Klerken en gedichten

In 2010 bedacht de redactie van De Wereld Draait Door een nieuwe rubriek. Naar aanleiding van een opmerkelijk nieuwsfeit mochten een schrijver en een componist samen een Actuele Opera maken. Op 22 april 2011 kwam de twee minuten durende opera Het verraad der klerken semi-live de huiskamer binnen, over de in opspraak geraakte held Marco Kroon. Het libretto was van de hand van A.L. Snijders, Joey Roukens schreef er muziek bij.

Het verraad der klerken verschijnt nu voor het eerst in druk, in- en uitgeleid door een toepasselijk zkv van A.L. Snijders. Grafisch vormgever Theo Rabou heeft de opera woord voor woord, noot voor noot in beeld gebracht. Zijn ‘visuele partituur’ kwam niet zonder slag of stoot tot stand. Toen Rabou de oplage eindelijk van de drukker ontving, bleken veel exemplaren beschadigd te zijn. Pas vier maanden na de offerte had hij de beschikking over een volledig gave oplage.

De uitgave is oblong en telt 44 pagina’s. De eerste van 75 met de numerator genummerde en door Snijders en Roukens gesigneerde exemplaren zijn goed ontvangen, meldt Theo Rabou, die de presentatie van zijn uitgave toch wel spannend vond. De schrijver was ‘blij’, de componist herinnerde zich de grafische partituren van avant-gardemuziek uit de jaren ’60. Ik moest bij de partituur onherroepelijk denken aan Van Ostaijens Bezette Stad. Door de muzieknoten te buigen en te vervormen hebben ze haast iets driedimensionaals gekregen.

Tegelijk met Het verraad der klerken verschijnt het 28 pagina’s tellende Acht gedichten van A.L. Snijders, in een oplage van 60 genummerde en gesigneerde exemplaren. Van de opera-uitgave zijn 50 exemplaren beschikbaar voor de verkoop (42 euro inclusief verzending in een stevige envelop), van de kleurrijke dichtbundel slechts 40 stuks (37 euro). De boekjes zijn niet in de boekhandel verkrijgbaar: bestellen kan rechtstreeks bij de uitgever (één exemplaar per bibliofiel).

Jaszak

Decennialang was het enig bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy (1951), het gestencilde debuut van Remco Campert, dat van Simon Vinkenoog. Hij werd niet voor niets beschouwd als de documentalist van een dichtersgeneratie. Toen Vinkenoog in 1963 op verzoek van het nieuwe tijdschrift Diagram zijn herinneringen aan de Vijftigers op schrift zette, vond hij in zijn archief ook zijn Ten Lessons with Timothy terug.

En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.

In september 2015 had ik er, na een speurtocht van vier jaar, nog drie gelokaliseerd. Ad den Besten had ooit een exemplaar toegestuurd gekregen, aartsverzamelaar Simon van Wouwe kocht een exemplaar uit een boekhandelsvitrine in Haarlem, en ten huize van Lucebert en Schierbeek vond Kees Groenendijk het zijne. Dit volmaakte kwartet stond centraal in mijn artikel voor het Campert-nummer van De Parelduiker.

De Parelduiker lag nog niet goed en wel in de boekhandel of er doken nog twee exemplaren van het absolute debuut van Remco Campert op. In het niet bijster gesorteerde archief van uitgeverij De Bezige Bij bleek een exemplaar te liggen. Giny Klatser-Oedekerk schreef me dat haar man en zij omstreeks 1952 voor f 2,50 bij de auteur een exemplaar hadden aangeschaft. Ooit had ze het uitgeleend aan het Letterkundig Museum, maar nu had ze het bundeltje weer in huis.

Omdat een half dozijn ook niet veel is, maakte René Franken in maart 2016 op de vloeistofduplicator een schitterende herdruk van Ten Lessons with Timothy.

Bij het lezen van de catalogus van de aanstaande veiling bij Bubb Kuyper viel ik, ter hoogte van kavel 1177, van mijn stoel. Er komt een tot dusver onbekend gebleven exemplaar van Ten Lessons with Timothy onder de hamer. Net als alle andere exemplaren is het in het colofon genummerd ‘een’ en gesigneerd door de auteur.

Desgevraagd laat veilinghouder Thijs Blankevoort weten dat de eerste eigenaar van dit exemplaar niet bekend is. Eigendomskenmerken, zoals een geschreven naam of een ex libris, heeft het te veilen exemplaar niet. Het is afkomstig uit een verzameling kunst en (clandestiene) letterkunde die ruim zestig jaar geleden is ontstaan; via vererving kwam het bij de huidige eigenaar terecht. Aan de beschrijving (mirror) kan Blankevoort het volgende toevoegen:

Het is duidelijk een exemplaar dat wat langer in gevouwen toestand heeft verkeerd en dat, gezien de vlekken en vlekjes, mogelijk langere tijd in een jaszak gebivakkeerd heeft.

In blauw heelmarokijn

Om deel te nemen aan de jaarlijkse boekenbeurs in Haarlem was een lidmaatschap van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren geen vereiste. Nieuwkomers welkom. Aan de beurs die op de eerste drie dagen van november 1985 werd gehouden deed een volleerd koopman mee, gespecialiseerd in handschriften van Nederlandse schrijvers. De eenmanszaak presenteerde, zo kondigde een advertentie in NRC Handelsblad aan, in de Beyneshal een opmerkelijke collectie Gerard Reve.

Of de nieuwkomer goede zaken deed bij zijn vuurdoop is niet te achterhalen. Wel werd de verkoop van originele correspondentie met Reve, uitsluitend verkrijgbaar bij Antiquariaat en Kunstzaal Joop Schafthuizen, breed uitgemeten in de media. NOS-verslaggever Harmen Roeland deed in het achtuurjournaal van 1 november ruim twee minuten verslag van de manuscriptenhandel van Joop Schafthuizen. Eind 1986 bracht Schafthuizen zijn eerste (en enige) verkoopcatalogus Gerard Reve uit.

Student Gert-Jan Rodermond, die in 1985 al colleges aan de Universiteit Leiden had gevolgd bij gastschrijver Reve, meldde zich op 21 juni 1988 als klant bij de firma Schafthuizen te Schiedam. Een persoonlijke kennismaking met Reve volgde. In het derde en laatste deel van de kroniek van Reve’s leven citeert Nop Maas de wanhopige versierpogingen die Reve daags na de ontmoeting met Rodermond per brief deed. Om te beginnen wilde Reve graag met de student corresponderen, maar wel via het adres van een vriend, want Schafthuizen hoefde er voorlopig niets van te weten.

Door een misverstand belandde de antwoordbrief van Rodermond, die keurig een fotokopie van Reve’s liefdesverklaring had bijgevoegd, gewoon op de mat in huize Reve. Waar Schafthuizen de envelop opende. Rodermond werd de wacht aangezegd. Het contact bloedde dood, schrijft Maas.

Toch moet er nadien nog een ontmoeting zijn geweest. Dat valt af te leiden uit de vriendschappelijke opdracht van Reve aan ‘Edith en Gert-Jan Rodermond’, voorin Reve’s Verzamelde gedichten (1987). Het boek staat sinds afgelopen woensdag te koop.

Verzamelde gedichten verscheen in februari 1987 in twee uitvoeringen: in een linnen band met stofomslag à f 39,90 en als paperback (‘volkseditie’) à f 24,90. De in het colofon vermelde tien luxe-exemplaren kwamen pas in de winter van 1987 gereed.

Gert-Jan Rodermond wist de hand te leggen op zo’n fraai, door David Simaleavich in blauw heelmarokijn gebonden exemplaar. Naast de door Reve met de hand aangebrachte nummering en signatuur in het colofon én voornoemde opdracht op de titelpagina kent dit exemplaar nog enkele handschriftelijke toevoegingen. Zo corrigeerde Reve enkele drukzetfouten, zoals de dt-fout in ‘Gedicht Voor Mijn 39ste Verjaardag’ en de misplaatste t in ‘Eind Goed, Al Goed’. En op bladzijde 34 schreef hij het gedicht ‘Droom’ uit, onder de gedrukte versie. Dit alles gebeurde op 11 december 1988 te Schiedam.

Een luxe Verzamelde gedichten komt zelden op de markt. In Zelf Reve Verzamelen (1998) noemt Piet van Winden de luxe-editie wel, maar hij had voor het kleurkatern van zijn checklist geen exemplaar tot zijn beschikking. Schafthuizens eigen luxe-exemplaar werd in 1997, op de veiling van ‘de complete werken van Gerard Reve’, op 1200 gulden afgehamerd. (De veiling vond plaats bij Bubb Kuyper; Schafthuizen had zijn kunstzaal annex antiquariaat reeds opgedoekt.)

Rodermonds exemplaar moet 6500 euro opbrengen, exclusief verzendkosten. Dat is de vraagprijs van een liefhebber die er eigenlijk geen afstand van kan doen.

Nummers van Grunberg

Het ligt voor de hand om het bibliofiele avontuur van Arnon Grunberg te laten beginnen in New York, wanneer de schrijver kennismaakt met de kunsthandelaar en uitgever Pablo van Dijk. Van Dijk is weliswaar de motor van een steeds hoger opgevoerde productie bibliofiele uitgaven geweest, maar het nummeren en signeren bij Grunberg nam eerder een aanvang. Thuis in Amsterdam.

In juni 1990 stuurde Stichting Casimir een persbericht rond waarin De Machiavellist (1990) werd aangekondigd, te verschijnen ‘in een beperkte oplage van genummerde exemplaren’. Dat was Grunbergs debuut als auteur en als uitgever. De 500 exemplaren kregen echter geen nummer. Een jaar later, in de zomer van 1991, verscheen bij Kasimir uitgeverij Het boek Johanna, in een oplage van 27 daadwerkelijk door Grunberg genummerde exemplaren.

Hij ging verder. Op 1 februari 1993 deelde Grunberg in Felix Meritis 49 genummerde exemplaren uit van Stilte s.v.p. Justine leest mij (1993), dat hij zelf had uitgetikt en gefotokopieerd.

Op 22 februari van dat jaar maakte Grunberg op het kopieerapparaat van International Theatre and Film Books een bloemlezing voor Hanne Lijesen in een oplage van één uniek exemplaar. Hij was jarig en mocht trakteren. Grunberg bond Bloemlezing voor Hanne L. met een schoenveter. Büchiaanse praktijken zijn het.

Tussen het bibliofiele boek Ushi en Septembrius (1994) en het relatiegeschenk Kisselgoff (1995) – 65 respectievelijk 250 genummerde exemplaren – zit nog een genummerde en gesigneerde uitgave, al is daarover in de gedetailleerde Bibliografie van het werk van Arnon Grunberg tot 2008 (2008) niets te vinden. Het is nu geen tiksel of druksel in eigen beheer, maar de eerste luxe-editie van een handelsuitgave van Arnon Grunberg.

Van de 1000 exemplaren van een door boekhandel Lankamp & Brinkman uitgegeven verhaal werden er namelijk 50 door de auteur genummerd en gesigneerd. De advocaat, de leerlooier en de forellen (1994) mist een colofon, maar in mijn exemplaar zit een los kaartje. De oplage wordt hierop verantwoord. Achter in mijn exemplaar staat in groene inkt ‘nummer 32’ en op de Franse titel zette Grunberg zijn handtekening.

(In Andelst, Leeuwarden en Den Haag sprinten drie mannen nu naar hun boekenkast.)

Het antwoord

Op 14 januari jongstleden zette A.L. Snijders, gezeten aan zijn oudroze inmiddels blauwgroene eettafel in Klein Dochteren, drieëndertig keer zijn handtekening.

Daarmee werd een belofte in het colofon van Het antwoord ingelost en was de derde door Boris Rousseeuw verzorgde Snijders-uitgave van Artistiek Bureau een feit. Voor de twee eerdere uitgaven was een ongebundeld zkv het uitgangspunt. Nu had ik een passage gekozen uit een ongepubliceerde brief van Snijders aan Hans Broer, de vorig jaar overleden bibliotheekdirecteur en uitgever van De Geiten Pers. Die had de schrijver om een autobiografie gevraagd.

In het postscriptum van de brief van 26 oktober 1995 schrijft A.L. Snijders over zijn werkloze jaren, de bijbehorende uitkering en de verplichte sollicitaties. Bij een van zijn sollicitatiebrieven had Snijders een curriculum vitae gevoegd waarin een bepalende jeugdherinnering was opgenomen.

Het was 1946, zomer, de zon scheen. De Roompotstraat was zo stil en warm als in Het Uur U. Ik was alleen op straat. Misschien wist ik dat er iets zou gebeuren, misschien ook niet.

Wat er kort daarvoor gebeurd was, laat de houtsnede van Isabelle Vandenabeele tegenover de titelpagina van Het antwoord zien. Het meisje op de houtsnede is Greetje R. De jongen met het antwoord is Sjors Olsen.

Deze geschiedenis is meermaals in een tekst van A.L. Snijders opgedoken. In de column ‘Kut’, op 1 juni 1987 gepubliceerd in Het Parool, heet het meisje Truusje Nielsen en de jongen Otto Dunnebier. In het korte verhaal ‘De sprong’, dat in 1998 in het tweede nummer van het literaire periodiek Bunker Hill stond, gaat het om Roosje R. en Oskar Moholy-Nagy.

Verschillende versies van hetzelfde verhaal. Die in de brief aan Broer vind ik het mooist.

In de sterren geschreven als opgegeven

In het verhaal ‘Een mooie jonge vriendin’ haalt Remco Campert herinneringen op aan liefde en poëzie in het begin van de jaren vijftig.

Omdat ik voelde dat ik een jonge dichter was – mijn dichterschap bestond toen nog voornamelijk uit het voelen dat ik dichter was – voelde ik ook dat ik een jonge vriendin moest hebben en die moest bij voorkeur mooi zijn.

Maar het waren jaren van schaarste en armoede. Wanneer een mooie jonge vriendin een cadeautje verlangde, moest de dichter zich van zijn vindingrijke kant laten zien.

Je schreef een gedicht op een wc-papiertje en zette eronder: Oplage 1 exemplaar.1

Deze passage in een vermakelijk verhaal is wel meer dan een voorbeeld van Camperts lichtvoetigheid en milde ironie. Het is ook een knipoog naar het gemak waarmee een groep dichters, aan het begin van het decennium waaraan zij hun naam ontleenden, in kleine oplagen uitgaven in eigen beheer vervaardigden. Soms met zeer beperkte middelen, maar altijd met enorme geestdrift. Zo gaven Hans Andreus en Hugo Claus beiden een dichtbundel met illustraties van Karel Appel uit, en liet Simon Vinkenoog als nieuwjaarswens een gedicht met handgekleurde tekeningen van Corneille drukken.2 Campert zelf deed ook een dichtbundel het licht zien, maar in tegenstelling tot de fraai geïllustreerde, bijna bibliofiele bundels van zijn vrienden is Camperts uitgave sindsdien zelden gesignaleerd. Dit is het verslag van mijn zoektocht naar de overgeleverde exemplaren van het zelfgemaakte debuut van Remco Campert: Ten Lessons with Timothy.3 Een dichtbundel, zo vluchtig als een wc-papiertje.

Experimentelen in Parijs

Oktober 1950. Zonder duidelijk doel of aanlokkelijk vooruitzicht stapt Rudy Kousbroek in de nachttrein naar Parijs. In 1949 heeft hij de zomervakantie in de Franse hoofdstad doorgebracht, samen met Remco Campert, die hij kent van de schoolkrant Het Amsterdams Lyceïsten Orgaan, kortweg Halo. Dat bezoek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. Hoewel Campert en hij net vier nummers van hun tijdschrift Braak hebben uitgegeven en hij een verstandige studie wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam is begonnen, vertrekt Kousbroek toch naar Parijs. De aantrekkingskracht van de lichtstad werkt ook op andere jonge kunstenaars en aanstormende schrijvers: Hugo Claus en Elly Overzier hebben net hun intrek genomen in een hotel, Karel Appel en Corneille delen hun eerste Parijse atelier.4 Experimentelen en atonalen voelen zich er thuis. De Cobra-beweging is al op haar hoogtepunt.

Na enkele korte verblijven in Parijs besluit Remco Campert zijn goede vriend op 22 november 1950 achterna te reizen. Hij neemt een dichter, die zich Lucebert noemt, met zich mee. Hun bestemming is Boulevard Jean-Jaurès 21, waar Simon Vinkenoog, sinds twee jaar Parijzenaar, op de vierde verdieping een ruime woning huurt.

Kom hier in het rode buisje en neem Lucebert mee5

had Vinkenoog geschreven. De arme dichters uit Amsterdam mogen voorlopig bij Vinkenoog logeren, al moeten ze voor de maaltijden een vergoeding aan de gastheer betalen.6 Aanvankelijk verdiende Vinkenoog zijn geld als naaktmodel in de ateliers van Léger en Zadkine, nu is hij in vaste dienst bij Unesco. Als Special Requests Documents Officer houdt hij zich binnen de idealistische organisatie bezig met archivering en reproductie. Op elk ander uur van de dag wijdt hij zich aan poëzie en zijn eenmanstijdschrift Blurb.

Na een logeerpartij van een week, waarin Vinkenoog voor het eerst Lucebert hoort voordragen, nemen Campert en Lucebert hun intrek in een goedkoop hotel.7 Lucebert is bij vlagen echter zeer ongelukkig en keert begin december terug naar Amsterdam. Remco Campert trekt op dat moment in bij Kousbroek, die een armzalige kamer huurt in Hôtel Beauséjour.8 Het vriest overdag flink: de Amsterdamse jongens zoeken verwarmde cafés op om er hun gedichten te schrijven. Als Vinkenoog een paar dagen voor Kerst met Juc Cohen op huwelijksreis naar Londen gaat, mogen Campert en Kousbroek op zijn woning passen. Zo zitten de redacties van Braak en Blurb korte tijd onder één dak.

Ik zal het prettig vinden als jullie terug zijn, tot die tijd dan maar Lodeizen en Pound. De ondergang van de familie B. wordt mij uit Holland opgestuurd, zodat ik van trieste literatuur niet verstoken zal zijn.9

schrijft Campert aan het echtpaar.

In Een zachte vernieling, een sleutelroman over deze jaren, geeft Hugo Claus mooie omschrijvingen van Remco Campert, alias ‘Emile’, en van Simon Vinkenoog, hier ‘Floris’. Het is Campert die

zwijgzaam, hoogrood en hortend als je onverwacht iets tegen hem zei, behoedzaam door het appartement schuifelde op zijn sokken, alles dronk wat hij zag; het liefst jazztrompettist wilde worden, maar er was iets mis met zijn longen.

En dan Vinkenoog

die een absurd uitgroeiende documentatie aanlegde van wat er over de geschiedenis, de zeden en gewoonten van die lugubere Parijse tijd gepubliceerd werd; knipte en plakte en ordende en catalogiseerde.10

In dit klimaat van schrijven, lezen en drinken besluiten Campert en Kousbroek, omstreeks de jaarwisseling 1950-1951, allebei een bundel van tien gedichten te drukken. Dankzij bemiddeling van Vinkenoogs echtgenote heeft Kousbroek intussen een baantje bij het International Theatre Institute, twee jaar eerder door Unesco opgericht. Daar maken de jonge dichters heimelijk gebruik van de reproductiemogelijkheden. Campert bewaart er een warme herinnering aan.

In het gebouw van die organisatie vermenigvuldigden Rudy Kousbroek en ik meer dan zestig jaar geleden op een stencilmachine onze poëzie, die we vervolgens trachtten uit te venten op de Parijse boulevards. Daar was die stencilmachine niet voor bedoeld. Eerder voor dikke rapporten, maar de mazen in het Unesco-net waren groot. Rudy had er een nederig baantje. Met de beveiliging van nu zou ik het gebouw nooit zijn ingekomen. Het was een koude winter, maar in ons hart brandde het heilig vuur.11

Kousbroek geeft zijn uitgave de titel 10 variaties op het bestiale mee, terwijl Campert zijn cyclus Ten Lessons with Timothy doopt. De oplagen bestaan uit 25 genummerde en gesigneerde exemplaren, aldus de colofons.

Nu, vijfenzestig jaar later, zijn beide bundels praktisch onvindbaar. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is in het bezit van Kousbroeks uitgave, maar die van Campert is in geen enkele bibliotheek of kunstinstelling in Nederland te vinden. In de bibliografie van Campert voor de Mededelingen van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum komt de bundel niet voor. In Brinkman’s Cumulatieve Catalogus is de uitgave ook niet te vinden. Bibliografen hebben de dichtbundel nooit te pakken gekregen. Tot op heden was het enige bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy dat van Simon Vinkenoog.

Gehad noch gezien

Vinkenoog ontvangt het allereerste nummer van de oplage op 5 januari 1951, op de dag dat hij van zijn huwelijksreis uit Engeland terugkeert.12 De datum is bekend vanwege een korte handgeschreven opdracht van Campert, en omdat Vinkenoog zijn exemplaar altijd heeft bewaard – gekoesterd past hier misschien beter: Vinkenoog verwijderde de nietjes in de linkermarge en zette de bundel vast in een halflinnen map, zodat de veertien kwetsbare vellen niet zouden kreuken. Het was ook zijn exemplaar dat werd gefotografeerd voor en afgebeeld in het schrijversprentenboek De beweging van vijftig.13 Terugblikkend op zijn Parijse jaren kon Vinkenoog zich later eigenlijk niet voorstellen dat er meer exemplaren waren overgeleverd:

de exemplaren in mijn bezit van Camperts 10 lessons with Timothy (naar een gelijknamige grammofoonplaat van Dizzy Gillespie) en Kousbroeks 10 variaties op het bestiale dragen ieder nr. 1. En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.14

Zouden Campert en Kousbroek inderdaad, als dank voor de huisvesting, hun vriend als enige een exemplaar hebben gegeven?

In de loop der jaren schonk en verkocht Vinkenoog af en toe schrijverscorrespondentie, boeken uit zijn bibliotheek en schilderijen aan handelaren, instellingen en verzamelaars. Zo kon het Amsterdamse antiquariaat Schuhmacher Vinkenoogs exemplaar van Ten Lessons with Timothy in 2000 beschrijven en te koop aanbieden in een aan opdrachtexemplaren gewijde catalogus. In oktober 2011 vond dit exemplaar, na te zijn aangeboden in een Vlugschrift, in één dag tijd een nieuwe eigenaar.15 Wilma Schuhmacher, de grande dame van het Nederlandse antiquariaat, kent geen tweede exemplaar.16 Andere in Nederlandse literatuur gespecialiseerde antiquariaten hebben de uitgave nooit gehad.17 Bij het grootste boekenveilinghuis van Nederland is nimmer een exemplaar onder de hamer gekomen.18

Zeldzame boeken zijn, voor een verzamelaar die zelf in het antiquariaat werkzaam is, een uitnodiging; zogenaamd onvindbare uitgaven vormen een uitdaging. Maar op de lange lijst van mogelijke eigenaren van Ten Lessons with Timothy moest ik keer op keer een naam doorstrepen. Karel N.L. Grazell, die in Amsterdam in 1950 en 1951 vaak achter Camperts schrijfmachine te vinden was, heeft de bundel gehad noch gezien.19 Letterkundige Braak-abonnees als Jan Hanlo, Ferdinand Langen en Nico Lijsen hebben geen exemplaar gekregen of gekocht.20 Rondvragen en zoeken in de omgeving van de Vijftigers leverde ook niets op. In de boekenkasten van Hans Andreus en Hugo Claus is de bundel niet te vinden.21 In de bibliotheek van Jan G. Elburg werd het door zijn biograaf niet aangetroffen.22 Zelfs Kousbroeks exemplaar is spoorloos.23 En de Keizer der Vijftigers? De inventaris van de boekenkast van Lucebert geeft niet thuis.24

Simon Vinkenoog was al sinds eind 1946 bevriend met Kees Lekkerkerker. Ze kenden elkaar uit kringen rond het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) in Amsterdam. Ook na Vinkenoogs vertrek naar Parijs blijft Lekkerkerker een van zijn literaire raadgevers. Hoewel Lekkerkerker zich in deze jaren volledig stort op de moeizame tekstbezorging van Slauerhoff en De Haan, volgt hij de jongste literaire ontwikkelingen op de voet. Zo is hij geabonneerd op eendagstijdschriften als De dualist en Spleen, en probeert hij obscure uitgaven in eigen beheer te pakken te krijgen. Wanneer Vinkenoog hem begin 1951 iets over een bundel van de onbekende Remco Campert schrijft, is zijn nieuwsgierigheid gewekt. Maar Lekkerkerker vist vermoedelijk achter het net.

Dat bundeltje van Remco Campert: Ten lessons with Timothy komt in zijn geheel in het volgende nummer van Podium25

deelt Vinkenoog hem tot troost mee.

Weggedaan, verdwenen

Particuliere verzamelaars treden niet graag met hun collectie uit de schaduw. De bibliofielen die ik benaderde verleenden wel hun medewerking, maar bleken zelden erg mededeelzaam. Tientallen brieven, telefoontjes, e-mails: het spoor liep telkens dood. Alleen Gert Jan Hemmink, collectionneur par excellence, komt met goed nieuws: hij heeft in de loop der tijd ‘diverse exemplaren’ van Camperts uitgave gezien.

Mijn exemplaar kocht ik bij Geerts’ Boekhuis in Arnhem, eind jaren ’60, een tweedehandsboekwinkel tegenover Gysbers & van Loon. Bij Geerts, een heer op leeftijd, kocht ik ook Braak, Blurb, enzovoorts. Hij was al jaren zijn voorraad aan het inventariseren, maar is nooit verder dan de letter D gekomen. Op een bepaald moment heb ik het werk van Remco Campert weggedaan, toen is ook Ten Lessons verdwenen.26

Waar dit exemplaar is gebleven, herinnert Hemmink zich niet. Wel weet hij zeker dat hij bij de uitgever en bibliofiel Johan Polak, die immers ook op Het Amsterdams Lyceum had gezeten, ooit een exemplaar in handen heeft gehad.27 In de veilingcatalogus van diens imposante bibliotheek is evenwel geen Ten Lessons with Timothy beschreven.28 Polaks biograaf stelt mijn verwachtingen bij:

Over het archief en de bibliotheek van Johan Polak zijn al veel verhalen verteld, vooral door (anonieme) mensen die zeggen bevriend met hem te zijn geweest. Iedereen heeft van alles gezien, maar ik moet het allemaal nog maar zien.29

De regel ‘in alle huizen waar ik kom liggen van mij boeken’, uit Camperts gedicht ‘ik, ik, ik’, geldt tegenwoordig allerminst voor zijn zelfgemaakte debuut.30

Dat de in 2009 gemaakte beschrijving van Luceberts bibliotheek geen melding maakt van Ten Lessons with Timothy, wil niet zeggen dat de dichter-kunstenaar nooit een exemplaar heeft gehad. De Amsterdamse tandarts C.A. (Kees) Groenendijk kocht vanaf de jaren ’50 tekeningen en soms boeken rechtstreeks van Lucebert; zijn Lucebert-verzameling ging in 1986 over naar het Stedelijk Museum.31 Toen Lucebert, Bert Schierbeek en hun beider geliefde Frieda Koch nog hun domicilie hadden in Van Eeghenstraat 152 Van Eeghenlaan 7, heeft Groenendijk vermoedelijk een Ten Lessons with Timothy bemachtigd.32 Antiquaar André Swertz kocht het vervolgens van Groenendijk en verkocht het aan poëzieliefhebber Wim van Til.33 Die deed het op zeker moment weer over aan Swertz, zodat deze hetzelfde exemplaar opnieuw kon verkopen, nu aan de Belgische bibliofiel Dirk-Emma Baestaens.34 Dit exemplaar, het tweede mij bekend, is eveneens genummerd ‘een’ en gesigneerd, maar is te onderscheiden van andere exemplaren doordat de laatste vellen in de rechteronderhoek lichtelijk verschroeid zijn. De bundel heeft ooit iets te dicht bij een brandende sigaret gelegen. De schuldige laat zich niet meer kennen; vrijwel alle Vijftigers rookten.

Dubbelgevouwen

Behalve met Lekkerkerker correspondeerde Vinkenoog ook intensief met Ad den Besten.35 Op zestienjarige leeftijd was Den Besten gedebuteerd als dichter in het protestantse tijdschrift Opwaartsche Wegen, kort na de oorlog kwam hij als lector in dienst bij de christelijke Uitgeversmaatschappij Holland. Den Besten was altijd geïnteresseerd in de literatuur van dit moment. Na enkele vergeefse pogingen slaagt hij er in februari 1950 in de poëziereeks De Windroos te beginnen, waarvoor hij als enig redacteur de verantwoordelijkheid draagt. In De Windroos wil Den Besten vooral werk uitgeven van jonge dichters, die hij stimulerend en kritisch begeleidt. Vinkenoog debuteert in de laatste week van 1950 in De Windroos met de bundel Wondkoorts. In de hieraan voorafgaande correspondentie tussen Den Besten en Vinkenoog komt Remco Campert een paar keer voor. Dat Ad den Besten begin 1951 een exemplaar van Ten Lessons with Timothy ontvangt, is hoogstwaarschijnlijk te danken aan Vinkenoogs enthousiasme voor Camperts verzen.36

Het exemplaar van Den Besten, alweer genummerd ‘een’, staat decennialang in de boekenkast: dubbelgevouwen heeft het bijna hetzelfde formaat als een bundel in De Windroos. In 2011 moet Den Besten, die aan Alzheimer lijdt, verhuizen naar een verpleeghuis. Een deel van zijn boekerij gaat naar Tjerk de Reus, die werkt aan een proefschrift over Den Besten. In december biedt De Reus op internet de uitgave aan. Ik mag mezelf een maand later de gelukkige koper noemen. De opbrengst van Den Bestens exemplaar komt volledig ten goede van diens biografie.

Ad den Besten was een kritische lezer, die in de kantlijn van de poëzie aantekeningen maakte. Zo voorzag hij het begin 1951 in het tijdschrift Podium afgedrukte gedicht ‘Lente suite voor Lilith’ van Lucebert met potlood veelvuldig van commentaar. Onder het woord ‘torrelt’ zette hij een streep en de opmerking: ‘oubol’, naast de bekende ‘kyrie eleison’-passage noteerde hij:

hoe draag je dat voor? overvloed van leestekens gewenst. waarom niet ki ka ko?

Ook in Ten Lessons with Timothy staan in potlood en inkt enkele strepen. Den Besten schrapt bovendien twee regels in het negende gedicht en twee strofen in het tiende gedicht.

Uit de enig bewaard gebleven brief van Den Besten aan Campert spreekt dezelfde kritische houding. Op 13 januari 1951 reageert Den Besten, met het oog op een uitgave, op een door Campert toegestuurde verzameling verzen. Op de vijftien gedichten die hij de moeite van het bundelen waard vindt, geeft hij beargumenteerd commentaar, beleefd doch ‘unverfroren’.37 Sommige dichtregels vindt Den Besten ‘zomaar vervelend’. Een algemene opmerking luidt:

Waarom doe je toch zo op-de-hoogte-van-de-moderne-techniek, terwijl je veelal met die gegevens niets doet, ze alleen noemt en uitstalt?38

Den Bestens begeleiding resulteert in de zomer van 1951 in Vogels vliegen toch, het officiële debuut van Remco Campert, de veertiende bundel in de reeks De Windroos.

Uitgevent en weggegeven

Gewend om niet alles te geloven wat gedrukt staat, schrijf ik Remco Campert een brief over zijn in eigen beheer uitgegeven debuut. Of de oplage werkelijk maar 25 exemplaren bedraagt? Ergens koester ik de hoop dat Campert een exemplaar tevoorschijn zal toveren. Sterker, het is niet ongebruikelijk dat schrijvers een stapeltje of doosje exemplaren van hetzelfde boek op zolder hebben staan. En anders weet hij de bundel misschien te traceren.

De dichter herinnert zich weinig meer:

Een paar exemplaren hebben we uitgevent op de Boulevard St. Michel aan Nederlandse Parijsbezoekers, de rest weggegeven aan vrienden (zoals Simon V.) en kennissen. Aan wie allemaal is uit mijn geheugen gewist; het is lang geleden. Zelf heb ik geen ex. meer.39

Remco Campert is überhaupt nooit een verzamelaar of bibliograaf van zijn eigen werk geweest. Tien jaar na het Braak-avontuur moest hij een medewerker van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum bekennen geen enkel nummer van zijn eigen tijdschrift bewaard te hebben, ‘gevolg van grote slordigheid’.40

Dit was niet de eerste keer dat een verzamelaar de dichter over diens debuut aansprak. De Haagse bibliofiel Simon van Wouwe deed het dertig jaar geleden ook, kort nadat hij Ten Lessons with Timothy pardoes in bezit had gekregen.

Ik liep de toenmalige antiquarische afdeling van boekhandel H. de Vries in Haarlem binnen. En daar, in de vitrine, lag Camperts debuut. Nummer één van de oplage. Prijs: fl 39,50. Ik sprong natuurlijk een gat in de lucht.

Toen Van Wouwe Campert later in de koffiehoek van Athenaeum Boekhandel op het Spui zag zitten, sprak hij hem aan.

Ik vertelde dat ik Ten Lessons had gevonden. Hij wilde het onmiddellijk van mij kopen. Dat wilde ik natuurlijk niet. Ik was toen heel serieus Vijftigers aan het verzamelen. André Swertz was in 1977 met zijn catalogus De Vijftigers gekomen en die vroeg heel andere prijzen.41

Over de herkomst van Van Wouwe’s exemplaar, dat ook dubbelgevouwen is geweest, is niets bekend.

Warme verwarring dichten

Ten Lessons with Timothy laat zich lezen als een neerslachtig relaas van Camperts verblijf in Parijs. ‘Het was een koude winter’… De barre decembermaand van 1950 is het decor van de tien gedichten. In het eerste gedicht vriezen ’s nachts ‘sterren in de stoepen’ en ‘drukken wij plakplaatjes van vogels/ op de bloemenruiten af’. Bomen zijn ‘bijna ontzield’, takken zijn dood, een sloot is bedekt met ‘stijfgevroren water’. Er wordt naar warmte verlangd. In het vierde gedicht loopt ‘een jongetje in matrozenkleren’ verwonderd te dwalen op ‘het warme strand’. Maar de dichter realiseert zich – want ‘hoe ver is van hier’ – dat dit slechts een vaag verlangen kan zijn. Melancholisch zijn het derde en vijfde vers, waarin ‘Moldau en Seine/ twee eendere rivieren zijn/ door dezelfde bruggen ingesnoerd’ en ‘alles [scheen] te zijn geplaatst onder een adembenemende glazen stolp’.

Droevig en bijna meelijwekkend is het negende gedicht, dat opent met de fraaie regel: ‘het verstilde gelaat van alles in kou’. Kranten slaan ‘een krans van gestolde bloedkorrels’ om het voorhoofd.

ik loop geen bontkraag van warmte
over dit gezicht
geen vijftiende eeuws gedicht
ik sta in de sterren geschreven
als opgegeven

De tweede strofe van ‘9.’ heeft een romantisch citaat van Lucebert, uit diens gedicht ‘de amsterdamse school’, waarvan de inkt toen nog nat was (‘we schrijven dichters 2 nov 1950’ is de datering in het gedicht) en dat net was verschenen in het novembernummer van Braak. Aan het slot van Camperts vers is weer de triestheid, die toch ook een glimlach oproept.

‘ik wil alleen wonen
tussen mijn alleenstaande ledematen’
maar in mijn lichaam
zijn altijd kamers te huur
voor de laagstbiedende
en ik verwissel de nummers
om warme verwarring te dichten

In het tiende en laatste gedicht wordt de Timothy uit de titel drie keer rechtstreeks aangesproken en een les geleerd. Het gedicht opent met een uitzicht op Parijs: ‘Timothy/ de daken zijn swinters/ spiegels alleen voor sterren’. Timothy – en ook de lezer – moet naar jazzmuziek luisteren uit ‘de glazen piano van papa Tristano’. Verder staan er in dit gedicht louter inzichten van uitzichtloosheid en metaforen van vergeefsheid. Seinen van ‘reeds gestorven planeten’ zijn ‘onontcijferbaar’ en wij zijn gedoemd ‘een sleutel te zoeken/ die verroest is en vergaan’. Dit is het enige gedicht uit de bundel, volgens het colofon ‘geinspireerd op de gelijknamige gramofoonplaat van Dizzy Gillespie’, waarin sprake is van muziek: ‘barre vogel van Klee/ vliegend in een zacht getinte poolnacht’ luidt de associatie.

Paarsrode balpen

Van slechts vier exemplaren van Camperts absolute debuut is nu de verblijfplaats bekend. Het is opmerkelijk dat alle getraceerde exemplaren van Ten Lessons with Timothy in het colofon nummer ‘een’ hebben meegekregen. Vijfenzestig jaar na dato heeft Campert wel een vermoeden waarom ze dat deden:

ik denk dat we iedereen nummer 1 gunden. En ook uit een soort jonge honden speelsheid.42

De nummers en handtekeningen in de vier colofons zijn vrijwel identiek: waarschijnlijk is de gehele oplage op hetzelfde moment genummerd en gesigneerd met dezelfde paarsrode balpen.

Slechts vier? Vooralsnog vier. De Amerikaanse antiquaar H.P. Kraus merkt in zijn autobiografie op:

In this business, you never assume that six copies exist because six are recorded. There could be another one. There could be, though not likely, another six.43

Na een zoektocht van vier jaren weet ik alleen niet of dit nu troostend of verontrustend is.

Dit verslag van een zoektocht naar het debuut van Remco Campert verscheen in De Parelduiker, jrg. 20, afl. 4 (september 2015). Een uitgebreide en herziene versie was de losse bijlage van de herdruk van Ten Lessons with Timothy (2016).


Noten

1. Remco Campert, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (Amsterdam 1999), p. 13.
2. Hugo Claus en Karel Appel, De blijde en onvoorziene week (Parijs 1951); Hans Andreus en Karel Appel, De ronde kant van de aarde (Parijs 1952); Simon Vinkenoog en Corneille, Driehoogballade (Parijs 1950). Ondanks hun kleine oplagen (200, 100, resp. 60 stuks) duiken exemplaren van deze uitgaven geregeld in de (kunst)handel op.
3. Vergelijkbare zoektochten naar en inventarisaties van (alle) exemplaren van één specifieke Nederlandse twintigste-eeuwse uitgave zijn eerder ondernomen. Marco Goud traceerde in Een ondraaglijke drukfout (Woubrugge 2005) elf van de veertien exemplaren van Boutens’ Naenia en Anneke de Vries beschreef in het Ploeg Jaarboek (Groningen 2008) de kopers van de eerste suite Chassidische legenden van H.N. Werkman, terwijl De Vries samen met Paul van Capelleveen voor de website van de Koninklijke Bibliotheek een census van Werkmans Hot Printing maakte. In de Angelsaksische wereld valt te denken aan de catalogus bij de tentoonstelling van 24 ‘eerste’ exemplaren van Joyce’ Ulysses door Glenn Horowitz (New York 1998) en de diepgravende studie van William S. Peterson en Sylvia Holton Peterson, The Kelmscott Chaucer. A Census (New Castle 2011).
4. Zie voor een overzicht van Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs: Paul Arnoldussen, Rue d’Amsterdam (Amsterdam 2002) en Diederik Stevens, Hoogtij langs de Seine (Amsterdam/Antwerpen 2012). Het laatste boek geeft veel data en adressen.
5. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 15 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1. Het ‘rode buisje’ is vermoedelijk een verwijzing naar de in 1914 vermoorde socialistenleider Jean Léon Jaurès.
6. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 28 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1.
7. Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert (Amsterdam 2004), p. 230.
8. Remco Campert, ‘Rue Mouffetard’ in: de Volkskrant, 12 juli 2014.
9. Brief Remco Campert aan Juc Cohen en Simon Vinkenoog, 28 december 1950. Collectie Letterkundig Museum. Signatuur: C 01463 B 1.
10. Hugo Claus, Een zachte vernieling (Amsterdam 1988), p. 82.
11. Remco Campert, ‘Slaperig en immaterieel’ in: de Volkskrant, 12 maart 2011. Opgenomen in: Remco Campert, Het verband tussen de dingen ben ik zelf (Amsterdam 2012), p. 79.
12. De newlyweds verbleven van 22 december 1950 tot 4 januari 1951 in Londen. Zie: Hans Andreus en Simon Vinkenoog, Brieven 1950-1956. Inleiding, tekstverzorging en aantekeningen door Jan van der Vegt (Baarn 1989), p. 63.
13. Gerrit Borgers, Jurriaan Schrofer, Simon Vinkenoog en Ellen Warmond (samenstelling), De beweging van vijftig (Amsterdam/Den Haag 1965), p. 35 en 51.
14. Simon Vinkenoog, ‘Sprokkelen in de herinnering: de nederlandse 5-tigers’ in: Diagram, jrg. 1, afl. 1 (januari 1963), p. 5.
15. Antiquariaat Schuhmacher, Catalogus 236 De Tooverfluit: 608 Boeken in eerste druk met opdrachten van Nederlandse & Vlaamse schrijvers – in vriendschap – voornamelijk aan mede-auteurs (Amsterdam 2000), nummer 78; Antiquariaat Schuhmacher, Vlugschriften, 24 en 25 oktober 2011; ‘Camperts debuut 61 jaar dichter’ in: de Volkskrant, 29 oktober 2011.
16. Mededeling Wilma Schuhmacher aan mij, 6 maart 2013.
17. Mededeling René Hesselink aan mij, 14 maart 2012; mededeling Fokas Holthuis aan mij, 16 januari 2012; mededeling Berend Immink aan mij, 13 februari 2012; mededeling Han Rouwenhorst aan mij, 25 juni 2012.
18. Mededeling Jeffrey Bosch aan mij, 26 juni 2012; mededeling Bubb Kuyper aan mij, 27 augustus 2012.
19. Mededeling Karel N.L. Grazell aan mij, 23 februari 2012.
20. Mededeling Ser J.L. Prop aan mij, 26 maart 2012; mededeling Ferdinand Langen aan mij, (10 juni 2013); mededeling Michiel Schierbeek aan mij, 2 juli 2012.
21. Mededeling L.J.A. van der Zant-Paulides aan mij, 11 juli 2012; mededeling Veerle Claus-De Wit aan mij, 5 augustus 2012.
22. Mededeling Jan van der Vegt aan mij, 25 juni 2012.
23. Mededeling Sarah Hart aan mij, 16 februari 2012.
24. Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert. Bibliotheek van een dichter (Nijmegen 2009).
25. Brief Simon Vinkenoog aan Kees Lekkerkerker, 19 april 1951. Collectie erven Lekkerkerker. Met een enkele wijziging verschijnt de cyclus van tien gedichten in: Podium, jrg. 7, afl. 2 (maart-april 1951), p. 81-86.
26. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 3 februari 2012.
27. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 24 februari 2012.
28. Veilinghuis J.L. Beijers, The bibliophile and scholarly library of the late J.B.W. Polak (1928-1992) (Utrecht 1993).
29. Mededeling Koen Hilberdink aan mij, 12 maart 2012.
30. Vijf 5tigers (Amsterdam 1958), p. 36.
31. Website, 20 mei 2014.
32. Mededeling André Swertz aan mij, 3 februari 2012.
33. Mededeling Wim van Til aan mij, 12 februari 2012; mededeling André Swertz aan mij, 25 januari 2013.
34. Mededeling Dirk-Emma Baestaens aan mij, 2 april 2013.
35. Tjerk de Reus, ‘Biografische schets van Ad den Besten’ in: Dader van het woord. Over Ad den Besten (Rotterdam 1998), p. 4-87.
36. Brief Simon Vinkenoog aan Ad den Besten, 30 september 1950. Geciteerd in: Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 193.
37. Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 192-195.
38. Fotokopie van brief Ad den Besten aan Remco Campert, 13 januari 1951. Collectie erven Den Besten.
39. Brief Remco Campert aan mij, 30 januari 2012.
40. Brief Remco Campert aan Kees Lekkerkerker, 1 juni 1960. Geciteerd in: Antiquariaat Fokas Holthuis, Catalogus 61 Het Lachende Boek (Den Haag 2012), nummer 14.
41. Mededeling Simon van Wouwe aan mij, 23 maart 2013.
42. Brief Remco Campert aan mij, 19 februari 2012.
43. H.P. Kraus, A Rare Book Saga (New York 1978), p. 144.

You’re screaming blue murder

Bernadette Gallis was zeven jaar gelukkig getrouwd met Floris Pelgrim, toen ze op Eerste Kerstdag 1974 bij een wederzijdse vriend Boudewijn Büch ontmoette. De vervolgafspraken vonden plaats bij Bernadette thuis, wanneer haar man en kind al op bed lagen. Die avonden vulden zich met gesprekken over muziek en literatuur. Toen was er een zoen. In april 1976 ging het verliefde stel samenwonen op Bakker Korffstraat 12a te Leiden.

De foto’s uit die tijd suggereren een idylle. Bernadette en Boudy glimlachen gelukzalig. Allebei het haar tot op hun schouders, zij in een nauwsluitende zigeunerjurk, hij in een zachtgeel overhemd met scherpe punten en een zwarte cape. Alsof ze zo uit een eenakter met zang en dans van de plaatselijke toneelvereniging zijn komen lopen.

En al die tijd zat de echtgenoot van Bernadette Gallis gedesillusioneerd in de coulissen. Maar in januari 1978 besloot Gallis naar haar man terug te keren, in een laatste poging haar huwelijk te redden.

Büch reageert op het verlies van zijn geliefde zoals een dichter dat doet: op papier. Hij schrijft op 27 januari 1978 het gedicht ‘You’re screaming blue murder’, laat dit in honderdvoud drukken als affiche en hangt er in februari de binnenstad van Leiden vol mee.

De titel van Büchs gedicht is een citaat uit het nummer ‘Short and Curlies’ (1974) van The Rolling Stones. Dat gaat over het in de ban zijn van een vrouw:

It’s too bad, she’s got you by the balls
She’s nailed you to the wall
[…]
And you can’t get away from it all

Het is een hyperromantische daad, een poëtische hartekreet. Tegelijk neigt het naar emotionele chantage. Dichten over je liefdesverdriet en je verlangen – en daar dan elke willekeurige Leidenaar lastig mee willen vallen. Gallis wist dat ze de enige was die wist dat zij in het gedicht werd aangesproken, maar zij moet het toch anders gevoeld hebben, wanneer ze voor het rode stoplicht te midden van andere weggebruikers met het gedicht werd geconfronteerd. Büch had van iets persoonlijks en pijnlijks kunst gemaakt. En een publiciteitsstunt.

Het gewenste effect van het affiche bleef overigens uit. Wel bleven Büch en Gallis altijd bevriend.

You’re screaming blue murder is een lichtblauw vel papier van 50 bij 39 centimeter, in donkerblauw bedrukt naar een wrijfletter van Mecanorma. Vermoedelijk heeft Büch zelf het moedervel gemaakt, voor hij het naar de kopieerinrichting bracht. Het gebruikte lettertype Avant Garde Gothic kent verschillende e’s, v’s en w’s (vooroverhellend, romein en achteroverhellend) en deze varianten zijn op de poster willekeurig ingezet. (Helaas heeft dit font bij recente digitalisering veel karakteristieks verloren.)

Het blauwe affiche is de allereerste eigenbeheeruitgave van Boudewijn Maria Ignatius Büch, die daarvóór wel boekjes in elkaar fröbelde, maar altijd in een oplage van een enkel exemplaar. You’re screaming blue murder, vervaardigd in een door de auteur genummerde en gesigneerde oplage, is tevens de eerste in een lange rij bibliofiele uitgaven. Harry G.M. Prick heeft opgemerkt dat het bovendien Büchs eerste sonnet is.

Ik zag de affiches in de loop der maanden verrotten of verscheurd worden…

herinnerde Büch zich in 1990, nadat hij het affiche eerder al eens als ‘onvindbaar’ had bestempeld. Natuurlijk zijn niet alle exemplaren verloren gegaan. Hans Maarten van den Brink, die Büch kende van het Leidse universiteitsblad Mare, had het affiche op zijn studentenkamer hangen. Prick ontving zijn exemplaar in een kartonnen koker per post. Zelfs Bernadette Gallis zou, pas op de laatste meidag van 1978, nog een affiche krijgen. De laatste vijftien jaar heb ik er zo zeker nog twee of drie gesignaleerd.

In mijn bezit is een exemplaar gemerkt ‘h.c.’ – wat opmerkelijk is, want ook de van 1 tot 100 genummerde exemplaren bleven buiten de handel. Het gebruik van de term ‘hors commerce’ (er bestaan ook exemplaren ‘épreuve d’artiste’) laat zien dat de 29-jarige Büch al goed op de hoogte was van de bibliofiele zeden.

Verrot of verscheurd is mijn affiche niet, wel is het gekreukt en heeft het aan de onderrand waterschade opgelopen. Rechtsonder staat een gesigneerde opdracht van Büch met de toevoeging ‘too late’. In elk geval slaat dat op het feit dat de dichter dit affiche pas in 1981 aan een vriend overhandigde, maar Büch kan hier ook bewust een regel uit het Stones-nummer ‘Hand of Fate’ (1976) hebben aangehaald. Hij wist toen zeker dat de liefde met Bernadette Gallis voorgoed voorbij was. Niets aan te doen.

I’m on the run, I hear the hounds
My luck is up, my chips are down
So goodbye baby, so long now

Kalupso-Pers

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn bijna duizend illegale en clandestiene bundels en boeken verschenen. Dirk de Jong somt in Het vrije boek in onvrije tijd (1958) 982 titels op, uitgegeven onder tientallen verschillende (gelegenheids)imprints. In het standaardwerk van De Jong ontbreekt van de uitgaven van de Kalupso-Pers echter ieder spoor.

Het is niet verwonderlijk dat de Kalupso-Pers zelfs voor Dirk de Jong verborgen bleef, want de uitgeverij was alleen actief in het oorlogsjaar 1944. In tegenstelling tot andere, meer officiële clandestiene uitgeverijen had de Kalupso-Pers geen breed opgezet fonds, geen circuit van vaste auteurs en illustratoren. Heel wat illegaal drukwerk werd geproduceerd in onverlichte pakhuizen, met door fiets en vliegwiel aangedreven drukpersen, om vervolgens onder de rok van een verzetsvrouw als smokkelwaar naar een betrouwbare boekhandelaar te worden gebracht, die het dan onder de toonbank aan zijn vaste clientèle verkocht. Zulk avontuur is bij de Kalupso-Pers ver te zoeken: de uitgaven werden in huiselijke kring vervaardigd en verspreid.

De oprichters van de in Amsterdam gevestigde Kalupso-Pers waren twee twintigers: de gebroeders Jan en Jaap Wisse. Zij waren tevens de sterren van hun fonds: van de vier mij bekende uitgaven van de Kalupso-Pers zijn er twee door Jan en twee door Jaap geschreven. De boekjes zijn grotendeels op de schrijfmachine vervaardigd. Van Vergeefs afscheid (1944), een uitgetypte cyclus van zes gedichten van Jaap Wisse, zijn omslag, Franse titel, titelpagina en opdrachtpagina met Oost-Indische inkt getekend.

Naast het uitgeversmerk ‘KP’ op de titelpagina van Vergeefs afscheid staat ‘No. III’, zijnde de derde uitgave van de Kalupso-Pers. Jaap Wisses Kamer (1944), een volwaardige dichtbundel van 28 pagina’s in een kartonnen bandje met een gekalligrafeerde rugtitel, heeft op die plek het Romeinse cijfer ‘VI’. Kortom, de Wisses maakten minstens zes ondergrondse uitgaven. Er zijn er dus nog twee die bovengronds moeten komen.

In Kamer legt Wisse in vijftien gedichten zijn verstilde blik vast. Per vers beschrijft hij een object in of uitzicht uit zijn kamer. Behalve een lamp, een tafel en de gordijnen zijn dat een piano en een buste van Beethoven. Volgens het colofon werden alle exemplaren van Kamer genummerd en gesigneerd; een gedeelte van de oplage, ‘gereserveerd voor auteur en uitgever’, werd geletterd en gesigneerd. Aantallen worden niet gegeven, maar de oplagen van Kalupso-persuitgaven zullen zeer klein zijn geweest.

Van zowel Kamer als Vergeefs afscheid ken ik geen andere exemplaren dan de mijne. Ze zijn beide geletterd ‘B’ en voorzien van de handtekening van Jaap Wisse. Ik weet wie de eerste eigenaar is, omdat die zijn naam in de boekjes schreef: Kees Otten.

Net als Jan Wisse was Otten een geschoold musicus. Met de gebroeders Wisse vormde Otten van 1945 tot 1949 een muzikaal trio: Jaap speelde fluit, Jan piano en Kees blokfluit. Daarna zou Kees Otten blokfluitles geven en internationale samenwerkingen met musici en ensembles aangaan. Jan Wisse zou over muziek publiceren en eigen composities maken. Over een naoorlogse dichterscarrière van Jaap Wisse is mij niets bekend.

Vloeistofduplicator

Twee jaar geleden kwam René Franken van antiquariaat annex uitgeverij Demian met het idee om het debuut van Remco Campert, waarvan tot dan toe exact één exemplaar bekend was, opnieuw uit te geven. Deze herdruk van Ten Lessons with Timothy is vorige week verschenen. Gisteren vertelde de uitgever erover op Radio 1 (vanaf 02:45:48).

Om de uitgave volgens hetzelfde procédé te vervaardigen zijn kosten noch moeite gespaard. Dezelfde vloeistofduplicator waarmee Rudy Kousbroek in december 1950 heimelijk 25 exemplaren stencilde werd getraceerd, opgepoetst en aangezwengeld door een stencilkundige in Almelo. Het speciale stencilpapier werd in Parijs aangeschaft. De omslagmappen uit Kopenhagen werden in Antwerpen gezeefdrukt. De dichter in Amsterdam was graag bereid het nieuwe vijfentwintigtal te nummeren en signeren.

Toegevoegd aan elke map met de spiksplinternieuwe Ten Lessons with Timothy is het verslag van mijn zoektocht naar overgeleverde exemplaren van de gruwelijk zeldzame dichtbundel.

In de winter van 1950-1951 probeerde Remco Campert zijn allereerste uitgave op boulevards en in cafés te verkopen aan Nederlandse toeristen. Dat lukte zelden.

Vanochtend liet de uitgever me weten dat er van de eenmalige herdruk nog slechts één exemplaar beschikbaar is voor de verkoop.

Blauwe maandagen

De ene blauwe maandag is de andere niet. De titel van de debuutroman van Arnon Grunberg is door de meeste vertalers letterlijk overgezet. In Zweden lezen ze Blåmåndagar, in Spanje Lunes azules en in Tsjechië Modré pondělky.

De letterlijke vertalers blijven trouw aan de oorspronkelijke titel, maar moffelen tegelijk een van de belangrijkste betekenissen, die van de typisch Nederlandse uitdrukking, onder het tapijt. Een Duitser denkt bij een Blauer Montag verheugd aan een snipperdag.

In Brazilië is de titel meer naar de geest van de roman vertaald. Blauwe maandagen heet daar Amsterdã blues – een mooie vondst. De vertaler in Budapest gebruikte voor de titel een andere uitdrukking: Uborkaszezon is in Hongarije de term voor komkommertijd.

(De buitenlandse uitgevers van Grunberg zijn wel unaniem in de keuze van het omslagbeeld voor hun vertalingen van Blauwe maandagen: allemaal lichtekooien en verwijzingen naar De Wallen. In de roman komt hoofdpersoon Arnon daar vaak en graag.)

Arnold en Erica Pomerans hielden het in hun Engelse vertaling strikt bij Blue Mondays. De eerste druk verscheen in december 1996 bij Farrar, Straus and Giroux in New York, een jaar later gevolgd door een titeluitgave voor lezers in het Verenigd Koninkrijk. Op de copyrightpagina van de Amerikaanse Blue Mondays staat: ‘Published simultaneously in Canada by Harper Collins Canada Ltd’. Maar de Canadese Harper Collins-editie schijnt niet te bestaan; Jos Wuijts maakt er in zijn eerste en tweede Grunberg-bibliografie geen melding van.

Toen Arnon Grunberg in 1997 naar Canada ging, kon hij dus niet anders dan de Amerikaanse Blue Mondays meenemen. Misschien had hij het boek wel bij zich, in de schrijversbus op weg naar de Niagara Falls, of (ter plaatse) in de binnenzak van zijn gele regenjas.

In elk geval signeerde de schrijver, na afloop van zijn optreden op het International Festival of Authors in Toronto, voor Greg Gatenby, de oprichter van het schrijversfestival, de Amerikaanse editie. Dat was op 26 oktober 1997 – geen maandag, maar een zondag.

Ineens mijn naam in kapitalen

Het laatste gedicht van Jan Hanlo is ‘Over kinderen’. Hij schreef het in 1967, negen jaar na het verschijnen van zijn Verzamelde gedichten (1958), waarvan in 1970 een tweede druk verscheen – postuum vermeerderd. ‘Over kinderen’ werd bij leven van de dichter nog afzonderlijk uitgebracht: als plano, bedrukt in goud danwel zwart. De laatste uitgave van Jan Hanlo is Over kinderen (1968).

Hanlo’s finale is onderdeel van een reeks zeldzame plano’s met teksten van auteurs uit het fonds van Querido. De vluchtige drukwerkjes werden verspreid tijdens een tiendaagse Amsterdamse boekenmarkt in oktober 1968. Blijkens het eenregelig colofon is Over kinderen ‘door de dichter op bestelling gedrukt, en gesigneerd, ter Boekenmarkt RAI in de stand van Querido op 18 oktober 1968’. Querido-uitgever Reinold Kuipers memoreert in Gerezen wit (1990):

Op een van de boekenmarkten die in de jaren zestig door de RAI werden georganiseerd hadden wij op onze stand een Boston-handdegelpers waarop elke avond een auteur van Querido een eigen tekst zou drukken. Het zetsel was door het Drukhuis vervaardigd. Een gepensioneerde typo trad als mentor voor de auteurs op. Hanlo, verrukt van het zelf drukken en meegesleept door de gezelligheid, was er elke avond.

Geen van de fotografen aanwezig op de boekenmarkt registreerde een rond de degel van Querido dansende dichter. Anefo-fotograaf Ron Kroon had vooral oog voor de halfnaakte jongedame die Annie M.G. Schmidt een bloemlezing aanbood.

Tegenover de herinnering van Reinold Kuipers staat de beleving van Jan Hanlo. Die schreef op 6 december 1968 in een deprimerende brief aan Kees Lekkerkerker:

Dat Querido-gedicht op de R.A.I. is buiten mijn aanwijzingen gezet. Heel lelijk, vind ik.: ‘g.o.d.’ met onderkast en ineens mijn naam in kapitalen! dat kan niet.

Paspoort

Op woensdag 7 augustus 2013, om kwart voor negen ’s ochtends, las A.L. Snijders in het radioprogramma De Ochtend van 4 het zeer korte verhaal ‘Paspoort’ voor. Het is online integraal te lezen en compleet te beluisteren.

Gisteren mocht ik, bij de tewaterlating van Alleen de titel is nog niet af, de schrijver Karel ten Haaf bewieroken. Ik eindigde mijn toespraakje over hem met een voorspelling:

In de eeuw van de e-reader zie ik twee zich van elkaar verwijderende groepen: de swipers en de perkamentpoetsers, de lezers en de bibliofielen.

De eerste groep mensen is hierboven na de eerste alinea al afgehaakt. Ze hebben op de link geklikt, ‘Paspoort’ van het scherm gelezen, misschien zelfs de auteur horen voorlezen en nu zijn ze klaar. Tot ziens! De tweede groep mensen, gejaagd als altijd, leest door.

In opdracht van Artistiek Bureau drukte De Carbolineum Pers te Kalmthout vorige week het prachtige zkv ‘Paspoort’ in een oplage van dertig exemplaren. Letter: Horley Old Style. Papier: Zerkall en Hahnemühle. Het Spaans hondje staat op het omslag en de titelpagina. De eerste letter van het zkv is door Boris Rousseeuw omkaderd in een floraal vignet.

Paspoort is de eerste in België gedrukte uitgave van A.L. Snijders. Het wettelijk depotnummer is D/5458/2014/2.

Afgelopen donderdag nummerde en signeerde A.L. Snijders de oplage aan zijn oudroze tafel in Klein Dochteren. Om de kosten te dekken zijn enkele exemplaren van Paspoort voor de verkoop bestemd (65 euro inclusief porto; één exemplaar per bibliofiel).

Schaar

Hyraxia Books maakt een vliegende start. Het antiquariaat in Leeds presenteert kort na de oprichting een derde catalogus met speculatieve fictie. De lijst bevat ditmaal vroege of anderszins verzamelwaardige edities van Philip K. Dick.

Ten geleide schrijft het antiquarenechtpaar Patterson dat een gesigneerd boek van Dick nooit lang op de plank staat, zeker niet als de handtekening in een Engelse druk is gezet. Simon en Gail hebben getracht toch enkele door de auteur gesigneerde boeken voor de catalogus te bewaren. Drie Amerikaanse drukken, verschenen na de dood van Dick, zijn elk gesigneerd door de auteur ‘by way of cheque signature strips‘.

Die boeken zijn dus postuum gesigneerd. Aangeraakt door een geest.

Toen ik in Den Haag, in het grootste geheim, aan een catalogus met boeken uit de bibliotheek van D.A.M. Binnendijk mocht werken, vormde zich tegen een lange muur in de keuken stilaan een bult papier. Dat waren de boeken die, verzuurd of incompleet, niet de moeite van het beschrijven waard waren, al hadden ze alle de handtekening van de ooit gevreesde criticus. De boekenberg groeide week op week. Hij werd op den duur een hinderlijke wegversperring, een onderhuidse vulkaan.

De uitbarsting volgde. In lachen. Aan het eind van een avond bibliofiel borrelen ontstond in de keuken van het antiquariaat het idee om een deel van de oplage van de Binnendijkcatalogus ludiek te verrijken met originele stukken. We hadden een houten kistje met ongebruikte ex libris gevonden, in een van de vooroorlogse fotoalbums zat een stapeltje afdrukken van foto’s van D.A.M. Binnendijk. Nu nog een handtekening en de luxe-editie was volmaakt.

Toen gingen de witte handschoentjes voor eventjes in de la. Ethische bezwaren werden weggewuifd. Ik heb koelbloedig in vijftien boeken de schaar gezet. Vijftien keer de signatuur van Binnendijk uit een schutblad of een titelpagina geknipt. Dat luchtte eigenlijk ook wel op.

Luxe luxe

Gesignaleerd bij Linnaeus in Amsterdam en bij Vos & van der Leer en De Bengel in Dordrecht: de eenmalige luxe uitgave van Van der Heijdens romancyclus De tandeloze tijd. Hoe luxe luxe is bij De Bezige Bij valt nog te bezien, maar de belofte in het zomerprospectus lijkt te zijn ingelost: een nieuw omslag, een ‘beperkte’, genummerde oplage en de handtekening van de auteur. Beperkt is in dit geval: 200. Het is niet duidelijk of er een cassette bij de zeven boeken hoort.

Die cassette zit wel bij een andere, mij onbekende luxe editie van De tandeloze tijd, eveneens uitgegeven door De Bezige Bij. De ‘exclusieve oplage’ van deze luxe editie is minder exclusief, want die bedraagt maar liefst 1500 stuks. De boeken zijn niet alle afzonderlijk gesigneerd: ze komen met een genummerde en gesigneerde kaart in een envelop.

Of zou het hier om een dummy gaan? Het is toch vreemd om een luxe cassette te vullen met gelijmde paperbacks. En op de ruggen van de boeken vertoont zich ook geen bezig bijtje. Wie het weet, mag het zeggen.

Bewaren

De eerste veiling van ‘The Boonekamp Collection’ is geschied. Het overgrote deel van de Leidse literaire handtekeningenlawine is goed terechtgekomen; slechts een kwart van de kavels bleef onverkocht.

Beide kavels met het door mij ge(roof)drukte poëziedebuut “Laatste gedichten” van Hans Andreus (N.pl., n.pr., c. 2007) van Benno Barnard hebben een nieuwe eigenaar gevonden. Eén kaveltje Barnard, waarin nota bene een exemplaar van zijn mooiste boek, bleef op de planken liggen. De schrijver moet het onder de hamer komen van zijn werken wel met (leed)vermaak hebben aanschouwd. Zijn commentaar op deze geschiedenis was kort. ‘Zo wordt men zijn eigen curiosa.’

Welke Barnard-fans in Leiden hebben toegeslagen is mij niet precies bekend. De nieuwe eigenaar van kavel 377, waarin een uitgebreid gesigneerd exemplaar van “Laatste gedichten” van Hans Andreus, heeft zich inmiddels gemanifesteerd. Een boekwinkeltje in Franeker biedt het drukwerkje sinds gisteren aan. De opdracht van Barnard aan Boonekamp wordt volledig geciteerd: ‘Voor Gert, mijn oudste gedicht. Bewaar me… Benno 18.12.07. Een biblioseksuele drukker stuurde me dit – ik wist van niks’. In de beschrijving staat achter het veld ‘Uitgever’ echter: ‘Onbekend’. Voor 60 euro plus porto is het van u; mijn toelichting is gratis.

Het dubbelzinnige in deze opdracht van Barnard krijg ik nu pas in het oog. Natuurlijk, hij verkort hier de bekende krachtterm ‘God, bewaar me!’ Maar hij bedoelt het ook letterlijk: ‘Bewaar me’. Gert Boonekamp werd door sommige dichters beschouwd als hun liefhebbende archivaris of zachtaardige conservator. Hij miste geen knipsel, geen bloemlezing, geen vouwblaadje, hoe obscuur ook.

Voor dichters, die zichzelf niet verzamelen, moet het een geruststellende gedachte zijn geweest dat iemand, ergens op de wereld, al dat papier trouw naar zijn huis sleepte en in kasten, dozen en mappen stopte. Om te lezen en om te bewaren.