Het duurste schilderij

Gustave Asselbergs nam in 1965 bijna wekelijks een kijkje in het huis van Jan Cremer aan de Amsterdamse Prinsengracht. Hij haalde Cremers post van de mat en ventileerde de kamers. Om de financiën van Cremer op orde te krijgen, verkocht Gustave Asselbergs eind 1965 wat spullen uit Cremers huis. Dat was geen sinecure.

Cremers houten werkbureau werd verkocht, maar bleek toen niet door de deur te passen, zodat er een timmerman moest worden ingeschakeld om het bureau doormidden te zagen. In een luchtpostbrief van 4 januari 1966 aan Cremer, hoog en droog in kamer 403 in het Chelsea Hotel, beschrijft Asselbergs wat hij aan spullen tegenkomt:

Ik heb meer dan een week je papieren, kranten en rotsooi uitmoeten zoeken, omdat overalrekeningen tussen zaten en foto’. Ook ontwerpen en ideeen op losse vellen papier. In je huis zijn geen dingen van waarde, dan behalve de bank, mijn schilderijen, kisten met kleren boeken, (ik heb voor f. 165.– boeken verkocht) twee tafels, een bureaustoel en een doormidden gezaagd bureau. Alles is verder opgeruimd.

De schilderijen van Asselbergs in Cremers Amsterdamse huis kwamen vooralsnog niet in aanmerking voor verkoop. Pas in 2009 verkocht Jan Cremer het schilderij ‘Rode Vlag’ van Gustave Asselbergs.

Het andere schilderij, waarop Asselbergs in zijn brief doelt, is ‘Victory-the point-birth-end’ uit 1964. Cremer zou het ongezien hebben gekocht. Op de openingsavond van Asselbergs’ expositie in de Amsterdamse galerie 845, op 1 maart 1965, kwam er, volgens een kort nieuwsbericht in alle grote dagbladen vier dagen later, een telegram binnen van Jan Cremer:

Succes, ik koop het duurste schilderij.

‘Victory-the point-birth-end’ was met tweeduizend gulden het duurste schilderij op de tentoonstelling.

Een mooie stunt, misschien niet eens meer dan dat. Drie maanden na aankoop werd het kostbare tweeluik nog eens tentoongesteld. Het hing, met ‘Rode Vlag’ en drieëntwintig andere schilderijen, in het gemeentelijk kunstcentrum De Galerij te Brunssum. Op de begeleidende folder stond achter nummer 15, zijnde ‘Victory, the Point, Birth, the End’, niet de vermelding ‘(coll. Jan Cremer)’. Was de immer in geldnood zittende Cremer terug gekomen van zijn impulsieve besluit?

Op de grote Asselbergs-tentoonstelling in het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint-Jan, van 20 november 1993 tot en met 9 januari 1994, is het doek weer te zien. ‘Victory-the point-birth-end’ is nu, volgens Gustave Asselbergs en de Pop Art in Nederland (1993), afkomstig uit de collectie van Evelien Wolf, de weduwe van Gustave Asselbergs.

Jan Cremer had twee schilderijen van Asselbergs. ‘Rode Vlag’ is het ene doek. Het andere doek is zoek.

Phone: 66524

De bekendste – en in mijn optiek fraaiste – nieuwjaarswens in de Nederlandse literatuur staat op naam van Jan Cremer. Vrienden en bekenden van Cremer ontvingen eind december 1962 per post een tweemaal gevouwen affiche. De nieuwjaarswens van Cremer is een in blauw gedrukte collage met hoogtepunten uit het leven van de schrijver-kunstenaar: knipsels van kritische krantenstukken over de barbaar, fragmenten van uitnodigingen voor exposities, foto’s van de kunstenaar aan het werk en van zijn pasgeboren zoon. Een nieuwjaarswens als publiciteitsoffensief.

Misschien bracht Cremer zijn gelukswens ook over op Gustave Asselbergs, die hij in 1962 had leren kennen. Asselbergs hield van collages.

Twee jaar later gingen de beste wensen in tegengestelde richting. Dat is zeker. In de collectie Gustave Asselbergs van Jan Cremer bevindt zich een vouwkaart, in rood en zwart gezeefdrukt, met in spiralende kapitalen de tekst: ‘Gustave en Evelien [zijn echtgenote] wensen u een gelukkig negentienvijfenzestig!’ In de rechteronderhoek begraaft een schop het jaartal 1964.

Gustave Asselbergs postte zijn wenskaart in Amsterdam. Jan Cremer ontving de kaart in New York, waar hij zich kort na de publicatie van Ik Jan Cremer in het Chelsea Hotel had gevestigd. Voor het documenteren van de vriendschap tussen Asselbergs en Cremer is de emigratie van Cremer een zegen. Als Cremer in zijn etage aan de Joden Houttuinen in Amsterdam was blijven zitten, hadden de vrienden elkaar dagelijks gezien en was er nooit zo’n briefwisseling op gang gekomen.

In een brief van 20 juni 1965 aan Cremer is Asselbergs erg gelukkig met de zeefdrukker die hij onlangs heeft ontmoet:

Ik heb een nieuwe screendrukker in Meerssen, die erg veel voelt voor het maken van bibliofiele uitgaven. Ik heb met hem al gesproken over allerlei en prijzenopgaven gevraagd. Binnenkort ga ik bij hem werken.

Het enthousiasme voor zeefdrukken vertaalt zich aan het eind van 1965 in een reusachtige nieuwjaarswens. Het gezeefdrukte affiche van Asselbergs meet tachtig bij zestig centimeter. De tekst is een variant op de oude slogan van biermerk Guinness: ‘1966 is good for You’. Onder rode golven als scheidingsteken staat het jaartal 1965 met een rode streep door het laatste cijfer, gevolgd door ‘now’ en het jaartal 1966. In het klein is tegen de onderrand van het affiche het Amsterdamse telefoonnummer van Asselbergs gedrukt: ‘Phone: 66524’.

Wie de brieven van Asselbergs aan Cremer heeft gelezen, zou gemakkelijk concluderen dat deze Engelstalige nieuwjaarswens speciaal voor Cremer is gemaakt. Asselbergs klaagt in zijn brieven vaak over Cremers stilzwijgen, terwijl er van alles speelt rond Cremers onbeheerde woning in Amsterdam. Samen met Geert Lubberhuizen weet Asselbergs alle Cremer-affaires in goede banen te leiden, maar vanuit New York komen zelden dankbare berichten.

Het woordje ‘phone’ onderaan het affiche vertaal ik hier niet met ‘telefoonnummer’, maar met de gebiedende wijs ‘bel’. Mogelijke intercontinentale telefoongesprekken tussen Asselbergs en Cremer zijn met de wind verdwenen. Aan de punaisegaatjes in de hoeken is te zien dat de nieuwjaarswens van Asselbergs voor enige tijd een muur in het Chelsea Hotel heeft gesierd.

‘Rode Vlag’ van Gustave Asselbergs

De collages van Gustave Asselbergs (1938-1967) bevatten affiches, krantenknipsels, kalenderbladen en tijdschriftfoto’s. Verknipt, verscheurd, (deels) overgeschilderd. Hij koos zijn basismateriaal met een enorme maatschappelijke betrokkenheid. Geen toevallig op straat gevonden tramkaartje, maar actualiteit in woord en beeld: ruimtevaart, politiek, techniek, film, literatuur. Het contrast is soms hard: een kindsoldaat naast een conferencier.

In mijn bezit is een onvervalste Asselbergs van acht bij veertien centimeter. Het is een ansichtkaart uitgegeven ter promotie van Pelletierbeschuit. De kitscherige afbeelding van gele rozen is diagonaal bijgekleurd met bloedrode viltstift. Rechts is een krantenfoto van Hitler opgeplakt. Bijschrift: ‘Oude orgelpracht’. Deze kleine collage maakt deel uit van de intrigerende collectie Asselbergs van Jan Cremer, door mij vorig jaar in een opwelling gekocht.

Jan Cremer was een pleitbezorger van de pop art van zijn vriend. Op zaterdag 9 februari 1963 opende Cremer ‘Werken van Gustave’ in De Krabbedans in Eindhoven, Asselbergs’ eerste solotentoonstelling buiten de Nijmeegse stadswallen. Na het succes van Ik Jan Cremer nodigde de schrijver Asselbergs bij hem uit en betaalde zijn vliegticket naar New York.

Zeker twee collageschilderijen van Asselbergs heeft Jan Cremer in bezit gehad.

In een grote bespreking van Asselbergs’ solotentoonstelling in de Amsterdamse galerie 845, in maart 1965, meldt de kunstcriticus van het Arnhemsch Dagblad terloops dat het duurste van de geëxposeerde werken is ‘gekocht door hem, Jan Cremer’. (Ik had er zeker overheen gelezen als Cremer deze woorden op het knipsel niet met gele stift én rode balpen had gemarkeerd.)

Terwijl Cremer zich onsterfelijk maakte in het Chelsea Hotel in New York, probeerde Asselbergs naar zijn beste kunnen Cremers lopende zaken in Holland te regelen. Om Cremers financiën op orde te krijgen, verkocht Asselbergs op zeker moment meubels en apparaten uit Cremers oude woning. Uit verschillende brieven van Asselbergs aan Cremer blijkt dat de schrijver slecht met geld was en overal leningen had lopen.

‘Gustave’ aan ‘Beste Jan’:

Steeds opnieuw weer vraag je naar je huizen, maar opgestaan is plaats vergaan. Het enige dat je in Nederland bezit behalve een stel mensen die je kaal willen scheren, zijn twee reusachtig mooi geschilderde doeken in goede staat en mooi verzorgd.

Dat zijn er twee van Asselbergs.

Uit de folder bij de expositie van schilderijen van Asselbergs in De Galerij in Brunssum,in juni 1965, weet ik de titel van een schilderij dat Cremer in elk geval heeft gehad. In de lijst ‘Tentoongestelde werken’ staat achter nummer 23: ‘Rode Vlag (coll. Jan Cremer)’. Dit schilderij dook niet op vorig jaar op de grote Cremerveiling – en gelukkig maar, want ik kan me per veiling maar een opwelling permitteren.

‘Rode Vlag’ kwam eerder onder de hamer. Het kunstwerk werd op 29 november 2011 bij Christie’s Amsterdam afgeslagen op 12.500 euro. De vorige eigenaar voelde blijkbaar de behoefte om het doek in anonimiteit aan te bieden. Bij grote veilinghuizen is de provenance een vast onderdeel van de beschrijving, maar nu stond er alleen: ‘property from a private Dutch collection’. Dat ‘Rode Vlag’ aan niemand anders dan Jan Cremer kon toebehoren, dat vertelt het schilderij zelf.

In het midden van ‘Rode Vlag’, half verscholen onder een portret van de president van Egypte, is het blauwe affiche te zien dat De Bezige Bij in 1964 verspreidde om de zevende druk van Ik Jan Cremer te vieren (‘op weg naar de 100.000 [exemplaren]’). Aan deze flard actualiteit is maar moeilijk een politiek statement te koppelen. Wel staat Jan Cremer op dit collageschilderij van zijn vriend Gustave voor eeuwig in het centrum van de aandacht.

Een beter woord

Wie in het antiquariaat een boek beschrijft, ontkomt niet aan het gebruik van een synoniemenwoordenboek. Het lexicon is strikt noodzakelijk. Terwijl je je in het feitelijke deel van de boekbeschrijving vastklampt aan dezelfde termen (want hier ‘p.’ en daar ‘blz.’ is een zonde), moet je in de voetnoot eindeloos variëren op een thema.

In de noot vermeld je de bijzondere eigenschappen van het exemplaar en geef je soms achtergrondinformatie over het boek en de schrijver. Maar al snel is elke handgeschreven opdracht ‘interessant’, elke boekband ‘fraai’ en elk stofomslag ‘schitterend’. Daar wordt een catalogus dus saai en statisch van. Boekbeschrijven is mensenwerk, en dat mag je best laten zien.

Daar komt het synoniemenwoordenboek binnen. Voor elk voor de hand liggend woord is een beter woord te vinden – behalve misschien voor ‘synoniem’. Een ‘verleidelijk’ stofomslag verkoopt zichzelf. Bij een ‘ravissante’ band loopt het water je in de mond. Een ‘veelbetekenende’ opdracht wil je hebben, zodat je zelf alle mogelijke betekenissen kunt verkennen.

Sommige woorden zijn zo vaak misbruikt, herkauwd en op de bladzijde gespuugd dat je hun bestaan wel wilt ontkennen. Maar dan dringen ze zich toch weer aan je op. Mijn laatste aanwinst is een Fundgrube, een mer à boire, een schier onuitputtelijke bron van informatie en fascinatie. Het synoniemenwoordenboek steigert, mijn vingers jeuken, maar het is gewoon waar. De brieven van Gustave Asselbergs aan Jan Cremer zijn echt geweldig.

Veilingverslag (2)

Met een half oog keek ik naar de online Cremer-veiling – en ik werd er al snel ingezogen. Ik was de enige niet; in de laatste paar uren voor de veiling namen de biedingen in rap tempo toe.

In een veilingzaal ontstaat de prijsopdrijvende competitie vanzelf: tegenbieders zitten een rij voor je of twee stoelen naast je. Een online veiling heeft geen zichtbare tegenbieders: je ziet niet of je in een volle of lege veilingzaal zit. Om toch dezelfde oerdrift en overlevingsdrang op te wekken gebruiken online veilingen andere termen. In een veilingzaal wijst een veilingmeester je vrij zakelijk een kavel toe. Online wordt een lot gewonnen. Victory! Groene pop-ups met uitroeptekens vliegen je om je oren. Onderbieders zijn geen onderbieders, maar losers.

Er kleven wel nadelen aan een online veiling. Het telkens verversen van je pagina, omdat de wekker niet blijft lopen, is op den duur zenuwslopend. In een springtij van bits and bytes zou je bijna vergeten dat je op fysiek materiaal aan het bieden bent. Echte boeken, tastbare brieven. Die moet je echter beoordelen vanachter je computer. John T. Winterich instrueerde in A Primer of Book Collecting (1966): ‘not many people like to buy anything sight unseen, and this is and should be particularly true of rare books’. De Cremer-veilingmeester stelde op het laatste moment een kijkdag in, vier dagen voor de veiling.

In het heetst van de strijd heb ik me laten verleiden tot de aankoop van 19 zeer uitgebreide brieven van de pop-artkunstenaar Gustave Asselbergs aan Jan Cremer. De beschrijving prikkelde. De foto lonkte. Eén klik en je bent verkocht.

Veilingverslag (1)

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld, dat over een week verschijnt, staat een verslag van een boekenveiling in België. Eindelijk, want voor het laatste veilingverslag moet je drie jaargangen terugbladeren. Wereldschokkend zijn deze reportages zelden, maar ze geven wel een mooi inkijkje in het antiquariaat in vol bedrijf.

Al publiceren veilinghuizen hun opbrengsten altijd wel online of in een volgende papieren catalogus; een veilingverslag legt een biedstrijd tussen twee verhitte verzamelaars bloot, verklaart niet gehaalde richtprijzen en onthult welke verzamelaar er heeft toegeslagen en welke handelaar er afdroop. Dat kan een lijstje met getallen niet. Voor een bibliofiel is een veilingverslag wat een rechtbankverslag moet zijn voor een jurist. Niet de uitspraak, maar het proces.

Een veiling, zeker in zo’n benauwd achterafzaaltje, heeft een eigen dynamiek. Ervaren bieders hebben verschillende aan de praktijk getoetste theorieën ontwikkeld. Over wat de beste plek is om te zitten (achterin de zaal heb je zicht op je tegenbieders). Over wat het juiste moment is om je hand op te steken (rust nemen en aan het eind van een biedstrijd onverwacht overrulen). En een kwartier voor de veiling kan er – gewenk, gesmiespel – nog een kongsi ontstaan.

Dit alles mist een online veiling. Gisteren stond op het tweede scherm de Cremer-veiling aan. Ik keek er met een half oog naar – en werd er al snel ingezogen.

Verloren gedichten

Kraters, manen, hel, bloed. In de vroege poëzie van Jan Cremer is het altijd nacht en zelden gezellig. Op de aanstaande Adams-veiling komen twee typoscripten van Cremer, uit de jaren 1956 en 1957, onder de hamer. Beide velletjes zijn niet in inkt gesigneerd. Cremer heeft ze vermoedelijk aan zijn muur gespijkerd, want de beschrijving rept van punaisegaatjes (‘Pinholes upper corners, one small tear lower centre’). Ondanks de lage richtprijs is er nog geen belangstelling.

Cremers debuut als dichter, met vier hoofdletterloze gedichten uit 1956, in het literair tijdschrift KLAT is ook te koop. De verzamelaars stellen hun biedingen nog even uit. Een openingsbod van 450 euro is niet gering. Ter overweging: een van de eerste gedichten van Gerrit Komrij, anno 1962, in een aflevering van het officieel orgaan van de Winterswijkse Lyceum Vereniging Kontakt kostte in 2004 65 euro. En Komrij is dichter.

Arme lezers kunnen deze veilingkavels overslaan: de KLAT-gedichten van Cremer zijn – deels herzien – herdrukt in het bundeltje Verloren gedichten (2004).

Eye-opener

‘Hij was voor ons de grote eye-opener. Zo van: jeempie, moet je kijken wat híj kan!’ In de rubriek Hollandse Nieuwe van het programma Kunstuur bekijken twee museumliefhebbers de laatste grote aanwinst van het Letterkundig Museum. Aad Meinderts legt uit dat het typoscript van Ik Jan Cremer niet alleen van literair maar zeker ook van maatschappelijk belang is.

Nieuwtje: het typoscript van Ik Jan Cremer wil Aad Meinderts geheel digitaal ter beschikking stellen. Helaas wordt er over de hoogte van het bedrag dat uiteindelijk is betaald voor de map van Cremer in alle toonaarden gezwegen. Vanaf 08:50.

Onverkocht

Hoeveel halve ogen heeft een mens? De mijne keken vandaag simultaan naar het rechtstreeks uitgezonden CDA-congres, de live veiling van Adams en het pannetje melk op het vuur.

In Amsterdam bleef het typoscript van Ik Jan Cremer onverkocht. De internetveiling van Adams had om drie uur nog geen biedingen geregistreerd. Blijkbaar was er een half uur later in de zaal ook geen koper aanwezig. Het is niet bekend of het veilinghuis een aftersale houdt, waar kavels voor een percentage van de laagste richtprijs gekocht kunnen worden, zoals in de kunstwereld wel gebruikelijk is. In dat geval is er mogelijk toch een koper voor het typoscript: het Rijksmuseum, dat eerder immers het omslagontwerp van Ik Jan Cremer verwierf. Het Letterkundig Museum is waarschijnlijk nooit in de running geweest, al zat Aad Meinderts in de zaal. De collecte heeft blijkbaar ook niets uitgehaald.

Andere topstukken bleven ook onverkocht bij Adams. Reve’s De avonden met het zeldzame buikbandje vond voor € 1650 geen nieuwe eigenaar. Twee zeldzame 16e-eeuwse boeken met collecties brieven van Jezuïeten bleven op de plank liggen. De potentiële kopers zaten natuurlijk in die andere zaal, op het CDA-congres. Voor de vele originele foto’s van Eva Besnyö was amper belangstelling, al ging dit welbekende plaatje weg voor € 1.500 (€900-1.200). Het bekende standaardwerk van Lindor Serrurier over de wajang bracht de geschatte € 12.500 ook niet op. De handgeschreven brief van Albert Schweitzer aan prinses Wilhelmina, die € 1.000 moest opbrengen, kan ook retour inzender.

Blaeu’s wereldberoemde atlas, in drie perkamenten folio’s, ging de richtprijs razendsnel voorbij en deed uiteindelijk € 275.000 (richtprijs € 90.000-120.000), exclusief veilingkosten. Een kavel met vijf geïllustreerde Russische kinderboeken, waaronder een gewild exemplaar van Marshak, bracht € 1.100 (€ 80-100) op.

Typoscript

Theodor Holman wist gisteravond nog van de eerste lezing als puberjongen dat er op pagina 41 van Ik Jan Cremer een seksscène staat. In OBA Live sprak hij met Onno Blom over dit ‘grotemensenboek’, de ‘Tijl Uilenspiegel van de twintigste eeuw’, naar aanleiding van de veiling van het manuscript typoscript van Ik Jan Cremer. Blom beet na een halve minuut al sensueel op zijn pink. Behalve het manuscript typoscript van de onverbiddelijke bestseller bevat ‘de boedel van Jan’ een ‘compleet uitgewerkte reclamecampagne’ en een ongepubliceerd gedicht, vertelde Blom.

De nieuwswaarde van dit interview is, wat mij betreft, een beetje blijven steken op het feit dat het manuscript eigenlijk een typoscript is. Precies 227 velletjes, allerlei soorten papier, op verschillende typemachines getikt, met handgeschreven correcties van de auteur. Is typoscript een moeilijker of minder mediageniek woord dan manuscript?

Knetterende letteren (2)

Jan Cremer in gesprek met Menno Schenke:

‘Toen De Bezige Bij kwam vragen of ik brieven heb geschreven die ze zouden kunnen publiceren, heb ik gebluft: misschien heb ik er 200… Het zijn er bijna 1000 geworden, overal vandaan, aan iedereen, uitgevers, schrijvers zoals Gerard Reve, aan kranten, tijdschriften, ex-vrouwen en advocaten. Geen censuur, ik neem niks terug van wat ik heb geschreven, alles moet op tafel.
De liefdesbrieven aan mijn vrouwen bestaan niet meer. Die zijn weg, maar het waren wel mooie brieven. Ze zijn ritueel verbrand. Haha, een vuurtje he…’

(Uit: Algemeen Dagblad, 19 april 2005)