Ferdinand Langen (1918-2016)

Ferdinand Langen was de telefoontjes een beetje beu. Overleed er een Nederlandse schrijver, dan werd hij meteen gebeld om voor de zoveelste keer die ene anekdote op te hoesten. HP/De Tijd, meende hij, was het ergst: dat tijdschrift had hem bovenaan de bellijst staan. Nu Ferdinand Langen zelf dood is, is er niemand meer om te bellen.

In 2008 stelde ik met Coen Peppelenbos een themanummer van Tzum samen over A. Marja. Daarvoor benaderde ik drie oude vrienden van de in 1964 gestorven dichter. Van Langen kreeg ik per kerende post een grote envelop waarin vijf getikte vellen met zijn levendige herinneringen aan Marja. Ze vertoefden in vooroorlogs Groningen in kringen van veelbelovende schrijvers en schilders. Langen wist Marja mooi te typeren: ‘meester in het mengen van hartelijkheden en hatelijkheden’. In de begeleidende brief leverde hij een korte autobiografie aan, omdat hij veronderstelde dat ‘niet alle lezers van uw tijdschrift literatuurgeschiedenis hebben gestudeerd’. (Ferdinand Langen behoorde tot de ‘vergeten schrijvers’, een tegenwoordig populair genre.)

Sindsdien hadden we geregeld contact. Hij schreef me brieven, gericht aan ‘Waarde directeur’. Ik stuurde hem nu en dan een pakket met uitgeprinte stukjes voor Artistiek Bureau. Vaak maakte dat weer iets los bij hem. Kwam hij in een tekst van mij de naam ‘H. Drijvers Jr.’ tegen, dan dook hij zijn archief in om interessante brieffragmenten over te tikken. Hij had Henk en Dini Drijvers uiteraard persoonlijk gekend.

Mijn stukjes vond hij het leukst wanneer ze niet zo braaf waren. Of een tikje vilein eindigden. Hij had ‘heel erg gelachen’ om ‘De dikste maatjes’ (over Connie Palmen en Hans Warren).

Het mogen dan details zijn die je opspoort, maar ze zijn wel waardevol en voegen vaak iets peperachtigs toe aan de auteurs die je noemt.

In zijn brieven bleef hij me voeren met details over literaire figuren. Er kwam een stroom aan particuliere herinneringen op gang.

Aan Hendrik de Vries, zijn overbuurman in Groningen, met wie hij ’s avonds ‘rondjes Bernoulliplein’ liep (‘daarbij wriemelde hij zijn beweeglijke vingers in elkaar, soms kon hij ze als we afscheid namen moeilijk weer uit elkaar krijgen’). Aan Reinold Kuipers, met wie hij eens per week een kop koffie in De Poort van Cleef ging drinken (‘bij die koffie bestelde Reinold altijd een portie leverworst’). Aan Lucebert, die op bankjes in het Vondelpark sliep en door hem weleens op een maaltijd bij de Chinees werd getrakteerd (‘veel voor weinig’). Aan Johan van der Zant, buurjongen op de Stadhouderskade in Amsterdam, die wilde weten wat Ferdinand van zijn liefdespoëzie vond (‘niks dus, maar wat mij opviel was de naam die hij eronder had gezet: Hans Andreus’). Aan de ex van Andreus, die lesbisch werd, een verhouding kreeg met omroepmanager Marijke Rawie, wier broertje nogal eens in geldnood verkeerde (‘een beginnend dichter, die soms geen brood op de plank en geen drank in het glas had’). Aan Max Dendermonde, die strontlazarus zijn auto in de heg parkeerde. Aan de logeerpartij van Reve en aan de handdruk van Claus.

Voor iemand die zei dat hij eigenlijk niet van terugblikken hield, keek hij opvallend vaak terug.

Een enkele keer kon ik iets terugdoen. Halverwege de jaren ’50 had hij de literatuur verruild voor een baan in de marketing (‘daar leerde ik wat een liquid lunch was’). Zijn uitgever Kuipers had hem gescout vanwege zijn kraakheldere stijl. Heel wat jaren had Ferdinand zijn creativiteit in zijn baan gestopt. Pas in 1981 verscheen er van zijn hand weer een verhaal, in een bundel ter ere van Geert Lubberhuizen, die afscheid nam van De Bezige Bij. (Bij dezelfde uitgeverij was Ferdinand gedebuteerd, had hij een tijdschrift opgericht en een boekenreeks geredigeerd.) Ook wilde hij zijn eigen werk weer compleet in de boekenkast hebben staan. In 2009 maakte ik hem blij met twee exemplaren van zijn enige in Duitsland verschenen boek. Zijn eigen exemplaren van Rot mit weissen streifchen, vermoedde hij, waren in 1957 meteen bij zijn ‘voormalige vijanden’ beland. (In dezelfde reeks van Langen Müller uit München verschenen vertalingen van Annie M.G. Schmidt en S. Carmiggelt.)

Van zijn belangstelling voor marketing had hij al blijk gegeven in een interview met Willem Elsschot. Voor de Haagse Post had hij – in een dag op en neer naar Antwerpen – in februari 1952, ter gelegenheid van de Boekenweek, de Vlaamse schrijver thuis opgezocht. Aan het eind van het artikel spreken beide schrijvers over de beste manier om voor een boek reclame te maken. Overigens was Ferdinand achteraf ontevreden over zijn interview.

Elsschot beantwoordde plichtmatig mijn vragen. Toen hij op de klok keek en mij vroeg mee te gaan naar zijn stamkroeg, heb ik beleefd geweigerd. Stom! Natuurlijk had die man met een slok op veel meer te vertellen.

Vier, vijf keer ben ik bij Ferdinand en zijn vrouw op bezoek geweest. Het waren vrolijke gesprekken die we voerden, zelden over de literatuur van vroeger. Op de grote hoekbank in de woonkamer lag meestal een stapel boeken uit de plaatselijke bibliotheek. De nieuwe Van Dis, de nieuwe Wieringa. Over Het boek Ont van Anton Valens was hij laaiend enthousiast. Om stipt vijf uur verplaatsten we ons dan naar het barretje in de keuken. Daar gingen we iets sterkers drinken dan thee. (Wie anders dan Ferdinand Langen publiceerde in 1945 het verhaal ‘Het recht op een borrel’.) Als ik ’s vrijdags kwam, kreeg ik een gebakken visje van de markt, alvorens ik op de Brink in Laren op de bus naar station Hilversum stapte.

Altijd waren zijn brieven in rood en zwart op een elektrische schrijfmachine getikt. Toen een winkeltje voor schrijfwaren in de Oude Kijk in ’t Jatstraat opheffingsuitverkoop hield, kocht Ferdinand de hele voorraad machinelint op.

En altijd stonden er spitsvondigheden in zijn brieven. Net als in zijn romans, in de dialogen met name, kon hij je listig op het verkeerde been zetten. Hij stond tamelijk zorgeloos in het leven. Bij de dood van Ton Lutz:

Mijn kapper die altijd heel goed geïnformeerd is, zegt: dood gaan we allemaal.

De laatste post uit Laren kwam naar aanleiding van de geboorte van mijn zoon: ‘Dag moeder Dag vader En hallo klein knuffeljoch’. Een lieve brief, ondertekend door ‘2 oude ervaringsdeskundigen’.

Hij kuste haar en sloeg het blad om

Typografisch kunstenaar Ewald Spieker heeft zijn werkplaats in hartje Amsterdam. Kees van Kooten woont bij hem om de hoek – ‘zesentwintig passen afstand’, om precies te zijn. De letterlievende buurmannen maakten samen het schitterende boek Letterlust (2003). Daarin bundelden ze hun beider kijk op het alfabet: de een met tekst, de ander met typografie.

Een Amsterdamse uitgever, die vorig jaar meeliep in een georganiseerde Hermans-wandeling door Amsterdam, vertelde me laatst dat de groep Hermansianen toen ook even halt hield bij Spiekers atelier aan de Groenburgwal. Op de smalle stoep van de gracht werd eerbiedig herdacht dat Spieker op deze plek in de herfst van 1981 het speelse boekje Beertje Bombazijn had gemaakt. ‘Dames en heren, kijkt u eens, hier werd de zeldzaamste Hermans gedrukt.’

Het prachtige en ingenieuze drukwerk van Ewald Spieker heb ik pas onlangs ontdekt. Het is lastig om al zijn uitgaven te bemachtigen, zeker het gelegenheidsdrukwerk (nieuwjaarswensen, uitnodigingen). Omdat er geen oeuvrecatalogus of bibliografie van Spieker bestaat, valt er ook geen lijst af te vinken. Uitkomst bieden de vele registers in de door Marieke van Delft en Kees Thomassen samengestelde Bibliografie van marginale uitgaven 1981-1994 (1996).

Ontroerend is de uitgave op groot formaat Vrede Paix Peace Friede (1980), een in memoriam John Lennon, door Spieker gezet en gedrukt daags na het overlijden van de muzikant en vredesactivist. De oplage van twintig exemplaren, bestemd voor gelijkgestemden en ‘not for sale’, kwam gereed op 20 december. Typografisch rouwen: vier verstilde rasterdrukken, ingeleid door de regel ‘only a day’ en afgesloten met ‘give peace a chance’.

Mijn favoriet is het smalle boekje Met-amor-fose (1989), gedrukt in 70 genummerde en gesigneerde exemplaren. Het is een sprookje over ‘een mooie mond’, die het verlangen heeft ‘te vliegen hoog boven de horizon’. In de vierde tekstpagina heeft Spieker een glimlachende mond uitgestanst, twee vuurrode vrouwenlippen. Een prins verwezenlijkt de droom van de mond: ‘hij kuste haar en sloeg het blad om waarop zij stond’.

Wie aldus de bladzijde omslaat, komt op het hemelblauw bedrukte hart van het boekje. De kus is een vlinder geworden, die fladdert met de beweging van de bladzijden, ‘geruisloos de horizon voorbij’. En zo ziet dat eruit.

En de prins? Die had sindsdien ‘de vlinder in zijn buik en zo leefden ze nog lang en gelukkig’.

Geen bloemen

Het was koud toen A. Marja stierf. De zon liet zich op die dag amper zien. Precies vijftig jaar geleden, in de eerste uren van vrijdag 10 januari 1964, overleed de dichter in de leeftijd van 46 jaar. In zijn levensverhaal, zoals ik dat ken, zitten grote gaten, maar juist de laatste dagen van A. Marja zijn vrij goed te reconstrueren. Zo heeft dominee J.J. Buskes verteld wat hij Marja op diens sterfbed in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag voorlas. Zijn toekomstige biograaf Wim Hazeu ontving de allerlaatste briefkaart (‘ben niet in staat uitvoerig op je brieven in te gaan’). En zijn laatste vriendin, Tineke Schuur-Kaspers, wist op 8 augustus 2008 nog precies hoe zij, na een avondje in de bioscoop, het bericht van zijn overlijden kreeg:

Om een uur of twaalf of één werd ik opgebeld door het ziekenhuis. Later hoorde ik dat hij niet in zijn bed is overleden. Dat zeiden ze wel, maar dat is niet zo geweest. Een bevriende dominee heeft me verteld dat hij in de kamer van de zusters aan de telefoon zat. Hij belde iemand op, maar wie dat was, weten we niet. Ik denk niet dat hij nog iemand aan de lijn had, anders had ik dat wel gehoord. Hij had een nummer gedraaid en toen was het klaar.

Twee jaar voor zijn dood had een fotograaf tijdens een interview door Simon Vinkenoog voor de Haagse Post een reeks foto’s gemaakt. Op de mooiste foto in de serie kijkt Marja recht in de lens. In zijn hand heeft hij de zwarte hoorn van een telefoontoestel. Dat is pas voorzienigheid.

De landelijke kranten maakten meteen melding van zijn vroege overlijden. De Telegraaf noemde hem een ‘veelzijdig mens’, die zowel lyrische verzen als ‘hekelverzen’ schreef en ook ‘belangrijk maatschappelijk werk’ deed. Zijn allerlaatste dichtbundel werd helaas omschreven als ‘de kort geleden verschenen verzamelbundel Van de weg tot het graf‘. C.J. Kelk in De Groene Amsterdammer beschouwde de gedichten in Marja’s laatste bundel als de kroniek van een aangekondigde dood, ‘zo met hart en ziel geschreven in zulk een penibele levensfase. Zijn woorden blijven hun warmte, al is het maar de hitte van de drift, behouden.’ ‘Schrijver Marja overleden’ kopte de voorpagina van Het Parool. Op pagina 11 van de krant probeerde criticus Max Nord ook leven (en dood) en werk van Marja aan elkaar te koppelen:

De felheid, waarmee hij vooral na 1945 van leer is getrokken tegen stromingen en tegen personen, getuigde van een levenshonger, die men waarschijnlijk mede mag toeschrijven aan de ongeneeslijke ziekte waaraan hij leed […] Dat was niet altijd plezierig, maar wel prikkelend en tegen de achtergrond van zijn vroege dood krijgt zijn werk een aspect van tragische verbetenheid, dat men niet voorbij zal kunnen gaan.

Op de rouwkaart stond als motto de titel van zijn laatste verzamelbundel: ‘Nochtans een christen’. Onder het gebod ‘Geen bloemen’ werd meegedeeld dat de overledene opgebaard lag in de rouwkamer van het ziekenhuis. Hazeu: ‘Ik heb de opgebaarde Marja gezien en even speelde bij mij toen de stoutmoedige gedachte dat hij op zou staan.’

In de voormiddag van dinsdag 14 januari 1964 was de uitvaart. Tijdens de rouwdienst in de ziekenhuiskapel las dominee P. Müller uit Heerde een fragment uit het boek Job. Op de algemene begraafplaats Westduin, ongeveer een uur later, haalde de vader van Tineke Schuur-Kaspers Marja’s op rijm gestelde grafschrift aan: ‘In memoriam myself’, dat de doodzieke dichter al in maart 1943 als vouwkaart aan zijn vrienden had gestuurd. Klaas de Wit herinnerde zich dat een deel van de aanwezigen zich eerst bij de verkeerde begrafenis had aangesloten. De zon liet zich niet zien. Willy Rieser wist hoe koud het was. De begrafenis was ‘voorlopig’: vanwege de vorst werd Marja in een massagraf gelegd. Zijn eigen graf werd later gedolven. Bij de condoleance stond Tineke Schuur-Kaspers naast Louise Gaastra, de vrouw die nog geen jaar eerder van Marja was gescheiden.

De volgende dag meldde een Haagse krant nog dat de plechtigheid door velen was bijgewoond en dat de dichter ‘plotseling’ aan een hartaanval was gestorven. Een recensent citeerde het profetische begin en het bezwerende slot van het vers ‘Hartpatiënt’.

Men zegt dat er nog lang boven de pisbak in Bodega De Posthoorn heeft gestaan: ‘Marja is dood’.

Etalage

Van de zandmachine die teksten van Gerrit Komrij op het wegdek zou spuiten ontbrak elk spoor. De wolkbreuken boven de Deventer Boekenmarkt hadden er toch blubber van gemaakt. Er stond wel een groot bord op de Brink: een foto van de betreurde Boekenmarktbezoeker. Antiquaar Jos Wijnhoven had een etalage ingericht met foto’s, boeken en curiosa van Komrij. Restaurant ’t Arsenaal, ‘vele jaren gastheer van Komrij’, herdacht de dichter met papieren placemats vol citaten uit diens werk. En bijna elke boekenkraam had een Verwoest Arcadië of een Dubbelster liggen.

Gerrit Komrij werd gemist in Deventer (behalve misschien door Jan Medendorp). Ik ging voor het eerst van mijn leven zonder boek naar huis.

Gerrit Komrij (1944-2012)

Dinsdag, 16 maart 2010. Met Gerrit Komrij op strooptocht langs alle antiquariaten in de binnenstad van Amsterdam. Bij antiquariaat Culturel trekt hij uit een rij non-descripte boeken juist die ene bundel tevoorschijn, terwijl ik nog sta te dralen voor de kast Nederlandse letterkunde. Het is een van de slechts vijftig exemplaren van Lichtval. Ik ben verbaasd dat hij iets van Faverey koopt. Een halfuur later staan we in de winkel van Brinkman. Op een categorieloze plank vindt hij een foliant van drie kilo. ‘Kijk, de biografie van Balkenende!’ Bij JOOT ziet hij een negentiende-eeuws dichtbundeltje staan. Hij moet even zijn zakcomputer raadplegen. Daarin heeft hij zijn hele boekenverzameling gecatalogiseerd.

Ik weet achteraf zeker dat hij deed alsof. Hij checkte zijn mail gewoon. Gerrit Komrij wist precies welk boek hij al had. Gehurkt in een Amsterdams antiquariaat wist hij exact waar – op welke plank, in welke kast, in welke kamer van zijn reusachtige Portugese villa – het stond.

In een column schreef hij vorig jaar dat hij van jongs af aan boeken verzamelde:

Van mijn twaalfde af heb ik ze naar mijn hol gesleept. ’t Is een wonder dat mijn handen niet op de grond hangen.

Kort na het verschijnen van Ergens halverwege zweven en Snippers op de rivier vertelde hij me dat hij van de polemist A. Marja veel had geleerd. In de Ooievaarspockets Voor de bijl (1955) en Over de kling (1956) had de jonge Komrij trots zijn exlibrisstempel gezet.

Het is een rare fabel dat bibliofielen hun boeken altijd afschermen van de boze buitenwereld. Gerrit Komrij nam graag plaats op een terras (‘Witbier, alstublieft’) om vijf plastic tassen op schoot te nemen en vervolgens stuk voor stuk zijn aanwinsten rond te laten gaan. De laatste keer viel ik van de ene verbazing in de andere. Of ik niet wist dat hij ook omslagontwerpen van Piet Marée verzamelde.

In dezelfde column:

En nu, met één voet in het graf en een loopneus, hurk ik tussen vijftigduizend schatten, allemaal dames en heren van stand of door mij persoonlijk gered uit de goot, allemaal ondoorzichtig en toch zo open.

Gerrit Komrij was een groot bibliofiel. Misschien niet de grootste, wel de wonderlijkste. Niemand heeft mooier over bibliofilie geschreven dan hij.

In Verzonken boeken:

Het is een ziekte, niets meer. Ik voel me zo langzamerhand zélf iemand met ezelsoren, een geknakte rug, een bol achterplat en een beduimelde inhoud. Ik wandel als het ware in een gekreukt stofomslag over straat.

In Verwoest Arcadië:

Hij had op zijn morgenwandelingen wel eens een doodgraver gezien die met een kruiwagen vol ellepijpen en schedels op weg was naar het knekelhuis. Doden die al meer dan honderd jaar ingenaaid in hun graf hadden liggen wachten tot God ze in halfmarokijn zou binden werden door hem wreed verstoord. De doodbidder gooide al hun katernen zomaar door elkaar. De kruiwagen met losse bladzijden schudde hij in het knekelhuis, helemaal achteraan het kerkhof, leeg. Daar lag, tussen de harken, de schoffels, de katrollen en de schoppen al een flinke experimentele roman. Een knappe God die dáár iets van begreep.

Enkele dagen na de Deventer boekenmarkt in 2009 mailden we over de aanwinsten. Mijn oogst was schamel. Maar ik was dan ook pas om half tien begonnen te jagen op boeken. Gerrit Komrij stond erom bekend dat hij elk jaar als laatste Het Tuinfeest verliet en als eerste op de boekenmarkt liep. Zo tegen zessen ’s ochtends. Zijn ogen waren groter dan zijn maag.

In Deventer heb ik een mooie Zilverdistel gekocht, een Duits goochelboek en een negentiende-eeuwse ridderroman, naast veel onzin meer. (Een boek over schorpioenen, een boek over wolkenkrabbers, een boek over plastic en een boek over Aubrey Beardsley, door Adriaan Roland Holst in 1913 aangeschaft.) Ik zal nooit een serieus te nemen boekenkoper worden, en dat bevalt me.

De beurscommissie van de Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair benaderde Komrij in 2010 voor de functie van beursambassadeur. Hij mocht een lintje doorknippen, een toespraak houden en als eerste de beursvloer op. Vooral dat laatste sprak hem aan. Helaas wist hij in maart nog niet wat hij in oktober te doen had. Een herhaald verzoek bleef onbeantwoord.

Een prachtagenda dus om er jouw verzoek in te passen. Het had allemaal pico bello gekund (ik begin uit schaamte archaïsche uitdrukkingen op te delven). Ik had gewoon op alles ja kunnen zeggen. Ware het niet dat ik inmiddels jouw verzoek was vergeten. Kwijtgeparkeerd. Verdrongen misschien. Maar dan bevind ik me al in de krochten van de dieptepsychologie. Niks aan te doen. Excuses. Hoop dat je niet boos op me bent. Omhels je. Wens je veel succes met al die jichtige, grijze, antediluviaanse antiquaren die me zo dierbaar zijn, je

Gerrit

Venijnige krullen

God voor en God na, de God van de christenen en de God van de moslims, in de mooie documentaire Rijssens stille oorlog. De humorloze refo boekhandelaar – die ongeveer duizend Islamieten in Rijssen echt niet over een kam scheert, want ‘er zitten best vriendelijke mensen tussen’ en verder is het triest dat ze de verkeerde godsdienst aanhangen – deze meneer doet niets anders dan vooroordelen spuien. Zo hoort het. Het werk van Rijssenaar Belcampo zal hier nooit over de toonbank gaan – ook al niet omdat geen enkele uitgave van Belcampo nog in de reguliere boekhandel verkrijgbaar is.

De docu opent met een citaat uit Belcampo’s ‘Het Grote Gebeuren’ en eindigt met Rijssenaar Harm Agteresch (‘Harm oet Riessen’) aan Belcampo’s graf. De (verwelkte) roos van Aad Meinderts ligt er nog. Harm begrijpt niet waarom er een hoog hek om het graf van Belcampo staat: ‘Hij was een vrije vogel, een zwerver, nu kan hij nergens meer heen’.

Blijkbaar weet hij niet dat Belcampo dit op het platteland gevonden grafhek jarenlang in de gang van zijn huis aan het Schuitendiep had staan. Voorbestemd. ‘Smeedijzer met venijnige, roestige krullen. Iedereen deed zich er zeer aan,’ schreef Jean-Paul Franssens in zijn in memoriam.

Gijs Stappershoef (1920-2010)

Dinsdag overleed omroeppionier Gijs Stappershoef op 90-jarige leeftijd in zijn woonplaats Blaricum. Hij was in 1946 een van de oprichters van de Regionale Omroep Noord, het huidige RTV Noord. Later maakte hij televisie bij de VARA. Het NOS-journaal herdacht Stappershoef in 19 seconden.

In 2008 haalde Stappershoef voor Tzum in twee telefoongesprekken met mij herinneringen op aan zijn ‘wilde tijd’ bij de R.O.N. Wild werd het vooral dankzij medewerker A. Marja. Stappershoef zuchtte een paar keer diep door de hoorn. Toen ik hem later het verslag van de telefonades stuurde, afgedrukt in lettergrootte 22, belde hij op met de mededeling dat hij akkoord ging. ‘Maar kan het alstublieft iets minder babbelig?’

Zijn houding van no-nonsense komt ook onverbloemd naar voren in een fragment uit The Barend Brugsma Late Night Talk Show. Met dit eenmalige programma organiseerden Sonja Barend en Boebie Brugsma op 24 april 1980 een discussie over de toekomst van de Nederlandse televisie. Stappershoef, na een betoog tegen sluikreclame en voor de onafhankelijke financiering van de omroep: ‘We moeten meer aandacht hebben voor de inhoud, Sonja, dan voor de tijd. En voor de rest moeten we ontzettend goeie programma’s maken, want zowel in Amerika als hier zijn ze poepvervelend. D’r wordt eigenlijk niks gezegd, d’r is geen emotie onder die geladen is, d’r is geen drama in, journalistiek wordt er eigenlijk te weinig gepresteerd.’

Drie weken geleden stuurde ik Stappershoef nog een lange brief vol vragen over A. Marja. Antwoord kreeg ik niet: ik had zijn oude adres in Hilversum gebruikt, maar Stappershoef was inmiddels verhuisd, blijkt nu, na zijn dood.

R. Breugelmans (1943-2010)

Vrijdag 5 februari is dr. Ronald Breugelmans overleden. Breugelmans was conservator Westerse gedrukte werken van de Universiteitsbibliotheek Leiden, in welke hoedanigheid hij geregeld iets bijdroeg aan Nieuw Letterkundig Magazijn. Op 20 november 2003 promoveerde hij op het lijvige Fac et Spera, de bi(bli)ografie van de zeventiende-eeuwse Leidse drukker Joannes Maire. Het boek was begonnen als bibliografie, maar Breugelmans werd aangeraden om er een inleiding bij te schrijven, zodat hij op zijn onderzoek kon promoveren: ‘Dat heb ik gedaan, hoewel het me lang niet meeviel. Ik ben niet zo goed in het beschrijven van gebeurtenissen en personen. Ik beschrijf liever dingen.’

Breugelmans maakte tevens de tweedelige bibliografie van de private press Sub Signo Libelli. Hij stond bekend als een kenner van het werk van Couperus, met een voorliefde voor vertalingen, waarvan hij in 2008 nog een herziene bibliografie samenstelde. Zodoende kende Breugelmans ook de verzamelaar J.A. Eekhof, wiens In Memoriam hij schreef.

De uitvaart van Willem Bijsterbosch (1955-2010)

Op kosten van de gemeente begraven worden betekent: geen koffie en geen cake. Wel antiquaar en voormalig marineman Arthur Baart die ‘Leve onze Marine’ van Gerard Reve voorlas en en passant vertelde het nog steeds een schande te vinden dat de redactie van het marineblad Alle Hens het gedicht indertijd geweigerd heeft. En een brief van de uitbaatster van de Wiener Konditorei. En Henk van Zuiden die als coördinator van de eenzame uitvaarten in Den Haag ‘Gedicht voor Michel K. resident’ voorleest, een gedicht van Willem zelf, uit zijn debuutbundel Motief onbekend. En 25 mensen, waaronder zeven antiquaren en de haringman van het Lange Voorhout. En Edith Piaf en Ramses Shaffy. En Willem Bijsterbosch zelf. Hij weet het nu.

Willem Bijsterbosch (1955-2010)

Afgelopen maandag overleed de dichter-schrijver Willem Bijsterbosch. Bijsterbosch publiceerde tussen 1981 en 1997 acht titels, voornamelijk korte romans. De laatste jaren schreef hij misschien nog wel, maar publiceren wilde hij waarschijnlijk niet meer. In de jaren negentig ging hij in de verpleging werken, maar de druk en de omgeving grepen hem te zeer aan. Het heeft hem, bijna letterlijk, gesloopt.

Jarenlang was Willem een opvallende verschijning op de boekenmarkt in Den Haag. Iedere donderdag was hij al vroeg aanwezig en meestal bleef hij tot het eind. Hij assisteerde boekhandelaren, nam hun kraam waar wanneer er iemand even weg was en probeerde op even enthousiaste als eigenzinnige wijze boeken aan de man te brengen. De laatste jaren zag hij er doorleefd uit, maar hij maakte altijd een vrolijke en vrije indruk.

Op maandag 25 januari wordt Willem gecremeerd, om negen uur ’s ochtends op begraafplaats Nieuw Eykenduynen in Den Haag. Op kosten van de gemeente, want op het laatst had Willem niets meer, alleen een bed, een tafel en een stoel. Zijn boeken had hij allang weggedaan, zijn typemachine en zijn bureau pas onlangs. Schrijven kon hij toch niet meer, meende hij.

Vinkenoogs vrolijke uitvaart

De NOS heeft raw footage van de reportage van Vinkenoogs vrolijke uitvaart online gezet. Aan het woord komen Cor Jaring (‘Hij had een enorme algemene ontwikkeling, zeer belezen. Hij had duizenden boeken staan, maar die had de gek allemaal nog gelezen ook’), Mischa de Vreede (‘Hij reed me achterop de scooter door Parijs’), Armand (‘Hij was mijn goeroe’), Arthur Vinkenoog (‘Ik schrijf zo nu en dan wat, voor mezelf nog, ik ben nog niet zover dat ik dat publiceer’, ‘Zijn boeken – ik durf het bijna niet te zeggen – heb ik nauwelijks gelezen’) en Edith Ringnalda (‘En de hele wereld is hier acte de présence komen geven’).

Simon Vinkenoog (1928-2009)

Vannacht is Simon Vinkenoog (foto) overleden, nadat hij vrijdag door een hersenbloeding in coma was geraakt. Eerder al moest zijn rechteronderbeen eraf. Vinkenoog zou zaterdag zijn 81e verjaardag hebben gevierd.

Afgelopen dinsdag schreef hij nog enthousiast op zijn website over het herstel na de operatie. Hem zou een prothese worden aangemeten, ‘een proces dat nog maanden kan duren’. En: ‘Ik leef als het ware buiten de tijd, in een hier en nu, dat bestaat uit het verwerven van allerlei vaardigheden die ik tot nu toe niet besefte.’

De dichter die de eenzame uitvaart uitvond

Sinds 2002 bestaat het inmiddels florerende instituut De eenzame uitvaart. Een Poule des Doods bestaat uit dichters die om beurten een eenzame uitvaart (van junk, bejaarde, illegaal, zwerver) bijwonen en een voor de gelegenheid geschreven gedicht voorlezen. Over de uitvinder van deze poëtische begrafenisonderneming bestaat onduidelijkheid: Nieuw Amsterdam beweert dat F. Starik de eerste steen legde, terwijl een weblog met de naam Bart FM Droog als oprichter noemt.

In de bundel Stukwerk (1946) van de jonggestorven schrijver Niek Verhaagen staat het gedicht ‘Van Kol’. Het vers had heel goed een eenzame uitvaart kunnen opluisteren.

Hij heeft zijn leven lang van Kol geheten,
dat was nu ronduit alles wat ik wist.
Maar ook geen mens heeft van van Kol geweten,
dus niemand heeft hem zijn bestaan betwist.

Zo heeft ook niemand op zijn lip gebeten
toen hij ten laatste stierf en werd gekist.
– Hem werd een kleine grafkuil toegemeten
zoals het stadsbestuur dit had beslist.

Ik ben nog wel een klein half uur gaan kijken
en toen men hem zijn plaats gewezen had
en hij terecht kwam tussen al die lijken,

toen dacht ik nog: hij ligt al even plat
en even weinig met zichzelf te prijken
als al die andren die men níet vergat.

De dichter zelf overleed in 1948 plotseling, op vakantie in Turijn, 32 jaar oud. Zijn vrouw en kinderen hoorden pas later, thuis in Delft, wat er was gebeurd. De rouwkaart meldde dat de teraardebestelling ‘voorlopig’ te Turijn zou plaatsvinden. Ferdinand Langen vertelde me onlangs dat het gezin-Verhaagen geen geld had om de begrafenis bij te wonen.

Niek Verhaagen is de uitvinder van de eenzame uitvaart.