De kroeg

Opdat zij er kunnen bijkomen van hun encyclopedische arbeid (het aanmaken, bekritiseren en verwijderen van lemma’s), hebben Wikipedianen ooit De kroeg in het leven geroepen. Sinds gisterochtend is mijn blog ‘Encyclopedische waarde’ er onderwerp van gesprek.

Dat gesprek waaiert gezellig uit, zoals het in hoort in het café. Misplaatste grap, ziekenhuisdirecteur, pornoster, Japanse voetballer, brulaap… Er worden kraakheldere verbanden gelegd en krachtige argumenten uitgewisseld.

Voor de Wikipedianen die veronderstellen dat Paul Brussel en ik dezelfde zijn, omdat ik het voor verwijdering genomineerde lemma vlot signaleerde, heb ik twee woorden: Google Alerts.

Encyclopedische waarde

In dit jubeljaar wordt Louis Couperus geëerd met exposities, lezingen, theatervoorstellingen, een roos en een veiling. Het Louis Couperus Genootschap geeft een mooi overzicht van de activiteiten.

Intussen werkt een Wikipediaan in Brussel stilletjes aan lemma’s over afzonderlijke uitgaven van én over Couperus. In elk lemma geeft hij literair-historische achtergronden, gegevens over de drukker, bindwijzen, lettertypes, bibliografische verwijzingen… maar echt nieuw op Wikipedia is de informatie over de verblijfplaats van originele handschriften en van zeldzame exemplaren. Over Couperus’ handschrift van een boekbespreking meldt Wikipedia nu dat de vorige eigenaar het lang verborgen heeft gehouden voor onderzoekers. Van het kostbare boekje L.C. van Gerard Goudriaan worden eindelijk eens alle bekende opdrachtexemplaren opgesomd. Fijne feitjes voor een opdrachtenverzamelaar.

Maar het nieuwe lemma over de afzonderlijke uitgave van een Ikje roept weerstand op bij doorgewinterde Wikipedianen. De pagina staat op de gevreesde beoordelingslijst: het voldoet volgens de community niet aan de uitgangspunten van Wikipedia. ‘ew [= encyclopedische waarde]?’

Wikipediaan Agora zaaide vanochtend twijfel over de relevantie van het lemma. De uitgave is ‘een stukje huisvlijt qua drukwerk op basis [van] een kort stukje in de krant’. Wikipediaan Peter b wil het lemma graag verwijderen: ‘dat iemand uit ijdelheid zijn eigen stukje laat drukken is leuk voor het familiealbum, maar niet in een encyclopedie’. Onze man in Brussel verdedigt zijn lemma met argumenten. De discussie valt tot nu toe in zijn, en mijn, nadeel uit.

Voorlopige titel van mijn autobiografie: Genomineerd voor verwijdering.

Een heer in hemdsmouwen

Van alle eerste drukken van Louis Couperus heeft Antiek toerisme (1911) wel de meest kleurrijke bandtekening. André Vlaanderen is de maker. Onder verzamelaars is de roman uit Oud-Egypte zeer geliefd. Je raakt niet uitgekeken. En als je toch uitgekeken bent, tref je bij het openslaan van het boek een getekende titelpagina aan, eveneens van Vlaanderen. Maar hij heeft meer gedaan.

In de net verschenen aflevering van De Boekenwereld schrijft Hans Oldewarris uitvoerig over een reeks populairwetenschappelijke uitgaven van uitgeverij Wed. J. Ahrend & Zoon, later Uitgeversmaatschappij Kosmos. In de serie ‘Weten en kunnen’ verschenen vanaf 1911 handzame en betaalbare leerboekjes voor de grote massa. Het autogeen lasschen, Kennis der schildermaterialen, Dameshondjes: voeding, verzorging, fokkerij, Fruitteelt voor den amateur, en zo voort en zo verder. Uitgeverijchef Jac. van der Kolk verlangde naar een herkenbaar ontwerp voor de reeks en nam André Vlaanderen in de arm.

De deeltjes ‘Weten en kunnen’ zagen er in de eerste jaren nog saai en clichématig uit. Clichés lagen immers voor het oprapen in de zetterij. Ontwerper Vlaanderen introduceerde met zijn ontwerpen een subtiele kleurstelling, symmetrie, gestileerde plantmotieven, werkelijk fraaie staaltjes art-nouveau. Een basisontwerp paste hij voor elk deeltje aan met relevante tekeningen. Voor G.J. Harterinks Handleiding voor het zelfaanleggen van electrische huisinstallaties (1934) verlangde de uitgever van zijn vormgever ‘voor het middenvignet […] een heer in hemdsmouwen (vooral geen monteur), die bezig is een stopcontact of iets dergelijks te monteeren’. En die heer kreeg hij.

Het is je reinste Jugendstil om een zwemcursus of een handboek smeermiddelen. Je ziet Bram de Does niet zo snel het omslag ontwerpen van Dammen voor dummies.

Deskundigheid

Boeken lijken allemaal op elkaar. Een band, een boekblok en wat inkt. Een luxe-exemplaar van de eerste druk van De stille kracht (1900) verschilt op het oog niet van een gewoon exemplaar. Het gebatikte fluweel op de band is doorgaans zo gesleten dat je automatisch denkt gewoon een exemplaar in gebatikt katoen in handen te hebben. Die luxe-exemplaren zijn bovendien van de hoogste zeldzaamheid, die kom je van je leven niet tegen. Geheimtip: kijk naar de bovenste snede van het boekblok, want alleen bij een luxe-exemplaar is de kop verguld.

Wielrenners lijken allemaal op elkaar. Een fiets, een knokig lijf en een helm. Met een beetje geluk, als je bestand bent tegen de zwalkende cameravoering van de Franse motorrijders, een goed geheugen voor kleuren hebt, kun je weten bij welke ploeg een renner hoort. Vanmiddag in de Col du Pas de Peyrol reden een paar renners het ravijn in. De commentatoren zagen in een flits wat kleuren in de donkere bossen verdwijnen. Ze wisten alleen bij welke ploeg de ongelukkigen hoorden. ‘Maarten, wie zijn dat van Astana?’ ‘Het zal Vino toch niet zijn, Herbert.’ Toen kwam de achterkant van een onderlijf in beeld. Geheimtip: kijk naar de kuiten van de wielrenner, want die verraden alles. Herbert Dijkstra wist bij de aanblik van een rechterkuit dat het Vinokoerov was die de grootste smak had gemaakt.

Dergelijke deskundigheid, daar moet je toch van houden.

Nieuwe website Letterkundig Museum

De studiezaal is morgen gesloten. Harry Mulisch vervangt ’s middags de over Uruzgan gestruikelde Plasterk bij de opening van het vernieuwde Letterkundig Museum. In stilte is nu ook de website vervangen. Het sierlijke rode LM-stempeltje heeft moeten plaatsmaken voor een tweekleurig logo.

De site opent met de mogelijkheid om twee filmpjes te starten. In de eerste lezing met lichtbeelden ontvouwt Jan Siebelink parallellen tussen Van Schendels De waterman en Bordewijks Bint en zijn eigen romans Knielen op een bed violen en Suezkade. De filmpjes zijn hip gemonteerd met tussenkopjes, intelligente deuntjes en kleureffecten. Zodra Siebelink over Anna Blaman begint te kletsen, verschijnen er rechts van hem twee portretfoto’s van een wat ongelukkig kijkende schrijfster, en als hij de rel rond Eenzaam avontuur vertelt, zien we het omslag van de eerste druk op de boekenkast geprojecteerd. Technisch van hoge kwaliteit vergen de filmpjes veel van een iets oudere laptop.

Anna Enquist herinnert zich in de tweede lezing met lichtbeelden hoe haar leraar Couperus afschilderde als een man in roze-fluwelen kamerjas. Daarna vat ze Reve samen, die ‘schrijnende en ellendige dingen weet te verwoorden in een taal en beeldspraak die ontzettend geestig is’. Met Vasalis heeft Enquist gemeen dat ze twee beroepen (psychotherapeut, dichter) combineert.

Hoewel de begeleidende teksten soms worden ontsierd door typefouten (‘gebeelhouwde’, ‘Hermans Schönfeld Wichers’) en onjuistheden (Belcampo woonde aan het Schuitendiep, niet Spilsluizen, dat was Hermans), is er veel nieuws te vinden. Het LM beschikt eindelijk over een FAQ. Leukste, veelgestelde vraag: ‘Ik heb in eigen beheer een boek uitgegeven, heeft het museum belangstelling voor mijn manuscript?’ Het antwoord laat zich raden.

De 100 gelukkige auteurs uit Het Pantheon hebben elk een drieregelige biografie gekregen, die soms wat willekeurig oogt en dan weer ongelukkig uitpakt. Carry van Bruggen? ‘De Nederlandse Virginia Woolf. Na haar scheiding leeft zij, als alleenstaande vrouw met twee kinderen, van de pen. Overlijdt na ernstige depressies, waarschijnlijk aan een overdosis slaapmiddelen.’ Niets over Eva of Prometheus. J.C. Bloem? ‘Burgemeesterszoon Jakobus Cornelis Bloem leeft met gepaste tegenzin. Zijn ideaal is een makkelijk baantje dat genoeg oplevert voor de enige passie die hij schijnt te hebben: boeken.’ Niets over zijn dichterschap.

Regelrechte aanwinst is een nieuw Literair Centrum, waarin op den duur alle Nederlandse auteurs een biografie wordt aangemeten. Deze levensbeschrijvingen zijn zeer geschikt voor middelbare scholieren: het debuut van Achterberg is ‘een zeer zeldzaam collectors item’. Elke auteur krijgt een carrousel van plaatjes cadeau. Eindelijk is te zien wat voor rijk materiaal het depot bewaart: foto’s, drukproeven, handschriften, huwelijksaankondigingen, lidmaatschapskaarten, etc. Over curiosa wordt ook niet meer lullig gedaan. De trombone van F.B. Hotz hoort er gewoon bij. Zelfs het manuscript van Joe Speedboot flitst langs.

Bastet bij Reve

Van alle lofzangen op de Couperusbiografie van de ons deze week ontvallen F.L. Bastet is die van Gerard Reve misschien wel het opmerkelijkst. Aan zijn bevriende uitgever schrijft Hij, werkend aan zijn lezing over Louis Couperus, op 7 oktober 1987:

‘Ik vind het een indrukwekkend boek. Van een bibliofiele uitgever hoorde ik, dat veel critici de auteur verwijten, dat hij eigenlijk helemaal geen schandaal heeft kunnen opsporen. Maar dat is niet Bastet zijn schuld: Couperus was als persoon zeer oninteressant en banaal. Hij was zo behoedzaam met zijn lieve zelf, dat hij zich waarschijnlijk nooit ingelaten heeft met lijfelijke erotiek. Zijn narcisme belette hem met iemand anders lichamelijke omgang te hebben. Veel van zijn boeken zijn loodzwaar van voyeurisme en sadisme, en zelfs van een zeker revisme avant la lettre, maar hij ‘deed’ niets, neem dat maar van mij aan.
Het is bewonderenswaardig, dat Bastet zijn boek heel onderhoudend is, terwijl het leven dat hij beschrijft uiterst leeg en oppervlakkig was.’

Uit: Gerard Reve, Moedig Voorwaarts. Brieven aan Bert en Netty de Groot 1974-1997, Amsterdam/Antwerpen, 2007

Levende getuige van Louis Couperus

Rico Bulthuis (1911) vertelde me ooit dat de meester van zijn lagere school eens tegen de klas zei: ‘Jongens, kijk eens naar buiten, daar loopt Louis Couperus!’

De hele klas stoof naar het raam. ‘Daar liep een meneer, gewoon een meneer’, zei Rico, ‘maar toch heb ik het altijd onthouden.’

Willem Siebenhaar (1863-1936)

D.H. Lawrence zat in een impasse, toen hij op 4 mei 1922 met zijn echtgenote Frieda de haven van Perth binnenvoer. De erotische passages in zijn vroege romans hadden een schandaal veroorzaakt, The Rainbow had zelfs een verbod gekregen. In een zelfgekozen vlucht bezocht het echtpaar Lawrence verschillende Europese steden. Op een cruciaal moment in de zwerftocht, tijdens een bootreis naar Ceylon, wist een Australische dame het schrijverspaar te interesseren voor een verblijf in Perth, de hoofdstad van West-Australië. Als Lawrence, een paar dagen na aankomst, de plaatselijke boekwinkel bezoekt, loopt hij zomaar een van zijn toekomstige romanpersonages tegen het lijf: William Siebenhaar.

William Siebenhaar luisterde op zijn geboortedag, 28 juli 1863, nog naar de Hollandse naam Willem. In het mythische gezelschap van Louis Couperus bezocht Willem de HBS in Den Haag. Zijn universitaire studie in Delft brak hij af om in 1884 naar Engeland te vertrekken. Siebenhaar interesseerde zich enorm voor de opkomende theosofie en anarchie, en verklaarde later dat het hem, vanwege socialistische principes, in Nederland onmogelijk was gemaakt om carrière te maken. Toen hij in Engeland vernam dat West-Australië, toenmalige Engelse kolonie, democratie nog hoger aangeschreven stond, koos Siebenhaar het ruime sop.

De inmiddels tot Brits staatsburger verworden Siebenhaar kreeg niet bepaald dichterlijk werk in het stadje Perth. In 1892 trad hij in dienst bij de ‘Land Titles Office’. Het bijhouden van statistieken moet hem goed gelegen hebben, want Siebenhaar bracht het van ‘compiler of statistics’ tot onderchef van het registerbureau. Maar zijn ambitie lag op een ander vlak: de literatuur.

In 1910 verscheen dan het met foto’s verluchte Dorothea. A lyrical romance in verse bij de Londense uitgeverij Jarrold and Sons. Het is een merkwaardig debuut: in duizenden dichtgetimmerde jambische hexameters wordt de vergeefse verering voor het jonge meisje Dorothea beschreven. De liefde voor de jongedame leidt bij de met uitroeptekens begiftigde hoofdpersoon tot transcendente verlangens en theosofische bespiegelingen. Siebenhaar roept tussendoor zijn geboorteland in herinnering, wanneer de lof gezwaaid wordt over kolonies en sociaal-anarchistische bewegingen, waarin – bijvoorbeeld – de bijgelovige Louis Bähler indertijd actief was. Met ‘selfless Nieuwenhuis’ doelt de dichter natuurlijk op de befaamde F. Domela Nieuwenhuis, die jaren ervoor vrij intensief met Siebenhaar over politieke aangelegenheden had gecorrespondeerd. Zo was het ellenlange Dorothea waarschijnlijk geliefder bij politici dan bij poëzieminnaars.

Lovende besprekingen bestonden blijkbaar nog niet. De recensent van de Perthse Sunday Times leefde zich het eerst uit op Dorothea’s schepper onder de titel ‘Stanzas of a Statistician’. Het Bulletin omschreef het omvangrijke project als ‘an example of energy wasted’ en ‘a failure as poetry’. Alleen het literaire supplement van The New Age bracht een zuinig compliment voor het propageren van linkse politieke opvattingen: ‘so say all of us; but few of us have the courage or the energy to put it in verse’. Juist dit aspect zou problemen opleveren: in 1916 werd de bundel bewijslast in een proces tegen Siebenhaar, die van ontrouw aan de Britse kroon werd beschuldigd. In zijn verdediging hamerde de dichter erop dat hij slechts ‘academically’ een anarchist was. Vrijspraak volgde uiteindelijk, maar Siebenhaars poëzie had voorgoed een stempel gekregen. Sentinel Sonnets wachtte in 1919 hetzelfde lot.

De glans op de ogen van de mislukte dichter keerde terug op die ene meidag in 1922. Met D.H. Lawrence deelde Siebenhaar immers zijn belangstelling voor theosofie en politiek. De Engelse literator kwam zelfs een paar keer op het registerkantoor in Perth en kreeg van een hoopvolle Siebenhaar diens bundels overhandigd. Gedienstig reikte de ‘statistician’ zijn collega bovendien feitenmateriaal aan over de geschiedenis van West-Australië, wat vruchtbaar bleek toen in 1924 The Boy in the Bush verscheen. Maar toen was William Siebenhaar de twijfelachtige eer toegekomen vereeuwigd te zijn als de linkse vakbondsman Willie Struthers in Lawrence’ roman Kangaroo. Het ‘suspicious’ personage spuit daarin ideeën over revoluties en socialisme. Op het omslag van de eerste druk van Kangaroo uit 1923 stond veelzeggend een stoomboot afgebeeld. Bij zijn vertrek uit Perth, zo bekende hij later, gooide D.H. Lawrence de geschonken bundels van Siebenhaar overboord.

Bronnen:
P. Eggert & H.T.M. van Vliet, ‘Anarchist tussen de kangoeroes’, in: De Parelduiker (2003), jrg. 8, nr. 5, p. 39-51
N. Segal & E. Duyker, ‘Siebenhaar, Willem (1863 – 1936)’, in: Australian Dictionary of Biography (2006)