De woorden, ach de dingen

In Met een bevroren jas en een geleend tientje (2015), de door Guus Middag te boek gestelde herinneringen van Thérèse Cornips, komen niet alleen haar avontuurlijke liefde met Chris van Geel en haar liefdevolle avontuur met Marcel Proust aan bod. Het gaat hier en daar ook over dierbare vriendschappen, zoals met de dichteressen Anneke Brassinga en Elisabeth Eybers.

De eerste ontmoeting tussen Cornips en Brassinga moet eind jaren ’70 hebben plaatsgehad, schrijft Middag. In 1976 was het eerste door Cornips vertaalde deel Op zoek naar de verloren tijd verschenen, een jaar later verscheen Nabokovs De gave in een vertaling van Brassinga. De jury van de jaarlijkse Martinus Nijhoff-prijs voor vertalingen had besloten de prijs, vijfduizend gulden groot, in 1976 en 1977 niet toe te kennen vanwege een vermeend gebrek aan kwaliteit.

Deze beslissing werd genomen in een tijd dat vertalers onderbetaalde letterknechten waren (drie cent per woord). Er barstte een storm van kritiek los: onder de door vele vertalers ondertekende open brief aan de geboycotte jury stond ook Cornips’ naam. Toen dezelfde jury in 1978 De gave wilde bekronen, vond Brassinga dat ‘vervelend’.

Ze was nog maar een aankomend vertaler. Ze had natuurlijk ook die open brief van de vertalers in de krant gelezen, en daarom kwam ze bij mij met de vraag of ik die prijs niet met haar wilde delen – dán zou ze hem kunnen accepteren.

Thérèse Cornips zag er niets in. Brassinga kon de prijs maar beter weigeren, was Cornips’ suggestie, en dan zou zij wel vijfduizend gulden lospraten bij alle sympathisanten van vertalers en ondertekenaars van de brief. Dat plan slaagde – al moest Johan Polak hiervoor wel zijn bankrekening aanspreken. Cornips en Brassinga: door verwantschap en solidariteit in vriendschap verbonden.

Vanaf haar officiële debuutbundel Aurora (1987) mocht Cornips een exemplaar van elke nieuwe Brassinga ontvangen. Op 1 oktober 1991 kreeg ze de dichtbundel Thule (1991), met deze aan de gedrukte opdracht (‘voor Peter Yvon’) toegevoegde regels:

en
voor Thérèse,
vooral het groen
Anneke

Met ‘groen’ doelt Brassinga op de tweede afdeling van de uit twee afdelingen (‘IJszee’ en ‘Gras’) bestaande bundel. Het vijfde gedicht in ‘Gras’ heet ‘Spoorwegovergang’ en is, volgens de ‘Aantekeningen’ achterin, opgedragen aan ‘Th. Cornips’. ‘Spoorwegovergang’ is een prachtig Proustiaans vers over ‘verloren tijd’. Het ‘double entendre’ in de tweede regel is erg goed gekozen: ambiguïteit, het spelen met betekenissen, is voor vertalers van wezenlijk belang.

Toen de vertaling van de volledige cyclus À la recherche du temps perdu haar voltooiing naderde, speelde Cornips met de gedachte de eerste delen van haar vertaling te herzien. Brassinga zou haar daarbij helpen. In Met een bevroren jas en een geleend tientje staat een foto van beide vrouwen in de tuin van Cornips’ huis in het Belgische Renouprez in 1999: twee lachende gezichten, twee volle wijnglazen, twee brandende sigaretten. Philip Mechanicus legde het moment vast.

Brassinga’s dichtbundel Verschiet (2001) is, het staat voorin gedrukt, ‘in dankbaarheid opgedragen aan Erik Menkveld en Thérèse Cornips’. Naast haar vaste redacteur Menkveld moet dus ook haar vertaalvriendin een rol hebben gespeeld in de totstandkoming van de bundel. Brassinga bekrachtigde de opdracht door op de Franse titel van Cornips’ exemplaar te schrijven:

TWEEDE
[VERSCHIET]
14.7.01
voor Thérèse & Carlos,
van jullie A.

In de bundel zitten aanwijzingen verstopt naar Cornips’ bemoeienissen. Misschien heeft ze de titel van het gedicht ‘Ik droomde, het was de waarheid’, ontleend aan het gedicht ‘Aanbreken van de lente bij aanbrekende dag’ van Chris van Geel, gesuggereerd. Cornips’ oude liefde komt ook terug in ‘De woorden, ach de dingen’, een komische klaagzang aan de boekenkast. Hierin glijdt de dichteres met haar ogen langs de ruggen van allerlei dichtbundels en poëzie-essays op de boekenplank. Die titels somt zij zo op dat er een verhaal ontstaat, dat vierentwintig keer onderbroken wordt door de verzuchting ‘ach’. De laatstgenoemde titel in dit gedicht is die van Van Geels bundel Vluchtige verhuizing (1976). (Ook de buitenkant van Verschiet wijst naar Cornips: het portret van de dichteres, op de achterflap, is gemaakt in de tuinkas in Renouprez.)

Maar later ging het mis. De herziene Proust-vertaling mislukte en de vriendschap tussen Cornips en Brassinga liep spaak; Middag schrijft niet waarom en waardoor. Bij de verhuizing van Renouprez naar Haarlem in 2012 deed Cornips Brassinga’s bundels weg.

In Wachtwoorden. Verzamelde, herziene gedichten 1987-2015 (2015) heeft Brassinga haar poëzie, met terugwerkende kracht, verontpersoonlijkt: de gedrukte opdrachten zijn geschrapt. Ook Thérèse Cornips is van de pagina’s verdwenen.

Klad

Een luxe-exemplaar van een uitgave kan in velerlei opzicht afwijken van een gewoon exemplaar. Soms ligt het luxe aspect er dik bovenop: goud op alle sneden, schepranden alom, paginagrote handtekeningen. Soms laat het luxe aspect zich pas gelden als een gewoon exemplaar in de buurt is. Dan heeft de drukker een andere papiersoort gebruikt, of blijkt het luxe-exemplaar een halve centimeter breder te zijn.

A.A.M. Stols, de belangrijkste uitgever uit het interbellum, keek het kunstje af van zijn Franse collega’s. Hij voorzag luxe-exemplaren van een nieuwe uitgave niet alleen van een heel- of halflederen band, maar voegde als bijlage ook een hele trits originele grafiek bij. Het aller-, allermooiste voorbeeld van dit bibliofiele opleuken is André Gide’s Le voyage d’Urien (1928). De dertig luxe-exemplaren bevatten namelijk extra losse afdrukken van de meesterlijke vignetten van Alfred Latour.

Soms is het vergeefs zoeken naar gouden randjes. Auteur of uitgever, of allebei, zoeken het extraatje dan in een handschriftelijke toevoeging. Koos Schuur schreef in sommige luxe-exemplaren een vlammend gedicht. Adriaan Morriën heeft zich in 1944 een lamme hand geschreven: onder het colofon van een clandestiene bundel schreef hij een niet eerder gepubliceerd vers van twintig regels, telkens weer.

Luxe-exemplaren van Chris van Geels Spinroc en andere verzen (1958) zitten weliswaar in een poepsjieke, donkerbruine band van Elias P. van Bommel, met het vignet van Van Oorschot voorop, maar de wetenschap dat er tien luxe-exemplaren zijn vervaardigd is alleen bekend dankzij het handgeschreven colofon. Van Geel verantwoordde de oplage heel nauwkeurig in zijn fijne priegelhandschrift.

Toen kwam de klad er een beetje in bij Van Oorschot. Luxe-exemplaren van A. Alberts, J.M.A. Biesheuvel, H. Lodeizen en R. Minne verschenen in geitenleer, met een nummer of een handtekening en niet veel meer.

Echter! Van Guus Middags geestige Rarewoordenboek (2011) zijn onlangs exemplaren gesignaleerd met een handgeschreven, extra lemma op de Franse titel. Ik hoop vanavond zo’n exemplaar in mijn schoen te vinden, bijvoorbeeld met het lemma ‘Koeienhonger’.