‘Hij had niets tegen de Joden’

De magnifieke roman Rob Erkman’s laatste liefde (1930) draait niet alleen om Rob Erkman en zijn laatste liefde. Een groot deel van het boek speelt in en rond de beurs in Amsterdam. Schrijver-journalist E.J. van Lidth de Jeude schreef het boek op de huid van de tijd, toen de beurzen op Wall Street crashten. Hoofdpersoon Rob Erkman is de enige handelaar die geen zelfmoord pleegt of het land ontvlucht.

In het begin van deze gezochte zakenroman loopt Erkman zelfgenoegzaam het Damrak af, richting de Dam, om daar met zijn maitresse (= laatste liefde) te lunchen. Hij komt langs sociëteit De Groote Club, ‘dat bolwerk van Amsterdamsche deftigheid en conservatisme’. En:

‘de Groote Club, die rondweg aan iederen Jood, hoe rijk, deftig en hoe aanzienlijk ook, den toegang weigerde. Erkman had vrienden, die Joden waren, hij had klanten, die vrienden en Joden tegelijk waren. Hij had niets tegen de Joden, Ja hij hield zelfs van sommige karaktertrekken, die aan het Joodsche wezen eigen schijnen te zijn. Maar zijn Groote Club zou hem veel minder dierbaar, ja bijna antipathiek zijn geworden, zoo een Jood er toegang had verkregen…’

Erkman heeft inderdaad Joden onder zijn beste vrienden. De handige handelaar Zigomar Prager neemt hem zelfs mee naar de dames van plezier. Wel wemelt het rond Prager van bijzinnen als: ‘met die menschenkennis en dat doorzicht, dikwijls aan Joden eigen’.

‘Dat komt omdat je een Jood bent’

De jonge Wim in Van Eckerens Parade gaat door! (1937) heeft een Joods klasgenootje. Wim en Ies (Isaac eigenlijk) zijn bevriend, zeer goed zelfs, maar Wim heeft zo zijn ideeën over Ies’ achtergrond. Dat Wim af en toe vloekt wijt hij aan zijn contact met Ies, ‘die met alles spotte’. ‘Dat komt omdat je een Jood bent; smausen hebben geen vaderland’. Wim is eigenlijk wel blij dat hij na de vacantie niet meer bij Ies in de klas zit.

Een prent van Spinoza, aan de muur bij de geschiedenisleraar, herkent kleine Wim meteen: ‘Dat is hem dus, die Jodenman, dacht Wim, toen hij voor het portret stond. Een groote neus, een breede mond – net Ies! Een ‘ketter’.’

Is dit het personage dat spreekt? Of is dit ook een alledaags staaltje antisemitisme van Van Eckeren? Hans Anten moet het weten. We moeten de schrijver natuurlijk niet met zijn personages verwarren.