Omkiepen

Op de fonkelnieuwe website Textualscholarship.nl – een editietechnisch huwelijk tussen Teksteditie.org en Weblog elektronisch publiceren – staan twee stukken over de onlangs verschenen briefwisseling Bordewijk-Hermans, Een onmiskenbare verwantschap.

Rob Delvigne heeft kritiek op de brieveneditie en geeft een paar precieze aanvullingen: ‘De documentaire waarde van dit boekje zou met dit soort toevoegingen aanzienlijk vergroot zijn, en dat geldt voor meer’.

Editiewetenschapper Jan Gielkens plaatst vraagtekens bij de lezing die Christiaan Weijts op de presentatie van Een onmiskenbare verwantschap hield: ‘Het lijkt wel alsof sommige schrijvers spontaan peentjes gaan zweten wanneer ze geconfronteerd worden met de mogelijkheid dat iemand later in hun spullen gaat neuzen’.

Christiaan Weijts bouwde zijn presentatielezing om tot een column voor De Groene Amsterdammer: ‘Al die manuscripten, drukproeven, kladjes en droedels willen redden van de vernietiging is even absurd als het omkiepen van een vuilnisbak van een schilder, om er penselen en de leeggeknepen tubes verf uit te vissen. Het is maar gereedschap, zou je zeggen, en restafval’.

Een speciale bedoeling

In een grote opruiming vond boekblogger Cadoc een aardige brief van F. Bordewijk. De heer M. de Marcas had de schrijver gevraagd hoe hij aan de naam De Marcas voor een personage in Blokken (1931) was gekomen, aangezien ‘deze naam hier te lande slechts door 3 personen van één familietak wordt gedragen’. Meteen gevolgd door de ontboezeming dat de lezer wel ‘onaangenaam getroffen’ was door de naamsovereenkomst.

Bordewijks antwoord is kort maar krachtig: ‘Mijn indruk is dat men tegenwoordig hier te lande zich wel erg gauw onaangenaam getroffen voelt’. Een antwoord op de herkomstvraag moet hij De Marcas schuldig blijven: ‘weet ik niet meer’. Een speciale bedoeling had Bordewijk er niet mee.

In de vierde klas van het Reestdalcollege scholengemeenschap Stad + Esch leerde ik dat Bordewijk de namen voor Blokken alle vijf uit het telefoonboek had geplukt. Welke vorscher kan deze bewering staven? Leende de advocaat Bordewijk de naam De Marcas niet gewoon van B. de Marcas, de Zwolse deurwaarder, die de schrijver uit de wandelgangen kende? Of kwam Bordewijk een knipsel uit Het nieuws van den dag van 3 mei 1927 onder ogen?

In het krantenstukje ‘What’s in a name’ doet een anonieme bureauredacteur uit de doeken hoe De Balzac in 1840 aan de boektitel Z. Marcas zou zijn gekomen. Voor de hoofdpersoon van dit verhaal kon De Balzac geen naam vinden of bedenken, nee, hij wilde een persoonsnaam ‘ontdekken’. Met een vriend liep hij langs de deuren tot hij het naambordje van een kleermaker zag: Z. Marcas. Zou Bordewijk, bekend met de naamsgeschiedenis van een literaire voorganger, eigenlijk niet anders kunnen dan zijn personage De Marcas noemen?

Het zijn onbelangrijke vragen, die (n)ooit een antwoord krijgen.

Sprankeltjes

Ik ken een masochistische bibliofiel. ’s Avonds bladert hij in oude catalogi van beroemde veilingen en legendarische collecties bij antiquariaten. Hij bijt af en toe op zijn vuist, slaakt een zacht gilletje, maar bladert door, door, door. Al die schitterende boeken voor zo weinig geld! Had ik maar geboden! Was ik maar 20 jaar eerder geboren!

Het heeft ook wel iets.

Van 22 september tot 11 oktober 1930 organiseerde de Utrechtse boekhandel Kemink & Zoon een grote tentoonstelling, getiteld ‘De Nederlandsche Dichtkunst na 1914’. Ter gelegenheid van de expositie drukte men een sjieke catalogus, die volgens C.H.E. Breijer blijvende waarde zou behouden dankzij de ‘systematische indeeling’ van verschillende richtingen in de poëzie en nieuw werk van ‘twee onzer jongere dichters’ (de gedichten ‘Corridas’ van Slauerhoff en ‘De Waldhoorn’ van Theun de Vries).

Het overzichtswerkje illustreert fijntjes hoe populair sommige dichters waren anno 1930. Of: hoe impopulair andere. Greshoff, altijd gezien als een veelgelezen dichter, is vertegenwoordigd met 13 titels, waarvan er 11 nog volop leverbaar zijn, indien gewenst gedrukt op Hollands papier. J.A. Dèr Mouw, wiens Brahmannen al in 1919-1920 waren verschenen, lag ook nog op de planken. Jacob Israël de Haans dichtbundels, ook Liederen uit 1917, waren nog gewoon nieuw te krijgen. Willem de Mérode? Al zijn werk vanaf 1915 leverbaar – een gebonden Lichtstreep kostte liefst 10 gulden. Zelfs Paddestoelen van Ton Ven was te koop voor f 1,25.

Sprankeltjes van H. Keve daarentegen was bij het verschijnen van deze catalogus alweer ‘uitverkocht’. Marsman? Helemaal op.

Tussen de bekende namen staan er schrikbarend veel die het niet gehaald hebben. Eendagsvliegen aan een kleefstrip. Artistiek Bureau geeft ze een laatste line-up.

Mies Kieviets
A.M.J.I. Binnewiertz
Poverella
Zuster Theresia
Martialis Vreeswijk
Elsje Bording
Ela Frowein Gratama
Nan Küthe
Piet Pijl
Ada Bomli
Wiebrandus Haanstra
Ellen Parqui

Het pedante procédé

‘F. Bordewijk heeft in de roman “Karakter” (Nijgh & v. Ditmaar, 366 bladzijden, geb.) de Nederlandse litteratuur verrijkt met een aantal eigennamen. Katadreuffe heet de held van het verhaal; “deze naam op zijn Nederlands uit te spreken”, is de wens van de auteur in een noot op de eerste bladzijde. Verder maakt de lezer kennis met een juffrouw Sibculo, en een Lorna te George, een juffrouw Kalvelage, een advocaat Stroomkoning, een deurwaarder Dreverhaven, en meer dragers van kunstig geconstrueerde namen. Een onschuldige hobby van de schrijver, dit naamgekunstel, zal de goedige lezer zeggen. Dat is het echter slechts ten dele. Deze bizarre namen vormen een sprekend symptoom van een soort individualisme dat in onze letteren altijd welig heeft getierd: van de pedanterie. Natuurlijk treft men in deze roman ook andere uitingen van deze slepende ziekte aan. “In de lente begon Katadreuffe tekenen van vermoeidheid te vertonen,” lezen we op bladzijde 198.

“Zijn gestel was niet sterk na het vele pokken en mazelen van zijn jongste jaren. Zelfs zijn gebit, hoe onberispelijk, was zwak, de tandarts meende dat het kon samenhangen met te vroeg en te gewelddadig verlies van zijn dentitio prima, hem waren immers als kind bij een straatgevecht alle melktanden uitgeslagen.”

Zulk een alinea is niet alleen vrij dwaas, maar getuigt ook onverhuld van pedantheid in een ver stadium. De in dit ziektebeeld belangstellende lezer kan bij Bordewijk aan talloze passages te gast gaan. Pedanterie is te definiëren als de onbedwingbare neiging om het gewone en heel niet on-alledaagse te doen voorkomen als iets erg “aparts” en bijzonders. Deze definitie nu, wordt geheel gedekt door de roman “Karakter”. Het verhaal toont ons hoe de jonge Katadreuffe zich door een gestadige ijver en volharding opwerkt van jongste bediende tot meester in de rechten. Dat is kranig, we erkennen het gaarne, maar het heeft op zichzelf als gegeven van een roman niets om het lijf. De auteur moet het nog herscheppen tot iets dat ons lezers raakt. Hij kan dit op de vele beproefde wijzen doen, maar juist niet op de manier die Bordewijk kiest: het pedante procédé. Niet door romanfiguren die maar heel gewoontjes geconcipiëerd en oppervlakkig getekend zijn, te tooien met sierkunstige namen. Niet door hun in de grond zeer alledaagse eigenschappen, omstandigheden en gedragingen met een ongemotiveerde onderscheiding te bejegenen. Niet door van een gevreesd deurwaarder een Mussoliniaanse en fantastische dwangbevelenheld met Stravinsky-allures te maken.

Juist doordat “Karakter” de gewone roman dichter nadert dan een van Bordewijk’s vroegere werken, valt zijn pedanterie sterker op en maakt zij dit verhaal eerder tot een boek over de auteur-zelf dan over de jonge Katadreuffe. Dit mag dan door de andere pedanten onzer letteren als een prijzenswaardige eigenschap worden beschouwd; onze litteratuur heeft van Tachtig af tot en met Vestdijk heel wat schade aan dit extra-individualisme ondervonden.

Dat ook het laatste werk van Bordewijk een eind uitsteekt boven het gemiddelde peil onder romankunst behoeft overigens nauwelijks te worden vermeld.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 12, nummer 143 (oktober 1938)