabelst’ bleek nog iets te moeilijk.

De laatste regel van dit gedicht uit Alfabel luidt: ‘WANNEER HET IJZEREN HANDJE TAC TAC TAC UIT ANGST / WEER EENS BIJ ONS DE KLOK TERUG ZET’. Sander en Thijs voegen daar op 1 minuut 59 seconden nog iets aan toe.

Help Lucebert komt!!!

Een paar dagen geleden plaatste 6838jessica een filmpje op YouTube. Op de rolprent zien we en horen we Lucebert op 16 september 1985 een toespraak houden bij de inwijding van zijn wandschildering in de aula van een school in Groningen. De zaal is aanvankelijk niet stil te krijgen, de schilder stamelt, en eindigt wat plotseling en onhandig:

‘Nou ja, dat is het. Dat is het gewoon. Dat eh. Ja, wat moet ik verder zeggen.’