Paars washandje

Driemaal is Jan Hanlo een interview afgenomen voor de schoolkrant. Camille Oostwegel deed verslag van zijn bezoek aan Hanlo in Helmgras, Hans Krol en een klasgenootje spraken met de schrijver voor het internaatsblad De Klaroen, en de drie meisjes Marja Pinckaers, Marianne van der Kleij en Geneviève Bastiaans bezochten Hanlo op maandagmiddag 17 mei 1965 voor hun schoolkrant De Springplank.

De laatste twee interviews nam Hanlo op achter in zijn prozabundel In een gewoon rijtuig (1966), vanwege ‘hun lichte en toch wel nuchtere informatieve toon’.

Een halve eeuw later herinnert Marja Pinckaers, die voor De Springplank het verslag van de ontmoeting met Hanlo maakte, zich niet dat Hanlo haar om toestemming heeft gevraagd de tekst van haar interview in zijn boek op te nemen. Of ze van de uitgever een presentexemplaar van In een gewoon rijtuig ontving, waar Hanlo Van Oorschot tweemaal per brief aan herinnerde, weet ze ook niet zeker. Het gesprek dat zij als derdeklasser met de schrijver voerde is haar wel altijd bijgebleven.

Ze omschrijft zichzelf als ‘een blaag van 15’, nog ‘groen achter de oren’ toen. Haar leraar Nederlands Lou Spronck had een gesprek met Hanlo gearrangeerd en Pinckaers mocht met twee meiden uit de hoogste klassen mee naar Valkenburg. Onvoorbereid. Op het Jeanne d’Arc-lyceum te Maastricht was in de Nederlandse les vooral aandacht voor ‘de (verspreiding en de klankverschillen) van de dialecten in het Limburgse’. Van moderne literatuur wist ze niets.

Over de schoolkrant van de katholieke meisjesschool, waarvoor Pinckaers ook Pierre Kemp interviewde, hoef ik me geen illusies te maken. De Springplank was ‘zeer braaf’, mailt ze me. De inhoud bestond uit

dromerige meisjes-gedichten, verslagen van sportieve school-bijeenkomsten, en soms een interview met een (lokale) beroemdheid.

Het verslag van Pinckaers is nog altijd lezenswaard, omdat het interieur van Hanlo’s poorthuisje er zo secuur in wordt beschreven. Ze vat het samen met ‘zalige rommel’: een stellage met gekleurde kleerhangers en jasjes, etenswaar op een plank (‘cetchup, spagetti, peper en sambal’), kindertekeningen boven het bed, ‘Amerikaanse kindertijdschriften’ op een bijzettafeltje en een knijpfles afwasmiddel op een paars washandje naast de wasbak. Een vreemd universum, waarin de meisjes ook nog thee in een glas aangeboden krijgen.

Marja Pinckaers benadrukt nu dat er tijdens het gesprek geen foto’s werden gemaakt. Ze maakte gewoon veel aantekeningen.

Ik ben, denk ik, van nature een observator. Ik onthou wat ik zie en schrijf graag in beelden. Vooral het detail boeit me. Dingen zien die niemand opvallen. Ogenschijnlijk onbetekenend. Ik weet nog dat ik dat paarse washandje zag en dacht: ik schrijf het op. Dat vind ik belangrijk. Voor de sfeer en voor het leven van Hanlo in dit huisje. En ik vond het ook interessant voor mezelf dat op te schrijven. Zo dicht op iemands huid te zitten. Via zijn washandje.

Helmgras

Camille Oostwegel is hotelier, restaurateur, weldoener en liefhebber van het werk van Jan Hanlo. Met zijn steun kon de Stichting Dichter in Beeld aan het begin van deze zomer in Zuid-Limburg een Jan Hanlo Poëziepad verwezenlijken. De route loopt van Château St. Gerlach naar de Geul en van daaruit terug naar Geerlingshof, waar Hanlo jaren in het nu verdwenen poortwachtershuisje woonde, en vervolgens naar Hanlo’s laatste rustplaats.

Oostwegel koos zelf het gedicht uit voor het eerste zuiltje, dat in de tuin van zijn Château St. Gerlach staat. Het werd ‘sentimental journey’.

De hotelier groeide op in Houthem-Sint Gerlach, dat enkele kilometers ten westen van Geerlingshof ligt. Wanneer Oostwegel vroeger met zijn broers in de bossen ging wandelen, kwam hij Hanlo en zijn hondje regelmatig tegen. Hanlo ‘leek een beetje op Vincent van Gogh’, vertelde hij aan L1.

In het eindexamenjaar aan het Stedelijk Lyceum te Maastricht zette Camille Oostwegel een paar boeken van zijn beroemde buurtgenoot op de lijst. Zijn leraar Nederlands was de latere lesmethodemiljonair Fernand Lodewick, met wie Hanlo had gecorrespondeerd. Als redacteur van het schoolblad Helmgras wilde Oostwegel Hanlo graag een-op-een spreken. Op een zondagmiddag, in de winter van 1968, zocht hij hem op in diens poorthuisje. Waar kimono’s aan de muur hingen en Hanlo’s motor midden in de kamer stond, pal naast het bed. Oostwegel herinnert het zich als een ‘bijzondere belevenis’.

Meer dan een herinnering is er vooralsnog niet, want het bewuste nummer van Helmgras is al jaren zoek. Zowel de bezorgers van Hanlo’s Brieven (1989) als Hanlo’s biograaf wisten er nooit de hand op te leggen. Gert Boonekamp, groot poëziekenner en postillon d’amour van Dichter in Beeld, keerde het hele schoolarchief binnenste buiten: niets. Hij kreeg nog levende redacteuren van Helmgras aan de telefoon: helaas.

De interviews met Hanlo voor de schoolkranten De Springplank (van het Jeanne d’Arclyceum te Maastricht) en De Klaroen (van HBS Saint Louis te Oudenbosch) kregen een tweede leven, omdat ze werden opgenomen in In een gewoon rijtuig (1966). Het vraaggesprek tussen Oostwegel en Hanlo heeft helaas nooit een groter publiek gekregen.

Laat ons alles wat wij haast vergaten op gaan zoeken. Te beginnen bij die ene aflevering van Helmgras.

In pak op bed

Jeroen Brouwers, die hem over de vloer kreeg in verband met het bibliografisch bulletin van het Letterkundig Museum, vond hem ‘een kletsmeier’ en ‘een klepzeikerd’, die urenlang zijn ‘abortuskoffer’ op schoot bleef houden. Volgens Theo Sontrop bevond zich in die grote tas, behalve veel papier, een levende ringslang. Adriaan van Dis, student Nederlands, hoorde het verhaal dat hij in een leren pak feestjes gaf en vergiftigde petitfours uitdeelde.

Aan anekdotes over Kees Lekkerkerker geen gebrek.

In de afgelopen maandag feestelijk gepresenteerde biografie Lagere aap. Het leven van Kees Lekkerkerker richt Menno Voskuil zich minder op de maffe mythes en meer op de feiten.

De belangrijkste bron voor zijn boek is het archief van Lekkerkerker zelf. De schatbewaarder van Slauerhoff legde zijn eigen leven al even minutieus vast in talloze autobiografische en bibliografische aantekeningen, tientallen correspondenties en honderden foto’s. Lekkerkerkers gearchiveerde agenda’s gaan terug tot de jaren ’60.

In het goed geordende archief zijn tevens te vinden: uitgeknipte horoscopen, de toegangskaart tot de leeszalen van de Koninklijke Bibliotheek van België, het schema van zijn boekenkastindeling, de Pas 65, sollicitatiebrieven, treinkaartjes.

Voor Lagere aap is een ruime keuze gemaakt uit de fotoalbums van Lekkerkerker. Hij was overal te vinden: aan het souper met Jan Hanlo en J.W. Hofstra, op een kameel, aan boord van de MS Bloemfontein, in de achtertuin van Ed. Hoornik.

Mijn favoriete foto is afgedrukt op pagina 12 van de biografie. Te zien is een 25-jarige Lekkerkerker, met gepommadeerd kapsel en strakke middenscheiding, in driedelig pak, schoenen gepoetst – en hij ligt op bed. Op het tafeltje naast hem staat de belangrijkste literatuur van dat moment, zoals een aflevering van het (toen net opgeheven) tijdschrift Forum.

Lekkerkerker probeert zo ontspannen mogelijk te ogen, met een achteloze linkerhand op een linkerknie, maar hij wil zijn pak ook niet kreuken. In zijn rechterhand bevindt zich een opengeslagen boek. Het boek is nooit ver weg bij hem. Dit is geen vasthouden meer, maar omarmen.

Het vreemde land

Wijs en eigenwijs als zij is, heeft Wilma Schuhmacher museumdirecteur Gerrit Borgers ooit afgeraden om de afmetingen van boeken te vermelden in het bibliografisch bulletin van het Letterkundig Museum. Haar redenering is goed te volgen:

Later hebben we de complete bibliotheek van Van Nijlen kunnen kopen met al diens eigen Van Nijlens. Die heb ik toen naast mijn eigen Van Nijlens in de kast gezet. Bleken er allerlei variantomslagen te zijn op afwijkend formaat. Toen heb ik tegen Gerrit Borgers gezegd, die zelf de bibliografische kaarten voor het Letterkundig Museum verzorgde, dat je dus geen maten moet vermelden. Nooit denken dat je weet hoe een boek eruitziet, dus blijf exemplaren kopen en naast elkaar leggen. Dat is mijn leidraad gebleven. Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit.

De laatste zinnen zijn een mooie kop boven een interview.

De eerste zelfstandige publicatie van Jan Hanlo is niet meer dan een vel geschept papier, aan weerszijden met tekst bedrukt, eenmaal verticaal gevouwen. Het vreemde land, negen gedichten groot, verscheen in september 1951 in de vergeten reeks De Zilveren Scherf (‘Prijs 30 cents per pamflet’), onder redactie van O.J.C. van Loo te Kerkrade.

Borgers, zo feitelijk mogelijk, over het uiterlijk van Hanlo’s debuut: ‘vier blz., zonder omslag, 15 × 21 cm’. Het ene exemplaar van Het vreemde land in mijn verzameling voldoet geheel aan deze beschrijving. Het andere niet.

Voortreffelijke boeken kocht ik, begin dit jaar, in Antwerpen. In het stapeltje Hanlo van Gils zat ook een vreemd exemplaar van Het vreemde land: het vouwblad is genaaid in een iets groter omslag van dofzwart papier, dat keurig in witte drukletters auteur en titel geeft. Gils kreeg de uitgave eind juli 1955 toegestuurd uit Valkenburg.

Hanlo-kenners geloven niet dat dit zwarte omslag (15,5 x 23 cm) oorspronkelijk deel uitmaakt van de uitgave: er zijn hen geen andere exemplaren met omslag bekend. Anderzijds is het onwaarschijnlijk dat Gils zich zoveel moeite heeft getroost om, voor dit ene vouwblad in zijn reusachtige bibliotheek, een drukker de opdracht te geven een omslag te drukken.

Gaat het hier dan om een auteursexemplaar, waarvan er enkele door de uitgever voor de auteur zijn vervaardigd? Het is bij tijdschriftbijdragen jarenlang heel gebruikelijk geweest dat auteursexemplaren in een (provisorisch) omslag geniet of genaaid werden afgeleverd.

Of is Hanlo misschien zelf met naald en draad bezig geweest? Iemand die op intuïtie aan motorfietsen sleutelt, legt blindelings een knoopje in twee stukjes boekbindersgaren.

In een zoektocht naar het antwoord op dergelijke vragen, die nogal eens retorisch lijken, wil ik over zoveel mogelijk informatie beschikken. Alle feiten op tafel, niet eronder. Zonder de beschrijving van Borgers had ik me nu nog steeds afgevraagd wat de verschijningsvorm van Hanlo’s debuut is.

Ik ben ook blij dat Borgers zijn liniaal hanteerde en de afmetingen noteerde. Niet iedereen heeft de beschikking over twee of drie exemplaren van hetzelfde boek. Je hebt een norm nodig om een afwijking te constateren. Je hebt een regel nodig om een uitzondering te maken, al kan de regel in de loop van de tijd veranderen.

Size does matter – al beweren sommige vrouwen bij hoog en bij laag van niet.

Portvrij

In de speciale brievenbijlage van NRC Boeken bespreekt Arjen Fortuin een paar nieuwe brievenboeken: Vladimir Nabokovs verliefde brieven aan zijn vrouw, C.O. Jellema’s hartverscheurende post voor een vergeefse liefde en de kortstondige correspondentie tussen Jeroen Brouwers en Gerrit Komrij.

De eerste zin van Fortuins stuk is een juiste constatering: ‘Het uitgeven van brievenboeken is in de praktijk vaak het terrein van kleine uitgevers, waar de boeken worden volgepompt met liefdewerk –  en waar men ook wel weet dat er geen gouden bergen in het verschiet liggen.’

Geen gouden bergen. Een van mijn wensdromen is de uitgave van de complete correspondentie tussen Jan Hanlo en Gust Gils, die echt wel uitstijgt boven het gezever over het Antwerps dialect. De intelligente dichters schrijven en bevragen elkaar ook over sofisme, prehistorische rotstekeningen en Afrikaanse muziek (de mondboog is een van Gils’ favorieten).

In het verschiet. Interessant en vermakelijk zou de uitgave van de brieven tussen Simon Vinkenoog en Remco Campert zijn. Van een echte correspondentie (actie-reactie) is geen sprake meer, want een aantal brieven is verloren gegaan. Omdat Campert nog slechts met een been in de literatuur stond, een weifelend been ook, zag hij er het nut niet in om Vinkenoogs epistels te bewaren. Gelukkig bewaarde Vinkenoog doorslagen van zijn brieven.

Hun eerste brieven dateren al van oktober 1950. Die van Campert zijn vaak voorzien van grappige knipsels, die als motto boven een brief hangen. Zo sluit hij een hoogopgelopen conflict met Vinkenoog in 1954 af met een Kerst-knipseltje: ‘Het licht bevrijdt ook de slaven. Maar voor beulen geen genade!’ En over Vinkenoogs net verschenen Heren zeventien (1953) schrijft hij: ‘ik kreeg je bundel en ik neem mijn hoed af. Mijn pet mijn helm mijn pruik mijn vechtpetje.’

Kleine uitgevers. Maar kleine tijdschriften zijn er ook. In de laatste aflevering van het obscure Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift licht Jack van der Weide het tipje van een versluierde prachtcorrespondentie op. Hij publiceert eenmalig zes brieven uit de omvangrijke correspondentie tussen Geerten Meijsing en Nanne Tepper. Liefde, letteren, drank, sigaren: smaakt naar meer. Eerder heeft Meijsing al brieven gepubliceerd, zoals die aan Kester Freriks, maar van Tepper zijn dit de allereerste die in druk verschijnen.

Geen kiosk of boekhandel in Groningen die het tijdschrift Gierik in de schappen heeft staan. Gelukkig zijn de door Van der Weide ingeleide brieven gewoon online te lezen. De pdf is portvrij.

In Antwerpse barok

Voor zijn gedicht ‘Ontboezeming in het Antwerps’ raadpleegde Jan Hanlo in vijf jaar tijd zeker zes personen. De brieven aan zijn raadgevers staan bol van beklemtoonde klinkers en dissimilaties. Hanlo was niet alleen bezorgd om de juiste uitspraak van het Antwerps dialect, maar ook om de correcte weergave ervan. Het literaire tijdschrift Libertinage publiceerde ‘Ontboezeming in het Antwerps’ in 1951, maar de perfectionistische Hanlo bleef er altijd aan sleutelen.

Vanaf hun kennismaking in 1955 legde Jan Hanlo de Vlaamse dichter Gust Gils geregeld in een brief Antwerpse alternatieven voor. Gils moest dan bijvoorbeeld een keuze maken tussen e polderboereke en ’n polderboereke. Hanlo had wel in de gaten dat hij Gils op de zenuwen begon te werken, maar ‘jij bent ook een haarklover, een preciese – dat heb ik allang gemerkt’.

In Hanlo’s Verzamelde gedichten (1958) is ‘Ontboezeming in het Antwerps’ op tientallen punten verschillend van de tijdschriftpublicatie van zeven jaar eerder. Zo veranderde hij ‘te schoen veur mij’ in ‘te schoeën ver maai’, ‘oe koake en oe stem’ werd ‘oe koake nen oe stem’.

Naast een briefwisseling was er tussen Gils en Hanlo ook een vriendschappelijke uitwisseling van boeken. In Hanlo’s kleine boekerij bevonden zich vier dichtbundels en een prozaboek van Gils met een opdracht. In zijn tweede brief aan Gils kondigt Hanlo aan hem een en ander te sturen (‘Het is wat meer geworden dan ik dacht, zowat mijn hele ‘opus’.’).

En de dichters zochten elkaar op: thuis en elders. In het filmverslag van Poëzie in Carré, de beroemde manifestatie van 28 februari 1966, is goed te zien dat Gils en Hanlo naast elkaar zitten aan de lange tafel met deelnemende dichters.

Sinds de zomer van 2011 wist ik dat de verzameling Hanlo van Gils bij een antiquariaat berustte. In Antwerpen, natuurlijk. De antiquaar zwichtte uiteindelijk voor mijn smeekbedes en steekpenningen. Afgelopen februari overhandigde René Franken mij zes opdrachtexemplaren, twee zeldzame uitgaven, een briefkaart en een brief (beide ongepubliceerd).

De Verzamelde gedichten (1958) van Jan Hanlo telt 82 gedichten. Het exemplaar van Gils telt er eentje meer. Toen hij op 14 en 15 juli 1961 op bezoek was bij Gust en Wiske Gils in Brasschaat, schreef Hanlo bij het afscheid op de eerste blanco pagina van zijn verzameld dichtwerk in groene inkt een ‘Opdracht aan Gust en Wiske – in Antwerpse barok’. In zeven regels, met rijm en binnenrijm, vatte Hanlo niet alleen zijn logeerpartij, maar ook het karakter van zijn vriendschap met Gust Gils samen. Met een knipoog naar het gesteggel over het Antwerps.

Zoals een motorfiets kan slippen op kasseien
Zo kan ’t gesprek ook tegen de vlakte rijen

– de eerste regels zijn een beetje griezelig. (Hanlo zou op 16 juni 1969 aan de gevolgen van een motorongeluk overlijden.)

Aan J. Bernlef schreef Hanlo op maandag 17 juli 1961 over zijn bezoek aan Gils:

Ik was er Vrijdag en Zaterdag j.l. met de motor. In vreselijke regen. Mijn leren jas was 2 dagen doorweekt. Ben nog gevallen met lifter achterop. Die belgische keien zijn als ijs. […] Ik reed enige malen 150 km/u in belgie.

De poëtische opdracht van Jan Hanlo aan Gust en Wiske Gils verschijnt vandaag, op Hanlo’s geboortedag, voor het eerst in druk. Ser J.L. Prop heeft dertig ongenummerde exemplaren uitgegeven als dubbelslagvel. Opdracht aan Gust en Wiske – in Antwerpse barok is bestemd voor ‘enkele liefhebbers’ en komt vooralsnog niet in de handel.

Ineens mijn naam in kapitalen

Het laatste gedicht van Jan Hanlo is ‘Over kinderen’. Hij schreef het in 1967, negen jaar na het verschijnen van zijn Verzamelde gedichten (1958), waarvan in 1970 een tweede druk verscheen – postuum vermeerderd. ‘Over kinderen’ werd bij leven van de dichter nog afzonderlijk uitgebracht: als plano, bedrukt in goud danwel zwart. De laatste uitgave van Jan Hanlo is Over kinderen (1968).

Hanlo’s finale is onderdeel van een reeks zeldzame plano’s met teksten van auteurs uit het fonds van Querido. De vluchtige drukwerkjes werden verspreid tijdens een tiendaagse Amsterdamse boekenmarkt in oktober 1968. Blijkens het eenregelig colofon is Over kinderen ‘door de dichter op bestelling gedrukt, en gesigneerd, ter Boekenmarkt RAI in de stand van Querido op 18 oktober 1968’. Querido-uitgever Reinold Kuipers memoreert in Gerezen wit (1990):

Op een van de boekenmarkten die in de jaren zestig door de RAI werden georganiseerd hadden wij op onze stand een Boston-handdegelpers waarop elke avond een auteur van Querido een eigen tekst zou drukken. Het zetsel was door het Drukhuis vervaardigd. Een gepensioneerde typo trad als mentor voor de auteurs op. Hanlo, verrukt van het zelf drukken en meegesleept door de gezelligheid, was er elke avond.

Geen van de fotografen aanwezig op de boekenmarkt registreerde een rond de degel van Querido dansende dichter. Anefo-fotograaf Ron Kroon had vooral oog voor de halfnaakte jongedame die Annie M.G. Schmidt een bloemlezing aanbood.

Tegenover de herinnering van Reinold Kuipers staat de beleving van Jan Hanlo. Die schreef op 6 december 1968 in een deprimerende brief aan Kees Lekkerkerker:

Dat Querido-gedicht op de R.A.I. is buiten mijn aanwijzingen gezet. Heel lelijk, vind ik.: ‘g.o.d.’ met onderkast en ineens mijn naam in kapitalen! dat kan niet.

Met gestrekte vinger (2)

Bieden, tegenbieden, verbieden. Het was geen gepensioneerde rijkaard, achterin de zaal, die mij met gestrekte vinger tegenbood. Het was een anonieme schriftelijke bieder, die mij vorige week bijna verbood om in Leiden de paginagrote opdracht van Jan Hanlo aan Rudy te verwerven. Maar het is dan toch gelukt. De kramp in mijn vinger ben ik alweer vergeten.

En toen waren niet alleen twee interessante opdrachtexemplaren van Hanlo en een doorsnee opdrachtexemplaar van Schierbeek mijn nieuwe eigendom, maar ook ’14 others by Hanlo, Claus, Vinkenoog’. Die anderen, dat zijn doorgaans boeken die men gebruikt om een lamme tafelpoot te ondersteunen. Ongeschreven wetten schrijven veilinghouders voor dat zij een kavel met enkele waardevolle boeken verder opvullen met achterhaalde naslagwerken en zoveelste drukken. Een meter boeken, dat lijkt tenminste nog ergens naar.

R.L.K. Fokkema, Het komplot der Vijftigers (1979); Simon Vinkenoog, Uit de doeken [1960] en Leven en dood van Marcel Polak (1987); Jan Hanlo, Go to the mosk (1971). Het zijn boeken die ik al in de kast heb staan (of niet per se in de kast wil hebben staan). Ze gaan naar het goede doel.

Maar enkele van ‘de anderen’ uit de bibliotheek van Kousbroek kan ik niet ongezien afstoten. In Het hek van de dam (1971) maakte Rudy Kousbroek een ezelsoor in pagina 209: daar haalt Vinkenoog herinneringen op aan hun gemeenschappelijke tijd in Parijs. Op de rug van een losse aflevering van Podium schreef Kousbroek met pen de titel van de bijdrage van Gerard-Kornelis van het Reve: ‘Eric[k] verklaart de vogeltekenen’. In de debuutbundel van Paul Rodenko isoleerde Kousbroek met potlood allerlei strofen. (‘Meneer, is dat nou iets waard, een potloodstreep van Kousbroek?’)

Ik wil deze boeken ter beschikking stellen van een intelligent persoon, die er een essay van 2500 woorden over schrijft en er volgend jaar glansrijk met de Jan Hanlo Essayprijs Klein vandoor gaat.

Met gestrekte vinger

W.F. Hermans zond zijn correspondent Rudy Kousbroek op 24 mei 1965 ‘een pakje Werken, maar zonder eigenhandige opdrachten, want daar zijn ze te oud voor’. Liefhebbers van opdrachtexemplaren van WFH hebben in de boekenkast van Kousbroek dus weinig te zoeken, was een oude conclusie. Maar het valt mee. In de veilingcatalogus van Burgersdijk & Niermans, met in de afdeling Dutch literature after 1880 veel boeken uit het bezit van Rudy Kousbroek, duiken toch twee opdrachtexemplaren op. In Kardinaal Pölätüo (1967) van Stefan Themerson bracht de inleider ‘pauselijke groeten’ over aan Kousbroek en Portnoy. Met de overhandiging van de tweede, herziene druk van Wittgenstein in de mode en Kaziemier niet (1967) adviseerde Hermans met klem de eerste druk weg te gooien.

In de bibliotheek van Kousbroek zijn voorts opdrachten te vinden van Hans Andreus, Theo van Gogh, Henk Hofland, zijn echtgenote Ethel Portnoy, en Gerard en Karel van het Reve. Indrukwekkend is de paginagrote opdracht van Jan Hanlo in zijn debuutbundel. Het is bijkans een brief.

Ik word nerveus bij de gedachte dat ik dit boek over een maand kan kopen. Ik word neerslachtig bij het idee dat een gepensioneerde rijkaard, achterin de zaal, me met gestrekte vinger overbiedt. Och arm!

En ik heb al een boek, dat wil zeggen: een opdrachtexemplaar van The varnished – Het geverniste (1952). Maar de opdracht (aan Henk Kalbfleisch) is weinig spectaculair (‘een net boekje voor een nieuwsgierig mens’). Bovendien was Kousbroek er eerder bij: die opdracht is gedateerd ‘5.6.52’. Kalbfleisch noteerde in zijn exemplaar dat hij het (pas) ontving op 7 juli 1952.

Ten Lessons

Remco Campert is dit jaar zestig jaar dichter, meldt de naar zijn vader vernoemde stichting, en dat moet gevierd worden. ‘Hij debuteerde in 1951 [in de serie De Windroos van Uitgeversmaatschappij Holland] met de bundel Vogels vliegen toch.’

Het Amsterdamse antiquariaat Schuhmacher plaatst vandaag een kanttekening bij het jubileum: ‘Helaas wel een jaar te laat! Bij ons te koop: zijn échte debuut’. Opgediept uit de kelders van de zaak is een exemplaar van Camperts bundel Ten Lessons with Timothy, door de dichter zelf in Parijs vervaardigd in een oplage van 25 met de balpen genummerde en gesigneerde exemplaren. Het scheef op het voorplat geplakte titeletiketje lijkt zo uit Camperts typemachine te zijn gerold. In druk is de bundel gedateerd ‘december 1950’ – niet 1951. Het boekje heeft een handgeschreven opdracht aan mede-Vijftiger en Simon Vinkenoog. Die zat toen ook net in de Franse hoofdstad te experimentelen.

De titel van de dichtbundel is ontleend aan de LP van de Amerikaanse jazztrompettist Dizzy Gillespie. Zijn ‘Ten Lessons’ doen nog het meest denken aan de muziek onder een achtervolgingsscène in een Hitchcock, waarin de Amerikaanse sleden steeds sneller door de bochten gieren, want Gillespie versnelt het tempo.

Schuhmacher vraagt 2500 euro voor Ten Lessons with Timothy, vergelijkbaar met Hanlo’s ‘echte debuut’ 30 October 1946. Ook in doorslag van typoscript gemaakt, ook zelden in de handel. Had ik geld, had ik een rijbewijs, dan kocht ik beide.

Reeks

Niemand wil zijn geld terug, na het nieuws van gisteren, maar ik word wel fijntjes herinnerd aan de belofte in het colofon van Geen mooij-schrijverij voor u en mij. ‘Dit eerste deeltje in de reeks OPDRACHTEN’… De volgende deeltjes, wanneer komen die? En van welke auteurs worden handgeschreven opdrachten onder de loep genomen?

Menno ter Braak staat vooraan in de rij, met zijn ongeduldige lorgnet, Jan Hanlo wil ook niet langer wachten, zijn rode sik gaat op en neer. Van Ter Braak heb ik zo’n 25 opdrachten paraat, waaronder alle aan Vestdijk, een aan Greshoff, een aan een Rotterdamse scholier en een aan Ter Braaks schoonvader, dominee J.L. Faber. Van Hanlo niet meer dan 8 – maar alle 8 heel kleurrijk en leuk.

Albert Verwey ligt voor de hand, want opdrachtexemplaren van hem zijn zeer courant. Momenteel zijn er zeker 10 te koop, in prijs variërend van 15 tot 395 euro. Helaas zijn de opdrachtteksten doorgaans obligaat, kort en saai. Het nieuwe licht dat ze op Verwey kunnen werpen is zo zwak als een peertje. Het is wel idioot dat er nu net twee exemplaren van Verwey’s treurspel Johan van Oldenbarnevelt (1895) worden aangeboden: eentje met opdracht aan de broer van de schrijver, eentje met opdracht aan zijn schoonmoeder. Eerstedagsexemplaren: beide gedateerd ‘Noordwijk aan Zee, 29 Sept. ’95’.

Uit de inhoudsopgave

Zondag 25 januari is de tewaterlating van Meesterwerk. In augustus 2008 werd de voorlopige inhoudsopgave van deze bundel gedichten over dichters bekendgemaakt. Heden heeft de uitgever een nieuwe inhoudsopgave online gezet, zodat we kunnen vergelijken.

Erik Lindner, die in augustus nog geen meester had gevonden, ontmoet Faverey in zijn werk. Alexis de Roode, die in augustus vraagtekens zette achter zijn hommage aan Vasalis, koos bij nader inzien voor Marsman. En Ruben van Gogh, die in augustus maar niet kon kiezen tussen Jan Hanlo en A. Marja, is wikkend en wegend ten onder gegaan. In de inhoudsopgave van Meesterwerk komt hij niet meer voor.

Liezeberthe

Een antiquariaat biedt vandaag in de nieuwe catalogus een exemplaar aan van Franckens Grieksche rudimenta, naar Krüger’s Grieksche spraakleer bewerkt, en met een vergelijkend overzicht van het Episch en Ionisch dialekt. De herkomst is leuk: Jan Hanlo gebruikte het boek tijdens zijn Griekse les in Heerlen. Zijn naam staat meermalen op de titelpagina. Helaas heeft de dichter niet de moeite genomen om het boek te verrijken met ongepubliceerde gedichten.

Elisabeth Keesing (u weet wel, van het bibliografische gedicht Men zoekt nog steeds Op de muur En dan zou jij zeggen… Maart is nog ver) kreeg de geest bij het lezen van de experimentele verzen van Lucebert. De eigenzinnige schrijfster maakte scherpe parodieën op de woordkunst van de Keizer der Vijftigers onder het pseudoniem ‘Liezeberthe’. Haar wervelende cyclus gedichten is gewoon te koop.

Ruben van Gogh vs Jan Hanlo of A. Marja

Uitgeverij Passage over de dit najaar te verschijnen bundel Meesterwerk:

‘In de middeleeuwse gilden was het heel normaal: voordat een gezel volledig toegelaten kon worden, diende hij eerst een meesterproef of meesterwerk te maken. Dit idee pikte Daniël Dee op. Hij daagde dichters van de jongste generatie uit om een poëtische meesterproef te doen. Een veertigtal poëten pakte de handschoen op. Ze kozen ieder een gedicht van een bewonderde meester en schreven als eerbetoon allemaal een nieuw gedicht.

In deze bundel komen de gedichten van de oude en nieuwe meesters naast elkaar te staan. Zo ontstaat een nieuwe staalkaart van de Nederlandse poëzie op een zeer verrassende wijze. Wie inspireert wie, en hoe gaat de jonge generatie dichters met de klassieken om?’

De voorlopige inhoudsopgave van het boek laat zien dat Erik Lindner nog geen oude meester heeft gevonden, Alexis de Roode over Vasalis twijfelt en Ruben van Gogh geen held kan kiezen. ‘Ruben van Gogh (1967) vs Jan Hanlo of A. Marja’. Ik zou voor de laatste gaan, Ruben!