Leather bindings

Buzzy Bellew is een gelikte vent. Hij heeft een charmante manier gevonden om zijn energie te beteugelen. Hij zingt, hij danst. Hij bespot zijn meisjes, zonder ze te beledigen. Hij bestelt in het Frans de beste fles wijn van de kaart. En hij heeft een hyperidentieke tweelingbroer.

In de cabareteske film Wonder Man (1945) vertolkt Danny Kaye de rol van de entertainer Buzzy Bellew. Die haalt het eind van de film niet. Als kroongetuige in een rechtszaak tegen een maffioso wordt hij ’s avonds doodgeschoten en in een riviertje gedumpt.

Zijn tweelingbroer Edwin Dingle, volmaakte tegenpool, zit op dat moment nog te studeren in de openbare bibliotheek. Hij werkt aan zijn boek The Outline of Human Knowledge. Om tijd te besparen schrijft hij met zijn linker- en rechterhand tegelijk. In anderhalve minuut zet Danny Kaye een prachtige boekenwurm neer. Het bescheiden genie dat in elke openbare bibliotheek te vinden is.

De bibliothecaresse geeft de wending aan het verhaal. Ze knoopt een praatje aan met Dingle, wiens zwijgen interesse heeft gewekt. Voor het eerst kijkt hij op van zijn boeken, recht in haar blauwe ogen. Haar blonde krullen zijn eigenlijk ook niet mis. Tot ongenoegen van de andere bibliotheekbezoekers ontstaat er een gesprek. Zij al verliefd, hij bijna en nog iets schuchter. De bibliothecaresse hoopt hem morgen weer te zien.

‘Do you think you’ll be coming back tomorrow?’
‘By all means. I enjoy it here very much. I love the smell of leather bindings.’

Na zijn biblioseksuele opmerking druipt zij af, maar voordat zij buiten het bereik van de camera is vraagt de stotterende Dingle haar uit eten.

Er zitten zo nog een paar briljante scènes in Wonder Man, met gevaarlijke persoonsverwisselingen, maar de film heeft een teleurstellend slot. Het huwelijk tussen de bibliothecaresse en het genie heeft desastreuze gevolgen. Hij gaat zijn monomane studietijd relativeren. Een boek is ook maar een muf ding. Edwin Dingle is van de bibliofilie genezen. Hij houdt nu van zijn vrouw. Au.

Heimwee

In de romantische sciencefictionfilm Oblivion (2013) beschermen een technicus, gespeeld door Tom Cruise, en zijn vriendin onze planeet tegen plunderende marsmannetjes. Het eenzame stel woont hoog boven de wolken, in een zwevende villa met een zwembad.

Alles is er van onbreekbaar glas gemaakt. De bewoners zien de wereld, maar altijd door een ruit. Licht en leegte geven je als kijker een beklemmend gevoel.

Het is het gedoemde jaar 2077. Onze planeet is grotendeels verwoest, grote gebieden zijn radio-actief besmet. Elke dag – en elke dag iets ongelukkiger – stapt Cruise in zijn transparante ruimtevaartuig om dreiging af te wenden, op de virtuele voet gevolgd door zijn vriendin, die als een Big Sister elke beweging van haar man volgt. Maar er is een plek waar zij hem niet kan zien.

In het laatste stuk ouderwetse natuur op aarde heeft Cruise een houten huisje gebouwd. Een hut die hij met heimwee vult. Van zijn zwerftochten over braakland neemt hij vondsten uit de oude wereld mee. In zijn hut staan een schemerlamp, een platenspeler, een fauteuil.

Dat Cruise hier een thuis probeert te reconstrueren weet je als kijker zeker als de boeken in beeld komen. Eerst een vroegtwintigste-eeuwse uitgave van Dickens’ A Tale of Two Cities, die nonchalant op een plank ligt. Ernaast staat een rij linnen banden, zonder omslagen, waarvan alleen een los deel van The Complete Letters of Vincent van Gogh (1958) duidelijk te herkennen is.

Tom Cruise staart twee, hooguit drie seconden naar zijn boekenplank. Hij pakt er geen boek uit. De suggestie is genoeg. Je weet dat hij hier gelukkig is, waar hij de oude wereld onder handbereik heeft. De zin die Cruise vervolgens van het script oplepelt is volstrekt overbodig: ‘I want to spend the rest of my life here.’

Adressen

Vorige week zat ik te rillen in een portiek op de hoek Tuinbouwstraat-Moesstraat. De cameraman die mijn bibberende spraak vastlegde was een Italiaan. Ik moest recht in de lens kijken en vertellen over de dichter die vanaf 1937 dagelijks deze traptreden beklom, naar zijn studentenkamertje. Vervolgens vertelde ik op twee andere locaties over dezelfde man.

Deze korte film over drie Groningse adressen van de dichter A. Marja staat nu online. Eén adres is geïntegreerd in de eerste wandeling (Groningen centrum) van de Literaire wandeling Groningen (2012). Om een volledige bedevaart mogelijk te maken som ik alle mij bekende Groningse woonadressen van A. Marja op. De gaten in de chronologie hoop ik ooit te kunnen vullen.

Na zijn eindexamen gaat Marja op kamers op Tuinbouwstraat 65-B. Daar woont hij zeker tot en met oktober 1939. Vanaf juli 1940 zit hij aan Eeldersingel 8. In januari 1941 verschijnt het adres Herman Colleniusstraat 21-A boven zijn brieven. Vanwege zijn ernstige darmontsteking logeert Marja van de zomer van 1942 tot begin 1944 bij zijn vader in Yerseke. In het nieuwe jaar betrekt hij, aan de beterende hand, met Puckje twee kamers op Donkersgang 1, middenin de stad. Af en toe logeert het jonge paar bij Puckjes ouders op Tuinbouwstraat 156-A. In de zomer van 1945 komt de schipperswoning op Kleine Leliestraat 9 in beeld.

In 1946 vertrekt A. Marja, met vrouw en dochter, naar Bussum. In het villapark Spieghel mag hij in het koetshuis van uitgever F.G. Kroonder wonen. Zoveel jaar later is het nog een prachtige filmlocatie.

Hymn book

Drie films van Alfred Hitchcock achter elkaar: een middag van moedwil en misverstand. In The Lady Vanishes uit 1938 verdwijnt een oud dametje aan boord van een trein, passagiers en bedienden zitten in het complot, maar de knappe Miss Iris Henderson zal het mysterie ontrafelen.

Vertrouw nooit een non op hoge hakken.

In The 39 Steps uit 1935 wordt de onschuldige, goedgeklede zakenman Richard Hannay verdacht van moord op een spionne. Achtervolgd door de politie duikt hij een nacht onder bij een boerenpaar. De boer gelooft niet in de onschuld van Hannay, maar de boerin helpt hem ontsnappen via de achterdeur. Zij geeft hem de donkere overjas van haar echtgenoot, zodat Hannay in de duisternis kan verdwijnen.

De onschuldige zakenman wendt zich tot het laatste contact van de spionne: een gerespecteerde professor, die toevallig net de verjaardag van zijn dochter viert. Een heel huis vol. De plaatselijke sheriff drinkt ook een glaasje mee. Hannay speelt zenuwachtig met zijn sigaret. Beleefd dwingend werkt de professor zijn gasten de kamer uit. ‘There’s no hurry, my dear, but if you must go…’ Dan doet hij de deur op slot.

O, vertrouw nooit een professor zonder pink.

De spionerende professor biedt Richard Hannay een eenvoudige uitweg: hij wil dat de zakenman zelfmoord pleegt. ‘Supposing I left you alone with this revolver. Tomorrow’s newspapers would be able to announce that the murderer had taken his own life.’ Hannay slikt. En op dit ijskoude moment in de film veroorlooft Hitchcock zich een grapje: de vrouw van de professor – dea ex machina – komt de kamer binnen. ‘I thought we were going to lunch directly, dear. We’ve all been waiting. Will Hannay be staying?’ ‘I don’t think so, dear.’

De professor schiet. Hannay gaat tegen de vlakte. Maar het boek zal zijn redding zijn. Cigar cases, yes, but I’ve never seen it happen to a hymn book before, except on the movies.

Onheil

Geen lichtbak, geen neonletters, geen stickers op de gevel. Zijn naam is op het raam van de winkel geschilderd, in kalligrafie, ‘A.G. Geiger’. Daaronder iets zwieriger ‘Rare Books De Luxe Editions’. In de klassieke thriller The Big Sleep uit 1946, gebaseerd op de roman van Raymond Chandler, speelt de antiquaar de grote rol. Voor ongeveer drie kwartier, want dan ligt hij dood op het huiselijk tapijt. Moord.

Wanneer de privé-detective, die immer onheil ruikt, de volgende dag het antiquariaat bezoekt, staan drie werknemers in een achterkamer haastig de boeken in dozen te pakken.

Deze koele en bloederige film is literair in zijn dialogen, die elkaar razendsnel en vlijmscherp opvolgen. Waren bioscoopgangers vroeger slimmer? Het moet wel. Grapjes hoefden ook nog niet uitgespeld te worden. Een jongedame meent enige luiheid bij de privédetective te bespeuren: hij ligt soms tot twee uur in de middag te slapen. Of hij zijn werk soms vanuit bed doet, net als Proust.

– Who?
– O, you wouldn’t know him. He’s a writer.

De setdresser van The Big Sleep verdient een pluim. De vermoorde antiquaar is thuis opgebaard, in driedelig pak, met zijn handen gevouwen. Een vredige uitdrukking op zijn gezicht. Het geborduurde kussen waarop zijn hoofd rust lijkt wel een opengeslagen getijdenboek.

De rode ballon van Piet Schreuders

Wie Piet Schreuders niet kent, kent hem toch. Iedereen heeft weleens een door hem ontworpen boek in handen gehad, een aflevering van de VPRO-gids, een cd- of platenhoes of een heuse Poezenkrant.

Maar op de eerste dag van dit koude jaar heeft Schreuders een schitterende reeks foto’s online gezet. Le Ballon Rouge, heet zijn project, naar de gelijknamige Oscarwinnende film van Lamorisse uit 1956. Piet Schreuders bezocht in 1998 en 2008 de Parijse pleinen en straathoeken waar in 1956 werd gedraaid. Het beeld van toen plakte hij boven het beeld van nu. Wat is er anders, wat is veranderd, en wat niet? Mooi.

Notre Dame de la Croix 1956-2008

balloon windows