The Holy Bible

De heilige graal van het modernisme: deze week heb ik hem in mijn handen gehad. Bij het inpakken voor de boekenbeurs in Maastricht mocht ik het meesterwerk van James Joyce even op schoot houden. Het was een eerste druk uit 1922, een van de slechts 150 genummerde exemplaren op geschept papier, in elke vezel nog het gevaarlijke boek dat Léon Gillain op een goede dag besloot te kopen. Alleen het uiterlijk was anders. De vorige eigenaar had in een vlaag van verstandsverbijstering het zeeblauwe omslag laten verwijderen en vervangen door een geheel zwarte linnen band.

Maar toch: die herbonden Ulysses deed me meer dan de zes incunabelen die voor me op tafel lagen.

Het vervangen van de originele boekband door een nieuwe band is tegenwoordig doorgaans slecht nieuws. Hoe professioneel of getalenteerd de boekbinder ook is, het blijft plastische chirurgie. Zet een neus recht, vul een wang op en iemand verliest zijn gezicht. Dat is voor boeken niet anders, behalve misschien voor Ulysses. Het boek was tot 1934 verbannen (er gold een verbod op drukken, verkopen of verspreiden), maar had vanaf 1922 meteen worldwide sex appeal. ’s Ochtends bij het openen van haar boekwinkel trof Sylvia Beach nogal eens (buitenlandse) jongeren op de stoep, die hun exemplaar niet wilden mislopen. De modernisten hadden een slimme truc bedacht om de kans op inbeslagname van het boek te verkleinen.

Readers smuggled copies by binding Joyce’s novel inside decoy covers of books like Merry Tales for Little FolksShakespeare’s Complete Works or The Holy Bible. One was disguised as a biography of Ulysses S. Grant.

Dit is een van de vele prikkelende passages uit Kevin Birminghams The Most Dangerous Book. The Battle for James Joyce’s Ulysses (2014). Zijn boek houdt het midden tussen een avonturenroman, een schrijversbiografie en een uitgeefgeschiedenis – met leerzame passages over prostitutie, oogziektes en wetteksten. The Most Dangerous Book is het beste literaire non-fictiewerk dat ik ooit las.

Joyce’s schrijfmachine

Van de vijf boeken uit de bibliotheek van Willem Frederik Hermans, mij ooit in de schoot geworpen, verdient Portraits of the Artist in Exile. Recollections of James Joyce by Europeans (1979) alle aandacht. Natuurlijk is Slauerhoffs Jan Pietersz. Coen [1936], gekocht door Hermans op 15 oktober 1942 bij zijn geliefde boekhandel Balkema, ook leuk, maar daarin heeft de vorige eigenaar alleen zijn naam geschreven. En meer niet.

Portraits of the Artist in Exile kwam in het bezit van W.F. Hermans op 7 mei 1980. Op het dekblad schreef hij met balpen, onder zijn handtekening, ‘Dublin 7 mei ’80’. Helemaal onderaan de pagina blijkt dat Hermans het boek niet heeft hoeven kopen: ‘geschonken door John Newman, de binder’. John F. Newman & Son was een professionele boekbinderij in de Ierse hoofdstad. Wat had Hermans hier te zoeken? Misschien maakte hij een verkennende reis met zijn uitgever Geert Lubberhuizen, die zich na zijn pensionering in het Ierse dorp Cornamona zou vestigen. Lubberhuizens exclusieve Cornamona Pers publiceerde van Hermans twee boeken, in 1981 en 1985.

Er was in Dublin geen beter cadeau voor een naar Parijs vertrokken Nederlandse schrijver dan een boek over een in Dublin geboren en getogen schrijver, die naar Parijs vertrok. Dit is een exemplaar van spiegels en dubbele bodems.

Willard Potts, de samensteller van deze herinneringenbundel, merkt in zijn inleiding op dat James Joyce met pen of potlood in de hand boeken las. Hij maakte aantekeningen in de kantlijn. Precies dat deed Hermans vanaf de jaren ’50 ook met zijn boeken: krabbels en strepen in de marge zetten, voorin relevante paginanummers noteren.

W.F. Hermans las Portraits of the Artist in Exile aandachtig. Zeker zeven keer pakte hij zijn potlood om een passage aan te strepen of een verkeerd gespeld woord te verbeteren. Op het schutblad schreef Hermans vijf paginanummers en erachter wat hij op die pagina belangrijk of opmerkelijk vond. De mooiste is wel: ’88 Joyce’s schrijfmachine’. Op pagina 88 roept Nino Frank de slechte ogen van Joyce in herinnering: ‘Joyce put on thick lenses for reading. He showed me the typewriter with enormous characters that had been procured for him in order to help him with his work.’

Dat James Joyce na zijn vertrek naar het Europese vasteland alleen maar aan Ierland kon denken is, volgens Potts, volslagen onzin – al blijven we die bekende zin (‘But every day in every way I am walking along the streets of Dublin and along the strand’) maar citeren. Hermans bleef in Parijs wel gepreoccupeerd door zijn geboorteland: Nederland was een ‘mierenhoop’ en een ‘muizenhol’, waar op zondag alle etalages mooi verlicht zijn, maar de winkels zijn gesloten.

Toen Jaap Goedegebuure op 7 juni 1981 Hermans, in een openbaar interview op Nederlandse bodem, vroeg naar zijn houding ten opzichte van Nederland, kon de schrijver zich nog herinneren wat hij een jaar eerder had gelezen.

Wat de kwestie van haat tegen Nederland betreft, ja, ook dat is helemaal niet zo iets excentrieks. U moet bedenken iemand als James Joyce heeft na z’n dertigste jaar, nog erger dan ik, nooit meer een voet in Ierland gezet. Maar alles wat hij schreef, speelde in Ierland. Al zijn gesprekken gingen over Ierland. Hij dacht uitsluitend over Ierland. Daar had hij groot gelijk in, want een auteur kan, geloof ik bijna alleen iets waardevols voortbrengen als hij het heeft over datgene wat het diepst in hem zit, en wat in iedereen het diepste zit, dat is zijn geboorteland.

No

Bloemsdag overleefd. Ik had een etmaal door de hoofdstad willen zwerven, langs de presentatie van de nieuwe Ulysses-vertaling, maar ik moest mijn allerlaatste recensie voor de website van Tzum afmaken (schrijven, de nek om draaien).

In tijden van voetballeed en oranjeverdriet is het fijn dat James Joyce de kranten haalt. De populariteit van zijn uitgaven in het antiquarische circuit, waar trends niet uit te bannen zijn, is echter niet persistent.

Highbrow bookseller Glenn Horowitz kondigde vandaag een catalogus Joyce aan met meer dan 100 begeerlijke items. Boeken uit ’s schrijvers bibliotheek, brieven aan zijn aanstaande vrouw, correspondentie met zijn uitgever, eerste drukken, opdrachtexemplaren aan goede vrienden – The Neubauer-Joyce Collection has it all. Horowitz heeft zijn sporen wel verdiend: zijn aan Ulysses gewijde boekwerk, met een publicatiegeschiedenis en de uitvoerige beschrijvingen van 24 opdrachtexemplaren, is moeilijk te overtreffen.

Enerzijds, anderzijds. Op de Sothebys-veiling in New York bleven alle Joyce’s op de plank staan. Onverkocht en retour inbrenger. Ook de eerste druk van Ulysses met een vroege opdracht van Joyce (richtprijs 100000-150000 Amerikaanse dollars) viel te betreuren, terwijl er een fraai staaltje associatieve literatuurgeschiedenis aan verbonden is.

De eerste eigenaar van deze Ulysses, Sidney Schiff, bracht Joyce en Proust in 1922 samen, aan een dinertafel in Parijs. Beide schrijvers hadden uit nervositeit van tevoren flink ingenomen. Toen de sociale angsthazen eenmaal aan elkaar waren voorgesteld, kwam de conversatie amper op gang. Hebt u mijn laatste boek wellicht gelezen? Kent u Parijs een beetje? ‘Our talk consisted solely of the word “no”.’