De ezelsoren van Joost Zwagerman

In april mocht ik mij beroepshalve een paar dagen opsluiten in de boekenkast van Joost Zwagerman. Na zijn dood waren de zesduizend boeken in zijn Haarlemse woning onverhoopt verweesd geraakt: enkele tientallen belandden daarna bij Zwagermans beste vrienden, maar het leeuwendeel ging naar het antiquariaat. Het was mijn taak om ruim honderd boeken met eigendomskenmerken van Zwagerman bibliografisch te beschrijven voor een kleine verkoopcatalogus (.pdf).

Joost Zwagerman was, zo werd mij snel duidelijk, geen bibliofiel. In zijn ogen was een boek een gebruiksvoorwerp: hij maakte ezelsoren, knakte ruggen en schreef veelvuldig in de kantlijn. Zwagerman was een heavy user. Ieder ander zou ik deze barbaarse omgang met boeken ernstig kwalijk hebben genomen. Nu het een bekende schrijver betrof waren de gebruikssporen en leestekens ineens interessant.

De aangestreepte passages en omgevouwen hoeken in de boeken van Douglas Coupland zie ik als de eerste bouwstenen van Zwagermans belangrijke essay ‘Net zo verloren als alle anderen. De generatieromans van Douglas Coupland’, opgenomen in In het wild (1996). De ezelsoren in David Vanns Caribou Island (2010) en in Dit is water (2011) van David Foster Wallace verhullen niets: op de betreffende bladzijden gaat het over zelfmoord.

Hoe zit het eigenlijk met de leeswoede van Zwagermans personages, vroeg ik me af toen de klus geklaard was.

Dat er wordt gelezen in de boeken van Joost Zwagerman, staat buiten kijf. In zijn debuutroman De houdgreep (1986) voert de schrijver een personage op dat boeken zelfs ‘verslindt’. De keuze van precies dat werkwoord licht Zwagerman tussen haakjes toe: ‘nee, er is geen ander woord dan het doorkookte ‘verslinden’ voor haar leesgedrag’.

In Vals licht (1991) dwaalt middelmatig student Nederlands Simon Prins door de rosse buurt, als zijn interesse wordt gewekt door een exemplaar van de Volkskrant in de vensterbank van prostituee Lizzie Rosenfeld. ‘Zo er achter het raam al werd gelezen, dan was het de PrivéDe Telegraaf of deeltje zoveel uit een damesromannetjesreeks’. De hoer is nogal in trek, Simon staat te dralen voor haar raam, is de derde wachtende in de rij. Na nog een rondje over de Wallen heeft er een rangschikking plaatsgevonden: nu ligt er een Nooit meer slapen in de vensterbank, ‘opengeslagen, met de rug omhoog, het omslag verfomfaaid, een aantal bladzijden voorzien van ezelsoren’.

In een van zijn aangrijpende vader-gedichten in de bundel Voor alles (2014) beschrijft Joost Zwagerman de zelfmoordpoging van zijn vader. De dichter verplaatst zich in de man die een overdosis pillen nam. Hij blijft echter in leven en wordt wakker op wat zijn sterfbed had moeten zijn. Zijn ‘versufte blik’ richt zich op ‘nachtkastje,/ een pocketboek met ezelsoor,/ twee wattenstaafjes,/ handvol lege pillenstrips’.

Meerdere voorbeelden van onbesuisd lezen vond ik in de humoristische roman Chaos en rumoer (1997). Daar is het radiopresentator Stan die in de marge van het draaiboek af en toe een trefwoord noteert. Riekje, redactrice van het radioprogramma, verschijnt op de redactie met een spraakmakende roman. Haar exemplaar is ‘vergeven van de ezelsoren’, hier en daar steken stroken papier tussen de bladzijden uit. Omroepbaas Berend maakt tijdens een vergadering ‘energiek’ een ezelsoor in zijn agenda.

Wat mag ik uit deze steekproef concluderen? Dat Joost Zwagerman echte werelden met echte lezers schiep. Een scheefgelezen boek maakt van een uit letters op papier bestaande constructie een mens van vlees en bloed. De personages van Zwagerman volgden trouw het voorbeeld van hun schepper. Exemplarisch is het woord dat hier perfect past.

Deze column verscheen eerder op de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (11 mei 2017).

 

Transito

Schrijvers zijn lezers, maar niet per se verzamelaars. Een paar maanden geleden ging Connie Palmen met een bezem door haar boekenkast: er kwamen enkele tientallen boeken uit haar bibliotheek op de markt, deels romans en dichtbundels met opdracht van de betreffende schrijver. Kluun schoonde zijn boekenplanken ook al op. En afgelopen week bracht Ingmar Heytze een doos boeken naar een plaatselijk antiquariaat.

In die doos zaten opdrachtexemplaren van boeken van Herman Brusselmans, Rozalie Hirs, Paul Mennes, Ilja Leonard Pfeijffer, Simon Vinkenoog en Joost Zwagerman. Niet iedereen hecht emotionele waarde aan een vriendschappelijke opdracht.

Transito (2006) heet de essaybundel van Zwagerman. Op de titelpagina van het exemplaar van Heytze bedankt Zwagerman nog voor ‘Het Beste’, alvorens hij afsluit met een ‘Grote groet’. Kluun ontving zijn exemplaar ook met een persoonlijke boodschap, maar de ‘Grote groet’ in zijn tweede druk is groter.

Transito, doorvoer.

Omhoog en omlaag

Voor het eerst in jaren schreeuwt geen journalist of CPNB’er van de daken dat de oplage van het Boekenweekgeschenk ook dit jaar weer historische proporties heeft aangenomen. Tim Krabbé lukte het vorig jaar nog om van zijn boekje 8000 stuks meer te laten drukken dan van Bernlefs cadeautje in 2008. Dit jaar is de oplage niet gestegen, niet gelijkgebleven, maar gedaald. De stapels Duel op de toonbank zijn lager dan verwacht. Het exacte aantal is 10.000 exemplaren, om precies te zijn (968.000958.000). Heeft de CPNB haar tax bereikt? Is dit dan het maximale aantal Boekenweekgeschenken dat een volk kan hebben, eer het in opstand komt? Van dat onwerkelijke aantal staat een deel alweer op marktplaats. Waarom toch?

Schrijversjeugdtrauma’s

Tonko Dop was er weer bij. De NOVA-verslaggever trok bezoekers van het Boekenbal dit jaar van de rode loper met een actuele vraag. ‘Wat is uw jeugdtrauma?’ Artistiek Bureau vat de reportage samen.

Jean Pierre Rawie zei ‘jong zijn zelf’, wat in Oost-Groningen geen pretje was. Driek van Wissen heeft daarentegen een zeer gelukkige jeugd gehad. Thomas Rosenboom (met baard) schudde zijn hoofd: ‘goh’. Schrijver Erwin Olaf werd door jongens in de brandnetels geduwd, omdat hij ‘meisjesachtig’ was. Harry Mulisch heeft nog nooit trauma’s gehad. Joost Zwagerman was gedurende zijn jonge jaren een ‘displaced person’. Arthur Japin heeft vele trauma’s, maar hij koestert ze: ‘het is natuurlijk een schatkist voor een schrijver’. Margriet de Moor had alleen maar last van de ‘bulderende wind tegen de zolder waar ik met mijn zusje sliep’.

Jan Siebelink had een grote pleister op zijn neus. Niet door een knokpartijtje, maar omdat er in zijn lichaam een titanenstrijd woedt tegen een bacil.

Intussen stelt nu.nl netsurfers dezelfde vraag die het CPNB aan 75 prominente schrijvers stelde. ‘Wat zou jij tegen jouw jonge ik willen vertellen? Hoe zagen je dromen, je wensen, je verwachtingen eruit? Welke wijsheid heb je opgedaan die je wel met je piepjonge zelf zou willen delen?’

Ingmar Heytze in het antiquariaat

Afgelopen week kwam ik Ingmar Heytze maar liefst twee keer tegen. En ik was niet eens in Utrecht.

Eerst in de jubileumnieuwsbrief 300 van antiquariaat Fokas Holthuis, nummer 35: een schitterende, poepsjieke editie van de bibliofiele bundel Heden geen gedicht.

Later in de nieuwsbrief van antiquariaat Hinderickx & Winderickx: ‘ik las eens in een artikel dat de in Utrecht woonachtige dichter Ingmar Heytze ‘zijn’ stad niet uit wil en niet uit durft’. Dit schreef Joost Zwagerman in een brief aan de hardnekkige lezer Jan Ypinga, die zijn brieven blijkbaar aan de handel heeft verkocht – wat volgens sommigen zoiets is als je ziel aan de duivel. Zwagerman gaf in de brief toe dat ‘de Leidse fobische dichter’ uit Zes sterren gemodelleerd is naar Heytze.

Twee vreemde gevallen

Weten we het nog? In 1998 kwam Arjan Peters in opspraak, toen Joost Zwagerman in Vrij Nederland onthulde dat de criticus met twee maten had gemeten. In de Volkskrant had Zwagermans roman Chaos en rumoer in Peters’ ogen een ‘gebrek aan vaart’, terwijl hetzelfde boek in het reclameblaadje Six Books volgens Peters een ‘snelle stijl’ kende. Dat kan dus niet: boeken bejubelen die je een week eerder nog kraakte. Elsbeth Etty en Max Pam dachten er het hunne van. Peters kreeg een schrijfverbod.

In het letterkundige schoolkrantje van Colmjon en Verbraeck lees ik nu over een zeer vergelijkbare zaak, anno 1934.

Een vreemd geval
Er bestaat in Den Haag een op gezette tijden verschijnend blaadje “Zwart op Wit”, als reclame-orgaan gratis verspreid door de boekhandels Boucher en The Oriental Bookshop, én er bestaat daar een dagblad “Het Vaderland”. Van de redactie van het eerste maakt de heer J. Greshoff deel uit, aan het tweede werkt hij mee voor Fransch. Wij hebben in de heer Greshoff nu eenmaal nooit een criticus kunnen zien, en we gelooven, dat al degenen die hem in beide bedoelde organen over hetzelfde boekwerk “Les Lettres”, door René Groos, en Gonzague Truc hebben zien schrijven, voortaan op zijn oordeel weinig prijs meer zullen stellen.

In het 1 Juni-nummer van het reclame-orgaan toch heeft hij de volgende o[o]rdeelvelling, met zijn naam onderteekend, doen opnemen:

“Wat de litteratuurgeschiedenis betreft, moeten wij beginnen met een boek van René Groos en Gonzague Truc, genaamd “Les Lettres” (f 2.40) in de serie “Tableaux du Vingtième Siècle”, waarin vroeger reeds verschenen “Les Arts”, “Les Sciences” en “La Pensée”. Het boek van Groos en Truc bevat tal van wetenswaardigheden en tal van behartenswaardige opmerkingen. Men moet zich echter bij het bestudeeren daarvan steeds voor oogen houden, dat de schrijvers behooren tot de uiterst-rechtsche groep; dat heel hun leven en al hun geschriften daar het kenmerk van dragen en het getuigenis van zijn. Hun werk kan dus nooit gelden als een objectieve schets der verschijnselen. Wanneer men het echter gebruikt met het correctief van de eigen kritiek erbij, kan het groote diensten bewijzen.”

De critiek in “Het Vad.”, van 20 Mei, door Greshoff onderteekend, begint evenwel aldus:

“Dezer dagen ontving ik een overzicht van de nieuwe letteren in Frankrijk, dat zoo barok, slordig en onbetamelijk gemaakt werd, als géén soortgelijk boek mij bekend. Aangezien er veel reclame voor gemaakt wordt en het er, door vele portretten, zeer aantrekkelijk uitziet, haast ik mij om belangstellenden nadrukkelijk te waarschuwen. Wie “Les Lettres” door René Groos en Gonzague Truc (deel uitmakende van het “Tableau du 20ème Siècle; 1900-1933″; uitgave Denoël et Steele, Parijs 1934) koopt, komt bedrogen uit. Ik herinner mij niet een zoo schaamteloos slechtgemaakt boek ooit in handen te hebben gehad. Het schijnt dan ook, dat de heer Groos zich halverwegen uit de combinatie heeft teruggetrokken, omdat hij de verantwoordelijkheid voor de uitspattingen des heeren Trucs niet op zijn verantwoording durfde nemen. Alles in dit boek is infaam.”

De schrijver geeft hier meer dan een halve kolom voorbeelden van, vindt ten slotte dat aan 2 auteurs er in recht wordt gedaan, en besluit:

“Maar deze twee lofwaardige titels kunnen dit pamflet, waar de uitgevers zich mee geblameerd hebben, niet redden. Het is en blijft waardeloos om de hemeltergende partijdigheid en om de vodderige makelij. Men zij dus op zijn hoede.”

Niemand in de pers heeft de aandacht op deze aangelegenheid gevestigd, het oordeelen van de heer J. Greshoff op deze twee manieren vrijwel gelijktijdig; maar wij achtten het voor de standing van het litteraire leven alhier – hoe gering men daar wellicht over mode denken – noodzakelijk, dit geval te signaleeren. In het Nederlandsche litteraire leven blijkt veel mogelijk te zijn, en daarom zal de heer Greshoff er ook door déze zaak niet onmogelijk worden; of hij in breede kringen, waar men zijn woorden nog wel las, echter een sprankje van gezag zal overhouden, staat na deze aangelegenheid toch te bezien.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 8, nummer 109 (september 1934)

Greshoff geblameerd
De heer Greshoff heeft, in reactie op wat we de vorige maand signaleerden als een vreemd geval, er in Het Vad. de draai aan willen geven, dat hij in die courant een (vernietigende) “critiek” op het werk van Groos en Truc zou hebben geschreven, en tegelijk in “Zwart op Wit” een “verslag” van dit boek, dat volgens zijn mening aldaar “grote diensten kan bewijzen”. De Prov. Geldersche en Nijmeegsche Courant vindt de quaestie echter niet zo doodgewoon als Greshoff achteraf; zij oordeelt:

“We vragen ons af wat er van de waarde van de litteraire critiek overblijft, als dergelijke veranderingen van inzichten in de letterkundige kolommen mogelijk zijn. Voor het blaadje “Zwart op Wit” is deze aanbeveling van Greshoff trouwens een beleediging. We weten uit ervaring, dat in dit blaadje wel degelijk critiek mogelijk is en dat het geenszins enkel reclameschrijverij bevat.”

O.i. zou de heer Greshoff in de pers beter de lof kunnen zingen van wondermiddelen, verklarend dat hij bij het gebruik daarvan baat heeft gevonden – omdat toch iedereen dit humbug acht, kan hij er geen kwaad mee. Bij de litteratuur evenwel was men tot dusver geneigd, degene die voorlichtend optreedt een zekere mate van vertrouwen te schenken.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 8, nummer 110 (oktober 1934)

Twee monden, dubbele tongen, het is van alle tijden.