In de sterren geschreven als opgegeven

In het verhaal ‘Een mooie jonge vriendin’ haalt Remco Campert herinneringen op aan liefde en poëzie in het begin van de jaren vijftig.

Omdat ik voelde dat ik een jonge dichter was – mijn dichterschap bestond toen nog voornamelijk uit het voelen dat ik dichter was – voelde ik ook dat ik een jonge vriendin moest hebben en die moest bij voorkeur mooi zijn.

Maar het waren jaren van schaarste en armoede. Wanneer een mooie jonge vriendin een cadeautje verlangde, moest de dichter zich van zijn vindingrijke kant laten zien.

Je schreef een gedicht op een wc-papiertje en zette eronder: Oplage 1 exemplaar.1

Deze passage in een vermakelijk verhaal is wel meer dan een voorbeeld van Camperts lichtvoetigheid en milde ironie. Het is ook een knipoog naar het gemak waarmee een groep dichters, aan het begin van het decennium waaraan zij hun naam ontleenden, in kleine oplagen uitgaven in eigen beheer vervaardigden. Soms met zeer beperkte middelen, maar altijd met enorme geestdrift. Zo gaven Hans Andreus en Hugo Claus beiden een dichtbundel met illustraties van Karel Appel uit, en liet Simon Vinkenoog als nieuwjaarswens een gedicht met handgekleurde tekeningen van Corneille drukken.2 Campert zelf deed ook een dichtbundel het licht zien, maar in tegenstelling tot de fraai geïllustreerde, bijna bibliofiele bundels van zijn vrienden is Camperts uitgave sindsdien zelden gesignaleerd. Dit is het verslag van mijn zoektocht naar de overgeleverde exemplaren van het zelfgemaakte debuut van Remco Campert: Ten Lessons with Timothy.3 Een dichtbundel, zo vluchtig als een wc-papiertje.

Experimentelen in Parijs

Oktober 1950. Zonder duidelijk doel of aanlokkelijk vooruitzicht stapt Rudy Kousbroek in de nachttrein naar Parijs. In 1949 heeft hij de zomervakantie in de Franse hoofdstad doorgebracht, samen met Remco Campert, die hij kent van de schoolkrant Het Amsterdams Lyceïsten Orgaan, kortweg Halo. Dat bezoek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. Hoewel Campert en hij net vier nummers van hun tijdschrift Braak hebben uitgegeven en hij een verstandige studie wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam is begonnen, vertrekt Kousbroek toch naar Parijs. De aantrekkingskracht van de lichtstad werkt ook op andere jonge kunstenaars en aanstormende schrijvers: Hugo Claus en Elly Overzier hebben net hun intrek genomen in een hotel, Karel Appel en Corneille delen hun eerste Parijse atelier.4 Experimentelen en atonalen voelen zich er thuis. De Cobra-beweging is al op haar hoogtepunt.

Na enkele korte verblijven in Parijs besluit Remco Campert zijn goede vriend op 22 november 1950 achterna te reizen. Hij neemt een dichter, die zich Lucebert noemt, met zich mee. Hun bestemming is Boulevard Jean-Jaurès 21, waar Simon Vinkenoog, sinds twee jaar Parijzenaar, op de vierde verdieping een ruime woning huurt.

Kom hier in het rode buisje en neem Lucebert mee5

had Vinkenoog geschreven. De arme dichters uit Amsterdam mogen voorlopig bij Vinkenoog logeren, al moeten ze voor de maaltijden een vergoeding aan de gastheer betalen.6 Aanvankelijk verdiende Vinkenoog zijn geld als naaktmodel in de ateliers van Léger en Zadkine, nu is hij in vaste dienst bij Unesco. Als Special Requests Documents Officer houdt hij zich binnen de idealistische organisatie bezig met archivering en reproductie. Op elk ander uur van de dag wijdt hij zich aan poëzie en zijn eenmanstijdschrift Blurb.

Na een logeerpartij van een week, waarin Vinkenoog voor het eerst Lucebert hoort voordragen, nemen Campert en Lucebert hun intrek in een goedkoop hotel.7 Lucebert is bij vlagen echter zeer ongelukkig en keert begin december terug naar Amsterdam. Remco Campert trekt op dat moment in bij Kousbroek, die een armzalige kamer huurt in Hôtel Beauséjour.8 Het vriest overdag flink: de Amsterdamse jongens zoeken verwarmde cafés op om er hun gedichten te schrijven. Als Vinkenoog een paar dagen voor Kerst met Juc Cohen op huwelijksreis naar Londen gaat, mogen Campert en Kousbroek op zijn woning passen. Zo zitten de redacties van Braak en Blurb korte tijd onder één dak.

Ik zal het prettig vinden als jullie terug zijn, tot die tijd dan maar Lodeizen en Pound. De ondergang van de familie B. wordt mij uit Holland opgestuurd, zodat ik van trieste literatuur niet verstoken zal zijn.9

schrijft Campert aan het echtpaar.

In Een zachte vernieling, een sleutelroman over deze jaren, geeft Hugo Claus mooie omschrijvingen van Remco Campert, alias ‘Emile’, en van Simon Vinkenoog, hier ‘Floris’. Het is Campert die

zwijgzaam, hoogrood en hortend als je onverwacht iets tegen hem zei, behoedzaam door het appartement schuifelde op zijn sokken, alles dronk wat hij zag; het liefst jazztrompettist wilde worden, maar er was iets mis met zijn longen.

En dan Vinkenoog

die een absurd uitgroeiende documentatie aanlegde van wat er over de geschiedenis, de zeden en gewoonten van die lugubere Parijse tijd gepubliceerd werd; knipte en plakte en ordende en catalogiseerde.10

In dit klimaat van schrijven, lezen en drinken besluiten Campert en Kousbroek, omstreeks de jaarwisseling 1950-1951, allebei een bundel van tien gedichten te drukken. Dankzij bemiddeling van Vinkenoogs echtgenote heeft Kousbroek intussen een baantje bij het International Theatre Institute, twee jaar eerder door Unesco opgericht. Daar maken de jonge dichters heimelijk gebruik van de reproductiemogelijkheden. Campert bewaart er een warme herinnering aan.

In het gebouw van die organisatie vermenigvuldigden Rudy Kousbroek en ik meer dan zestig jaar geleden op een stencilmachine onze poëzie, die we vervolgens trachtten uit te venten op de Parijse boulevards. Daar was die stencilmachine niet voor bedoeld. Eerder voor dikke rapporten, maar de mazen in het Unesco-net waren groot. Rudy had er een nederig baantje. Met de beveiliging van nu zou ik het gebouw nooit zijn ingekomen. Het was een koude winter, maar in ons hart brandde het heilig vuur.11

Kousbroek geeft zijn uitgave de titel 10 variaties op het bestiale mee, terwijl Campert zijn cyclus Ten Lessons with Timothy doopt. De oplagen bestaan uit 25 genummerde en gesigneerde exemplaren, aldus de colofons.

Nu, vijfenzestig jaar later, zijn beide bundels praktisch onvindbaar. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is in het bezit van Kousbroeks uitgave, maar die van Campert is in geen enkele bibliotheek of kunstinstelling in Nederland te vinden. In de bibliografie van Campert voor de Mededelingen van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum komt de bundel niet voor. In Brinkman’s Cumulatieve Catalogus is de uitgave ook niet te vinden. Bibliografen hebben de dichtbundel nooit te pakken gekregen. Tot op heden was het enige bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy dat van Simon Vinkenoog.

Gehad noch gezien

Vinkenoog ontvangt het allereerste nummer van de oplage op 5 januari 1951, op de dag dat hij van zijn huwelijksreis uit Engeland terugkeert.12 De datum is bekend vanwege een korte handgeschreven opdracht van Campert, en omdat Vinkenoog zijn exemplaar altijd heeft bewaard – gekoesterd past hier misschien beter: Vinkenoog verwijderde de nietjes in de linkermarge en zette de bundel vast in een halflinnen map, zodat de veertien kwetsbare vellen niet zouden kreuken. Het was ook zijn exemplaar dat werd gefotografeerd voor en afgebeeld in het schrijversprentenboek De beweging van vijftig.13 Terugblikkend op zijn Parijse jaren kon Vinkenoog zich later eigenlijk niet voorstellen dat er meer exemplaren waren overgeleverd:

de exemplaren in mijn bezit van Camperts 10 lessons with Timothy (naar een gelijknamige grammofoonplaat van Dizzy Gillespie) en Kousbroeks 10 variaties op het bestiale dragen ieder nr. 1. En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.14

Zouden Campert en Kousbroek inderdaad, als dank voor de huisvesting, hun vriend als enige een exemplaar hebben gegeven?

In de loop der jaren schonk en verkocht Vinkenoog af en toe schrijverscorrespondentie, boeken uit zijn bibliotheek en schilderijen aan handelaren, instellingen en verzamelaars. Zo kon het Amsterdamse antiquariaat Schuhmacher Vinkenoogs exemplaar van Ten Lessons with Timothy in 2000 beschrijven en te koop aanbieden in een aan opdrachtexemplaren gewijde catalogus. In oktober 2011 vond dit exemplaar, na te zijn aangeboden in een Vlugschrift, in één dag tijd een nieuwe eigenaar.15 Wilma Schuhmacher, de grande dame van het Nederlandse antiquariaat, kent geen tweede exemplaar.16 Andere in Nederlandse literatuur gespecialiseerde antiquariaten hebben de uitgave nooit gehad.17 Bij het grootste boekenveilinghuis van Nederland is nimmer een exemplaar onder de hamer gekomen.18

Zeldzame boeken zijn, voor een verzamelaar die zelf in het antiquariaat werkzaam is, een uitnodiging; zogenaamd onvindbare uitgaven vormen een uitdaging. Maar op de lange lijst van mogelijke eigenaren van Ten Lessons with Timothy moest ik keer op keer een naam doorstrepen. Karel N.L. Grazell, die in Amsterdam in 1950 en 1951 vaak achter Camperts schrijfmachine te vinden was, heeft de bundel gehad noch gezien.19 Letterkundige Braak-abonnees als Jan Hanlo, Ferdinand Langen en Nico Lijsen hebben geen exemplaar gekregen of gekocht.20 Rondvragen en zoeken in de omgeving van de Vijftigers leverde ook niets op. In de boekenkasten van Hans Andreus en Hugo Claus is de bundel niet te vinden.21 In de bibliotheek van Jan G. Elburg werd het door zijn biograaf niet aangetroffen.22 Zelfs Kousbroeks exemplaar is spoorloos.23 En de Keizer der Vijftigers? De inventaris van de boekenkast van Lucebert geeft niet thuis.24

Simon Vinkenoog was al sinds eind 1946 bevriend met Kees Lekkerkerker. Ze kenden elkaar uit kringen rond het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) in Amsterdam. Ook na Vinkenoogs vertrek naar Parijs blijft Lekkerkerker een van zijn literaire raadgevers. Hoewel Lekkerkerker zich in deze jaren volledig stort op de moeizame tekstbezorging van Slauerhoff en De Haan, volgt hij de jongste literaire ontwikkelingen op de voet. Zo is hij geabonneerd op eendagstijdschriften als De dualist en Spleen, en probeert hij obscure uitgaven in eigen beheer te pakken te krijgen. Wanneer Vinkenoog hem begin 1951 iets over een bundel van de onbekende Remco Campert schrijft, is zijn nieuwsgierigheid gewekt. Maar Lekkerkerker vist vermoedelijk achter het net.

Dat bundeltje van Remco Campert: Ten lessons with Timothy komt in zijn geheel in het volgende nummer van Podium25

deelt Vinkenoog hem tot troost mee.

Weggedaan, verdwenen

Particuliere verzamelaars treden niet graag met hun collectie uit de schaduw. De bibliofielen die ik benaderde verleenden wel hun medewerking, maar bleken zelden erg mededeelzaam. Tientallen brieven, telefoontjes, e-mails: het spoor liep telkens dood. Alleen Gert Jan Hemmink, collectionneur par excellence, komt met goed nieuws: hij heeft in de loop der tijd ‘diverse exemplaren’ van Camperts uitgave gezien.

Mijn exemplaar kocht ik bij Geerts’ Boekhuis in Arnhem, eind jaren ’60, een tweedehandsboekwinkel tegenover Gysbers & van Loon. Bij Geerts, een heer op leeftijd, kocht ik ook Braak, Blurb, enzovoorts. Hij was al jaren zijn voorraad aan het inventariseren, maar is nooit verder dan de letter D gekomen. Op een bepaald moment heb ik het werk van Remco Campert weggedaan, toen is ook Ten Lessons verdwenen.26

Waar dit exemplaar is gebleven, herinnert Hemmink zich niet. Wel weet hij zeker dat hij bij de uitgever en bibliofiel Johan Polak, die immers ook op Het Amsterdams Lyceum had gezeten, ooit een exemplaar in handen heeft gehad.27 In de veilingcatalogus van diens imposante bibliotheek is evenwel geen Ten Lessons with Timothy beschreven.28 Polaks biograaf stelt mijn verwachtingen bij:

Over het archief en de bibliotheek van Johan Polak zijn al veel verhalen verteld, vooral door (anonieme) mensen die zeggen bevriend met hem te zijn geweest. Iedereen heeft van alles gezien, maar ik moet het allemaal nog maar zien.29

De regel ‘in alle huizen waar ik kom liggen van mij boeken’, uit Camperts gedicht ‘ik, ik, ik’, geldt tegenwoordig allerminst voor zijn zelfgemaakte debuut.30

Dat de in 2009 gemaakte beschrijving van Luceberts bibliotheek geen melding maakt van Ten Lessons with Timothy, wil niet zeggen dat de dichter-kunstenaar nooit een exemplaar heeft gehad. De Amsterdamse tandarts C.A. (Kees) Groenendijk kocht vanaf de jaren ’50 tekeningen en soms boeken rechtstreeks van Lucebert; zijn Lucebert-verzameling ging in 1986 over naar het Stedelijk Museum.31 Toen Lucebert, Bert Schierbeek en hun beider geliefde Frieda Koch nog hun domicilie hadden in Van Eeghenstraat 152 Van Eeghenlaan 7, heeft Groenendijk vermoedelijk een Ten Lessons with Timothy bemachtigd.32 Antiquaar André Swertz kocht het vervolgens van Groenendijk en verkocht het aan poëzieliefhebber Wim van Til.33 Die deed het op zeker moment weer over aan Swertz, zodat deze hetzelfde exemplaar opnieuw kon verkopen, nu aan de Belgische bibliofiel Dirk-Emma Baestaens.34 Dit exemplaar, het tweede mij bekend, is eveneens genummerd ‘een’ en gesigneerd, maar is te onderscheiden van andere exemplaren doordat de laatste vellen in de rechteronderhoek lichtelijk verschroeid zijn. De bundel heeft ooit iets te dicht bij een brandende sigaret gelegen. De schuldige laat zich niet meer kennen; vrijwel alle Vijftigers rookten.

Dubbelgevouwen

Behalve met Lekkerkerker correspondeerde Vinkenoog ook intensief met Ad den Besten.35 Op zestienjarige leeftijd was Den Besten gedebuteerd als dichter in het protestantse tijdschrift Opwaartsche Wegen, kort na de oorlog kwam hij als lector in dienst bij de christelijke Uitgeversmaatschappij Holland. Den Besten was altijd geïnteresseerd in de literatuur van dit moment. Na enkele vergeefse pogingen slaagt hij er in februari 1950 in de poëziereeks De Windroos te beginnen, waarvoor hij als enig redacteur de verantwoordelijkheid draagt. In De Windroos wil Den Besten vooral werk uitgeven van jonge dichters, die hij stimulerend en kritisch begeleidt. Vinkenoog debuteert in de laatste week van 1950 in De Windroos met de bundel Wondkoorts. In de hieraan voorafgaande correspondentie tussen Den Besten en Vinkenoog komt Remco Campert een paar keer voor. Dat Ad den Besten begin 1951 een exemplaar van Ten Lessons with Timothy ontvangt, is hoogstwaarschijnlijk te danken aan Vinkenoogs enthousiasme voor Camperts verzen.36

Het exemplaar van Den Besten, alweer genummerd ‘een’, staat decennialang in de boekenkast: dubbelgevouwen heeft het bijna hetzelfde formaat als een bundel in De Windroos. In 2011 moet Den Besten, die aan Alzheimer lijdt, verhuizen naar een verpleeghuis. Een deel van zijn boekerij gaat naar Tjerk de Reus, die werkt aan een proefschrift over Den Besten. In december biedt De Reus op internet de uitgave aan. Ik mag mezelf een maand later de gelukkige koper noemen. De opbrengst van Den Bestens exemplaar komt volledig ten goede van diens biografie.

Ad den Besten was een kritische lezer, die in de kantlijn van de poëzie aantekeningen maakte. Zo voorzag hij het begin 1951 in het tijdschrift Podium afgedrukte gedicht ‘Lente suite voor Lilith’ van Lucebert met potlood veelvuldig van commentaar. Onder het woord ‘torrelt’ zette hij een streep en de opmerking: ‘oubol’, naast de bekende ‘kyrie eleison’-passage noteerde hij:

hoe draag je dat voor? overvloed van leestekens gewenst. waarom niet ki ka ko?

Ook in Ten Lessons with Timothy staan in potlood en inkt enkele strepen. Den Besten schrapt bovendien twee regels in het negende gedicht en twee strofen in het tiende gedicht.

Uit de enig bewaard gebleven brief van Den Besten aan Campert spreekt dezelfde kritische houding. Op 13 januari 1951 reageert Den Besten, met het oog op een uitgave, op een door Campert toegestuurde verzameling verzen. Op de vijftien gedichten die hij de moeite van het bundelen waard vindt, geeft hij beargumenteerd commentaar, beleefd doch ‘unverfroren’.37 Sommige dichtregels vindt Den Besten ‘zomaar vervelend’. Een algemene opmerking luidt:

Waarom doe je toch zo op-de-hoogte-van-de-moderne-techniek, terwijl je veelal met die gegevens niets doet, ze alleen noemt en uitstalt?38

Den Bestens begeleiding resulteert in de zomer van 1951 in Vogels vliegen toch, het officiële debuut van Remco Campert, de veertiende bundel in de reeks De Windroos.

Uitgevent en weggegeven

Gewend om niet alles te geloven wat gedrukt staat, schrijf ik Remco Campert een brief over zijn in eigen beheer uitgegeven debuut. Of de oplage werkelijk maar 25 exemplaren bedraagt? Ergens koester ik de hoop dat Campert een exemplaar tevoorschijn zal toveren. Sterker, het is niet ongebruikelijk dat schrijvers een stapeltje of doosje exemplaren van hetzelfde boek op zolder hebben staan. En anders weet hij de bundel misschien te traceren.

De dichter herinnert zich weinig meer:

Een paar exemplaren hebben we uitgevent op de Boulevard St. Michel aan Nederlandse Parijsbezoekers, de rest weggegeven aan vrienden (zoals Simon V.) en kennissen. Aan wie allemaal is uit mijn geheugen gewist; het is lang geleden. Zelf heb ik geen ex. meer.39

Remco Campert is überhaupt nooit een verzamelaar of bibliograaf van zijn eigen werk geweest. Tien jaar na het Braak-avontuur moest hij een medewerker van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum bekennen geen enkel nummer van zijn eigen tijdschrift bewaard te hebben, ‘gevolg van grote slordigheid’.40

Dit was niet de eerste keer dat een verzamelaar de dichter over diens debuut aansprak. De Haagse bibliofiel Simon van Wouwe deed het dertig jaar geleden ook, kort nadat hij Ten Lessons with Timothy pardoes in bezit had gekregen.

Ik liep de toenmalige antiquarische afdeling van boekhandel H. de Vries in Haarlem binnen. En daar, in de vitrine, lag Camperts debuut. Nummer één van de oplage. Prijs: fl 39,50. Ik sprong natuurlijk een gat in de lucht.

Toen Van Wouwe Campert later in de koffiehoek van Athenaeum Boekhandel op het Spui zag zitten, sprak hij hem aan.

Ik vertelde dat ik Ten Lessons had gevonden. Hij wilde het onmiddellijk van mij kopen. Dat wilde ik natuurlijk niet. Ik was toen heel serieus Vijftigers aan het verzamelen. André Swertz was in 1977 met zijn catalogus De Vijftigers gekomen en die vroeg heel andere prijzen.41

Over de herkomst van Van Wouwe’s exemplaar, dat ook dubbelgevouwen is geweest, is niets bekend.

Warme verwarring dichten

Ten Lessons with Timothy laat zich lezen als een neerslachtig relaas van Camperts verblijf in Parijs. ‘Het was een koude winter’… De barre decembermaand van 1950 is het decor van de tien gedichten. In het eerste gedicht vriezen ’s nachts ‘sterren in de stoepen’ en ‘drukken wij plakplaatjes van vogels/ op de bloemenruiten af’. Bomen zijn ‘bijna ontzield’, takken zijn dood, een sloot is bedekt met ‘stijfgevroren water’. Er wordt naar warmte verlangd. In het vierde gedicht loopt ‘een jongetje in matrozenkleren’ verwonderd te dwalen op ‘het warme strand’. Maar de dichter realiseert zich – want ‘hoe ver is van hier’ – dat dit slechts een vaag verlangen kan zijn. Melancholisch zijn het derde en vijfde vers, waarin ‘Moldau en Seine/ twee eendere rivieren zijn/ door dezelfde bruggen ingesnoerd’ en ‘alles [scheen] te zijn geplaatst onder een adembenemende glazen stolp’.

Droevig en bijna meelijwekkend is het negende gedicht, dat opent met de fraaie regel: ‘het verstilde gelaat van alles in kou’. Kranten slaan ‘een krans van gestolde bloedkorrels’ om het voorhoofd.

ik loop geen bontkraag van warmte
over dit gezicht
geen vijftiende eeuws gedicht
ik sta in de sterren geschreven
als opgegeven

De tweede strofe van ‘9.’ heeft een romantisch citaat van Lucebert, uit diens gedicht ‘de amsterdamse school’, waarvan de inkt toen nog nat was (‘we schrijven dichters 2 nov 1950’ is de datering in het gedicht) en dat net was verschenen in het novembernummer van Braak. Aan het slot van Camperts vers is weer de triestheid, die toch ook een glimlach oproept.

‘ik wil alleen wonen
tussen mijn alleenstaande ledematen’
maar in mijn lichaam
zijn altijd kamers te huur
voor de laagstbiedende
en ik verwissel de nummers
om warme verwarring te dichten

In het tiende en laatste gedicht wordt de Timothy uit de titel drie keer rechtstreeks aangesproken en een les geleerd. Het gedicht opent met een uitzicht op Parijs: ‘Timothy/ de daken zijn swinters/ spiegels alleen voor sterren’. Timothy – en ook de lezer – moet naar jazzmuziek luisteren uit ‘de glazen piano van papa Tristano’. Verder staan er in dit gedicht louter inzichten van uitzichtloosheid en metaforen van vergeefsheid. Seinen van ‘reeds gestorven planeten’ zijn ‘onontcijferbaar’ en wij zijn gedoemd ‘een sleutel te zoeken/ die verroest is en vergaan’. Dit is het enige gedicht uit de bundel, volgens het colofon ‘geinspireerd op de gelijknamige gramofoonplaat van Dizzy Gillespie’, waarin sprake is van muziek: ‘barre vogel van Klee/ vliegend in een zacht getinte poolnacht’ luidt de associatie.

Paarsrode balpen

Van slechts vier exemplaren van Camperts absolute debuut is nu de verblijfplaats bekend. Het is opmerkelijk dat alle getraceerde exemplaren van Ten Lessons with Timothy in het colofon nummer ‘een’ hebben meegekregen. Vijfenzestig jaar na dato heeft Campert wel een vermoeden waarom ze dat deden:

ik denk dat we iedereen nummer 1 gunden. En ook uit een soort jonge honden speelsheid.42

De nummers en handtekeningen in de vier colofons zijn vrijwel identiek: waarschijnlijk is de gehele oplage op hetzelfde moment genummerd en gesigneerd met dezelfde paarsrode balpen.

Slechts vier? Vooralsnog vier. De Amerikaanse antiquaar H.P. Kraus merkt in zijn autobiografie op:

In this business, you never assume that six copies exist because six are recorded. There could be another one. There could be, though not likely, another six.43

Na een zoektocht van vier jaren weet ik alleen niet of dit nu troostend of verontrustend is.

Dit verslag van een zoektocht naar het debuut van Remco Campert verscheen in De Parelduiker, jrg. 20, afl. 4 (september 2015). Een uitgebreide en herziene versie was de losse bijlage van de herdruk van Ten Lessons with Timothy (2016).


Noten

1. Remco Campert, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (Amsterdam 1999), p. 13.
2. Hugo Claus en Karel Appel, De blijde en onvoorziene week (Parijs 1951); Hans Andreus en Karel Appel, De ronde kant van de aarde (Parijs 1952); Simon Vinkenoog en Corneille, Driehoogballade (Parijs 1950). Ondanks hun kleine oplagen (200, 100, resp. 60 stuks) duiken exemplaren van deze uitgaven geregeld in de (kunst)handel op.
3. Vergelijkbare zoektochten naar en inventarisaties van (alle) exemplaren van één specifieke Nederlandse twintigste-eeuwse uitgave zijn eerder ondernomen. Marco Goud traceerde in Een ondraaglijke drukfout (Woubrugge 2005) elf van de veertien exemplaren van Boutens’ Naenia en Anneke de Vries beschreef in het Ploeg Jaarboek (Groningen 2008) de kopers van de eerste suite Chassidische legenden van H.N. Werkman, terwijl De Vries samen met Paul van Capelleveen voor de website van de Koninklijke Bibliotheek een census van Werkmans Hot Printing maakte. In de Angelsaksische wereld valt te denken aan de catalogus bij de tentoonstelling van 24 ‘eerste’ exemplaren van Joyce’ Ulysses door Glenn Horowitz (New York 1998) en de diepgravende studie van William S. Peterson en Sylvia Holton Peterson, The Kelmscott Chaucer. A Census (New Castle 2011).
4. Zie voor een overzicht van Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs: Paul Arnoldussen, Rue d’Amsterdam (Amsterdam 2002) en Diederik Stevens, Hoogtij langs de Seine (Amsterdam/Antwerpen 2012). Het laatste boek geeft veel data en adressen.
5. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 15 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1. Het ‘rode buisje’ is vermoedelijk een verwijzing naar de in 1914 vermoorde socialistenleider Jean Léon Jaurès.
6. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 28 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1.
7. Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert (Amsterdam 2004), p. 230.
8. Remco Campert, ‘Rue Mouffetard’ in: de Volkskrant, 12 juli 2014.
9. Brief Remco Campert aan Juc Cohen en Simon Vinkenoog, 28 december 1950. Collectie Letterkundig Museum. Signatuur: C 01463 B 1.
10. Hugo Claus, Een zachte vernieling (Amsterdam 1988), p. 82.
11. Remco Campert, ‘Slaperig en immaterieel’ in: de Volkskrant, 12 maart 2011. Opgenomen in: Remco Campert, Het verband tussen de dingen ben ik zelf (Amsterdam 2012), p. 79.
12. De newlyweds verbleven van 22 december 1950 tot 4 januari 1951 in Londen. Zie: Hans Andreus en Simon Vinkenoog, Brieven 1950-1956. Inleiding, tekstverzorging en aantekeningen door Jan van der Vegt (Baarn 1989), p. 63.
13. Gerrit Borgers, Jurriaan Schrofer, Simon Vinkenoog en Ellen Warmond (samenstelling), De beweging van vijftig (Amsterdam/Den Haag 1965), p. 35 en 51.
14. Simon Vinkenoog, ‘Sprokkelen in de herinnering: de nederlandse 5-tigers’ in: Diagram, jrg. 1, afl. 1 (januari 1963), p. 5.
15. Antiquariaat Schuhmacher, Catalogus 236 De Tooverfluit: 608 Boeken in eerste druk met opdrachten van Nederlandse & Vlaamse schrijvers – in vriendschap – voornamelijk aan mede-auteurs (Amsterdam 2000), nummer 78; Antiquariaat Schuhmacher, Vlugschriften, 24 en 25 oktober 2011; ‘Camperts debuut 61 jaar dichter’ in: de Volkskrant, 29 oktober 2011.
16. Mededeling Wilma Schuhmacher aan mij, 6 maart 2013.
17. Mededeling René Hesselink aan mij, 14 maart 2012; mededeling Fokas Holthuis aan mij, 16 januari 2012; mededeling Berend Immink aan mij, 13 februari 2012; mededeling Han Rouwenhorst aan mij, 25 juni 2012.
18. Mededeling Jeffrey Bosch aan mij, 26 juni 2012; mededeling Bubb Kuyper aan mij, 27 augustus 2012.
19. Mededeling Karel N.L. Grazell aan mij, 23 februari 2012.
20. Mededeling Ser J.L. Prop aan mij, 26 maart 2012; mededeling Ferdinand Langen aan mij, (10 juni 2013); mededeling Michiel Schierbeek aan mij, 2 juli 2012.
21. Mededeling L.J.A. van der Zant-Paulides aan mij, 11 juli 2012; mededeling Veerle Claus-De Wit aan mij, 5 augustus 2012.
22. Mededeling Jan van der Vegt aan mij, 25 juni 2012.
23. Mededeling Sarah Hart aan mij, 16 februari 2012.
24. Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert. Bibliotheek van een dichter (Nijmegen 2009).
25. Brief Simon Vinkenoog aan Kees Lekkerkerker, 19 april 1951. Collectie erven Lekkerkerker. Met een enkele wijziging verschijnt de cyclus van tien gedichten in: Podium, jrg. 7, afl. 2 (maart-april 1951), p. 81-86.
26. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 3 februari 2012.
27. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 24 februari 2012.
28. Veilinghuis J.L. Beijers, The bibliophile and scholarly library of the late J.B.W. Polak (1928-1992) (Utrecht 1993).
29. Mededeling Koen Hilberdink aan mij, 12 maart 2012.
30. Vijf 5tigers (Amsterdam 1958), p. 36.
31. Website, 20 mei 2014.
32. Mededeling André Swertz aan mij, 3 februari 2012.
33. Mededeling Wim van Til aan mij, 12 februari 2012; mededeling André Swertz aan mij, 25 januari 2013.
34. Mededeling Dirk-Emma Baestaens aan mij, 2 april 2013.
35. Tjerk de Reus, ‘Biografische schets van Ad den Besten’ in: Dader van het woord. Over Ad den Besten (Rotterdam 1998), p. 4-87.
36. Brief Simon Vinkenoog aan Ad den Besten, 30 september 1950. Geciteerd in: Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 193.
37. Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 192-195.
38. Fotokopie van brief Ad den Besten aan Remco Campert, 13 januari 1951. Collectie erven Den Besten.
39. Brief Remco Campert aan mij, 30 januari 2012.
40. Brief Remco Campert aan Kees Lekkerkerker, 1 juni 1960. Geciteerd in: Antiquariaat Fokas Holthuis, Catalogus 61 Het Lachende Boek (Den Haag 2012), nummer 14.
41. Mededeling Simon van Wouwe aan mij, 23 maart 2013.
42. Brief Remco Campert aan mij, 19 februari 2012.
43. H.P. Kraus, A Rare Book Saga (New York 1978), p. 144.

Roddels en revelaties

In de net verschenen Du Perron-catalogus staat maar weinig dat niet door de schrijver in hoogst eigen persoon is aangeraakt: een visitekaartje, een ten geschenke gegeven dichtbundel, een boek uit zijn bibliotheek, een handgeschreven gedicht. Voor de prijs van drie romans, twee dichtbundels en een literaire scheurkalender is het mogelijk de zweem van een vingerafdruk van E. du Perron of een door hem gelikte postzegel in huis te halen.

Soms heb je weinig woorden nodig om een handschrift aan de man te brengen. Centimeters, regels, doorhalingen, varianten, citaatje – een goede afbeelding doet de rest. De langste beschrijving in de nieuwe catalogus valt onder ‘Varia’ en betreft een onthullend pak brieven van Fred Batten, een Du Perron aanbiddende jongeman en na diens dood in 1940 zijn plaatsvervanger op aarde. Battens handschrift, ook in deze epistels, is amper van dat van Du Perron te onderscheiden. De samenvatting van Battens brieven aan Kees Lekkerkerker is ruim 1100 woorden groot – en nog te kort.

De rode draad in de correspondentie, die al in 1937 aanvangt, is natuurlijk Du Perron. Wat Lekkerkerker met Slauerhoff doet (zeldzame uitgaven opsporen, tijdschriftbijdragen overschrijven, andere aanbidders afvallen), doet Batten met Du Perron. Het zijn echter de roddels en revelaties in de brieven die naar meer smaken.

Vestdijk heeft een ‘onuitroeibaar dienstbodecomplex’, vindt Batten, Van Schendel is volgens hem de ‘merkwaardigste grijsaard in ons land’ en Voeten gaat met een schattige en schatrijke juffrouw een kapsalon runnen. Batten waarschuwt uitgever Veen via Lekkerkerker voor de oud-leden van het in 1936 opgeheven Louis Couperus Genootschap: dat zijn ‘deftige strebers, kletsmeiers en halfzachten’. Henri van Booven, eerste voorzitter van de club en Couperus-biograaf, is bovendien ‘reeds enige jaren een notoir fascist’.

In zijn lange monologen voor Lekkerkerker schrijft Batten ook over zijn geheime werkzaamheden voor de met A.A. Balkema en Adriaan Morriën opgerichte uitgeverij Het Zwarte Schaap. Dankzij zijn contacten in de literaire wereld is hij snel op de hoogte van de bekende roofdruk van de herdenkingsuitgave voor Du Perron en Ter Braak. Op 27 maart 1942 meldt hij Lekkerkerker vol afschuw:

Misschien heb je gehoord dat het gedicht van Roland Holst: In Memoriam E.d.P. et M.t.B onlangs door een smerigen anonymus voorzien van een allergoedkoopste inleiding met grapjes over de “siamese tweeling” e.d. zonder toestemming van A.R.H. clandestien herdrukt is in een fraaie uitvoering? De uitgave gaat hier voor fantastiese prijzen: ‘sGr. liet mij zijn ex. zien dat f 5,50 gekost had en vertelde mij dat een ander er reeds f 25.- voor had betaald. In de 18e eeuw was er hier te lande een tulpenzwendel en dit is nu een beschamende zwendel met boeken.

Van de zich al tijdens de oorlog ontwikkelende windhandel in illegale uitgaven zijn andere gevallen bekend. De ironie wil dat de bewuste roofdruk, door Batten gezien als een smet op de net gebeitelde grafsteen van Du Perron, tegenwoordig voor grof geld verhandeld wordt. Beschamend is de handel in clandestiene boeken allang niet meer.

In pak op bed

Jeroen Brouwers, die hem over de vloer kreeg in verband met het bibliografisch bulletin van het Letterkundig Museum, vond hem ‘een kletsmeier’ en ‘een klepzeikerd’, die urenlang zijn ‘abortuskoffer’ op schoot bleef houden. Volgens Theo Sontrop bevond zich in die grote tas, behalve veel papier, een levende ringslang. Adriaan van Dis, student Nederlands, hoorde het verhaal dat hij in een leren pak feestjes gaf en vergiftigde petitfours uitdeelde.

Aan anekdotes over Kees Lekkerkerker geen gebrek.

In de afgelopen maandag feestelijk gepresenteerde biografie Lagere aap. Het leven van Kees Lekkerkerker richt Menno Voskuil zich minder op de maffe mythes en meer op de feiten.

De belangrijkste bron voor zijn boek is het archief van Lekkerkerker zelf. De schatbewaarder van Slauerhoff legde zijn eigen leven al even minutieus vast in talloze autobiografische en bibliografische aantekeningen, tientallen correspondenties en honderden foto’s. Lekkerkerkers gearchiveerde agenda’s gaan terug tot de jaren ’60.

In het goed geordende archief zijn tevens te vinden: uitgeknipte horoscopen, de toegangskaart tot de leeszalen van de Koninklijke Bibliotheek van België, het schema van zijn boekenkastindeling, de Pas 65, sollicitatiebrieven, treinkaartjes.

Voor Lagere aap is een ruime keuze gemaakt uit de fotoalbums van Lekkerkerker. Hij was overal te vinden: aan het souper met Jan Hanlo en J.W. Hofstra, op een kameel, aan boord van de MS Bloemfontein, in de achtertuin van Ed. Hoornik.

Mijn favoriete foto is afgedrukt op pagina 12 van de biografie. Te zien is een 25-jarige Lekkerkerker, met gepommadeerd kapsel en strakke middenscheiding, in driedelig pak, schoenen gepoetst – en hij ligt op bed. Op het tafeltje naast hem staat de belangrijkste literatuur van dat moment, zoals een aflevering van het (toen net opgeheven) tijdschrift Forum.

Lekkerkerker probeert zo ontspannen mogelijk te ogen, met een achteloze linkerhand op een linkerknie, maar hij wil zijn pak ook niet kreuken. In zijn rechterhand bevindt zich een opengeslagen boek. Het boek is nooit ver weg bij hem. Dit is geen vasthouden meer, maar omarmen.

Kont aan kont

Toen ik nog doorging voor ambitieus student Nederlands, in het jaar 2005, heb ik in twee maanden tijd 73 brieven van Pierre Kemp overgetikt en veredeld met 207 voetnoten. Bij een even grondige als gezellige opruiming in de archieven van Fokas Holthuis waren allerlei brieven van velerhande schrijvers tevoorschijn gekomen. Rijp en groen.

De schepranden van Verwey, het briefhoofd van Hermans. De foliovellen van Erens, het blocnootje van Hillenius.

In een rode overslagmap trof ik een stapel zeer leesbare brieven van Kemp aan. Alle ongepubliceerd. Ik kreeg ze te leen mee naar huis, ten behoeve van een bachelorscriptie editietechniek. Thuis leerde ik pas dat alle brieven aan dezelfde persoon gericht waren: E.F. Tijdens, oriëntalist en huidarts te Maastricht.

‘Het resultaat is zonder meer publicabel,’ oordeelde een professor in Groningen over mijn scriptie, maar het recht op publicatie bleek voorbehouden te zijn aan een professor in Maastricht. Van Kees Lekkerkerkers theorie over hoge en lage apen zou ik pas enkele jaren later kennisnemen.

Tezelfdertijd las ik in Bouwval van Frans Kellendonk het gepolijste verhaal ‘De waarheid en mevrouw Kazinczy’. Hoofdpersoon Van Stakenburg bezorgt een editie van opgedoken brieven van Vossius aan een zekere John Latham. Herkenbaar. Maar de brieven van Vossius blijken aan het eind van het liedje vervalsingen te zijn. ‘Each and every one of them utter frauds’. Van Stakenburgs transcripties belanden in de prullenmand.

Mijn ongepubliceerde scriptie Uw licht, dat niet anders dan Oosters-scherp kan zijn ingesteld belandde ten minste in de literatuurlijst van de Kemp-biografie. De originele brieven van Pierre Kemp gingen retour Den Haag. Plus een pakketje vers drukwerk.

Op de bodem van de rode map had ik een vel papier gevonden dat niets met Kemp of Tijdens te maken had. Het was een fragment van een brief, in doorslag, van de letterkundige Karel Reijnders. De geadresseerde was niet meer te achterhalen, dit was het tweede vel. Het brieffragment ging over Reijnders’ belevenissen na de promotie van Frans A. Janssen, in een Chinees restaurant te Amsterdam, waar W.F. Hermans ook opdook. Interessant genoeg om te verwerken in een geschenkdruk.

Kont aan kont met genoemde WF werd ontleend aan een late brief van KR. De tekst, gezet uit de 16-punts Bodoni, werd gedrukt op de pers van het Grafisch Centrum te Groningen door Nick ter Wal. De oplage bedraagt 4 exemplaren, bestemd voor de oprechte bibliofiel Fokas Holthuis – als dank voor het geleende papieren speelgoed. Dit is nummer [].

Onder dit colofon drukte ik een gele bol met een zwarte accolade door het midden. De ontvanger van de geschenkdruk zag er meteen de beoogde kont in.

Jongens aangeboden

Rond1900.nl plaatst vandaag een oproep van literatuuronderzoeker Rob Delvigne (u weet wel, Hermans in de prijzen) over Jacob Israël de Haan. Delvigne, bezorger van menige De Haan-herdruk en bezorger van De Haans nooit in de handel verschenen brieveneditie, zoekt de ‘artist’ die model stond voor René Richell, het duivelse personage uit Pathologieën (1908). Het model moet gezocht worden in de hoek van de kunstenaars en boekbandontwerpers.

In het verlengde hiervan vraagt De directeur zich al maanden af wie ooit De Haans brochure Jongens aangeboden heeft gezien of – mooier nog – bezit. Geen enkele bibliotheek heeft het kleinood in de collectie. K. Lekkerkerker zocht zich van 1949 tot 1952 suf, ten behoeve van zijn De Haanbibliografie, maar vond slechts een bespreking in een krant.

De eerste druk van De Haans Pijpelijntjes (1904) wordt vaak het zeldzaamste boek uit de Nederlandse literatuur genoemd: van de hele oplage hebben hooguit 20 exemplaren de boekverbranding overleefd. Boutens’ gedicht Naenia, gedrukt in een oplage van slechts 12 exemplaren, komt daar overheen. Maar een boek dat decennialang niet is aangetroffen, mogelijk niet meer bestaat? Welk predicaat?

A. Marja: Tuinbouwstraat 65-B

De exacte datum is mij niet bekend, maar in het voorjaar van 1939 verruilde A. Marja zijn ouderlijk huis voor een kamer in Groningen. De jonge dichter bivakkeerde dat jaar in een studentenkamer in een bovenwoning op Tuinbouwstraat 65-B. Marja schreef zich hier in voor een universitaire studie Nederlands, waar hij na een jaar al mee zou stoppen. Gedichten schrijven en vertalen was belangrijker. Vanuit dit kamertje correspondeerde hij ook met de Slauerhoffkenner K. Lekkerkerker, die hij voor een literaire almanak een fragment van zijn roman-in-wording Snippers op de rivier (1941) aanbood.

Vorige week hing er aan het raam van de woning een bordje met ‘Verkocht’. De woning op de eerste verdieping blijkt een tijdlang te koop hebben gestaan. Geen zorgen: De directeur had het toch niet kunnen betalen.

Getuigen van Menno ter Braak (1)

Met het overlijden van Max Nord op 28 februari jl. is de waarschijnlijk laatste levende getuige van Menno ter Braak heengegaan.

Een paar jaar geleden vond Léon Hanssen, de biograaf van Ter Braak, in een archief een radio-opname uit 1937 van iemand van wie hij vermoedde dat het Ter Braak zou kunnen zijn. Hij toog ermee naar de laatste nog levende getuigen van Ter Braak: Kees Lekkerkerker en Max Nord.

Ik heb het bandje nog eens opgezet: een felle, verbeten stem leest een politieke tekst voor, daarna een tweegesprek over literatuur, daarna een gammel dansorkest en een reclame voor Turmac sigaretten, ingesproken door een kennelijke voorganger van Drs P. Maar zéker geen Ter Braak, volgens Kees Lekkerkerker.

Hans Warren en Kees Lekkerkerker in brieven

Is de belangstelling voor Hans Warren tanende? Vorig jaar december verschenen voor het eerst brieven van Warren in druk, maar niemand schreef of sprak erover. Aan mij de schone taak.

‘Zou ik eens bij je mogen komen in verband met de chronologische bibliografie die ik van je ‘afzonderlijk verschenen werken’ maak? Tot nu toe heb ik werkbriefjes van 47 titels, maar deze heb ik bij lange na nog niet volledig beschreven, behalve een zestal titels die ik zelf bezit.’ Deze vraag stelt Kees Lekkerkerker (1910-2006), Slauerhoffkenner en bibliograaf der bibliografen, op 28 juni 1973 aan de in het verre Kloetinge woonachtige Hans Warren (1921-2001). De bibliofiele uitgave Een verstokt necrofiel. Brieven 1973-1979 (2007), waarin Menno Voskuil de correspondentie tussen Lekkerkerker en Warren bundelde, opent met deze brief. Warren reageert enthousiast en behulpzaam op Lekkerkerkers verzoek: ‘Verder zal ik het je zo gemakkelijk mogelijk maken en alles opsnorren wat ik heb, maar 47 titels, m’n waarde, daar kom ik zelf in de verste verte niet aan toe, – wie schat jou eens op waarde??’

Het is het begin van een levendige briefwisseling. Literaire zaken passeren de revue (Alain-Fournier, Rodenko, Boutens, Slauerhoff natuurlijk), maar de kern van deze sprankelende correspondentie is toch hun beider liefdesleven. Warren ondertekent zijn brieven keurig mede ‘namens Helen en de kinderen’, tot in de zomer van 1978 ‘de engel’ Mario (Molegraaf) hem verschijnt. Lekkerkerker ontmoet op vakantie in Tunesië een zekere Habib (‘soepel, zeer sexy’) en laat zich overhalen de jongen naar Nederland te halen. Dan begint het gesodemieter. ‘Had ik het maar nooit gedaan!’ wanhoopt Lekkerkerker op 31 augustus 1977. De jongen is ‘onhandelbaar als een defecte stofzuiger met kansen op kortsluiting’.

Aan het eind van deze uitgave is de bibliografie nog niet verschenen. ‘Inderdaad, die necrofilie blijft me maar parten spelen’, bekent Lekkerkerker op 22 maart 1978, als Warren maanden niets van hem heeft vernomen. De bibliograaf en tekstbezorger wist zich niet van de dode letterkundigen te bevrijden, en zou zich tot zijn eigen dood in 2006 op het dagboek van J. Slauerhoff storten.