Piekeraartje

Hier volgt de letterlijke weergave van een gesprek dat Hans van Straten op 8 februari 1967 had met zijn collega-journalist Piet Heil. Het typoscript van deze tekst werd aangetroffen in de literaire nalatenschap van Van Straten. Dit korte interview wordt hier voor het eerst gepubliceerd.

Je bent voor Het Vrije Volk redacteur geweest in het Gooi?

Jazeker, dat waren mijn eerste stappen op het journalistieke pad, mag ik wel zeggen. Dat is geweest van 1945 tot 1947.

In die tijd heb je ook Marja meegemaakt?

Marja is zelfs enige malen van mijn motorfiets gedonderd. Hij was namelijk nogal groot en zwaar en mijn motorfiets startte nogal snel, door een fout aan de koppeling, en schoot zogezegd als een snoek vooruit. En Marja viel dan achteruit.

Ik zie het haarscherp voor mij.

Hij woonde toen met zijn Puckje in het koetshuis van Kroonder, in Bussum.

Hij is je toneelmedewerker geweest.

Ja, ik heb hem een poosje aangehaakt. Het heeft niet zo lang geduurd. Wat hij toen voor beroep had, zo hij het al had, weet ik niet meer.

Hij zat toen bij Kroonder.

Ja, hij zat bij Kroonder, maar hij deed wat? Hij deed zelden iets.

Wat voor indruk heb jij van hem?

Mmm… moeilijk mens. Piekeraartje. Zwaar door de calvinistische wol geverfd.

Ja, zijn vader was wel dominee, maar toch geen calvinist! Die man stond bij de Vrije Evangelische Gemeente.

Ja, calvinisme gebruik ik dan ook niet in de strikte zin, meer als Nederlands verschijnsel. Theologisch gepieker, aangelengd met vele filosofieën. Maar het was wel gezellig. Je kon lekker ouwehoeren. Hij is tot in lengte van jaren wel de eeuwige puber gebleven. Poepgrapjes en zo. Een wat jongehondachtige jongen. Een ouwe jongen. Ach, ik mocht hem wel, ik had ook niet zo’n last van zijn practical jokes. Maar mensen die dat wel hebben gehad, vonden hem niet zo aardig.

Deed hij daar in het Gooi ook aan?

In het Gooi heb ik er nooit zoveel van gemerkt. Toen was hij ook nog niet zo bitter, ik weet het niet. Daar peinsde hij alleen nog maar. Later uitte het zich meer. Je kent toch het verhaal van dat briefje, dat hij aan Ferdinand Langen stuurde?

Ja, wat stond daar nou precies in?

Ze hadden hem gezegd dat ze een sociëteit wilden oprichten. Ab Visser was daarmee bezig.

Drieluik.

Ja, dat kan wel. Maar Marja schreef terug dat hij daar niet aan wenste deel te nemen, want het werd toch alleen maar een clubje voor ouwehoeren en beschaafd neuken. Dat had hij geschreven als ‘nöken’. En dat viel toen in handen van Ferdinands vader.

Ja, omdat hij het opzettelijk had geadresseerd ‘aan de heer Pannekoek’, zonder voorletters!

De clou van het verhaal is de wijze waarop Ferdinand zich eruit redde. Toen zijn vader vroeg wat ‘nöken’ betekende, zei hij: ‘Een Fins balspel.’ Waarom is het toch uit gegaan met Puckje? In die tijd ging het allemaal wel leuk. Ze was bezig een detective te schrijven. ’t Was wel een taaie actieve meid.

Hij kreeg op een gegeven moment een baan bij de reclassering in Den Haag en toen heeft hij zich tijdelijk, omdat hij niet voortdurend op en neer kon reizen van Bussum, op de Pauwhof neergelaten. Daar zat Louise Gaastra, een meisje dat in een leeszaal werkte. Daar heeft hij toen mee aangepapt en dat viel bij Puckje helemaal verkeerd. Die kon dat volstrekt niet plaatsen. Dat werd rottigheid over en weer en dat leidde vrij snel tot een breuk en echtscheiding.

Ben je daar wel eens geweest, bij Kroonder? Het was wel een mooi optrekje. Een schuur, een oud koetshuis. Beneden een grote open ruimte, waar vroeger de koetsen stonden. Dat was een stal geworden. Dan moest je met een kippetrapje naar boven en dan kwam je in één groot vertrek, waar het gezin Marja huisde.

Met een snel groeiend kindertal.

Het was wat men aanduidt als een artistieke bende. Wel leuk, moet ik zeggen.

Dus ze woonden daar met die vier kinderen in één kamer?

Ik kan me niet eens meer herinneren dat het er vier waren.

Op het laatst wel, ja. Hermans had in De Baanbreker geschreven, dat het portret van Marja hem deed denken aan de beschrijving die Faulkner geeft van de impotente gangster Popeye, in Sanctuary. Een wassen pop die te lang bij de kachel heeft gestaan. Dat heeft hem zó de dampen aan gedaan, dat hij als de bliksem vier kinderen op de wereld heeft geschopt.

Dat soort dingen trok hij zich inderdaad aan.

Pro Patria

Een voor het hele begrip van clandestiene en illegale uitgaven onmisbare paragraaf in het hoofdstuk ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’, in Het ideale boek (2010), is ‘Papierschaarste’. Hierin schrijft Sjoerd van Faassen over de door de Duitsers ingestelde papierdistributie, waardoor het voor verzetsdrukkers moeilijker werd om aan pakken papier te komen. De clandestiene drukkers zouden wel gek zijn om hun teksten voor te leggen aan de afdeling Boekwezen van de Kultuurkamer. Er zat dus niets anders op: jatten of creatief zijn.

Zo kende uitgever Bert Bakker jongens op de werkvloer van de papierfabriek Van Gelder, die bereid waren voor tegen de bezetter gerichte uitgaven vellen papier te ontvreemden. De Bezige Bij-oprichter Geert Lubberhuizen roofde in 1943 een papierpakhuis leeg.

De latere voorman van Bruna, Jaap Romijn, stal niet. Terwijl Bert Bakker grote risico’s nam om bijvoorbeeld een idioot grote uitgave van gedichten van Bertus Aafjes te kunnen drukken, gebruikte Romijn zijn hersens. In de Hongerwinter bedacht hij de Handpalm-reeks: boekjes zo klein dat je ze in je hand kon verstoppen.

In 1943 drukten de Gebroeders Pelle te Bussum 300 exemplaren van de bundel Maar ja, Marja van A. Marja. Waar uitgever F.G. Kroonder zijn papier haalde, is niet bekend. De eerste 75 exemplaren van de oplage werden gedrukt op ‘blauw-grijs, luxe-tekst’, terwijl de overige exemplaren werden opgeleverd op eenvoudig en authentiek ‘bruin pakpapier’. Deze laatste exemplaren kregen ook andere schutbladen mee: donkerbruine vellen met een motiefje. Het doet een beetje aan vooroorlogs behang denken.

Margedrukkers, die wel weten wat private press-verzamelaars willen, splitsen hun oplagen op in gewone, luxe en super-de-luxe exemplaren. Elk deel van de oplage wordt gedrukt op een verschillende papiersoort. Sinds Stols, in zijn boekverzorging een halve Fransoos, is het onderscheid een traditie. De mooiste boeken van A.A.M. Stols zijn gedrukt op keizerlijk Japans.

Ik bedenk nu dat die papiertraditie natuurlijk een uitkomst was voor clandestiene drukkers. Nu hoefden ze niet per se een grote voorraad eensoortig papier te bemachtigen, maar konden ze zich ook redden met een restje van dit en een stapeltje van dat. Van Gelder, Simili Japon, Pannekoek, Register Vergé: allemaal geschikt, als je je oplagen en je colofons er maar op aanpaste.

En toch. Dat verzet moet heel diep gezeten hebben. Illegale uitgevers drukten het liefst op papier des vaderlands. Het dichtbundeltje Novemberland (1943) van Koos Schuur is, aldus het colofon, ‘gedrukt in een oplaag van 100 exemplaren, waarvan 50 op Hollandsch papier’. Als ik de eerste pagina van mijn Novemberland tegen het licht houd, zie ik het watermerk: een Nederlandse leeuw, waarboven de woorden ‘Pro Patria’.

Likballade

Auteurs en medewerkers van uitgeverij F.G. Kroonder te Bussum hadden op dinsdag 18 december 1945 iets te vieren. Het eerste lustrum van de kleine uitgeverij van Nel en George Kroonder was aangebroken. Die vijf jaar vielen samen met de oorlog, want het echtpaar Kroonder was met de Homeros Pers en de Bayard Pers begonnen als clandestiene uitgever en distributeur van dichtbundels.

Op de feestavond droegen dichter Willem van Iependaal en typograaf Johan H. van Eikeren allebei een lang gelegenheidsgedicht voor. In een kleine oplage maakte men er een boekje van, ‘omdat het nuttig is het woord te horen, maar nuttiger nog hetzelve te bewaren’, aldus het colofon. De verzen van Van Iependaal en Van Eikeren staan bol van de roddel en achterklap, vooral met betrekking tot fondsauteurs van Kroonder: Jef Last, Ab Visser, Lex Gans, vele anderen. Minstens zo leuk zijn de toespelingen op te Bussum verschenen uitgaven. Over A. Marja, die wel vaker het verwijt van anale fixatie naar zijn hoofd geslingerd zou krijgen, dicht Van Iependaal in ‘De blauwe Schuit’:

Evenals Marja, die geen kans laat schieten
Om andren van zijn kunst te doen genieten
Z’n rijm verzorgd, bekwaam z’n woorden weegt
En zelfs op ’t kakhuis nog z’n verzen pleegt.
Maar-ja, een dichter toch bij Gods genade,
Zelfs op de plee en in z’n likballade,
Die, eenmaal openbaar, misschien zó roert
Dat ze tot zes of tien maand eenzaam voert.

De melige kwatrijnen en jolige sextetten, eigenlijk voor insiders bestemd, laten op een unieke manier de geschiedenis van een letterkundig bedrijf zien.