Schaduwbiograaf

Wanneer precies de biografie van Hella S. Haasse verschijnt is nog niet bekend. De kans is echter groot dat Aleid Truijens, de in 2013 officieel aangestelde biograaf, zich nu een slag in de rondte tikt om haar deadline te halen. Op 2 februari 2018 zal het honderd jaar geleden zijn dat Hélène Serafia Haasse ter wereld kwam.

Thijs Kramer, geleerd musicus te Hilversum, heeft geen zin om tot een symbolische specifieke datum te wachten. Hij heeft zojuist het eerste deel van het onderzoek gepubliceerd waaraan hij vele jaren in stilte heeft gewerkt. Aanvankelijk bestudeerde hij alleen het dichtwerk van Haasse, maar zijn belangstelling bleek groter te zijn. De familie Haasse en anderen heet daarom zijn website.

Wat is er op Haasse e.a. te vinden? Allereerst een wijdvertakte stamboom, waarin grootouders, neven en nichten van de schrijver een plaats hebben gekregen. Dan een uitvoerige beschrijving van het poëtische oeuvre van Haasse, van het gedichtencahier dat zij met Kerstmis 1936 aan haar ouders schonk tot de laatste bij leven gepubliceerde gedichten in Het Liegend Konijn. Vervolgens komt een lang ‘lees- en kijkstuk’ over de jeugdjaren van Haasse: hierin toont Kramer nooit eerder gepubliceerde foto’s van het gezin Haasse en citeert hij uit het door hem opgespoorde dagboek van Haasse’s broer Wim. Het is hem ook gelukt enkele onvindbare toneelstukken van Haasse te bemachtigen, waarvan de omslagen zijn afgebeeld.

In deze stortvloed aan nieuwe feiten geeft de schaduwbiograaf soms zijn oordeel. Mals is hij niet. Haasse’s lange vers ‘De Koningin des Hemels’ uit 1945 vindt Kramer een ‘snertgedicht’, ‘De Kerseboom’ uit 1948 is niet veel meer dan ‘vier bladzijden kerstmis-zoetelijkheid’.

Het is veel om te verwerken: met dit bijzondere materiaal is een themanummer van De Parelduiker te vullen. Helaas wordt de tekst vooralsnog veelvuldig ontsierd door ■ ■ ■ : vierkante blokjes die Kramer, na een jurist geraadpleegd te hebben, op de plaats van Haasse-citaten heeft gezet. Blijkbaar hebben de dochters van Haasse hun medewerking aan deze Haasse-specialist opgezegd.

Een echt antiquariaat

De handel in tweedehands en antiquarische boeken nam een vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Piet J. Buijnsters verklaart in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) waarom juist tweedehands boeken zo gewild werden: door de instelling van een censurerende Nederlandsche Kultuurkamer en sterke papierrantsoenen verschenen er aanzienlijk minder nieuwe boeken. Op boekenmarkten en bij antiquariaten konden leeshonger en verzamelwoede wel gestild worden. In de notulen van de jaarvergadering van de NVvA, gehouden op 20 april 1943, vindt Buijnsters deze constatering van voorzitter Menno Hertzberger:

De prijzen van het antiquarische boek zijn in enkele gevallen zoo gestegen, dat elke basis verloren is gegaan.

Dat de handel in tweedehands boeken ineens erg lucratief kon zijn, moet ook Adriaan Morriën zich toen hebben gerealiseerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij de schrijver van één dichtbundel. Bijna dertig, zat hij zonder werk en zonder inkomsten.

Vanuit het ouderlijk huis in IJmuiden begon Morriën in 1939 te corresponderen met Frits van Heerikhuizen, leraar Nederlands en letterkundige, twee jaar ouder dan hij. De flinke stapel brieven en briefkaarten die Van Heerikhuizen aan zijn vriendschap met Morriën overhield is mijn mooiste Marktplaats-vondst tot dusver.

In de handgeschreven epistels van Morriën komen zowel literaire zaken als dagelijkse beslommeringen langs. In een brief van 30 december 1941 laat hij Van Heerikhuizen weten dat zijn poging om in Frankrijk een baantje als administrateur te krijgen is mislukt. Nu zal zijn geld spoedig op zijn. Maar hij heeft nog wel een idee, dat hij zijn vriend in Bussum graag voorlegt.

Een plan van den allerlaatsten tijd is om, met behulp van geleend geld, goede litteratuur (antiquarisch) bij kennissen op te koopen, een catalogus samen te stellen en aan alle vrienden en kennissen te zenden. Wanneer men werkelijk goede boeken heeft, raakt men ze gemakkelijk kwijt.

Van Heerikhuizen wil Morriën blijkbaar wel op weg helpen met een lading boeken. Het haalt helaas weinig uit. Op 16 mei 1942 heeft Morriën nog maar weinig verkocht en een kennis, die een partij geërfde boeken zou inbrengen, laat hem in de steek. De dichter ziet het somber in.

Voor een echt antiquariaat komen natuurlijk andere dingen kijken. Daarvoor zijn geld en tijd noodig.

Drie maanden later is de situatie niet verbeterd. Van de boeken die Morriën uit Bussum meenam zijn er ‘enkele’ verkocht. Een catalogus heeft Morriën niet kunnen maken. Hij belooft Van Heerikhuizen zijn best te doen de rest ook ‘kwijt te raken’. In een brief van 4 augustus 1942 komt het avontuur voor het laatst ter sprake. De voorraad van het naamloze verzendantiquariaat van Adriaan Morriën is dan al ondergebracht bij vrienden in Haarlem, omdat bij een eventuele evacuatie van IJmuiden ‘slechts het allernoodzakelijkste’ mag worden meegenomen. Als de handelswaar niet meer binnen handbereik is, houdt het op.