Op het dak van de stacaravan

De priester is een goedgelovige. In de vijfde aflevering van de Netflix-serie Ozark (2017) vindt de distributie van harddrugs plaats bij aanvang van de zondagse mis. Een barmhartige Samaritaan overhandigt bijbels aan de kerkgangers, terwijl de priester nog even zijn preek doorneemt. Het gebeurt allemaal recht voor zijn neus.

Bijbels met een stofomslag hebben in het boekblok een uitsparing voor een zakje heroïne: die zijn voor de criminelen. Bijbels zonder omslag zijn bestemd voor de oprechte christenen: voor hen is het Woord van God afdoende.

Het boek is vaker een rekwisiet in het eerste seizoen van Ozark. De slimme jongen uit het trailer trash-gezin zit, eerder in dezelfde aflevering, op het dak van de stacaravan. Hij laat een pubermeisje zijn verzameling boeken zien – stuk voor stuk gestolen. Zij vindt dat een beetje vreemd.

– So you just broke into his house. Ever heard of a library card?
– You don’t understand! This guy has first editions like you’d not believe. I doubt he even notices anything’s missing.

Daarop overhandigt hij haar Ray Bradbury’s The Martian Chronicles (1950). Een eerste druk met stofomslag. En terwijl hij haar uitlegt wat er zo briljant is aan Bradbury’s post-apocalyptische science fiction, zet het meisje haar hoofd steeds schuiner, alsof ze hem wil zoenen. Ze lacht. Ze is verliefd.

De slimme jongen ratelt maar door over zijn boeken. Hij heeft niets in de gaten.

De magie van het geschrift

In beginsel is de net verschenen Büch-biografie niet verrassend. Vanaf het eerste hoofdstuk van Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch (2016) staat vast welke kant het met de held van deze geschiedenis opgaat. Büchs vriendschappen en verhoudingen verlopen volgens een vast patroon van aantrekken en afstoten. Om de zoveel jaar vernieuwt Büch zijn kring van vertrouwelingen en moet hij zichzelf opnieuw uitvinden. Elke nieuwe Boudewijn lijkt een uitvergroting van de vorige.

Biograaf Eva Rovers introduceert in haar boek de academische term ‘autobiografictie’: wanneer een persoon authentieke gevoelens koppelt aan verzonnen feiten, waarop vervolgens autobiografische geschriften gebaseerd kunnen worden. Büch gaat zo ver dat hij de dood van de kleine blonde in zijn dagboek noteert. Van elementen uit andermans biografieën en autobiograficties maakt hij dankbaar gebruik. De liefde voor jongetjes leent hij van Jan Hanlo. Oorlogsthematiek en een Poolse vader vindt hij bij Sylvia Plath.

Het is niet moeilijk om Boudewijn Büch weg te zetten als iemand aan wie alles onecht is. Boud is niet het onthullende verhaal van een bedrieger. Rovers nuanceert en typeert.

In het eerste en tweede hoofdstuk komt Büchs grote en onvervalste talent aan de oppervlakte: vertellen. Uit de mond van een broer tekent Rovers op dat de jonge Boud de gangmaker van het gebroken gezin Büch was. Op zaterdagavond vertoonde hij op de muur in de woonkamer korte films die al jaren in huis waren.

Iedere keer voorzag hij ze van ander commentaar; hij kon zijn broers moeiteloos laten geloven dat een film over de Watersnoodramp eigenlijk ging over de koe die door de straten dreef.

Meer dan de fantast-in-wording is dit een voorbode van de van enthousiasme overlopende, vreemde feiten spuiende entertainer, die even betoverend over popmuziek en poëzie praat als een pak rijst aanprijst.

Het jongetje van tien dat wikkels van King-pepermunt spaart om de atlas van te kopen is de wereldreiziger en eilandgek in de dop.

Al even puur is Büchs liefde voor boeken. Van de overredingskracht van inkt en papier is hij zich al op jonge leeftijd bewust. In de loop van zijn leven vervaardigt Büch diverse boekwerkjes, helemaal zelf, meestal om iemand (m/v) het hof te maken.

In 1965 vindt de 16-jarige Lucy Noordman onder haar kussen de ‘1e en enige editie’ van Poezy voor jou, een door Büch op grote vellen uitgetypt boek, met romantische gedichten en tekeningen. In de aanloop naar zijn debuutbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs (1976) ontvangen enkele vrienden van Büch zelfgemaakte bundels met ‘liederen’ en ‘zangstukjes’, stuk voor stuk gedateerd en gesigneerd. Sommige zijn voorzien van een omslag van schuurpapier.

Sébastien doorschoten. Vijf liederen voor een putto heet het boekje waarmee hij in maart 1980 Bas Heijne verrast. Het jaar erop geeft hij Rimbauds sonnet ‘Voyelles’ uit in één uniek exemplaar. Alsof er achter Le Bateau Ivre een heus uitgeversbedrijf schuilgaat, meldt de begeleidende brief:

unica – zeldzame drukken – debuten
vraag de folder. wij zijn billijk in prijs en leveren snel

De magie van het geschrift. En Büch weet dus vroeg wat vormgeving voor een boek doet. Hij verlustigt zich aan parateksten. Voor typografie heeft hij blijkbaar ook altijd oog gehad. In 1975 wenst hij een Precisa 3000, en wel omdat deze schrijfmachine van die ‘wonderlijke asterisken’ produceert. (Zulke details, wel degelijk verrassend, kunnen er niet genoeg in een biografie staan.)

Van de DIY-boekjes is het maar een kleine stap naar The Blue Lavender Press, Sub Signo Libelli, Plim’s Drukkerijen, AMO, Duindoornpers, Salix Alba, Breukenpers, Regulierenpers – de private presses die Büchs gedichten en verhalen in iets grotere, maar nog altijd kleine oplagen fraaier aan de man weten te brengen.

In geen van beide categorieën valt het affiche You’re screaming blue murder (1978). Het is eigenhandig geproduceerd drukwerk, in het kader van de (verloren) liefde ook, maar dit gedicht verscheen in een oplage: iedereen mocht er deelgenoot van worden. Büch wenste een publiek. You’re screaming blue murder markeert de overgang van geknutsel op zolder naar verfijnd drukwerk, van de unica naar echte bibliofiele uitgaven. In Boud staat niets over deze poëzieposter; de reactie van Bernadette erop blijft verborgen. Een kleine omissie in een uitstekende biografie.

You’re screaming blue murder

Bernadette Gallis was zeven jaar gelukkig getrouwd met Floris Pelgrim, toen ze op Eerste Kerstdag 1974 bij een wederzijdse vriend Boudewijn Büch ontmoette. De vervolgafspraken vonden plaats bij Bernadette thuis, wanneer haar man en kind al op bed lagen. Die avonden vulden zich met gesprekken over muziek en literatuur. Toen was er een zoen. In april 1976 ging het verliefde stel samenwonen op Bakker Korffstraat 12a te Leiden.

De foto’s uit die tijd suggereren een idylle. Bernadette en Boudy glimlachen gelukzalig. Allebei het haar tot op hun schouders, zij in een nauwsluitende zigeunerjurk, hij in een zachtgeel overhemd met scherpe punten en een zwarte cape. Alsof ze zo uit een eenakter met zang en dans van de plaatselijke toneelvereniging zijn komen lopen.

En al die tijd zat de echtgenoot van Bernadette Gallis gedesillusioneerd in de coulissen. Maar in januari 1978 besloot Gallis naar haar man terug te keren, in een laatste poging haar huwelijk te redden.

Büch reageert op het verlies van zijn geliefde zoals een dichter dat doet: op papier. Hij schrijft op 27 januari 1978 het gedicht ‘You’re screaming blue murder’, laat dit in honderdvoud drukken als affiche en hangt er in februari de binnenstad van Leiden vol mee.

De titel van Büchs gedicht is een citaat uit het nummer ‘Short and Curlies’ (1974) van The Rolling Stones. Dat gaat over het in de ban zijn van een vrouw:

It’s too bad, she’s got you by the balls
She’s nailed you to the wall
[…]
And you can’t get away from it all

Het is een hyperromantische daad, een poëtische hartekreet. Tegelijk neigt het naar emotionele chantage. Dichten over je liefdesverdriet en je verlangen – en daar dan elke willekeurige Leidenaar lastig mee willen vallen. Gallis wist dat ze de enige was die wist dat zij in het gedicht werd aangesproken, maar zij moet het toch anders gevoeld hebben, wanneer ze voor het rode stoplicht te midden van andere weggebruikers met het gedicht werd geconfronteerd. Büch had van iets persoonlijks en pijnlijks kunst gemaakt. En een publiciteitsstunt.

Het gewenste effect van het affiche bleef overigens uit. Wel bleven Büch en Gallis altijd bevriend.

You’re screaming blue murder is een lichtblauw vel papier van 50 bij 39 centimeter, in donkerblauw bedrukt naar een wrijfletter van Mecanorma. Vermoedelijk heeft Büch zelf het moedervel gemaakt, voor hij het naar de kopieerinrichting bracht. Het gebruikte lettertype Avant Garde Gothic kent verschillende e’s, v’s en w’s (vooroverhellend, romein en achteroverhellend) en deze varianten zijn op de poster willekeurig ingezet. (Helaas heeft dit font bij recente digitalisering veel karakteristieks verloren.)

Het blauwe affiche is de allereerste eigenbeheeruitgave van Boudewijn Maria Ignatius Büch, die daarvóór wel boekjes in elkaar fröbelde, maar altijd in een oplage van een enkel exemplaar. You’re screaming blue murder, vervaardigd in een door de auteur genummerde en gesigneerde oplage, is tevens de eerste in een lange rij bibliofiele uitgaven. Harry G.M. Prick heeft opgemerkt dat het bovendien Büchs eerste sonnet is.

Ik zag de affiches in de loop der maanden verrotten of verscheurd worden…

herinnerde Büch zich in 1990, nadat hij het affiche eerder al eens als ‘onvindbaar’ had bestempeld. Natuurlijk zijn niet alle exemplaren verloren gegaan. Hans Maarten van den Brink, die Büch kende van het Leidse universiteitsblad Mare, had het affiche op zijn studentenkamer hangen. Prick ontving zijn exemplaar in een kartonnen koker per post. Zelfs Bernadette Gallis zou, pas op de laatste meidag van 1978, nog een affiche krijgen. De laatste vijftien jaar heb ik er zo zeker nog twee of drie gesignaleerd.

In mijn bezit is een exemplaar gemerkt ‘h.c.’ – wat opmerkelijk is, want ook de van 1 tot 100 genummerde exemplaren bleven buiten de handel. Het gebruik van de term ‘hors commerce’ (er bestaan ook exemplaren ‘épreuve d’artiste’) laat zien dat de 29-jarige Büch al goed op de hoogte was van de bibliofiele zeden.

Verrot of verscheurd is mijn affiche niet, wel is het gekreukt en heeft het aan de onderrand waterschade opgelopen. Rechtsonder staat een gesigneerde opdracht van Büch met de toevoeging ‘too late’. In elk geval slaat dat op het feit dat de dichter dit affiche pas in 1981 aan een vriend overhandigde, maar Büch kan hier ook bewust een regel uit het Stones-nummer ‘Hand of Fate’ (1976) hebben aangehaald. Hij wist toen zeker dat de liefde met Bernadette Gallis voorgoed voorbij was. Niets aan te doen.

I’m on the run, I hear the hounds
My luck is up, my chips are down
So goodbye baby, so long now

Hij kuste haar en sloeg het blad om

Typografisch kunstenaar Ewald Spieker heeft zijn werkplaats in hartje Amsterdam. Kees van Kooten woont bij hem om de hoek – ‘zesentwintig passen afstand’, om precies te zijn. De letterlievende buurmannen maakten samen het schitterende boek Letterlust (2003). Daarin bundelden ze hun beider kijk op het alfabet: de een met tekst, de ander met typografie.

Een Amsterdamse uitgever, die vorig jaar meeliep in een georganiseerde Hermans-wandeling door Amsterdam, vertelde me laatst dat de groep Hermansianen toen ook even halt hield bij Spiekers atelier aan de Groenburgwal. Op de smalle stoep van de gracht werd eerbiedig herdacht dat Spieker op deze plek in de herfst van 1981 het speelse boekje Beertje Bombazijn had gemaakt. ‘Dames en heren, kijkt u eens, hier werd de zeldzaamste Hermans gedrukt.’

Het prachtige en ingenieuze drukwerk van Ewald Spieker heb ik pas onlangs ontdekt. Het is lastig om al zijn uitgaven te bemachtigen, zeker het gelegenheidsdrukwerk (nieuwjaarswensen, uitnodigingen). Omdat er geen oeuvrecatalogus of bibliografie van Spieker bestaat, valt er ook geen lijst af te vinken. Uitkomst bieden de vele registers in de door Marieke van Delft en Kees Thomassen samengestelde Bibliografie van marginale uitgaven 1981-1994 (1996).

Ontroerend is de uitgave op groot formaat Vrede Paix Peace Friede (1980), een in memoriam John Lennon, door Spieker gezet en gedrukt daags na het overlijden van de muzikant en vredesactivist. De oplage van twintig exemplaren, bestemd voor gelijkgestemden en ‘not for sale’, kwam gereed op 20 december. Typografisch rouwen: vier verstilde rasterdrukken, ingeleid door de regel ‘only a day’ en afgesloten met ‘give peace a chance’.

Mijn favoriet is het smalle boekje Met-amor-fose (1989), gedrukt in 70 genummerde en gesigneerde exemplaren. Het is een sprookje over ‘een mooie mond’, die het verlangen heeft ‘te vliegen hoog boven de horizon’. In de vierde tekstpagina heeft Spieker een glimlachende mond uitgestanst, twee vuurrode vrouwenlippen. Een prins verwezenlijkt de droom van de mond: ‘hij kuste haar en sloeg het blad om waarop zij stond’.

Wie aldus de bladzijde omslaat, komt op het hemelblauw bedrukte hart van het boekje. De kus is een vlinder geworden, die fladdert met de beweging van de bladzijden, ‘geruisloos de horizon voorbij’. En zo ziet dat eruit.

En de prins? Die had sindsdien ‘de vlinder in zijn buik en zo leefden ze nog lang en gelukkig’.

Die vrouw

Dankzij de ogenschijnlijk goed gedocumenteerde biografie van Willem Otterspeer kent het liefdesleven van W.F. Hermans amper geheimen. In de veertiger jaren was Hermans een rokkenjager, een hitsige adolescent die veel meisjes versleet en er nog veel meer begeerde. Hun namen zijn in De mislukkingskunstenaar (2013) geboekstaafd. Aan Hannie Blind liet Wim voor het eerst zijn piemel zien. Met Jenny de Groot had hij de allereerste keer geslachtsgemeenschap, in de duinen bij Brielle.

Getrouwd was geen excuus, voor Hermans. Hij deed het halverwege de jaren ’40 met Juusje Hartman, Albertien de Wolf, Genia Timmer – alle voor de wet gehuwd. Via het echtpaar Genia en Charles B. Timmer maakte Hermans kennis met de acteur Johan Schmitz en diens echtgenote Reny. Zij waren buren in de Botticellistraat in Amsterdam. Reny Schmitz-Knufman was Hermans’ nieuwste verovering.

In de Hermans-biografie komt Reny tweemaal voorbij, maar Otterspeer laat niet veel meer over haar los dan ‘dat Hermans ook een verhouding had met die vrouw’.

Uit het net opgedoken opdrachtexemplaar van Hermans’ debuutbundel Kussen door een rag van woorden blijkt dat Reny belangrijker voor de schrijver is geweest dan de Hermansianen, Otterspeer voorop, tot dusver hebben aangenomen. In december 1944 schonk Hermans haar een van zijn laatste exemplaren van zijn bundel, met een vleiend-verontschuldigende opdracht: ‘Voor Reny, in de hoop dat zij mij vergeven wil dat ik haar/ zoo welluidende naam op de leege plekken die de vrouwelijke hoofdpersoon/ in het dagboek van Karel R. moesten voorstellen, heb ingevuld’.

Het is mogelijk dat ‘die vrouw’ model stond voor het personage Madelon in de als dagboek gebrachte novelle In de mist van het schimmenrijk, waarnaar Hermans in de opdracht verwijst. Maar Otterspeer hult zich in een wolk van niet weten. De zeven brieven die het echtpaar Schmitz aan Hermans schreef (aanwezig in het Hermans-archief in het Letterkundig Museum) worden in De mislukkingskunstenaar ook niet genoemd.

Geheime lade

Een sleets schrijfbureau van omstreeks 1920, uitgevoerd in walnoten- en beukenhout, met zes bureauladen voorzien van koperen handgrepen staat sinds gisteren te koop bij het Amsterdamse antiquariaat Hopi Bukinan. De prijs is 9500 euro.

Antiek in een tweedehandsboekhandel? De herkomst blijkt louter literair te zijn.

Het cilinderbureau is van Willem Elsschot geweest, meldt antiquaar Harry van Tienen. Hij kocht het in Antwerpen. De beschrijving van het meubel is kort maar zinnenprikkelend. Het bureau heeft namelijk een zevende, ‘geheime’ lade, waarin zich dertien liefdesbrieven uit de periode 1942-1945 bevinden, alle gericht aan Elsschot en ondertekend door ene ‘A. de T.’ De brieven zijn in lila inkt geschreven, worden bijeengehouden door een oudroze lint en ruiken, bijna zeventig jaar later nog, naar lavendel.

In 2004 onthulde Martine Cuyt in haar boek Willem Elsschot. Man van woorden de identiteit van Elsschots minnares: de dichteres Liane Bruylants. Volgens Bruylants had Elsschot nóg een geheime liefde, maar het spoor van Cuyt liep dood.

De antiquaar meldt desgevraagd dat de dertien onbekende brieven aan Elsschot mogelijk van zijn tweede minnares afkomstig zijn. Veel meer wil hij er niet over kwijt: ‘Meer kan ik u er ook niet over vertellen. Ik ga niks over de inhoud van de brieven zeggen. Dan is de lol er voor de eventuele koper af.’

Elsschot-biograaf Vic van de Reijt is zeer verrast door de ontdekking van het bureau en de brieven. ‘Hopelijk mag ik er binnenkort naar komen kijken. Voor een eventuele mystificatie is dit overigens wel erg goed gedaan.’

UPDATE 18-6-2014 Het leek al te mooi om waar te zijn. Binnen een etmaal, waarin Elsschot-kenners herhaaldelijk met elkaar en met mij e-mailden, was het wantrouwen geboren. Harry van Tienen bekent vandaag op NRC Boeken dat bureau en brieven een grote grap zijn.