‘Een onverstoorbare originaliteit’

I

Nanne Tepper was verslaafd aan brieven. Hij begon de dag met het schrijven van brieven, ‘om polsen en kwabben los te maken’. Na zijn dood in 2012 bleek dat hij, behalve de auteur van drie romans en een bundel prozastukken, ook de schrijver was van duizenden brieven. In de papierchaos van zijn schipperswoning aan het Noorderplantsoen in Groningen werden niet alleen vele aan hem gerichte brieven aangetroffen, maar ook meters rollen uit zijn matrixprinter en stapels fotokopieën van eigen brieven. Hij had zijn brieven altijd bewaard, in tegenstelling tot andere ongepubliceerde teksten – tot twee keer toe had hij vuilniszakken vol manuscripten en typoscripten aan de straat gezet.

Hij dronk brieven ‘als ooit eens Black Jack’. Van zijn correspondenten verlangde hij eigenlijk per omgaande antwoord. De brievenbundels van Flaubert, Kerouac en Poesjkin verslond hij en het was zijn ultieme droom om met Gerard Reve in correspondentie te treden. In zijn fictie paste hij meer dan eens de brief toe als literair procedé. In De avonturen van Hillebillie Veen citeert Veen het ‘onbetaalbare velletje’ dat zijn grote liefde hem stuurde als zestienjarig meisje. Het derde boek van De eeuwige jachtvelden, dat bestaat uit correspondentie tussen de hoofdpersonen, vond Tepper zelf het beste deel.

Zakelijk of puntsgewijs een brief beantwoorden deed hij zelden. Meer dan papieren tweegesprekken zijn deze brieven uitgelokte monologen – hij had maar een kleine voorzet nodig, een kattebelletje paste niet bij zijn karakter. Bij het kennismakingsgesprek met zijn uitgever en zijn redacteur was hij meteen uren aan het woord. De brief, zonder sociale conventies of adempauzes als beperking, was het ideale communicatiemiddel.

Een zekere noodzaak was er ook. In 1992 had Tepper de kroeg en de drank afgezworen, het nachtleven en de drugs vaarwel gezegd, en gekozen voor een burgerlijk leven in isolement: thuis achter zijn schrijftafel. Zijn vriendin Sonja, met wie hij toen ruim tien jaar samen was, steunde hem. Schrijven deed hij al vanaf zijn achttiende jaar, nu kwam het erop aan te publiceren. Tepper is, naar eigen zeggen, belachelijk geïnspireerd en verschrikkelijk ambitieus. Zijn goede vriend Klaas Koetje leent hem een paar afleveringen van het literair tijdschrift de Biels. Kort daarna vangt Tepper met de Biels-redacteur Marc Kregting een briefwisseling aan, resulterend in zijn allereerste publicatie: het verhaal ‘Fuck ‘Em All!’. Kregting is ook de eerste die met de post flarden van De eeuwige jachtvelden ter beoordeling ontvangt.

Al snel weet Tepper een kring kritische lezers om zich heen te verzamelen, een ‘Rode Stiften Kliek’, die zijn proza van commentaar voorziet. Onder hen zijn de Nijmeegse literatuurwetenschappers Wilma Siccama en Jack van der Weide, en de neerlandici Jos Joosten en Anja van Kessel. Later nemen tijdschriftredacteuren Atte Jongstra en Kees ’t Hart de rol van kritische meelezer over. Aan hen schrijft hij vaak over de worsteling met zijn werk. Zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden slaat in 1995 in als een bom. De lovende recensies zijn niet aan Tepper besteed: de afkeer van ‘Luiletterland’ neemt toe, interviews hekelt hij, publieke optredens weigert hij te geven. De verschijning van de moeizaam tot stand gekomen romans De avonturen van Hillebillie Veen en De vaders van de gedachte wordt in 1998 niettemin breed uitgemeten in de media. De depressies, die hij eerder telkens de baas was, worden grimmiger; angst en paranoia overvallen hem steeds vaker. In de brieven aan Geerten Meijsing, eveneens lijdend aan depressies, komen ook de ‘gecrashte kwabben’ aan de orde – al laat Tepper nooit het achterste van zijn tong zien.

Van lieverlede worden zijn correspondenties vrijwel het enige contact met de literaire wereld. In 2000 komt hij een zware depressie nauwelijks te boven. Op den duur maakt zijn verslechterde toestand het hem onmogelijk nog romans en brieven te schrijven. Zijn productie beperkt zich tot columns en recensies. Met de meesten van zijn penvrienden is in 2003 het contact verwaterd of verbroken.

In 2008 verschijnt De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke, maar het gros van de stukken daarin dateert al van voor de eeuwwisseling. In zijn hoofd blijven de verhalen ontstaan, maar hij krijgt ze niet meer op papier. Op 10 november 2012 kiest hij voor de laatste, door hem vaak met scherts besproken uitweg.

II

Nanne Tepper heeft rekening gehouden met de postume publicatie van zijn brieven. In een vroege brief merkt hij al op:

Mocht mijn roman stranden aan de poort van Het Singel, dan moet men, nadat ik mij vakkundig heb opgeknoopt, mijn correspondentie maar eens gaan verzamelen en uitgeven; krijg ik toch nog mijn Dikke Boek.

Soms bladert hij door zijn aandeel in verschillende briefwisselingen om te concluderen dat elke correspondentie ‘een onverstoorbare originaliteit’ heeft, ‘een eigen toon, telkens weer, geheel gerelateerd aan de persoon aan wie de brieven gericht zijn’.

Daar is geen woord van gelogen. In brieven aan de debutant is Tepper de docent die afkraakt en aanmoedigt. Met jonge vrouwen speelt hij het spel der verleiding, altijd hengelend naar intieme details en expliciete foto’s. Tegenover de gepromoveerde wetenschapper stelt hij zich op als de dwarse denker die weliswaar ‘enkel lagere school’ heeft afgemaakt, maar die toch echt beter tussen de regels door kan lezen. Zijn adressanten ontvangen zowel filmbesprekingen als landschapsbeschrijvingen, voetbalverslagen en liefdesbetuigingen aan pubermeisjes, kruistochten en literatuurcolleges, pastarecepten en songteksten, conferences en tirades – veel tirades, want Tepper is ‘kwaad geboren’. Om cruciale kleinigheden kan hij ontploffen. Zo moet de eerste oplage van het omslag van De eeuwige jachtvelden op zijn vlammende verzoek worden vervangen, omdat een redacteur het woord ‘insect’ in de flaptekst heeft aangepast aan de nieuwe spelling – wat niet het gewenste anagram oplevert.

Soms is de toon in zijn brieven bewonderend, dan weer weemoedig, soms cynisch, dan weer jolig. Altijd gaat Tepper er vol in. De introductie van Prozac ter bestrijding van zijn depressiviteit en slapeloosheid zorgt in 1996 evenwel voor een stijlbreuk: zijn brieven worden minder wijdlopig, zijn zinnen minder meeslepend. Verbazingwekkend is dat hij zijn humor en zelfspot behoudt: de van Wim T. Schippers geleende flauwiteiten en verhaspelingen van schrijversnamen blijven maar komen.

Het leven van Nanne Tepper stond volledig in dienst van de kunst. Schrijven was zijn afmattende en opwekkende dagtaak. Alle muziek en literatuur nam hij ernstig, met bijna religieuze volharding, tot zich: een slecht boek of een matig concert vatte hij op als een persoonlijke belediging. De schrijver doet belijdenis in vijf indrukwekkende brieven aan de theosoof Louis Geertman. En uiteindelijk vinden alle voor dit boek geselecteerde brieven hun oorsprong en hun afloop in de kunst. Ze weerspiegelen dagdromen van ongeschreven verhalen en niet-opgerichte tijdschriften, ze werpen licht op de ontstaansgeschiedenis van romans en geven inzicht in een zuiver kunstenaarschap, dat niet besmeurd mocht worden met banaliteiten als schrijverscafés en literaire prijzen.

III

Hoewel dit boek een periode van slechts negen jaar bestrijkt, komt het hele leven van Nanne Tepper aan bod: zijn eerste schoolpleinliefje, de teleurstellende lerarenopleiding, het legendarische optreden met zijn band, de ontdekking van de literatuur. De schrijver kwam ter wereld in Hoogezand, groeide op in Veendam, maar had het geheugen van een Rus.

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Net als in zijn fictie is herinneren een belangrijk thema in zijn brieven. Heimwee is, volgens Tepper, een aangeboren aandoening bij Oost-Groningers. Hij was een meester in terugblikken en herbeleven: als hij aan het woord is, is het vaak het geheugen dat spreekt.

Dat verklaart ook zijn fascinatie voor Vladimir Nabokov, wiens portret boven Teppers werktafel hing. Met deze schrijver bleek hij de zinnelijke beleving van het eigen verleden gemeen te hebben en een gevoeligheid voor oude kleuren en geuren te delen. In een reeks brieven geeft Tepper onnavolgbare analyses van Nabokovs proza. De onvermijdelijke liefde tussen Van Veen en zijn zus Ada uit Nabokovs incestroman Ada or Ardor: A Family Chronicle verwerkte hij in De eeuwige jachtvelden. In zijn brieven speelt hij een mythologisch spelletje door Sonja consequent ‘zusje’ te noemen, maar tegelijk drukt hij daarmee een verbondenheid uit die dieper gaat dan de gekozen band tussen geliefden. De naam die hij zijn huis in de Groningse wijk De Oosterpoort gaf ontleende hij aan de familiehoeve in Ada.

De gesprekken met zijn psychiater, de bezoekjes aan de hifizaak en andere ‘ervaringen in de tegenwoordige tijd’ weet hij vaak met smaak en virtuoos samen te vatten. Dankzij de brieven is het mogelijk verbanden te leggen tussen gebeurtenissen in zijn privéleven en ontwikkelingen in zijn werk. Maar omdat de schrijver nooit heeft uitgesloten dat zijn brieven in druk zouden verschijnen, zal hij veel ongenoemd hebben gelaten. Dit is vooral Teppers weergave van de werkelijkheid. De beleving van ‘een overgevoelige natuur’ hoeft niet per se historisch juist te zijn. Daarom is ervoor gekozen om niemand te vervelen met voetnoten, die de verslavende vaart van het boek alleen maar zouden verminderen. In de compositie van deze uiterst persoonlijke geschiedenis was geen ruimte voor verwijzingen naar krantenkoppen en hitlijsten: een chronologie en een correspondentenlijst volstaan.

De kunst is mijn slagveld is een zelfportret, geen autobiografie. Of zoals Teppers alter ego in De avonturen van Hillebillie Veen van zijn vriendinnetje te horen krijgt:

Ik weet het niet hoor, maar in je brieven ben je iemand die ik niet ken, zo lijkt het wel, of… Ben je nu iemand die ik niet ken maar die je in je brieven bent?

 

Dit is de inleiding van Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001 (2016). Lees hier de loftuitingen, bestel hier het boek.

Parijs–Nijmegen

De hashtag MeToo is niet langer exclusief gereserveerd voor filmproducenten, acteurs en politici. In de letteren is ook sprake van ongewenste intimiteiten en seksueel misbruik – tot in het hoogste echelon. Hoofdredacteur Lorin Stein van het prestigieuze literaire tijdschrift The Paris Review diende op 6 december jongstleden zijn ontslag in, nadat hij was beschuldigd van seksueel overschrijdend gedrag. Stein gaf toe misbruik te hebben gemaakt van zijn positie bij het toonaangevende periodiek.

(Voorts verklaarde hij droogjes dat hij weliswaar af en toe seks op de werkvloer had gehad, maar dat de vrouwen in kwestie daarmee hadden ingestemd én dat er ten kantore van The Paris Review uitsluitend buiten kantooruren werd geneukt.)

The Paris Review is voor de Nederlandse literatuur van weinig betekenis geweest – en vice versa. Gerard Reve komt de eer toe in de hele twintigste eeuw als enige Hollander in The Paris Review te hebben gepubliceerd. Na tussenkomst van Eugene Walter verscheen Reve’s verhaal ‘The Acrobat’ in de vijfde aflevering (Spring 1954). ‘Gossamer’ van ‘Gerard-Kornelis Van Het Reve’ stond in aflevering 11 (Winter 1955).

De laatste Review die een deuk in mijn deurmat maakte onthult een nieuwe relatie tussen het tijdschrift en ons land. In aflevering 222 (Fall 2017) vertelt Maxine Groffsky uitgebreid over haar jaren bij het tijdschrift. Van 1965 tot 1974 was zij redacteur van The Paris Review in Parijs (er zat ook een redactie in New York). Groffsky beschrijft hoe ingewikkeld en tijdrovend het was om een nummer samen te stellen. De kopij kwam uit alle windstreken op het bureau van Groffsky terecht, die het na een laatste redactieronde naar de drukker stuurde. Die liet de Monotype overuren maken en retourneerde par avion drukproeven. Groffsky stuurde vervolgens de bijdragende auteurs de proeven door, verzamelde correcties en maakte met schaar en lijm een maquette. De drukkerij in kwestie zat niet in Parijs, niet in de Verenigde Staten, maar in Nijmegen.

Waarom dáár in hemelsnaam, wil interviewer Jeff Seroy op dit punt in het gesprek weten, zich in een slok wijn verslikkend. Uit het antwoord van Groffsky blijkt dat geld een doorslaggevende rol speelde. In de beginjaren van The Paris Review bevond het tijdschrift zich aan de rand van een faillissement.

The first two printers of the magazine had been in Paris, but in 1958 [Robert] Silvers found an excellent printer in Holland, G.J. Thieme, that did a much better job and charged less. Even so, by June 1965, when Larry [Bensky] and I went to the plant with issue no. 34, The Paris Review owed Thieme several thousand dollars. It took two trains and about eight hours to reach Nijmegen, the oldest city in Holland and renowned for its university. We spent all day in a pleasant but windowless room going over proof after proof. It was mind-numbing work.

Thieme deed dus niet moeilijk over openstaande rekeningen. Een degelijke Nederlandse drukkerij met raamloze kamers hield een vermaard literair instituut in leven.

P.S. In 2018 gaat deze website min of meer op slot. Ik kan dankzij het mij toegekende Hendrik de Vriesstipendium een boek maken over Ferdinand Langen. Klik op het (nieuwe!) logo bovenaan de pagina om de (nieuwe!) startpagina van Artistiek Bureau te zien.

In blauw heelmarokijn

Om deel te nemen aan de jaarlijkse boekenbeurs in Haarlem was een lidmaatschap van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren geen vereiste. Nieuwkomers welkom. Aan de beurs die op de eerste drie dagen van november 1985 werd gehouden deed een volleerd koopman mee, gespecialiseerd in handschriften van Nederlandse schrijvers. De eenmanszaak presenteerde, zo kondigde een advertentie in NRC Handelsblad aan, in de Beyneshal een opmerkelijke collectie Gerard Reve.

Of de nieuwkomer goede zaken deed bij zijn vuurdoop is niet te achterhalen. Wel werd de verkoop van originele correspondentie met Reve, uitsluitend verkrijgbaar bij Antiquariaat en Kunstzaal Joop Schafthuizen, breed uitgemeten in de media. NOS-verslaggever Harmen Roeland deed in het achtuurjournaal van 1 november ruim twee minuten verslag van de manuscriptenhandel van Joop Schafthuizen. Eind 1986 bracht Schafthuizen zijn eerste (en enige) verkoopcatalogus Gerard Reve uit.

Student Gert-Jan Rodermond, die in 1985 al colleges aan de Universiteit Leiden had gevolgd bij gastschrijver Reve, meldde zich op 21 juni 1988 als klant bij de firma Schafthuizen te Schiedam. Een persoonlijke kennismaking met Reve volgde. In het derde en laatste deel van de kroniek van Reve’s leven citeert Nop Maas de wanhopige versierpogingen die Reve daags na de ontmoeting met Rodermond per brief deed. Om te beginnen wilde Reve graag met de student corresponderen, maar wel via het adres van een vriend, want Schafthuizen hoefde er voorlopig niets van te weten.

Door een misverstand belandde de antwoordbrief van Rodermond, die keurig een fotokopie van Reve’s liefdesverklaring had bijgevoegd, gewoon op de mat in huize Reve. Waar Schafthuizen de envelop opende. Rodermond werd de wacht aangezegd. Het contact bloedde dood, schrijft Maas.

Toch moet er nadien nog een ontmoeting zijn geweest. Dat valt af te leiden uit de vriendschappelijke opdracht van Reve aan ‘Edith en Gert-Jan Rodermond’, voorin Reve’s Verzamelde gedichten (1987). Het boek staat sinds afgelopen woensdag te koop.

Verzamelde gedichten verscheen in februari 1987 in twee uitvoeringen: in een linnen band met stofomslag à f 39,90 en als paperback (‘volkseditie’) à f 24,90. De in het colofon vermelde tien luxe-exemplaren kwamen pas in de winter van 1987 gereed.

Gert-Jan Rodermond wist de hand te leggen op zo’n fraai, door David Simaleavich in blauw heelmarokijn gebonden exemplaar. Naast de door Reve met de hand aangebrachte nummering en signatuur in het colofon én voornoemde opdracht op de titelpagina kent dit exemplaar nog enkele handschriftelijke toevoegingen. Zo corrigeerde Reve enkele drukzetfouten, zoals de dt-fout in ‘Gedicht Voor Mijn 39ste Verjaardag’ en de misplaatste t in ‘Eind Goed, Al Goed’. En op bladzijde 34 schreef hij het gedicht ‘Droom’ uit, onder de gedrukte versie. Dit alles gebeurde op 11 december 1988 te Schiedam.

Een luxe Verzamelde gedichten komt zelden op de markt. In Zelf Reve Verzamelen (1998) noemt Piet van Winden de luxe-editie wel, maar hij had voor het kleurkatern van zijn checklist geen exemplaar tot zijn beschikking. Schafthuizens eigen luxe-exemplaar werd in 1997, op de veiling van ‘de complete werken van Gerard Reve’, op 1200 gulden afgehamerd. (De veiling vond plaats bij Bubb Kuyper; Schafthuizen had zijn kunstzaal annex antiquariaat reeds opgedoekt.)

Rodermonds exemplaar moet 6500 euro opbrengen, exclusief verzendkosten. Dat is de vraagprijs van een liefhebber die er eigenlijk geen afstand van kan doen.

Drie recorders

Een maand nadat Gerard Reve de bandjes van Boudewijn Büch had volgepraat, publiceerde Büch in het weekblad De Tijd zijn ‘Afscheid van Gerard Reve’. Daarin beschrijft hij zijn eerste kennismaking met Reve en reconstrueert hij de totstandkoming van het beruchte interview. Wie Büchs artikel na al die jaren integraal leest, blijft wat vertwijfeld achter. Büch, terugblikkend:

Reve is het eerste uur onrustig. Het geklungel met drie recorders (het gesprek werd opgenomen op twee professionele recorders en één pocketrecorder; dit vanwege eventuele rampen en het vermijden van gemiste passages bij het verwisselen van de banden) duurt een tijdje.

Eén gesprek, twee microfoons, drie recorders. De bandopnamen voor het KRO-radioprogramma Spektakel overhandigde Büch aan Ernst Braches – in plaats van ze terug te geven aan regisseur Louis Houët. De cassettebandjes hield hij een tijdje zelf, om ze vervolgens aan een antiquaar te schenken. Waar is dan de derde set opnamen?

De [KRO-]banden en het integrale typoscript van het interview – zo heb ik besloten – schenk ik aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Ze mogen voor het eerst één uur na Reve’s overlijden worden geraadpleegd. Misschien dat geleerden deze affaire dàn kunnen ontraadselen.

In de loop van 8 april 2006, verordonneerde Büch in 1983, had het rode zegel op het blauwe pak al gebroken mogen worden. Bij de overhandiging van de inmiddels verzegelde KRO-banden aan Braches in 1984 werd, herinnert Klaas Koppe zich, gesproken over een termijn van dertig jaar. Maar in 1985 schreef iemand op de verpakking van de opnamen:

Niet te openen zonder toestemming Büch.

Ik zoek nog een paar geleerden om deze affaire te ontraadselen.

Twee microfoons

Eén gesprek, twee interviews. Voor Het Parool zou Boudewijn Büch Gerard Reve op 5 januari 1983 over politiek bevragen en voor de Katholieke Radio Omroep zou hij de schrijver over literatuur en religie aan de tand voelen. Daar kwam gedoe van.

In de inleiding van de gisteren uitgezonden radiodocumentaire ‘Schrijft U dat maar gerust in Uw krant’ is sprake van ‘de verzegelde banden [cursivering van mij]’ waarop Büch zijn ontmoeting met Reve vastlegde. Eerder, elders ging het vaak over ‘de Reve-tapes’ – alsof het hier geheime opnamen betrof.

In de heisa over de uit de kluis van Bijzondere Collecties geviste opnamen, na vierendertig jaar vrijgegeven, is geen ruimte voor het droge feit dat er naast de verzegelde bandopnamen ook andere opnamen van het gesprek bestaan. Ik wist het, het staat allemaal in Boud (2016), maar ik liet me meeslepen.

Bij deze foto van Büchs lijffotograaf Klaas Koppe, die de ontmoeting tussen Büch en Reve vastlegde, begon het me weer te dagen. Er staan twee microfoons op tafel. Büch had, aldus Koppe in het bijschrift (mirror), naar Schiedam zowel zijn Nagra als zijn gewone cassetterecorder meegenomen. De verzegelde banden schonk Büch, getuige deze foto, op 13 juni 1984 aan bibliothecaris Ernst Braches. De andere bandjes nam hij mee naar huis.

Administratie

Een kwart eeuw na de verschijning van Alice in Wonderland (1865) wilde Lewis Carroll er een nieuw boek van maken: geschikt voor en geadresseerd aan kinderen tot 5 jaar, met een ingekorte en vereenvoudigde tekst, met extra grote illustraties. Nog voordat The Nursery “Alice” (1889) naar de drukker ging, begon Carroll op 21 juni 1889 met het noteren van de namen van vrienden en familieleden die een presentexemplaar moesten ontvangen. Dit bruine schriftje, dat inzichtelijk maakt wie tot Carrolls inner circle behoorde, komt vanmiddag onder de hamer bij Sotheby’s (mirror).

Hoewel het document ook al in 1946 werd beschreven en per opbod verkocht, is het nooit beschikbaar geweest voor onderzoek. Het veilinghuis zet nu vooral in op de waarde van het schriftje als biografisch document (‘a fascinating snapshot into Carroll’s private life‘). Maar Carrolls schriftje is natuurlijk ook de natte droom van boekwetenschappers en Alice-verzamelaars. Niets is zo mooi als de handel en wandel van een exemplaar reconstrueren, laat staan van een halve oplage. (En wie weet vind je aan het eind van de rit een exemplaar voor jezelf, te koop of te geef.)

Voordat mijn zoektocht naar het debuut van Remco Campert mijn leven begon te domineren, had ik al een lijstje gemaakt van bekende exemplaren van Hermans’ Dinky Toys (1976) – voor het laatst geüpdatet in 2014. Kees Lekkerkerker stelde zich als jonge Slauerhoff-specialist ten doel om de 15 ‘in sirenenhaar’ genaaide exemplaren van Soleares (1933) te vinden. Hij kwam niet verder dan nummer 7 (in het bezit van zijn penvriend, de Arnhemse ambtenaar Pleun van Toledo) en nummer 10 (op naam van Emile van der Borch van Verwolde). Ik ken iemand die niet zal rusten voor hij alle 250 genummerde exemplaren van De Ode (1919) van Louis Couperus heeft getraceerd. Die census is pas echt een uitdaging.

Nooit is in beeld gebracht waar zich de enkele niet-vernietigde exemplaren van de eerste druk van Pijpelijntjes (1904) bevinden, terwijl zo’n staatje op de achterkant van een bierviltje past. Zelfs van de personen die op 1 november 1947 een eerste druk van De Avonden (1947) van de auteur kregen bestaat geen index. Binnenkort breng ik daar verandering in.

Van mijn eigen drukwerk bestaan al geheime distributielijsten met nummers en namen. Er is een waterdichte administratie. De Koninklijke Bibliotheek te Den Haag ontving van de laatste twee Artistiek Bureau-uitgaven nummer 13 van de oplage, omdat particuliere verzamelaars in het ongeluksgetal geloven. De zelfbenoemde bibliograaf kreeg vaak nummer 7 of 8. In de derde kolom van dit overzicht hield ik bij wanneer welk exemplaar aan de eerste eigenaar werd overhandigd of verzonden – net als Lewis Carroll deed.

De allerbeste aller tijden

Onderscheid tussen hoge en lage cultuur, zoals dat in de boekjes staat, heeft Nanne Tepper nooit gemaakt. Hij bekommerde zich niet om etiquette en etiketten. Soapseries, opera, ballet, voetbal, hiphop, klassiek – hij nam het met dezelfde ernst. Van de term ‘guilty pleasure’ had hij gegruweld, want die bestaat bij de gratie van andermans maatstaven, van een norm. Iets of iemand was goed of niet, meer categorieën had hij niet.

Wanneer Tepper in 1993, op een vraag in een brief van Marc Kregting, opsomt wie zijn helden zijn, noemt hij Faulkner, Pynchon, Joyce en de Russen in één lange adem met

Paul Verhoeven. En Floris. En Cruijff.

Op 24 mei van dat jaar meldt Tepper dat de Grote Drie eindelijk boven zijn werktafel hangen: een handgeschreven brief van Gerard Reve, een portret van Vladimir Nabokov en een portret van Johan Cruijff. Maar nog geen zeven maanden later wordt Tepper ‘moordlustig’ van het feit dat Cruijff ‘een oplichter’ is. Aan zijn redacteur in Arnhem schrijft hij:

De foto van Cruijff haal ik boven mijn werktafel weg, dat spreekt. Een diepe liefde van vijfentwintig jaren abrupt verbroken.

Het grote nieuws van 19 december 1993 was het bericht dat Johan Cruijff, na vergevorderde onderhandelingen met de KNVB, niet de nieuwe bondscoach van het Nederlands elftal zou worden. Cruijff zou de in het vooruitzicht gestelde salariëring onvoldoende hebben gevonden. Hij stelde zijn eigen belangen boven het landsbelang.

Nanne Tepper ziet en hoort Cruijff vanuit Barcelona zijn kant van het verhaal vertellen in een interview met Frits Barend en Henk van Dorp. Als Cruijff over ‘meeverdienen’ begint, schiet dat Marco van Basten in de studio in Hilversum in het verkeerde keelgat. De voetballer is ernstig teleurgesteld en vraagt zich openlijk af of het Cruijff nu alleen maar om de centen te doen is. Aan Kregting, 31 december 1993:

dat hij [= Van Basten] Cruijff de mantel uitveegde bij Barend en Van Dorp is voor mij aanleiding om hem mijn eeuwige liefde te verklaren.

In 1995, wanneer zijn vriendin Sonja ziek wordt, verzucht Tepper dat hij tegenwoordig meer vergevingsgezind is dan vroeger. Maar de Schepper heeft hem teleurgesteld, het schilderij van Christus aan het kruis wordt van de wand gehaald, want

Ik kan veel verdragen en heb oude vetes met nog oudere goden achter mij gelaten (behalve die met Cruijff), maar Jezus heeft geen recht van hangen in mijn huis.

Zo verdwenen J.C. en J.C. uit het werkpaleis van Nanne Tepper. De voetballer Johan Cruijff bleef ‘de allerbeste aller tijden’, maar als mens had hij voorgoed afgedaan.

Verhaal halen

In mei 1980 verscheen bij De Bezige Bij de bloemlezing Verhaal halen, met bijdragen van Jan Arends, C. Buddingh’, Remco Campert, Jan Cremer, Hugo Claus, Kees van Kooten, Harry Mulisch en vele anderen. Van Willem Frederik Hermans werd in dit boek het korte verhaal ‘Paramaribo’ opgenomen. Hermans’ presentexemplaar ging vergezeld van een honorariumberekening. Dat Hermans zelf een andere calculatie voor ogen stond, blijkt uit twee boze brieven van Hermans aan De Bezige Bij.

W.F. Hermans rekent in een brief van 11 juni 1980 de nieuwe Bij-medewerker Johannes Witteman voor dat zijn honorarium vreselijk laag is:

Er is f 60 per pagina betaald, d.w.z. in totaal 427 pagina’s tekst f 25620, dat is per exemplaar f 2,281 wat neerkomt op een royalty van slechts 4%… Schandelijk! Een honorarium van f 3,20 zou evenwel, zie bovenstaande berekening redelijk geweest zijn, ja zelfs heel matig. f 3,20 is 2,498 maal zoveel als wat jullie gedacht hadden te moeten betalen.

Wittemans antwoord bevalt Hermans allerminst. Op 26 juni 1980 komt de in zijn uitgever teleurgestelde schrijver met een oplossing:

Om een en ander te vergemakkelijken, wil ik er genoegen mee nemen dat het door mij nagevorde bedrag (f 1119,05 – f 480) = f 639,04 pas na het uitverkocht zijn van de eerste druk op mijn tegoedrekening wordt bijgeschreven. Van de volgende druk wil ik echter een honorarium hebben dat gebaseerd is op 10% van de verkoopsprijs.

Deze brieven worden samen te koop aangeboden door een antiquaar in Loosdrecht, die de hand heeft weten te leggen op enkele archiefstukken van De Bezige Bij. Daarbij zijn ook drie brieven van Gerard Reve en dummy’s van Lucebert en Marten Toonder. In andere, zakelijke brieven van Hermans aan zijn uitgever gaat het over een subsidieaanvraag, filmrechten en de Noorse vertaling van Nooit meer slapen:

Ik hoop dat die [uitgeverij] Guldendal inderdaad wat verkoopt van Nooit meer slapen en ben al blij dat zij, na van “Damokles’ Morkerom” niet veel verkocht te hebben, indertijd, niet bij zichzelf gezegd hebben “Nooit meer Hermans”.

De verkoop van brieven, opdrachtexemplaren en foto’s uit het archief van een literaire uitgeverij is niet nieuw, maar ook niet onomstreden.

Voormalig De Arbeiderspers-directeur Theo Sontrop is al jaren een lichtend voorbeeld. De via Sontrop in de handel gekomen typoscripten van F.B. Hotz zien sommigen liever in het depot van een openbare instelling verdwijnen. Ben Hosman, oud-uitgever bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, deed ook afstand van aan hem opgedragen boeken en unieke luxe-exemplaren van fondsuitgaven. In mei 2014 kwam een grote partij boeken, sommige met begeleidende schrijversbrieven en van intieme inscripties voorzien, uit het bezit van Bert Bakker jr. onder de hamer.

Een bibliofiele daad

Vandaag, de geboortedag van beide brievenschrijvers, komt de op een briefkaart na volledige correspondentie tussen Boudewijn Büch en Gerard Reve onder de hamer. In maart 2003 kwam deze briefwisseling voor het eerst in de verkoop: antiquariaat AioloZ beschreef de literaire post in zijn catalogus 61 voor de jaarlijkse antiquarenbeurs in de RAI, waar de brieven wel te zien waren maar al niet meer te koop (‘everything offered here is still available!!! (except the Büch-Reve correspondence)’).

De brieven zijn geschreven in de periode 1981-1984. De allereerste brief heeft mijn bijzondere belangstelling: Büch schrijf op 2 november 1981 zijn eerste epistel aan ‘Hooggeschatte Meester, Beste Markies’. De brief behelst een verzoek aan Reve om gedichten af te staan voor de private press Sub Signo Libelli van Büchs goede vriend Ger Kleis:

Oh! De komende weken wacht ik aan mijn brievenbus … verlang naar dat pakketje … jaag in huurrijtuigen naar de drukker … Maar nee … Uw dichterschap & anders zwijgt.

Reve stuurde een schitterende brief terug, maar geen pakketje verzen. Zijn dichterschap zweeg.

Dat Büch nog een tweede poging zou wagen om Reve in het illustere fonds van Kleis te krijgen, blijkt niet alleen uit de correspondentie. Behalve een uitwisseling van brieven vond er tussen Büch en Reve ook een uitwisseling van boeken plaats.

Op 16 november 1981 stuurt Büch, van wie op dat moment drie poëzie-uitgaven bij Kleis zijn verschenen, Reve ter overreding een fraai specimen van Sub Signo Libelli toe. Het is Auch ich in Arkadien, een Goethesk gedicht als vouwblad in omslag, gedrukt op de Sub Signo Libellipers in oktober 1980 ter gelegenheid van een margedrukkersfestival in Utrecht. Reve krijgt (geluks)nummer 7 van de 60 exemplaren.

Onder het colofon, helemaal in de stijl van de eerste brieven van Büch, schrijven drukker en dichter aansporende opdrachten: ‘Aan de voeten des Markies’/ dit eenvoudig geschenk/ van een nederige werkmansjongen/ Ger Kleis’ en ‘Om u te verlokken/ tot een bibliofiele daad,/ uw leerling/ Boudew*’.

Olifant

Zonder de oude zwart-witfoto’s van Groningse schrijvers en interieurs was de Literaire wandeling Groningen een stuk saaier geweest. In de overweldigende berg gedigitaliseerde foto’s in de Beeldbank Groningen vonden we bijvoorbeeld een strak portret van Belcampo anno 1956 en een opname van de sfeervolle Openbare Leeszaal en Boekerij in 1914. De Beeldbank geeft de mogelijkheid om op locatie te zoeken; voor ons literaire wandelaars, schrijvend van adres naar adres, een schitterende uitvinding.

Lunchroom Lang en de schrijvers en kunstenaars die er hun kopje koffie dronken zijn nooit door een fotograaf vastgelegd. De lunchroom, in de naoorlogse jaren gevestigd op Herestraat 45, wordt kort genoemd in onze wandelgids. Er is precies een scherpe foto van de volledige voorgevel van het pand, maar die viel meteen af, omdat manufacturenhandel C.H. Vroom er toen nog zat. Onze zoektocht leverde nog een foto op van lunchroom Lang, al wordt daarop de gevel aan het zicht onttrokken door een mensenmenigte en een olifant. En juist dit surrealistische kiekje (let op het verkeersbord) heeft beide drukken van de Literaire wandeling Groningen gehaald.

Een olifant in een wandelgids, waarom niet?

Het zijn er trouwens twee. Er staan twee olifanten in de Herestraat. Met dompteur Aage Nielsen maakten ze in juli 1951 een wandeling door de binnenstad, opdat het volk zou weten dat het rondtrekkende circus van Jos Mullens weer in Groningen was neergestreken. De zusters van het diaconessenhuis aan de Praediniussingel kregen de mastodonten ook te zien.

Het had niet veel gescheeld of Circus Jos Mullens had Groningen in 1951 overgeslagen. Eind 1949 moest de tournee worden afgelast vanwege een door storm vernielde tent. In april 1950 waren de stallen en 22 paarden bij een grote brand verloren gegaan. In mei 1951 kreeg directeur Mullens een proces-verbaal wegens overtreding van de Arbeidswet (kinderarbeid). Een maand later stortte weer een andere circustent in.

Van 6 tot en met 14 juli 1951 liepen er panters, olifanten, raspaarden, luchtacrobaten, slangenmensen en Vlaamse clowns over de Ossenmarkt. W.F. Hermans had ze vanachter zijn schrijftafel kunnen zien, maar hij heeft het hele circus op een haar na gemist. De schrijver ging pas eind 1952 in Groningen wonen.

Gelukkig bleef het circus, jaar in jaar uit, zijn tent opslaan op de Ossenmarkt. Hermans aan Reve, 10 september 1955:

Al een week lang wordt het huis aan de buitenkant geschilderd zodat er op de meest onverwachte ogenblikken mannen op ladders voor de ramen staan en naar binnen kijken. Ik kan geen pest uitvoeren. Als ze weg zijn komt er een circus voor de deur. Ik wil verhuizen, maar ik weet niet waar naartoe. Herhaaldelijk fantaseer ik dat ik een V2 ben die uit de stratosfeer geruisloos op deze stad afkomt en onder wellustige gevoelens uit elkaar springt.

Gegarandeerd motecht

De herdruk van de briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve, Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel (2008), ligt vanaf deze week als paperback in de boekhandel. Alle Revianen en Hermansianen moeten dit boek lezen, als ze dat nog niet gedaan hebben. Maar wat moet je verzamelen als je van Hermans én Reve houdt? Wat wil de bibliofiel? Na een zoektocht in catalogi van antiquariaten en veilinghuizen en een graaftocht in mijn geheugen is dit de absolute, objectieve top 10 van leukste en belangrijkste items, waarin de twee grootste naoorlogse schrijvers verenigd zijn – met, wanneer bekend, de prijzen.

10.

Aflevering 15 van jaargang 4 van Criterium. Algemeen cultureel maandblad.
Pardon, een muffe tijdschriftaflevering, die elke antiquaar tegenwoordig bij het oud papier legt? Zeker: in dit bewuste nummer, verschenen in december 1946, debuteert ene Simon van het Reve met het ontroerende verhaal ‘De ondergang van de familie Boslowits’. W.F. Hermans, net aangetreden als redacteur van Criterium, publiceert in dit nummer een fragment uit de roman-in-wording De tranen der acacia’s en een krakende kroniek over het oorlogsdagboek van Bert Voeten. Hun eerste ontmoeting op papier; de lijfelijke kennismaking zal pas in september 1947 zijn.

9.

Reve/Hermans, een anekdote (1988).
Aardig boekje, geschreven door Bertus G. Antonissen, met 38 fantastische foto’s door Cas Oorthuys van Hermans en Reve anno 1955 op het Waterlooplein en op het dak van de Galerij, waar Reve met zijn echtgenote Hanny Michaelis woonde. Op de kiekjes zie je de schrijvers poseren met pannendeksels op hun hoofden of een serieus gesprek voeren in een sierlijk urinoir. Hermans en Reve roken op praktisch elke foto; er moet tijdens de shoot wel een halve slof sigaretten doorheen zijn gegaan. (€ 15)

8.

Mandarijnen op zwavelzuur (1964).
In Hermans’ grappige en tegelijk snoeiharde boek, verschenen na de breuk tussen de schrijvers in 1959, komt Reve ook voorbij. Hermans plaatst in de marge zogenaamde portretten van de schrijvers die hij ter sprake brengt (M. Vasalis draagt een boerka, Koos Schuur is een schedel, W.H. Nagel is een behaarde bodybuilder). De foto van Reve (een tegen een lantaarnpaal leunende jongeman in Chicago) lijkt zowaar op Reve. Het onderschrift luidt: ‘Waiting for understanding. Neither boy nor man.’ Vier jaar later probeert Reve – zonder succes – een afdruk van de foto te bemachtigen: ‘Ik vind hem erg vertederend. Ik heb al heel wat eksemplaren, op die pagina, voor bewonderaars moeten signeren.’ (€ 200)

7.

Het sadistische universum (1964).
In deze bundel scheppend en beschouwd proza staat het bekende essay ‘Monoloog van een anglofoob’: Hermans haat het Engelse volk, de politici, de rare gewoonten, de hoofdstad, de taal. Als Reve in 1952 Hermans out of the blue een in het Engels gestelde brief stuurt, omdat hij voortaan toch alleen in het Engels wil publiceren, reageert Hermans met een brief vol beredeneerde tegenwerpingen. In dit anti-Engelse essay wordt Reve uiteraard genoemd (‘Engeland is een vreselijk land voor schrijvers, maar zelfs voor verdienstelijke talenten.’). (€ 10)

6.

Reve’s exemplaar van Het sadistische universum (1964).
Meesterverzamelaar Arie Oexman verwierf ooit Reve’s exemplaar van dit boek. Het haalde in 2008 de verkoopcatalogus van zijn Hermans-collectie. Getuige een opdracht op de titelpagina kreeg Reve het boek rond de Kerstdagen van zijn vriendje Peter Lotgering, die in een Amsterdamse boekhandel werkte. Niet sensationeel, wel bijzonder. (€ 45)

5.

Hermans’ exemplaar van aflevering 11 van jaargang 3 van The Paris Review.
De redactie van dit vooraanstaande blad plaatst in december 1955 met genoegen ‘Gossamer’, een Engels verhaal van Reve. Als Reve in het begin van 1956 presentexemplaren ontvangt, stuurt hij Hermans bij wijze van nieuwjaarswens een exemplaar met opdracht toe: ‘For Wim & Emmy/ With best wishes for 1956/ 6/1/1956/ GerardKornelisVanHetReve’. Hermans bedankt lauwtjes – en in het Nederlands.

4.

Originele zwart-witfoto door W.F. Hermans van de etalage van een Groningse boekhandel.
Op 9 januari 1957 stuurt Hermans Reve een ansichtkaart met een door de etalageruit geknipte foto van spiksplinternieuwe exemplaren van Reve’s Verzameld werk (1956) en Hermans’ De God Denkbaar Denkbaar de God (1956), allebei door Van Oorschot uitgegeven, broederlijk naast elkaar.

3.

Reve’s rokkostuum.
Op 6 juli 1955 promoveert Willem Frederik Hermans cum laude tot doctor in de fysische geografie aan de faculteit wis- en natuurkunde. In de aula van de Universiteit van Amsterdam verdedigt Hermans zijn proefschrift met zijn vrienden Oey Tjeng-Sit en Gerard Reve als paranimfen. Reve draagt een keurige slipjas, volgens het etiket ‘gegarandeerd motecht’; het stond ook in de catalogus-Oexman. Ik heb het destijds mogen passen, maar bleef er met mijn linkerarm in steken. Groot schrijver, klein ventje, Reve. (€ 250)

2.

Originele, handgeschreven brief van Hermans aan Reve.
Van alle brieven in Verscheur deze brief! is er maar eentje in de handel geweest. Op 24 januari 1950 schrijft Hermans zijn vriend over een nieuw project: het schrijven van een gezamenlijke roman over een lesbische vrouw die samen met een intellectuele vriendin haar geslachtszieke man martelt. Het boek is er nooit gekomen, de brief is het enige bewijs van hun voornemen. (€ 3250)

1.

Reve’s exemplaar van De mandarijnenpers (1955).
Vanaf begin april 1955 vertoeft Reve in Londen. Zijn echtgenote Hanny blijft in Nederland en wordt te logeren gevraagd door het echtpaar Hermans. Reve informeert op 24 mei 1955 bij Hermans naar de logeerpartij en praat het overzeese drietal moed in: ‘Do not allow your life to be spoiled by the mental hunchbaks that inhabit the dwarfstate in which we, unluckily, were born.’ Van zijn net verschenen, in eigen beheer uitgegeven polemisch werkje De mandarijnenpers post Hermans drie dagen later in Groningen exemplaar nummer 29 (van de 500) naar Engeland. De opdracht luidt: ‘To Gerard Kornelis v.h. Reve,/ sincere greetings from a dwarf state,/ 3 midgets’. Ondertekend door Hanny, Wim en Emmy. (€ 1200)

Met gestrekte vinger

W.F. Hermans zond zijn correspondent Rudy Kousbroek op 24 mei 1965 ‘een pakje Werken, maar zonder eigenhandige opdrachten, want daar zijn ze te oud voor’. Liefhebbers van opdrachtexemplaren van WFH hebben in de boekenkast van Kousbroek dus weinig te zoeken, was een oude conclusie. Maar het valt mee. In de veilingcatalogus van Burgersdijk & Niermans, met in de afdeling Dutch literature after 1880 veel boeken uit het bezit van Rudy Kousbroek, duiken toch twee opdrachtexemplaren op. In Kardinaal Pölätüo (1967) van Stefan Themerson bracht de inleider ‘pauselijke groeten’ over aan Kousbroek en Portnoy. Met de overhandiging van de tweede, herziene druk van Wittgenstein in de mode en Kaziemier niet (1967) adviseerde Hermans met klem de eerste druk weg te gooien.

In de bibliotheek van Kousbroek zijn voorts opdrachten te vinden van Hans Andreus, Theo van Gogh, Henk Hofland, zijn echtgenote Ethel Portnoy, en Gerard en Karel van het Reve. Indrukwekkend is de paginagrote opdracht van Jan Hanlo in zijn debuutbundel. Het is bijkans een brief.

Ik word nerveus bij de gedachte dat ik dit boek over een maand kan kopen. Ik word neerslachtig bij het idee dat een gepensioneerde rijkaard, achterin de zaal, me met gestrekte vinger overbiedt. Och arm!

En ik heb al een boek, dat wil zeggen: een opdrachtexemplaar van The varnished – Het geverniste (1952). Maar de opdracht (aan Henk Kalbfleisch) is weinig spectaculair (‘een net boekje voor een nieuwsgierig mens’). Bovendien was Kousbroek er eerder bij: die opdracht is gedateerd ‘5.6.52’. Kalbfleisch noteerde in zijn exemplaar dat hij het (pas) ontving op 7 juli 1952.

Terugkeer (3)

Het op een Haarlemse veiling opgedoken exemplaar van Reve’s Terugkeer (richtprijs 8000-10000 euro) is niet verkocht. Via een webcam hoorde ik de veilingmeester rond tien over half tien vragen: ‘Niemand voor 8000? Niemand?’ En niemand stak zijn vinger op.

Dan nu de vraag: waar gaat het bundeltje naar toe? Verschijnt het op een volgende veiling met een lagere richtprijs of keert het naar de huidige eigenaar terug? Uit het radiogesprek met Paul de Bruin, die Terugkeer erfde, bleek dat de huidige eigenaar weinig met Reve op heeft. De avonden las hij niet uit.

Terugkeer (2)

Onbereikbaar, maar niet onaanraakbaar. Ik heb donderdagmiddag het debuut van Gerard Reve in handen gehad. Zonder witte handschoentjes aan. Ik heb erin gebladerd. Ik heb er zelfs een gedicht uit gelezen.

Terugkeer stond niet in de metershoge boekenkasten van het veilinghuis, tussen de eerste drukken Couperus en de verzamelde dichtbundels van Hendrik de Vries. Daar staan alleen de grote kavels bestaande uit vijf tot tientallen min of meer gewone boeken, vaak bijeengehouden door langgerekte postelastieken. Het kwetsbare bundeltje was alleen in te zien op aanvraag bij het personeel, aan een lange rij tafels. Bibliofilie onder toezicht.

Toen ik het mocht bekijken ging aan de hoek van de tafel net een niet onbemiddelde Reviaan zitten. Hij bestudeerde de veilingcatalogus en maakte geconcentreerd aantekeningen. Mijn buurman schoot hem aan en knikte naar Terugkeer. De Reviaan dacht dat het de facsimile-uitgave was. Toen begon het hem te dagen.

O, wat erg. Moet ik dit exemplaar dan ook kopen?

Dit was de Reviaan die in 2005 Terugkeer kocht. Tot dusver was dat het enige exemplaar in particulier bezit.

Mijn buurman vertelde de inspirerende geschiedenis van de postzegelverzamelaar die op een veiling een postzegel kocht waarvan slechts twee exemplaren bekend waren. Het net aangeschafte exemplaar versnipperde hij. Het andere exemplaar lag al bij hem in de kluis.

Terugkeer

En toen waren er drie. Woensdag 23 mei komt in Haarlem het berucht-zeldzame debuut van Gerard Reve onder de hamer. Tot op heden waren er slechts twee exemplaren bekend van Terugkeer, het bundeltje gedichten dat Reve in 1940 zelf vermenigvuldigde in een oplage van 50 exemplaren. Het nu opgedoken exemplaar is afkomstig van Bep Scholte, een vriendin van de familie Reve die het in mei 1941 kreeg. De richtprijs is 8000-10000 euro.

In december 2005 werd voor het laatst een exemplaar van Terugkeer verkocht. Het ging toen voor 17000 euro naar een verzamelaar. Het was ook hier een vriendin van de familie die het gestencilde uitgaafje op zolder had liggen. Het andere exemplaar ligt in de kelders van het Letterkundig Museum.

Terugkeer bleek zelfs voor de bevlogen Reviaan die Diederik van Vleuten was onbereikbaar. De tot de nok gevulde catalogus die antiquariaat AioloZ in november 2006 aan de collectie van de cabaretier wijdde bevatte geen exemplaar van Reve’s debuut. Als schrale troost had Van Vleuten de facsimile-uitgave van Terugkeer uit 1993 hoogstpersoonlijk oud gemaakt. Met drie uur baden in koude thee, een scheurtje hier, een verwijderd nietje daar, kwam hij een heel eind. Maar in Haarlem is het origineel te koop.