‘Een onverstoorbare originaliteit’

I

Nanne Tepper was verslaafd aan brieven. Hij begon de dag met het schrijven van brieven, ‘om polsen en kwabben los te maken’. Na zijn dood in 2012 bleek dat hij, behalve de auteur van drie romans en een bundel prozastukken, ook de schrijver was van duizenden brieven. In de papierchaos van zijn schipperswoning aan het Noorderplantsoen in Groningen werden niet alleen vele aan hem gerichte brieven aangetroffen, maar ook meters rollen uit zijn matrixprinter en stapels fotokopieën van eigen brieven. Hij had zijn brieven altijd bewaard, in tegenstelling tot andere ongepubliceerde teksten – tot twee keer toe had hij vuilniszakken vol manuscripten en typoscripten aan de straat gezet.

Hij dronk brieven ‘als ooit eens Black Jack’. Van zijn correspondenten verlangde hij eigenlijk per omgaande antwoord. De brievenbundels van Flaubert, Kerouac en Poesjkin verslond hij en het was zijn ultieme droom om met Gerard Reve in correspondentie te treden. In zijn fictie paste hij meer dan eens de brief toe als literair procedé. In De avonturen van Hillebillie Veen citeert Veen het ‘onbetaalbare velletje’ dat zijn grote liefde hem stuurde als zestienjarig meisje. Het derde boek van De eeuwige jachtvelden, dat bestaat uit correspondentie tussen de hoofdpersonen, vond Tepper zelf het beste deel.

Zakelijk of puntsgewijs een brief beantwoorden deed hij zelden. Meer dan papieren tweegesprekken zijn deze brieven uitgelokte monologen – hij had maar een kleine voorzet nodig, een kattebelletje paste niet bij zijn karakter. Bij het kennismakingsgesprek met zijn uitgever en zijn redacteur was hij meteen uren aan het woord. De brief, zonder sociale conventies of adempauzes als beperking, was het ideale communicatiemiddel.

Een zekere noodzaak was er ook. In 1992 had Tepper de kroeg en de drank afgezworen, het nachtleven en de drugs vaarwel gezegd, en gekozen voor een burgerlijk leven in isolement: thuis achter zijn schrijftafel. Zijn vriendin Sonja, met wie hij toen ruim tien jaar samen was, steunde hem. Schrijven deed hij al vanaf zijn achttiende jaar, nu kwam het erop aan te publiceren. Tepper is, naar eigen zeggen, belachelijk geïnspireerd en verschrikkelijk ambitieus. Zijn goede vriend Klaas Koetje leent hem een paar afleveringen van het literair tijdschrift de Biels. Kort daarna vangt Tepper met de Biels-redacteur Marc Kregting een briefwisseling aan, resulterend in zijn allereerste publicatie: het verhaal ‘Fuck ‘Em All!’. Kregting is ook de eerste die met de post flarden van De eeuwige jachtvelden ter beoordeling ontvangt.

Al snel weet Tepper een kring kritische lezers om zich heen te verzamelen, een ‘Rode Stiften Kliek’, die zijn proza van commentaar voorziet. Onder hen zijn de Nijmeegse literatuurwetenschappers Wilma Siccama en Jack van der Weide, en de neerlandici Jos Joosten en Anja van Kessel. Later nemen tijdschriftredacteuren Atte Jongstra en Kees ’t Hart de rol van kritische meelezer over. Aan hen schrijft hij vaak over de worsteling met zijn werk. Zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden slaat in 1995 in als een bom. De lovende recensies zijn niet aan Tepper besteed: de afkeer van ‘Luiletterland’ neemt toe, interviews hekelt hij, publieke optredens weigert hij te geven. De verschijning van de moeizaam tot stand gekomen romans De avonturen van Hillebillie Veen en De vaders van de gedachte wordt in 1998 niettemin breed uitgemeten in de media. De depressies, die hij eerder telkens de baas was, worden grimmiger; angst en paranoia overvallen hem steeds vaker. In de brieven aan Geerten Meijsing, eveneens lijdend aan depressies, komen ook de ‘gecrashte kwabben’ aan de orde – al laat Tepper nooit het achterste van zijn tong zien.

Van lieverlede worden zijn correspondenties vrijwel het enige contact met de literaire wereld. In 2000 komt hij een zware depressie nauwelijks te boven. Op den duur maakt zijn verslechterde toestand het hem onmogelijk nog romans en brieven te schrijven. Zijn productie beperkt zich tot columns en recensies. Met de meesten van zijn penvrienden is in 2003 het contact verwaterd of verbroken.

In 2008 verschijnt De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke, maar het gros van de stukken daarin dateert al van voor de eeuwwisseling. In zijn hoofd blijven de verhalen ontstaan, maar hij krijgt ze niet meer op papier. Op 10 november 2012 kiest hij voor de laatste, door hem vaak met scherts besproken uitweg.

II

Nanne Tepper heeft rekening gehouden met de postume publicatie van zijn brieven. In een vroege brief merkt hij al op:

Mocht mijn roman stranden aan de poort van Het Singel, dan moet men, nadat ik mij vakkundig heb opgeknoopt, mijn correspondentie maar eens gaan verzamelen en uitgeven; krijg ik toch nog mijn Dikke Boek.

Soms bladert hij door zijn aandeel in verschillende briefwisselingen om te concluderen dat elke correspondentie ‘een onverstoorbare originaliteit’ heeft, ‘een eigen toon, telkens weer, geheel gerelateerd aan de persoon aan wie de brieven gericht zijn’.

Daar is geen woord van gelogen. In brieven aan de debutant is Tepper de docent die afkraakt en aanmoedigt. Met jonge vrouwen speelt hij het spel der verleiding, altijd hengelend naar intieme details en expliciete foto’s. Tegenover de gepromoveerde wetenschapper stelt hij zich op als de dwarse denker die weliswaar ‘enkel lagere school’ heeft afgemaakt, maar die toch echt beter tussen de regels door kan lezen. Zijn adressanten ontvangen zowel filmbesprekingen als landschapsbeschrijvingen, voetbalverslagen en liefdesbetuigingen aan pubermeisjes, kruistochten en literatuurcolleges, pastarecepten en songteksten, conferences en tirades – veel tirades, want Tepper is ‘kwaad geboren’. Om cruciale kleinigheden kan hij ontploffen. Zo moet de eerste oplage van het omslag van De eeuwige jachtvelden op zijn vlammende verzoek worden vervangen, omdat een redacteur het woord ‘insect’ in de flaptekst heeft aangepast aan de nieuwe spelling – wat niet het gewenste anagram oplevert.

Soms is de toon in zijn brieven bewonderend, dan weer weemoedig, soms cynisch, dan weer jolig. Altijd gaat Tepper er vol in. De introductie van Prozac ter bestrijding van zijn depressiviteit en slapeloosheid zorgt in 1996 evenwel voor een stijlbreuk: zijn brieven worden minder wijdlopig, zijn zinnen minder meeslepend. Verbazingwekkend is dat hij zijn humor en zelfspot behoudt: de van Wim T. Schippers geleende flauwiteiten en verhaspelingen van schrijversnamen blijven maar komen.

Het leven van Nanne Tepper stond volledig in dienst van de kunst. Schrijven was zijn afmattende en opwekkende dagtaak. Alle muziek en literatuur nam hij ernstig, met bijna religieuze volharding, tot zich: een slecht boek of een matig concert vatte hij op als een persoonlijke belediging. De schrijver doet belijdenis in vijf indrukwekkende brieven aan de theosoof Louis Geertman. En uiteindelijk vinden alle voor dit boek geselecteerde brieven hun oorsprong en hun afloop in de kunst. Ze weerspiegelen dagdromen van ongeschreven verhalen en niet-opgerichte tijdschriften, ze werpen licht op de ontstaansgeschiedenis van romans en geven inzicht in een zuiver kunstenaarschap, dat niet besmeurd mocht worden met banaliteiten als schrijverscafés en literaire prijzen.

III

Hoewel dit boek een periode van slechts negen jaar bestrijkt, komt het hele leven van Nanne Tepper aan bod: zijn eerste schoolpleinliefje, de teleurstellende lerarenopleiding, het legendarische optreden met zijn band, de ontdekking van de literatuur. De schrijver kwam ter wereld in Hoogezand, groeide op in Veendam, maar had het geheugen van een Rus.

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Net als in zijn fictie is herinneren een belangrijk thema in zijn brieven. Heimwee is, volgens Tepper, een aangeboren aandoening bij Oost-Groningers. Hij was een meester in terugblikken en herbeleven: als hij aan het woord is, is het vaak het geheugen dat spreekt.

Dat verklaart ook zijn fascinatie voor Vladimir Nabokov, wiens portret boven Teppers werktafel hing. Met deze schrijver bleek hij de zinnelijke beleving van het eigen verleden gemeen te hebben en een gevoeligheid voor oude kleuren en geuren te delen. In een reeks brieven geeft Tepper onnavolgbare analyses van Nabokovs proza. De onvermijdelijke liefde tussen Van Veen en zijn zus Ada uit Nabokovs incestroman Ada or Ardor: A Family Chronicle verwerkte hij in De eeuwige jachtvelden. In zijn brieven speelt hij een mythologisch spelletje door Sonja consequent ‘zusje’ te noemen, maar tegelijk drukt hij daarmee een verbondenheid uit die dieper gaat dan de gekozen band tussen geliefden. De naam die hij zijn huis in de Groningse wijk De Oosterpoort gaf ontleende hij aan de familiehoeve in Ada.

De gesprekken met zijn psychiater, de bezoekjes aan de hifizaak en andere ‘ervaringen in de tegenwoordige tijd’ weet hij vaak met smaak en virtuoos samen te vatten. Dankzij de brieven is het mogelijk verbanden te leggen tussen gebeurtenissen in zijn privéleven en ontwikkelingen in zijn werk. Maar omdat de schrijver nooit heeft uitgesloten dat zijn brieven in druk zouden verschijnen, zal hij veel ongenoemd hebben gelaten. Dit is vooral Teppers weergave van de werkelijkheid. De beleving van ‘een overgevoelige natuur’ hoeft niet per se historisch juist te zijn. Daarom is ervoor gekozen om niemand te vervelen met voetnoten, die de verslavende vaart van het boek alleen maar zouden verminderen. In de compositie van deze uiterst persoonlijke geschiedenis was geen ruimte voor verwijzingen naar krantenkoppen en hitlijsten: een chronologie en een correspondentenlijst volstaan.

De kunst is mijn slagveld is een zelfportret, geen autobiografie. Of zoals Teppers alter ego in De avonturen van Hillebillie Veen van zijn vriendinnetje te horen krijgt:

Ik weet het niet hoor, maar in je brieven ben je iemand die ik niet ken, zo lijkt het wel, of… Ben je nu iemand die ik niet ken maar die je in je brieven bent?

 

Dit is de inleiding van Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001 (2016). Lees hier de loftuitingen, bestel hier het boek.

Jongenskamer

Wanneer er een vervolg komt op de succesvolle Literaire wandeling Groningen, en die letterkundige voettocht speelt zich af in Haarlem, dan moet er beslist halt gehouden worden bij het vrijstaand huis op Churchilllaan 54. Josephus Nicolaas Meijsing (1920-2004), gemeentesecretaris van Haarlem, was er de heer des huizes. Alida Elvira Johanna Schouten (1919-2010) was zijn vrouw. Dochter Doeschka en zoon Geerten groeiden hier op.

De ‘klassieke hoekvilla met vrijstaande garage en beschutte tuin op het westen’ uit 1926 staat al even te koop. De vraagprijs is intussen gezakt van 745.000 euro naar 599.500 euro.

Huize Meijsing ‘is gedateerd maar heeft nog vele originele details’, aldus Funda. Ofwel: er heeft een stolp overheen gestaan. Dat is voor literair-historici een groot geluk.

Op de tweede verdieping van de villa, rechts aan de straatkant, was de kamer van Geerten Meijsing. Dit was ook de plek waar hij met Kees Snel, alias Joyce & Co., het debuut Erwin 5 oktober 1972 (1975) schreef. Hier hielden zij hun ‘werkklasjes’ en maakten ze vertalingen van het werk van Baudelaire, Burroughs en Rolfe.

Twee weken geleden plaatste Geerten Meijsing op Twitter een paar kiekjes (hier, hier) van zijn jongenskamer. Het zijn zwart-witfoto’s van ‘la chambre verte’, zo geheten vanwege de groene wasbak, de groene boekenplanken en de groene schrootjes tegen de muur. De kleurenfoto van de makelaar laat nu zien dat er in veertig jaar tijd weinig is veranderd. Zelfs de oude handboeken van Joyce & Co. staan er nog. Alleen de groene verf heeft niet meer de hoogglans van vroeger.

Dankzij vier panoramafoto’s is de sfeer in Huize Meijsing goed te proeven. Portretten van vader en moeder Meijsing, de oude Singer van ma, twee allerlaatste flessen.

Elke verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering. Een renovatie van Churchilllaan 54 zal een flard literaire geschiedenis uitwissen. Maar daarvoor zal het huis eerst verkocht moeten worden.

Portvrij

In de speciale brievenbijlage van NRC Boeken bespreekt Arjen Fortuin een paar nieuwe brievenboeken: Vladimir Nabokovs verliefde brieven aan zijn vrouw, C.O. Jellema’s hartverscheurende post voor een vergeefse liefde en de kortstondige correspondentie tussen Jeroen Brouwers en Gerrit Komrij.

De eerste zin van Fortuins stuk is een juiste constatering: ‘Het uitgeven van brievenboeken is in de praktijk vaak het terrein van kleine uitgevers, waar de boeken worden volgepompt met liefdewerk –  en waar men ook wel weet dat er geen gouden bergen in het verschiet liggen.’

Geen gouden bergen. Een van mijn wensdromen is de uitgave van de complete correspondentie tussen Jan Hanlo en Gust Gils, die echt wel uitstijgt boven het gezever over het Antwerps dialect. De intelligente dichters schrijven en bevragen elkaar ook over sofisme, prehistorische rotstekeningen en Afrikaanse muziek (de mondboog is een van Gils’ favorieten).

In het verschiet. Interessant en vermakelijk zou de uitgave van de brieven tussen Simon Vinkenoog en Remco Campert zijn. Van een echte correspondentie (actie-reactie) is geen sprake meer, want een aantal brieven is verloren gegaan. Omdat Campert nog slechts met een been in de literatuur stond, een weifelend been ook, zag hij er het nut niet in om Vinkenoogs epistels te bewaren. Gelukkig bewaarde Vinkenoog doorslagen van zijn brieven.

Hun eerste brieven dateren al van oktober 1950. Die van Campert zijn vaak voorzien van grappige knipsels, die als motto boven een brief hangen. Zo sluit hij een hoogopgelopen conflict met Vinkenoog in 1954 af met een Kerst-knipseltje: ‘Het licht bevrijdt ook de slaven. Maar voor beulen geen genade!’ En over Vinkenoogs net verschenen Heren zeventien (1953) schrijft hij: ‘ik kreeg je bundel en ik neem mijn hoed af. Mijn pet mijn helm mijn pruik mijn vechtpetje.’

Kleine uitgevers. Maar kleine tijdschriften zijn er ook. In de laatste aflevering van het obscure Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift licht Jack van der Weide het tipje van een versluierde prachtcorrespondentie op. Hij publiceert eenmalig zes brieven uit de omvangrijke correspondentie tussen Geerten Meijsing en Nanne Tepper. Liefde, letteren, drank, sigaren: smaakt naar meer. Eerder heeft Meijsing al brieven gepubliceerd, zoals die aan Kester Freriks, maar van Tepper zijn dit de allereerste die in druk verschijnen.

Geen kiosk of boekhandel in Groningen die het tijdschrift Gierik in de schappen heeft staan. Gelukkig zijn de door Van der Weide ingeleide brieven gewoon online te lezen. De pdf is portvrij.