Gewoon in de kast

Boudewijn Büch was dus geen slechte journalist. Al die opmerkelijke uitspraken in het meest spraakmakende interview uit zijn carrière, hoofdredactionele commentaren en ingezonden brieven uitlokkend, bleken gewoon te kloppen. Aan het eind van het negende hoofdstuk van Boud (2016) schrijft Eva Rovers, na de originele gespreksopnamen met de gepubliceerde tekst vergeleken te hebben, dat Büch geen van Reves uitlatingen had verdraaid. Tien dagen na de verschijning van de Büch-biografie werd dit voor de bühne bevestigd.

Krap twee jaar na het beruchte Reve-interview arrangeerde Büch een tweegesprek met Augusta (‘Guusje’) Buwalda-Slauerhoff. Gewapend met een bandrecorder bezocht Büch eind 1984 Slauerhoffs jongste zus, een toen 84-jarige dame in Haarlem. Büch was de eerste journalist met wie zij de herinneringen aan haar beroemde broer deelde. Op 8 januari 1985 zond VPRO Boeken het interview van een uur uit. Naar beproefd recept wist de journalist het verhaal tweemaal te verkopen: Vrij Nederland publiceerde op 9 februari 1985 ‘In gesprek met de zuster van Slauerhoff’, aan welk stuk Wim Hazeu in zijn biografie van J. Slauerhoff bepaalde details ontleent.

Het is niet moeilijk voor te stellen waar Büchs belangstelling voor Slauerhoff vandaan kwam. Ze waren allebei verslingerd aan eilanden. Slau en Boud hadden beiden een romantische inborst en een rusteloze natuur.

Tijdens het interview met Slauerhoffs zus werkt Büch geen vragenlijst af, maar zit hij gewoon gezellig bij Zusje Slau aan tafel. Terwijl de band loopt nuttigen de oude dame en de jonge journalist een broodje ham – ‘Mag ik ook kauwen?’, vraagt zij op een gegeven moment. Levensbeschrijvingen en poëtica boeien Büch niet. Hij zoekt naar het persoonlijke verhaal, vist naar intimiteiten en curiositeiten. En spreekt daar dan af en toe zijn verbazing over uit.

Twee van de grootste dichters [A. Roland Holst en Slauerhoff] van hun tijd blijken ’s middags een dutje te doen! […] U gelooft dat hij naar de hoeren is geweest?

Aldus informeert mevrouw Buwalda-Slauerhoff Büch over de stoeipartijen met haar broer, de stijve en strakke Hendrik de Vries, de dansschool van Darja Collin, het slappe handje van Constant van Wessem en over de boze brief van Du Perron die ze na de dood van broer Jan vond en verscheurde. Een rommelig interview dat barst van de human interest.

Slauerhoffs lievelingszus vertelt ook, ietwat getergd, dat zij zich over het boekenbezit van haar dichtende broer moest ontfermen. De boeken die uit Tanger waren meegekomen bleken nogal ‘verwaterd’ te zijn. Zij regelde wel dat alles netjes op de planken kwam te staan.  Ze verzorgde ook Slauerhoffs post, of hij nu in Nederland was of over de zeeën zwierf.

Waar ik niet altijd pakjes naartoe moest sturen. En als hij weer ergens anders woonde, vroeg hij me sokken [te sturen] of weet ik wat.

Nieuwsgierig is Büch naar een tastbare herinnering aan J. Slauerhoff. Helaas, deelt de zus mee, het was hun oudste broer Feije die van elke nieuwe publicatie van Slauerhoff een exemplaar kreeg. En dan stelt Büch de vraag die elke waerachtige bibliophiel zou stellen.

– U heeft dus geen boek met opdracht van uw broer?
– Ik wel. Twee, maar niet [in boeken] die hij geschreven heeft. Maar die ik van hem gekregen heb.
– Ja, maar geen eigen boeken dus.
– Nee. Ik heb wel boeken, van IJslandsche Visscher, en van Annie Salomons, dat hij dan schreef “met zestien jaar, huwbare leeftijd” en dat hij naar Amsterdam ging.
– En die staan hier gewoon ergens in de kast?
– Ja, die staan hier gewoon in de kast. Wat moet ik ermee? In een lijstje zetten?

Beide boeken hebben nog lang in de kast gestaan, in elk geval tot 1995, het jaar waarin Slauerhoffs zuster overleed. Het boekje Langs het geluk (1913) van Annie Salomons, dat Slauerhoff zijn jongste zus schonk op haar zestiende verjaardag, is nu boven water gekomen. Gewoon te koop. Het is niet uitgesloten dat de volgende eigenaar het inlijsten zal.

Administratie

Een kwart eeuw na de verschijning van Alice in Wonderland (1865) wilde Lewis Carroll er een nieuw boek van maken: geschikt voor en geadresseerd aan kinderen tot 5 jaar, met een ingekorte en vereenvoudigde tekst, met extra grote illustraties. Nog voordat The Nursery “Alice” (1889) naar de drukker ging, begon Carroll op 21 juni 1889 met het noteren van de namen van vrienden en familieleden die een presentexemplaar moesten ontvangen. Dit bruine schriftje, dat inzichtelijk maakt wie tot Carrolls inner circle behoorde, komt vanmiddag onder de hamer bij Sotheby’s (mirror).

Hoewel het document ook al in 1946 werd beschreven en per opbod verkocht, is het nooit beschikbaar geweest voor onderzoek. Het veilinghuis zet nu vooral in op de waarde van het schriftje als biografisch document (‘a fascinating snapshot into Carroll’s private life‘). Maar Carrolls schriftje is natuurlijk ook de natte droom van boekwetenschappers en Alice-verzamelaars. Niets is zo mooi als de handel en wandel van een exemplaar reconstrueren, laat staan van een halve oplage. (En wie weet vind je aan het eind van de rit een exemplaar voor jezelf, te koop of te geef.)

Voordat mijn zoektocht naar het debuut van Remco Campert mijn leven begon te domineren, had ik al een lijstje gemaakt van bekende exemplaren van Hermans’ Dinky Toys (1976) – voor het laatst geüpdatet in 2014. Kees Lekkerkerker stelde zich als jonge Slauerhoff-specialist ten doel om de 15 ‘in sirenenhaar’ genaaide exemplaren van Soleares (1933) te vinden. Hij kwam niet verder dan nummer 7 (in het bezit van zijn penvriend, de Arnhemse ambtenaar Pleun van Toledo) en nummer 10 (op naam van Emile van der Borch van Verwolde). Ik ken iemand die niet zal rusten voor hij alle 250 genummerde exemplaren van De Ode (1919) van Louis Couperus heeft getraceerd. Die census is pas echt een uitdaging.

Nooit is in beeld gebracht waar zich de enkele niet-vernietigde exemplaren van de eerste druk van Pijpelijntjes (1904) bevinden, terwijl zo’n staatje op de achterkant van een bierviltje past. Zelfs van de personen die op 1 november 1947 een eerste druk van De Avonden (1947) van de auteur kregen bestaat geen index. Binnenkort breng ik daar verandering in.

Van mijn eigen drukwerk bestaan al geheime distributielijsten met nummers en namen. Er is een waterdichte administratie. De Koninklijke Bibliotheek te Den Haag ontving van de laatste twee Artistiek Bureau-uitgaven nummer 13 van de oplage, omdat particuliere verzamelaars in het ongeluksgetal geloven. De zelfbenoemde bibliograaf kreeg vaak nummer 7 of 8. In de derde kolom van dit overzicht hield ik bij wanneer welk exemplaar aan de eerste eigenaar werd overhandigd of verzonden – net als Lewis Carroll deed.

Joyce’s schrijfmachine

Van de vijf boeken uit de bibliotheek van Willem Frederik Hermans, mij ooit in de schoot geworpen, verdient Portraits of the Artist in Exile. Recollections of James Joyce by Europeans (1979) alle aandacht. Natuurlijk is Slauerhoffs Jan Pietersz. Coen [1936], gekocht door Hermans op 15 oktober 1942 bij zijn geliefde boekhandel Balkema, ook leuk, maar daarin heeft de vorige eigenaar alleen zijn naam geschreven. En meer niet.

Portraits of the Artist in Exile kwam in het bezit van W.F. Hermans op 7 mei 1980. Op het dekblad schreef hij met balpen, onder zijn handtekening, ‘Dublin 7 mei ’80’. Helemaal onderaan de pagina blijkt dat Hermans het boek niet heeft hoeven kopen: ‘geschonken door John Newman, de binder’. John F. Newman & Son was een professionele boekbinderij in de Ierse hoofdstad. Wat had Hermans hier te zoeken? Misschien maakte hij een verkennende reis met zijn uitgever Geert Lubberhuizen, die zich na zijn pensionering in het Ierse dorp Cornamona zou vestigen. Lubberhuizens exclusieve Cornamona Pers publiceerde van Hermans twee boeken, in 1981 en 1985.

Er was in Dublin geen beter cadeau voor een naar Parijs vertrokken Nederlandse schrijver dan een boek over een in Dublin geboren en getogen schrijver, die naar Parijs vertrok. Dit is een exemplaar van spiegels en dubbele bodems.

Willard Potts, de samensteller van deze herinneringenbundel, merkt in zijn inleiding op dat James Joyce met pen of potlood in de hand boeken las. Hij maakte aantekeningen in de kantlijn. Precies dat deed Hermans vanaf de jaren ’50 ook met zijn boeken: krabbels en strepen in de marge zetten, voorin relevante paginanummers noteren.

W.F. Hermans las Portraits of the Artist in Exile aandachtig. Zeker zeven keer pakte hij zijn potlood om een passage aan te strepen of een verkeerd gespeld woord te verbeteren. Op het schutblad schreef Hermans vijf paginanummers en erachter wat hij op die pagina belangrijk of opmerkelijk vond. De mooiste is wel: ’88 Joyce’s schrijfmachine’. Op pagina 88 roept Nino Frank de slechte ogen van Joyce in herinnering: ‘Joyce put on thick lenses for reading. He showed me the typewriter with enormous characters that had been procured for him in order to help him with his work.’

Dat James Joyce na zijn vertrek naar het Europese vasteland alleen maar aan Ierland kon denken is, volgens Potts, volslagen onzin – al blijven we die bekende zin (‘But every day in every way I am walking along the streets of Dublin and along the strand’) maar citeren. Hermans bleef in Parijs wel gepreoccupeerd door zijn geboorteland: Nederland was een ‘mierenhoop’ en een ‘muizenhol’, waar op zondag alle etalages mooi verlicht zijn, maar de winkels zijn gesloten.

Toen Jaap Goedegebuure op 7 juni 1981 Hermans, in een openbaar interview op Nederlandse bodem, vroeg naar zijn houding ten opzichte van Nederland, kon de schrijver zich nog herinneren wat hij een jaar eerder had gelezen.

Wat de kwestie van haat tegen Nederland betreft, ja, ook dat is helemaal niet zo iets excentrieks. U moet bedenken iemand als James Joyce heeft na z’n dertigste jaar, nog erger dan ik, nooit meer een voet in Ierland gezet. Maar alles wat hij schreef, speelde in Ierland. Al zijn gesprekken gingen over Ierland. Hij dacht uitsluitend over Ierland. Daar had hij groot gelijk in, want een auteur kan, geloof ik bijna alleen iets waardevols voortbrengen als hij het heeft over datgene wat het diepst in hem zit, en wat in iedereen het diepste zit, dat is zijn geboorteland.

Bindpraktijken

Filmregisseur Bryan Forbes schreef een aardige terugblik op zijn bibliofiele leven bij het afscheid van een deel van zijn boeken, nu door het oudste antiquariaat ter wereld in een catalogus verstopt. ‘Van tijd tot tijd onderneem ik ernstige pogingen om mijn bezittingen te ruimen, ontdoe ik me van overhemden die te krap zijn geworden, vernietig ik foto’s die niet langer lijken op het gezicht dat naar me staart in de badkamerspiegel, maar het mag allemaal niet baten. De puinhopen van mijn bewogen leven lijken zich in het donker voort te planten, maar ik heb – tot op heden – altijd de verleiding kunnen weerstaan mijn boeken weg te doen.’

Zijn nobele woorden ten spijt is de aanblik van zijn collectie nogal een schok. Opdrachtexemplaren, drukproeven en eerste drukken van o.a. Edward Albee, H.E. Bates, John le Carré, Daphne du Maurier en Gore Vidal. Maar alle 169 boeken van Forbes zijn door een naamloze binder op een onbewaakt ogenblik in identieke banden gestoken: verguld brandweerrood en tuinhuisjesgroen halfmarokijn met fantasieloos gemarmerde platten. Sjiek, maar dood- en doodsaai. Aap, gouden ring.

Praktische bezwaren tegen het opnieuw binden van boeken, als ze er niet expliciet om vragen, zijn er genoeg. Het zesde boek uit de Forbes-lijst betreft de eerste roman van Kingsley Amis. Volgens de beschrijving mist de laatste letter van de handgeschreven opdracht van de auteur: de boekbinder sneed de pagina’s van Lucky Jim namelijk bij tijdens zijn bindpraktijken. Maar erger dan deze kleine verminking is het glimmende leder en het oogverblindende goud om dit boekblok, dat voorheen een uitgesproken, luchtige omslagtekening had, helemaal passend bij Amis’ satire.

De erotiek van een eerste druk bestaat voor een niet gering deel uit de oorspronkelijke band. Verzamelaars willen juist een eerste druk hebben, omdat ze dan dat meesterwerk in handen kunnen houden, zoals dat kort na de geboorte in de boekwinkel lag. Band en stofomslag, net als toen. Liefst postfris. Boekbinders kunnen een boek aantrekkelijk aankleden, maar sexy lingerie staat niet elke eerste druk. Om Isherwoods Lions and Shadows uit 1938 hoort het maatpak van Richard Medley, geen anoniem yuppenkloffie boven een paar Allstars.

De boekenkasten van Bryan Forbes zijn gruwelijk consequent. Alle vanzelfsprekende variatie in uiterlijk, gewoon omdat het ene boek uit 1948 stamt en het andere uit 1984, is eruit geordend. Het slaat als kut op Dirk. Gemaakt en bedacht.

Soms moet je streng zijn. Als een boekband in goede staat verkeert, moet een boekbinder er met zijn kundige tengels vanaf blijven. Hangt de rug ernaast? Heeft het achterplat in een plas water gelegen? Of is de originele band verloren gegaan? Dan kan een beetje binder een boek uit zijn as laten herrijzen. Al tijden staat een opdrachtexemplaar van Slauerhoff hier te wachten op een nieuwe jas. De vorige eigenaar plakte er ooit een perkamenten rug op, maar hij of zij zal de cursus boekbinden wel nooit hebben afgemaakt.

Sprankeltjes

Ik ken een masochistische bibliofiel. ’s Avonds bladert hij in oude catalogi van beroemde veilingen en legendarische collecties bij antiquariaten. Hij bijt af en toe op zijn vuist, slaakt een zacht gilletje, maar bladert door, door, door. Al die schitterende boeken voor zo weinig geld! Had ik maar geboden! Was ik maar 20 jaar eerder geboren!

Het heeft ook wel iets.

Van 22 september tot 11 oktober 1930 organiseerde de Utrechtse boekhandel Kemink & Zoon een grote tentoonstelling, getiteld ‘De Nederlandsche Dichtkunst na 1914’. Ter gelegenheid van de expositie drukte men een sjieke catalogus, die volgens C.H.E. Breijer blijvende waarde zou behouden dankzij de ‘systematische indeeling’ van verschillende richtingen in de poëzie en nieuw werk van ‘twee onzer jongere dichters’ (de gedichten ‘Corridas’ van Slauerhoff en ‘De Waldhoorn’ van Theun de Vries).

Het overzichtswerkje illustreert fijntjes hoe populair sommige dichters waren anno 1930. Of: hoe impopulair andere. Greshoff, altijd gezien als een veelgelezen dichter, is vertegenwoordigd met 13 titels, waarvan er 11 nog volop leverbaar zijn, indien gewenst gedrukt op Hollands papier. J.A. Dèr Mouw, wiens Brahmannen al in 1919-1920 waren verschenen, lag ook nog op de planken. Jacob Israël de Haans dichtbundels, ook Liederen uit 1917, waren nog gewoon nieuw te krijgen. Willem de Mérode? Al zijn werk vanaf 1915 leverbaar – een gebonden Lichtstreep kostte liefst 10 gulden. Zelfs Paddestoelen van Ton Ven was te koop voor f 1,25.

Sprankeltjes van H. Keve daarentegen was bij het verschijnen van deze catalogus alweer ‘uitverkocht’. Marsman? Helemaal op.

Tussen de bekende namen staan er schrikbarend veel die het niet gehaald hebben. Eendagsvliegen aan een kleefstrip. Artistiek Bureau geeft ze een laatste line-up.

Mies Kieviets
A.M.J.I. Binnewiertz
Poverella
Zuster Theresia
Martialis Vreeswijk
Elsje Bording
Ela Frowein Gratama
Nan Küthe
Piet Pijl
Ada Bomli
Wiebrandus Haanstra
Ellen Parqui

Alsof Slau het iets kan schelen

In aflevering vier van een reeks over merkwaardige boekbeschrijvingen staat J. Slauerhoff centraal.

Misschien heeft de boekhandelaar gelijk. Wat kan Slauerhoff het inderdaad schelen? Was hij zelf bibliofiel aangelegd? Afgaand op het nog immer toenemende aantal bibliofiele uitgaven van zijn werk zou men denken van wel. Zijn notoire slordigheid doet anders vermoeden.

Hans van Straten hoorde van zijn vriend Fred Batten de anekdote van een stikjaloerse Slauerhoff, op bezoek bij zijn vriend Du Perron in Parijs. Slauerhoff neuzelde wat in diens bibliotheek en ontdekte in een boek van Malraux een handgeschreven opdracht van de auteur, die daaronder een kattenkop tekende. Desgevraagd liet Du Perron zijn gast weten dat Malraux wel vaker zo signeerde, ‘maar uitsluitend voor zijn vrienden’. Waarop Slauerhoff zijn eigen bundel Serenade uit de kast griste, de dop van zijn vulpen schroefde en een vette klodder inkt op de titelpagina liet vallen. Toen klapte hij het boek hard dicht.

Zijn afgunst won het dus van zijn bibliofiele gevoelens.

Op zijn eigen boeken was hij best zuinig. De Chinese anthologie, ex bibliotheca Slau, die mij eens onder ogen kwam, had de hele wereld doorkruist, maar was nog goed bruikbaar. Wel had de dichter hier en daar met potlood in de marge geschreven.

Bookcrossing: het experiment

Namens Artistiek Bureau liet Een middernachtzendeling vorige week twee boeken in een late trein van Den Haag naar Amsterdam Centraal liggen. Expres, gratis en voor niks, voor de eerlijke vinder. En voor het experiment. ’s Middags registreerde De directeur de boeken op bookcrossing. Maar helaas heeft de nieuwe eigenaar tot nu toe niks van zich laten horen. Zouden De bosheks en Critisch proza, zijnde het vijfde deel van de door K. Lekkerkerker bezorgde Verzamelde werken van J. Slauerhoff, niet in de smaak vallen?

Met elkaar in strijd

Eerder beschreef ik de dubbele tong van Greshoff. De broodschrijver had voor het ene periodiek een lovende bespreking geschreven, terwijl hij in een andere krant hetzelfde boek hekelde. De ‘aartswinkellullen’ van het interbellum zetten Greshoff te kijk in hun blaadje, maar verder viel niemand over Greshoffs inconsequenties. Een week later was iedereen de affaire alweer vergeten. Dacht ik.

Maar Wim Hazeu citeert in zijn Slaubiografie deze passage uit een brief van J. Slauerhoff aan J. Greshoff:

‘Jany [Roland Holst] en ik [Slauerhoff] lazen in de Lit. Gids twee kritieken van jou lijnrecht met elkaar in strijd over ’t zelfde (fransche) boek. Als je ons een oplossing van deze puzzle zond, zouden wij blij zijn. Mocht er geen andere oplossing bestaan dan dat je overvoerd bent met werk, dan is ’t nog niet erg.’

Knetterende letteren

De Papieren Man meldt opgelucht dat de waardevolle collectie boeken en prenten van de TU Delft zo goed als zeker de brand van 13 mei jl. heeft overleefd.

Artistiek Bureau staat stil bij die andere hevige brand, in Middelburg, op 17 mei 1940, ten gevolge van het Duitse bombardement. De plaatselijke boekhandel ging geheel in vlammen op. Van de Slauerhofftentoonstelling bleef weinig over. Bijna alle jeugdportretten van de dichter, evenals eerste drukken in zeer kleine oplagen, gingen verloren.

Etenswaren, duiven, chinawaren

Papieren man meldt dat er een onbekend manuscript van J. Slauerhoff [liever niet J.J. Slauerhoff, want zo stond het nooit op de titelpagina’s van zijn boeken – Dd] op Vlieland is ontdekt. Het gaat om negen vellen proloog van Slau’s debuutroman Het verboden rijk uit 1932. Voorpublicaties van de roman zijn op de dbnl te vinden, in de gedigitaliseerde jaargangen van Forum.

Tevens maken W. Blok en K. Lekkerkerker op dbnl duidelijk hoe verrekte lastig het handschrift van Slauerhoff te ontcijferen is:

‘Het handschrift van Slauerhoff is bijzonder moeilijk te lezen. Niet alleen variëren de documenten van moeilijk leesbaar tot (bijna) onleesbaar, maar ook wemelen ze van de spelfouten en verschrijvingen, zijn allerlei woorden willekeurig in losse delen uiteengeschreven, zijn de zinnen voorzien van overbodige of foutieve interpunctie, of ontbreken hoofdletters en interpunctie geheel en al. Ook zijn de alinea’s meestal niet aangegeven, beginnen de meeste zinnen op een nieuwe regel, zodat niet duidelijk is waar een nieuwe alinea begint. De typoscripten zijn eveneens van een ongekende slordigheid. Typefouten komen herhaaldelijk voor, evenals verbreking en samenvoeging van woorden; accenten, trema’s, weglatings- en afkappingstekens ontbreken veelal en aan het eind van de regels zijn letters en tekens dikwijls niet overgekomen; ook zijn zwart en rood lint soms willekeurig door elkaar gebruikt. Maar wat het lezen van de teksten, zowel in handschrift als in typoscript, vooral bemoeilijkt is de gewoonte van Slauerhoff om correcties aan te brengen door de woorden heen. Zelf bekende hij eens in een vraaggesprek in een Zuidafrikaans blad: ‘Ek skryf ’n handskrif wat ek self nie kan lees nie en die tikmasjien is altyd kapot.’ (Ik had het leven me anders voorgesteld. J. Slauerhoff in vraaggesprekken en herinneringen, bezorgd door Dirk Kroon, blz. 28) Dat dit geen loze uitspraak is, blijkt uit de vele verduidelijkingen die hij zelf in zijn manuscripten heeft aangebracht, kennelijk uit vrees de tekst later niet meer te kunnen reconstrueren. Wanneer een auteur zoveel moeite heeft zijn eigen teksten te lezen, hoeveel te meer zal dit het geval zijn bij anderen die deze teksten onder ogen krijgen. Het handschrift is ook verraderlijk en misleidend. Als voorbeeld, uit zeer vele: het woord etenswaren lazen de editeurs aanvankelijk als duiven, later als chinawaren.’