Een boek dat er moet komen

Uit het juryrapport van het Hendrik de Vriesstipendium 2017:

Nick ter Wal reflecteert op het journalistiek proces van deze tijd. Hij maakt de rol van biograaf zeer persoonlijk en door zijn werkplan maakt hij de jury nieuwsgierig naar zowel de persoon Ferdinand Langen als ook de fascinatie die deze schrijver op Ter Wal als mens én als schrijver en journalist uitoefent. De grenzen van het zuiver biografische worden hier opgerekt en de jury heeft er alle vertrouwen in dat Ter Wal Ferdinand Langen op een doortastende, inventieve en vooral meeslepende manier gaat beschrijven. Een boek dat er moet komen.

Het lekkere verhaal

Van Jagtlust (1998), de meeslepende geschiedenis van de roemruchte kunstenaarskolonie in een Blaricums landhuis, zijn intussen veertien drukken verschenen. Geen slechte score voor ‘verhalende non-fictie’; ‘hardnekkig’ noemt schrijver Annejet van der Zijl haar boek zelf, in het voorwoord bij de tiende druk.

Ik was verkocht, toen ik het de eerste keer las. Jagtlust is knap werk: de informatie wordt precies goed gedoseerd. Het verhaal van de vele schrijvers en schilders is charmant. De vrijheid-blijheid-sfeer wordt jaloersmakend getekend. De hoofdpersoon van Jagtlust, de fenomenale Fritzi, was voortaan mijn heldin.

Maar toen ik Jagtlust eens ter sprake bracht bij Ferdinand Langen, keurde hij het resoluut af. Ik had een gevoelige snaar geraakt. Het was een populair boek, maar veel was bezijden de waarheid. Of het was een tikkeltje respectloos tegenover de betrokkenen. Ferdinand kon zich opwinden over hoe bijvoorbeeld Gilles de Marechal, de enige zoon van Fritzi, erin werd afgeschilderd. Ook Paula zat hoofdschuddend op de bank.

Wat ik niet wist: de hoofdpersoon van Jagtlust vond Jagtlust ook afschuwelijk. In een recent interview met Maaike Meijer, die aan de biografie van F. Harmsen van Beek werkt, zegt zij dat de dichter na het verschijnen van het boek de straat niet meer op durfde.

Ze kreeg een acute depressie en voelde zich door het slijk gehaald.

Meijer hoopt de mythevorming rond Harmsen van Beek te verklaren, zo niet te weerleggen. Ze beschouwt Jagtlust als ‘het lekkere verhaal, dat iedereen wilde lezen’. Meijer wil het ‘sensationele beeld’ van de dichter ontmantelen.

De biograaf worstelt nog wel met een paar zaken, vertelt ze op de website van HP/De Tijd. Ten tijde van het grote feest op Jagtlust is Harmsen van Beek door een man uit het dorp verkracht. In Jagtlust geen woord daarover, en Harmsen van Beek heeft die traumatische gebeurtenis meteen onder het tapijt geveegd.

Piekeraartje

Hier volgt de letterlijke weergave van een gesprek dat Hans van Straten op 8 februari 1967 had met zijn collega-journalist Piet Heil. Het typoscript van deze tekst werd aangetroffen in de literaire nalatenschap van Van Straten. Dit korte interview wordt hier voor het eerst gepubliceerd.

Je bent voor Het Vrije Volk redacteur geweest in het Gooi?

Jazeker, dat waren mijn eerste stappen op het journalistieke pad, mag ik wel zeggen. Dat is geweest van 1945 tot 1947.

In die tijd heb je ook Marja meegemaakt?

Marja is zelfs enige malen van mijn motorfiets gedonderd. Hij was namelijk nogal groot en zwaar en mijn motorfiets startte nogal snel, door een fout aan de koppeling, en schoot zogezegd als een snoek vooruit. En Marja viel dan achteruit.

Ik zie het haarscherp voor mij.

Hij woonde toen met zijn Puckje in het koetshuis van Kroonder, in Bussum.

Hij is je toneelmedewerker geweest.

Ja, ik heb hem een poosje aangehaakt. Het heeft niet zo lang geduurd. Wat hij toen voor beroep had, zo hij het al had, weet ik niet meer.

Hij zat toen bij Kroonder.

Ja, hij zat bij Kroonder, maar hij deed wat? Hij deed zelden iets.

Wat voor indruk heb jij van hem?

Mmm… moeilijk mens. Piekeraartje. Zwaar door de calvinistische wol geverfd.

Ja, zijn vader was wel dominee, maar toch geen calvinist! Die man stond bij de Vrije Evangelische Gemeente.

Ja, calvinisme gebruik ik dan ook niet in de strikte zin, meer als Nederlands verschijnsel. Theologisch gepieker, aangelengd met vele filosofieën. Maar het was wel gezellig. Je kon lekker ouwehoeren. Hij is tot in lengte van jaren wel de eeuwige puber gebleven. Poepgrapjes en zo. Een wat jongehondachtige jongen. Een ouwe jongen. Ach, ik mocht hem wel, ik had ook niet zo’n last van zijn practical jokes. Maar mensen die dat wel hebben gehad, vonden hem niet zo aardig.

Deed hij daar in het Gooi ook aan?

In het Gooi heb ik er nooit zoveel van gemerkt. Toen was hij ook nog niet zo bitter, ik weet het niet. Daar peinsde hij alleen nog maar. Later uitte het zich meer. Je kent toch het verhaal van dat briefje, dat hij aan Ferdinand Langen stuurde?

Ja, wat stond daar nou precies in?

Ze hadden hem gezegd dat ze een sociëteit wilden oprichten. Ab Visser was daarmee bezig.

Drieluik.

Ja, dat kan wel. Maar Marja schreef terug dat hij daar niet aan wenste deel te nemen, want het werd toch alleen maar een clubje voor ouwehoeren en beschaafd neuken. Dat had hij geschreven als ‘nöken’. En dat viel toen in handen van Ferdinands vader.

Ja, omdat hij het opzettelijk had geadresseerd ‘aan de heer Pannekoek’, zonder voorletters!

De clou van het verhaal is de wijze waarop Ferdinand zich eruit redde. Toen zijn vader vroeg wat ‘nöken’ betekende, zei hij: ‘Een Fins balspel.’ Waarom is het toch uit gegaan met Puckje? In die tijd ging het allemaal wel leuk. Ze was bezig een detective te schrijven. ’t Was wel een taaie actieve meid.

Hij kreeg op een gegeven moment een baan bij de reclassering in Den Haag en toen heeft hij zich tijdelijk, omdat hij niet voortdurend op en neer kon reizen van Bussum, op de Pauwhof neergelaten. Daar zat Louise Gaastra, een meisje dat in een leeszaal werkte. Daar heeft hij toen mee aangepapt en dat viel bij Puckje helemaal verkeerd. Die kon dat volstrekt niet plaatsen. Dat werd rottigheid over en weer en dat leidde vrij snel tot een breuk en echtscheiding.

Ben je daar wel eens geweest, bij Kroonder? Het was wel een mooi optrekje. Een schuur, een oud koetshuis. Beneden een grote open ruimte, waar vroeger de koetsen stonden. Dat was een stal geworden. Dan moest je met een kippetrapje naar boven en dan kwam je in één groot vertrek, waar het gezin Marja huisde.

Met een snel groeiend kindertal.

Het was wat men aanduidt als een artistieke bende. Wel leuk, moet ik zeggen.

Dus ze woonden daar met die vier kinderen in één kamer?

Ik kan me niet eens meer herinneren dat het er vier waren.

Op het laatst wel, ja. Hermans had in De Baanbreker geschreven, dat het portret van Marja hem deed denken aan de beschrijving die Faulkner geeft van de impotente gangster Popeye, in Sanctuary. Een wassen pop die te lang bij de kachel heeft gestaan. Dat heeft hem zó de dampen aan gedaan, dat hij als de bliksem vier kinderen op de wereld heeft geschopt.

Dat soort dingen trok hij zich inderdaad aan.

Ferdinand Langen (1918-2016)

Ferdinand Langen was de telefoontjes een beetje beu. Overleed er een Nederlandse schrijver, dan werd hij meteen gebeld om voor de zoveelste keer die ene anekdote op te hoesten. HP/De Tijd, meende hij, was het ergst: dat tijdschrift had hem bovenaan de bellijst staan. Nu Ferdinand Langen zelf dood is, is er niemand meer om te bellen.

In 2008 stelde ik met Coen Peppelenbos een themanummer van Tzum samen over A. Marja. Daarvoor benaderde ik drie oude vrienden van de in 1964 gestorven dichter. Van Langen kreeg ik per kerende post een grote envelop waarin vijf getikte vellen met zijn levendige herinneringen aan Marja. Ze vertoefden in vooroorlogs Groningen in kringen van veelbelovende schrijvers en schilders. Langen wist Marja mooi te typeren: ‘meester in het mengen van hartelijkheden en hatelijkheden’. In de begeleidende brief leverde hij een korte autobiografie aan, omdat hij veronderstelde dat ‘niet alle lezers van uw tijdschrift literatuurgeschiedenis hebben gestudeerd’. (Ferdinand Langen behoorde tot de ‘vergeten schrijvers’, een tegenwoordig populair genre.)

Sindsdien hadden we geregeld contact. Hij schreef me brieven, gericht aan ‘Waarde directeur’. Ik stuurde hem nu en dan een pakket met uitgeprinte stukjes voor Artistiek Bureau. Vaak maakte dat weer iets los bij hem. Kwam hij in een tekst van mij de naam ‘H. Drijvers Jr.’ tegen, dan dook hij zijn archief in om interessante brieffragmenten over te tikken. Hij had Henk en Dini Drijvers uiteraard persoonlijk gekend.

Mijn stukjes vond hij het leukst wanneer ze niet zo braaf waren. Of een tikje vilein eindigden. Hij had ‘heel erg gelachen’ om ‘De dikste maatjes’ (over Connie Palmen en Hans Warren).

Het mogen dan details zijn die je opspoort, maar ze zijn wel waardevol en voegen vaak iets peperachtigs toe aan de auteurs die je noemt.

In zijn brieven bleef hij me voeren met details over literaire figuren. Er kwam een stroom aan particuliere herinneringen op gang.

Aan Hendrik de Vries, zijn overbuurman in Groningen, met wie hij ’s avonds ‘rondjes Bernoulliplein’ liep (‘daarbij wriemelde hij zijn beweeglijke vingers in elkaar, soms kon hij ze als we afscheid namen moeilijk weer uit elkaar krijgen’). Aan Reinold Kuipers, met wie hij eens per week een kop koffie in De Poort van Cleef ging drinken (‘bij die koffie bestelde Reinold altijd een portie leverworst’). Aan Lucebert, die op bankjes in het Vondelpark sliep en door hem weleens op een maaltijd bij de Chinees werd getrakteerd (‘veel voor weinig’). Aan Johan van der Zant, buurjongen op de Stadhouderskade in Amsterdam, die wilde weten wat Ferdinand van zijn liefdespoëzie vond (‘niks dus, maar wat mij opviel was de naam die hij eronder had gezet: Hans Andreus’). Aan de ex van Andreus, die lesbisch werd, een verhouding kreeg met omroepmanager Marijke Rawie, wier broertje nogal eens in geldnood verkeerde (‘een beginnend dichter, die soms geen brood op de plank en geen drank in het glas had’). Aan Max Dendermonde, die strontlazarus zijn auto in de heg parkeerde. Aan de logeerpartij van Reve en aan de handdruk van Claus.

Voor iemand die zei dat hij eigenlijk niet van terugblikken hield, keek hij opvallend vaak terug.

Een enkele keer kon ik iets terugdoen. Halverwege de jaren ’50 had hij de literatuur verruild voor een baan in de marketing (‘daar leerde ik wat een liquid lunch was’). Zijn uitgever Kuipers had hem gescout vanwege zijn kraakheldere stijl. Heel wat jaren had Ferdinand zijn creativiteit in zijn baan gestopt. Pas in 1981 verscheen er van zijn hand weer een verhaal, in een bundel ter ere van Geert Lubberhuizen, die afscheid nam van De Bezige Bij. (Bij dezelfde uitgeverij was Ferdinand gedebuteerd, had hij een tijdschrift opgericht en een boekenreeks geredigeerd.) Ook wilde hij zijn eigen werk weer compleet in de boekenkast hebben staan. In 2009 maakte ik hem blij met twee exemplaren van zijn enige in Duitsland verschenen boek. Zijn eigen exemplaren van Rot mit weissen streifchen, vermoedde hij, waren in 1957 meteen bij zijn ‘voormalige vijanden’ beland. (In dezelfde reeks van Langen Müller uit München verschenen vertalingen van Annie M.G. Schmidt en S. Carmiggelt.)

Van zijn belangstelling voor marketing had hij al blijk gegeven in een interview met Willem Elsschot. Voor de Haagse Post had hij – in een dag op en neer naar Antwerpen – in februari 1952, ter gelegenheid van de Boekenweek, de Vlaamse schrijver thuis opgezocht. Aan het eind van het artikel spreken beide schrijvers over de beste manier om voor een boek reclame te maken. Overigens was Ferdinand achteraf ontevreden over zijn interview.

Elsschot beantwoordde plichtmatig mijn vragen. Toen hij op de klok keek en mij vroeg mee te gaan naar zijn stamkroeg, heb ik beleefd geweigerd. Stom! Natuurlijk had die man met een slok op veel meer te vertellen.

Vier, vijf keer ben ik bij Ferdinand en zijn vrouw op bezoek geweest. Het waren vrolijke gesprekken die we voerden, zelden over de literatuur van vroeger. Op de grote hoekbank in de woonkamer lag meestal een stapel boeken uit de plaatselijke bibliotheek. De nieuwe Van Dis, de nieuwe Wieringa. Over Het boek Ont van Anton Valens was hij laaiend enthousiast. Om stipt vijf uur verplaatsten we ons dan naar het barretje in de keuken. Daar gingen we iets sterkers drinken dan thee. (Wie anders dan Ferdinand Langen publiceerde in 1945 het verhaal ‘Het recht op een borrel’.) Als ik ’s vrijdags kwam, kreeg ik een gebakken visje van de markt, alvorens ik op de Brink in Laren op de bus naar station Hilversum stapte.

Altijd waren zijn brieven in rood en zwart op een elektrische schrijfmachine getikt. Toen een winkeltje voor schrijfwaren in de Oude Kijk in ’t Jatstraat opheffingsuitverkoop hield, kocht Ferdinand de hele voorraad machinelint op.

En altijd stonden er spitsvondigheden in zijn brieven. Net als in zijn romans, in de dialogen met name, kon hij je listig op het verkeerde been zetten. Hij stond tamelijk zorgeloos in het leven. Bij de dood van Ton Lutz:

Mijn kapper die altijd heel goed geïnformeerd is, zegt: dood gaan we allemaal.

De laatste post uit Laren kwam naar aanleiding van de geboorte van mijn zoon: ‘Dag moeder Dag vader En hallo klein knuffeljoch’. Een lieve brief, ondertekend door ‘2 oude ervaringsdeskundigen’.

Versleten schoenzolen

Zonder de levendige herinneringen van Ferdinand Langen, mij de afgelopen jaren mondeling en schriftelijk meegedeeld, was de Literaire wandeling Groningen een stuk saaier geweest. Mijn eerste exemplaar van de tweede druk was uiteraard voor hem bestemd. Langen ontving de wandelgids per post, met een vrolijke kaart, want hij werd die dag vijfennegentig.

Een week later kreeg ik een allerhartelijkste brief terug:

Eigenlijk moet ik jou feliciteren met de tweede druk van de Literaire Wandelingen. Jullie hebben dus heel veel gevleugelde voeten in beweging gekregen en versleten schoenzolen op jullie geweten. De persoonsregister vind ik een grote aanwinst. Ik miste die inderdaad heel erg in de eerste druk. (Meteen opgezocht hoe vaak en waar ik in dat boekje voorkom.)

In de eerste druk had ik, met de hardnekkige nonchalance van een atheïst, twee geloofsrichtingen verwisseld en de aanstaande schoonvader van Ab Visser bestempeld als een gereformeerde. Gelukkig werd ik door verschillende mensen – waaronder Visser-biograaf Michiel van Diggelen, archivaris Michael Hermse en natuurlijk Ferdinand Langen – op mijn fout gewezen.

Gereformeerden krijgen bijna altijd overal de schuld van en daarom ben ik blij dat jullie Edith nu een katholieke vader hebben gegeven. Zij had trouwens ook een katholieke moeder en een katholieke zuster en zij was zelf ook katholiek. Ab Visser stak zijn hand dus wel in een rooms wespennest en werd dan ook behoorlijk gestoken.

Zelfportretten voor haar

In de oorlogsjaren zijn, in het geheim en vaak tegen de bezetter gekeerd, bijna duizend bundels en boeken verschenen. Bibliograaf Dirk de Jong geeft 982 titels in zijn onmisbare werk Het vrije boek in onvrije tijd. Bibliografie van illegale en clandestiene bellettrie (1958). Vier dichtbundels staan op naam van A. Marja.

De eerste clandestiene bundel verzorgde de dichter zelf, in samenwerking met de bevriende schrijver Hans Redeker. Kerstballade 1940 verscheen te Groningen in februari 1941 in een oplage van 30 genummerde exemplaren, aldus het colofon. De Jong meldt in zijn bibliografie dat het werkelijke aantal exemplaren slechts 10 bedraagt. (Ik heb deze bundel nooit van mijn leven gezien.)

De tweede en derde bundel van Marja verschenen in 1943 en 1944 bij de kleine uitgever F.G. Kroonder, onder het impressum Homerus Pers. Van Maar ja, Marja en Waar ik ook ga werd een deel van de oplage op luxer papier gedrukt, genummerd en gesigneerd door de dichter. (Diverse exemplaren staan hier in de kast.)

Zelfportret voor haar is de vierde bundel – bij De Jong residerend onder nummer 541. De acht sonnetten in dit bijna vierkante boekje schreef A. Marja in betrekkelijk isolement: vanwege ernstige problemen met zijn darmen woonde de dichter bij zijn vader, dominee Mooij in Yerseke. Zijn geliefde bleef achter in Groningen. Voor haar heeft Marja in november 1943 dit poëtische zelfportret geschreven. Sombere gedichten.

De titelpagina geeft geen plaatsnaam, maar alleen de uitgever: In agris occupatis. Geleid door een driemanschap nam in deze uitgave Marja het voortouw. Hij vond in Yerseke een drukker bereid om de clandestiene bundel te verzorgen. De heer E.Th. Zoeteweij moest de gedichten met de hand zetten, maar door het gebrek aan loden letters kon hij niet meer dan twee gedichten tegelijk drukken. Zoeteweij was gedwongen om na voldoende afdrukken het zetsel weer te distribueren en de volgende twee gedichten te zetten en te drukken.

A. Marja kreeg de eerste exemplaren van zijn nieuwe bundel onder ogen op 14 maart 1944. Alle honderd exemplaren van Zelfportret voor haar (‘welke niet in de handel komen’) heeft hij toen in het colofon Arabisch genummerd en Hollands gesigneerd. De datum staat vast: aan verschillende vrienden stuurde hij het bundeltje toe, op de Franse titel voorzien van vergelijkbare opdrachten en nogmaals gesigneerd met dezelfde datum. (Ferdinand Langen schonk mij ooit zijn exemplaar.)

Dit is geen wonder van typografie. Zelfportret voor haar is eenvoudig met blauwe inkt gedrukt in een onopvallende cursief op dun houthoudend papier. Vier velletjes, een grijzig kaftje, twee nietjes. Andere uitgaven van In agris occupatis hebben ten minste een kleurrijk druksel van H.N. Werkman voorop. Hier alleen auteur en titel. Het colofon toont misschien een beetje verbeelding: het is in de vorm van een op de punt staande driehoek gezet.

Wat Dirk de Jong niet wist en wat ik onlangs per abuis ontdekte: Zoeteweij drukte er, naast de 100 reguliere exemplaren, een paar op papier van een betere, zwaardere kwaliteit (‘gehammertes’). Het boekje is millimeters groter en keurig met een koordje gebonden. Luxe-exemplaren bestemd voor de auteur? (Ik ben in het gelukkige bezit van twee stuks, beide met opdracht, gesigneerd op 14 maart 1944, in het colofon genummerd ‘IV’ respectievelijk ‘IX’.)

Sub Rosa

Je kunt boeken verzamelen. Dat is leuk. Maar als je al jaren boeken hamstert, dagelijks vecht tegen volle kasten, verschuift je focus. Je verzamelt op een dag boekenleggers. Je verzamelt verstrooid papier dat je in boeken vindt. Of je stort je op die kleine etiketjes die de boekhandelaar vroeger voorin een nieuw boek plakte, meestal in een hoek van het schutblad. Uit boeken losgeweekte boekhandelsetiketten nemen amper ruimte in. Wat zichtmapjes in een oude ordner.

De ruimtewinst heeft een keerzijde: er wordt een flard geschiedenis van het boek uitgewist. Een boekhandelsetiket is, behalve een nederige vorm van reclame, ook een geboorteakte. Dat kleine plakkertje verraadt waar het boek voor de allereerste keer te koop werd aangeboden. Waar het boek te vondeling werd gelegd, voordat een mens het adopteerde. Een losgeweekt etiket heeft zelf geen geschiedenis meer.

Over twee weken komt er bij Bloomsbury in Londen een eerste druk van het modernistische meesterwerk The Waste Land (1923) onder de hamer. Het is beslist niet het topstuk van de veiling, maar het exemplaar heeft het leukst denkbare boekhandelsetiketje: “Shakespeare and Company”. T.S. Eliot was een terugkerend bezoeker van de beroemde boekwinkel van Sylvia Beach. Beach en haar geliefde Adrienne Monnier zouden twee jaar later The Love Song of J. Alfred Prufrock in het Frans vertalen.

Ter gelegenheid van de presentatie van de eerste Ab Visser biografie wordt vandaag een nieuwsbrief rondgezonden met boeken en brieven van Ab Visser. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, in de lente van 1945, verscheen bij de eendagsuitgeverij Sub Rosa – zonder toestemming van de bezetter – de dichtbundel Alter ego. Het exemplaar in de nieuwsbrief heeft een groen boekhandelsetiket: ‘Boekhandel Godert Walter Groningen’.

Bij boekhandel Godert Walter, genoemd naar de oprichter, kocht A. Marja in de veertiger jaren zijn dagelijkse lectuur en stond Jacques den Haan achter de toonbank. Godert Walter zelf overleefde de oorlog niet: hij werd op 17 september 1944 in zijn eigen huis doodgeschoten door de Sicherheitsdienst, omdat hij clandestiene en illegale boeken verkocht.

Blijkbaar bleef de boekhandel, in en na de oorlog, illegaal uitgegeven boeken aanbieden. Het groene etiketje is daar een stille getuige van.