Gesprek

Hij was het gesprek van de dag, bij de koffieautomaat op het werk. De 100-jarige schrijver (‘100 jaar en 9 maanden’) die aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk en Jan Mulder over zijn herontdekte en hogelijk geprezen romans moest praten. Gast en gastheer spraken in andere tongen langs elkaar heen.

Maartje Somers: ‘Het waren twee werelden die elkaar niet raakten. De twintigste en de éénentwintigste eeuw, de literatuur en de televisie, de inhoud en de ruis.’ De 100-jarige schrijver met zijn bedachtzame volzinnen deed denken aan Lodewijk van Deyssel, geïnterviewd op film. Bij de VARA vonden ze het interview blijkbaar ook geen succes: online is het niet beschikbaar.

Het alternatieve gesprek met Hans Keilson, de zenuwarts die heel veel meer deed dan corresponderen met tbs-er Gerrit Achterberg en Herman Pieter de Boer van de drank afhelpen, staat hier.

Das Leben geht weiter: De Wereld Draait Door.

Nieuwe website Letterkundig Museum

De studiezaal is morgen gesloten. Harry Mulisch vervangt ’s middags de over Uruzgan gestruikelde Plasterk bij de opening van het vernieuwde Letterkundig Museum. In stilte is nu ook de website vervangen. Het sierlijke rode LM-stempeltje heeft moeten plaatsmaken voor een tweekleurig logo.

De site opent met de mogelijkheid om twee filmpjes te starten. In de eerste lezing met lichtbeelden ontvouwt Jan Siebelink parallellen tussen Van Schendels De waterman en Bordewijks Bint en zijn eigen romans Knielen op een bed violen en Suezkade. De filmpjes zijn hip gemonteerd met tussenkopjes, intelligente deuntjes en kleureffecten. Zodra Siebelink over Anna Blaman begint te kletsen, verschijnen er rechts van hem twee portretfoto’s van een wat ongelukkig kijkende schrijfster, en als hij de rel rond Eenzaam avontuur vertelt, zien we het omslag van de eerste druk op de boekenkast geprojecteerd. Technisch van hoge kwaliteit vergen de filmpjes veel van een iets oudere laptop.

Anna Enquist herinnert zich in de tweede lezing met lichtbeelden hoe haar leraar Couperus afschilderde als een man in roze-fluwelen kamerjas. Daarna vat ze Reve samen, die ‘schrijnende en ellendige dingen weet te verwoorden in een taal en beeldspraak die ontzettend geestig is’. Met Vasalis heeft Enquist gemeen dat ze twee beroepen (psychotherapeut, dichter) combineert.

Hoewel de begeleidende teksten soms worden ontsierd door typefouten (‘gebeelhouwde’, ‘Hermans Schönfeld Wichers’) en onjuistheden (Belcampo woonde aan het Schuitendiep, niet Spilsluizen, dat was Hermans), is er veel nieuws te vinden. Het LM beschikt eindelijk over een FAQ. Leukste, veelgestelde vraag: ‘Ik heb in eigen beheer een boek uitgegeven, heeft het museum belangstelling voor mijn manuscript?’ Het antwoord laat zich raden.

De 100 gelukkige auteurs uit Het Pantheon hebben elk een drieregelige biografie gekregen, die soms wat willekeurig oogt en dan weer ongelukkig uitpakt. Carry van Bruggen? ‘De Nederlandse Virginia Woolf. Na haar scheiding leeft zij, als alleenstaande vrouw met twee kinderen, van de pen. Overlijdt na ernstige depressies, waarschijnlijk aan een overdosis slaapmiddelen.’ Niets over Eva of Prometheus. J.C. Bloem? ‘Burgemeesterszoon Jakobus Cornelis Bloem leeft met gepaste tegenzin. Zijn ideaal is een makkelijk baantje dat genoeg oplevert voor de enige passie die hij schijnt te hebben: boeken.’ Niets over zijn dichterschap.

Regelrechte aanwinst is een nieuw Literair Centrum, waarin op den duur alle Nederlandse auteurs een biografie wordt aangemeten. Deze levensbeschrijvingen zijn zeer geschikt voor middelbare scholieren: het debuut van Achterberg is ‘een zeer zeldzaam collectors item’. Elke auteur krijgt een carrousel van plaatjes cadeau. Eindelijk is te zien wat voor rijk materiaal het depot bewaart: foto’s, drukproeven, handschriften, huwelijksaankondigingen, lidmaatschapskaarten, etc. Over curiosa wordt ook niet meer lullig gedaan. De trombone van F.B. Hotz hoort er gewoon bij. Zelfs het manuscript van Joe Speedboot flitst langs.

In de massa verloren gaan

De vreemde kostganger in dit politiebericht uit 1937 is Gerrit Achterberg, die op dat moment één bundel had gepubliceerd. Na de moord kreeg hij tbs. In 1938 belandde hij in het Rijksasyl voor Psychopaten te Avereest.

Voor zijn arts, vermoedelijk A.L.C. Palies, schreef hij tijdens zijn eerste dagen in Veldzicht een autobiografie. De twee pagina’s origineel handschrift van deze eigenaardige tekst zijn te koop. Citaat: ‘Contemplatie en concentratie van mijn geest deed mij wel zonderling schijnen voor wie nuchter en zakelijk het leven beziet. Om meer geestelijk leven te verkrijgen en beter in de massa te kunnen verloren gaan [mezelf aldus trachtend innerlijk een stilte te blijven verzekeren, waarin de poëzie zou willen blijven klinken] solliciteerde ik naar Den Haag en kreeg een aanstelling aan de Paul Krügerschool’.

De hand van Gerrit Achterberg

Bij mijn inventarisatie van manuscripten, typoscripten en foto’s betreffende een ten onrechte vergeten dichter, in de schatkamers van de Nederlandse letteren, stuitte ik in een gastenboek op twee fraaie handgeschreven gedichten, respectievelijk gedateerd 17 augustus 1946 en 2 april 1947. Ik herkende er, in meerdere opzichten, meteen de hand van Gerrit Achterberg (1905-1962) in.

De verzen kwamen mij niet bekend voor, terwijl ik toch meerdere bundels van Achterberg meermaals heb gelezen. Zou ik ze voor het eerst hebben opgeslagen? Zijn ze wellicht nooit gepubliceerd? De onlinecatalogus van de instelling rubriceerde de gedichten bovendien onder een verkeerde naam.

C.S. Adama van Scheltema was ruim twintig jaar dood toen de gedichten werden geschreven.

Helaas moest ik thuis ontdekken dat er wakkere schriftgeleerden bestaan. Peter G. de Bruijn maakt in zijn driedelige Gedichten keurig melding van ‘Olifant’ en ‘Petertje’. Weg scoop.