Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Drie recorders

Een maand nadat Gerard Reve de bandjes van Boudewijn Büch had volgepraat, publiceerde Büch in het weekblad De Tijd zijn ‘Afscheid van Gerard Reve’. Daarin beschrijft hij zijn eerste kennismaking met Reve en reconstrueert hij de totstandkoming van het beruchte interview. Wie Büchs artikel na al die jaren integraal leest, blijft wat vertwijfeld achter. Büch, terugblikkend:

Reve is het eerste uur onrustig. Het geklungel met drie recorders (het gesprek werd opgenomen op twee professionele recorders en één pocketrecorder; dit vanwege eventuele rampen en het vermijden van gemiste passages bij het verwisselen van de banden) duurt een tijdje.

Eén gesprek, twee microfoons, drie recorders. De bandopnamen voor het KRO-radioprogramma Spektakel overhandigde Büch aan Ernst Braches – in plaats van ze terug te geven aan regisseur Louis Houët. De cassettebandjes hield hij een tijdje zelf, om ze vervolgens aan een antiquaar te schenken. Waar is dan de derde set opnamen?

De [KRO-]banden en het integrale typoscript van het interview – zo heb ik besloten – schenk ik aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Ze mogen voor het eerst één uur na Reve’s overlijden worden geraadpleegd. Misschien dat geleerden deze affaire dàn kunnen ontraadselen.

In de loop van 8 april 2006, verordonneerde Büch in 1983, had het rode zegel op het blauwe pak al gebroken mogen worden. Bij de overhandiging van de inmiddels verzegelde KRO-banden aan Braches in 1984 werd, herinnert Klaas Koppe zich, gesproken over een termijn van dertig jaar. Maar in 1985 schreef iemand op de verpakking van de opnamen:

Niet te openen zonder toestemming Büch.

Ik zoek nog een paar geleerden om deze affaire te ontraadselen.

Twee microfoons

Eén gesprek, twee interviews. Voor Het Parool zou Boudewijn Büch Gerard Reve op 5 januari 1983 over politiek bevragen en voor de Katholieke Radio Omroep zou hij de schrijver over literatuur en religie aan de tand voelen. Daar kwam gedoe van.

In de inleiding van de gisteren uitgezonden radiodocumentaire ‘Schrijft U dat maar gerust in Uw krant’ is sprake van ‘de verzegelde banden [cursivering van mij]’ waarop Büch zijn ontmoeting met Reve vastlegde. Eerder, elders ging het vaak over ‘de Reve-tapes’ – alsof het hier geheime opnamen betrof.

In de heisa over de uit de kluis van Bijzondere Collecties geviste opnamen, na vierendertig jaar vrijgegeven, is geen ruimte voor het droge feit dat er naast de verzegelde bandopnamen ook andere opnamen van het gesprek bestaan. Ik wist het, het staat allemaal in Boud (2016), maar ik liet me meeslepen.

Bij deze foto van Büchs lijffotograaf Klaas Koppe, die de ontmoeting tussen Büch en Reve vastlegde, begon het me weer te dagen. Er staan twee microfoons op tafel. Büch had, aldus Koppe in het bijschrift (mirror), naar Schiedam zowel zijn Nagra als zijn gewone cassetterecorder meegenomen. De verzegelde banden schonk Büch, getuige deze foto, op 13 juni 1984 aan bibliothecaris Ernst Braches. De andere bandjes nam hij mee naar huis.

Gewoon in de kast

Boudewijn Büch was dus geen slechte journalist. Al die opmerkelijke uitspraken in het meest spraakmakende interview uit zijn carrière, hoofdredactionele commentaren en ingezonden brieven uitlokkend, bleken gewoon te kloppen. Aan het eind van het negende hoofdstuk van Boud (2016) schrijft Eva Rovers, na de originele gespreksopnamen met de gepubliceerde tekst vergeleken te hebben, dat Büch geen van Reves uitlatingen had verdraaid. Tien dagen na de verschijning van de Büch-biografie werd dit voor de bühne bevestigd.

Krap twee jaar na het beruchte Reve-interview arrangeerde Büch een tweegesprek met Augusta (‘Guusje’) Buwalda-Slauerhoff. Gewapend met een bandrecorder bezocht Büch eind 1984 Slauerhoffs jongste zus, een toen 84-jarige dame in Haarlem. Büch was de eerste journalist met wie zij de herinneringen aan haar beroemde broer deelde. Op 8 januari 1985 zond VPRO Boeken het interview van een uur uit. Naar beproefd recept wist de journalist het verhaal tweemaal te verkopen: Vrij Nederland publiceerde op 9 februari 1985 ‘In gesprek met de zuster van Slauerhoff’, aan welk stuk Wim Hazeu in zijn biografie van J. Slauerhoff bepaalde details ontleent.

Het is niet moeilijk voor te stellen waar Büchs belangstelling voor Slauerhoff vandaan kwam. Ze waren allebei verslingerd aan eilanden. Slau en Boud hadden beiden een romantische inborst en een rusteloze natuur.

Tijdens het interview met Slauerhoffs zus werkt Büch geen vragenlijst af, maar zit hij gewoon gezellig bij Zusje Slau aan tafel. Terwijl de band loopt nuttigen de oude dame en de jonge journalist een broodje ham – ‘Mag ik ook kauwen?’, vraagt zij op een gegeven moment. Levensbeschrijvingen en poëtica boeien Büch niet. Hij zoekt naar het persoonlijke verhaal, vist naar intimiteiten en curiositeiten. En spreekt daar dan af en toe zijn verbazing over uit.

Twee van de grootste dichters [A. Roland Holst en Slauerhoff] van hun tijd blijken ’s middags een dutje te doen! […] U gelooft dat hij naar de hoeren is geweest?

Aldus informeert mevrouw Buwalda-Slauerhoff Büch over de stoeipartijen met haar broer, de stijve en strakke Hendrik de Vries, de dansschool van Darja Collin, het slappe handje van Constant van Wessem en over de boze brief van Du Perron die ze na de dood van broer Jan vond en verscheurde. Een rommelig interview dat barst van de human interest.

Slauerhoffs lievelingszus vertelt ook, ietwat getergd, dat zij zich over het boekenbezit van haar dichtende broer moest ontfermen. De boeken die uit Tanger waren meegekomen bleken nogal ‘verwaterd’ te zijn. Zij regelde wel dat alles netjes op de planken kwam te staan.  Ze verzorgde ook Slauerhoffs post, of hij nu in Nederland was of over de zeeën zwierf.

Waar ik niet altijd pakjes naartoe moest sturen. En als hij weer ergens anders woonde, vroeg hij me sokken [te sturen] of weet ik wat.

Nieuwsgierig is Büch naar een tastbare herinnering aan J. Slauerhoff. Helaas, deelt de zus mee, het was hun oudste broer Feije die van elke nieuwe publicatie van Slauerhoff een exemplaar kreeg. En dan stelt Büch de vraag die elke waerachtige bibliophiel zou stellen.

– U heeft dus geen boek met opdracht van uw broer?
– Ik wel. Twee, maar niet [in boeken] die hij geschreven heeft. Maar die ik van hem gekregen heb.
– Ja, maar geen eigen boeken dus.
– Nee. Ik heb wel boeken, van IJslandsche Visscher, en van Annie Salomons, dat hij dan schreef “met zestien jaar, huwbare leeftijd” en dat hij naar Amsterdam ging.
– En die staan hier gewoon ergens in de kast?
– Ja, die staan hier gewoon in de kast. Wat moet ik ermee? In een lijstje zetten?

Beide boeken hebben nog lang in de kast gestaan, in elk geval tot 1995, het jaar waarin Slauerhoffs zuster overleed. Het boekje Langs het geluk (1913) van Annie Salomons, dat Slauerhoff zijn jongste zus schonk op haar zestiende verjaardag, is nu boven water gekomen. Gewoon te koop. Het is niet uitgesloten dat de volgende eigenaar het inlijsten zal.

Prick vs. Prick

Eerst was er Rudie Kagies Boudewijn Büch, verslag van een mystificatie (2004), waarin voormalige vrienden van Büch als leugendetectoren werden ingezet. Toen verscheen Een andere Boudewijn Büch (2005), Harry Pricks overwegend liefdevolle terugblik op een vriendschap. En nu is er Boud (2016) van Eva Rovers. De twee laatstgenoemde Büch-kenners waren in de positie op hun voorganger(s) te reageren, tekortkomingen te constateren, met herzieningen en noodzakelijke aanvullingen te komen. Het hele Büch-discours: soms net wetenschap.

Toen Harry G.M. Prick aan zijn Büch-boek werkte, was het verslag van Kagie net verschenen. Enkele episodes uit Büchs leven lagen dus nog vers in het geheugen. In zijn memoires houdt de wijdlopige Prick zijn pas enkele malen in, om dankbaar naar Kagie te verwijzen. Zo legt Prick niet uit waarom Büch afwezig was bij de première van Komrijs toneelstuk Het chemisch huwelijk. In plaats daarvan geeft hij een paginanummer in Kagie op.

Tweemaal wast Prick Kagie de oren. Hij demonstreert Kagies slordigheid aan de hand van een op zeker drie punten verkeerd overgenomen citaat uit een column van Büch. En Prick rectificeert het verhaal dat Kagie in zijn boek afdraait over de bibliotheek van Jan Kamerbeek jr., die Büch geërfd zou hebben. Hij noemt dit een ‘nieuwe mystificatie’ van Kagie.

Eva Rovers is stelliger over Rudie Kagie. Ze schaart hem in haar biografie onder de journalisten die het enkel om Büchs ontmaskering ging. Kagie schiep, met hulp van anderen, een eendimensionaal beeld van Büch als charlatan en leugenaar. En Rovers corrigeert Kagie: Johan Polak stelde Büch nooit ‘ruimhartig’ een appartement ter beschikking, zoals ook Prick reeds vermoedde.

Prick wordt in Boud omschreven als de ‘goedgelovige’, ‘goeiige’ en ‘brave’ conservator, van wie Büch wel heel erg veel gedaan kreeg. Diens Büch-boek vindt Rovers ‘verhelderend’ en ‘zeer gedetailleerd’.

Dat egodocumenten niet altijd waarheidsgetrouw zijn, wist Rovers als ervaren biograaf ook wel. In het geval Büch moest zij bijzonder op haar hoede zijn. Diens dagboeken staan vol ‘autobiografictie’. Toen Prick nog voorbestemd was om Büchs Eckermann te worden, kreeg hij van zijn jonge vriend zelfs enkele dagboeken te leen. In zijn boek richt Prick zich een paar keer tot de toekomstige Büch-biograaf. Hij heeft bij voorbaat medelijden met hem:

[…] arme biograaf, die een oneindig aantal uren zal moeten uittrekken voor het, keer op keer moeizame, nagaan van het waarheidsgehalte van al de honderden verhalen [van Büch], vaak geheel verzonnen of op zijn minst sterk tot zeer sterk bijgekleurd.

Elders voorziet Prick dat de ‘beklagenswaardige’ biograaf de hulp in zal roepen van een ‘psycholoog of psychiater’. Het zal hem namelijk gaan duizelen van Büchs confidenties

wanneer over pakweg veertig jaar of daaromtrent Boudewijns brieven voor een dan opererende biograaf toegankelijk zullen worden.

Dat ‘veertig jaar’ was een erg optimistische schatting van Prick. Hij was blijkbaar vergeten dat hij Büch in een brief van 18 augustus 1974 de keuze had voorgelegd wat er op het omslag van de map met Büch-brieven moest staan: ‘na mijn dood te vernietigen’ of ‘gesloten collectie, niet eerder toegankelijk dan het jaar 2500’. Büch koos voor de tweede optie, schrijft Rovers tandenknarsend. De tragedie strekt zich uit tot noot 26 bij hoofdstuk 5 van Boud:

Uit diverse gesprekken met de huidige directeur van het Letterkundig Museum Aad Meinderts en met Pricks weduwe Lily Prick bleek dat aan dit embargo niet te tornen viel.

Honderden brieven van Büch aan Prick liggen dus nog eeuwen achter slot en grendel. Rovers moest het doen met de citaten uit Büchs brieven waarmee Prick zijn terugblik en zijn eigen brieven doorweefde.

Dankzij de carte blanche van de familie Buch en toestemming van Lily Prick kreeg Rovers wel inzage in de brieven van Prick aan Büch. Zij kon het verhaal van Pricks brieven – naar de letter en de geest – vergelijken met het verhaal in Een andere Boudewijn Büch. In het achtste hoofdstuk van Boud staat een prachtige confrontatie tussen Prick en Prick.

Harry Prick is de ‘schaduwschrijver’ van Büchs debuutroman De blauwe salon (1981): hij heeft het manuscript regel voor regel herschreven en met talloze alinea’s aangevuld. Rovers citeert Prick uit een brief aan Büch van 1 februari 1978, wanneer hij voor het eerst delen van de roman-in-wording heeft gelezen:

Met je roman voeg je een volstrekt oorspronkelijk schriftuur toe aan onze letteren. Heel wat bladzijden zijn klassiek in de beste zin van dat woord. […] Maar stilistisch zal ik streng zijn, meedogenloos streng. Het zijn grotendeels veelal “kleinigheden”, maar ze moeten gewied omdat ze afbreuk doen aan de rijkdom aan schoonheden en schitteringen van het geheel.

Zet daar tegenover Pricks oordeel over exact dezelfde teksten in Een andere Boudewijn Büch:

[…] het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Werken aan De blauwe salon, dát was nu juist een van die allervervelendste karweitjes waarmee Boudewijn een mens de dampen kon aandoen. Je werd, in dit geval op 31 januari 1978, opgezadeld met een stapel papieren […] waaraan, bladzijde na bladzijde, geen smaak of kraak viel te beleven.

Zelfs Harry G.M. Prick kon het niet laten een enkele keer de geschiedenis iets bij te kleuren.

De magie van het geschrift

In beginsel is de net verschenen Büch-biografie niet verrassend. Vanaf het eerste hoofdstuk van Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch (2016) staat vast welke kant het met de held van deze geschiedenis opgaat. Büchs vriendschappen en verhoudingen verlopen volgens een vast patroon van aantrekken en afstoten. Om de zoveel jaar vernieuwt Büch zijn kring van vertrouwelingen en moet hij zichzelf opnieuw uitvinden. Elke nieuwe Boudewijn lijkt een uitvergroting van de vorige.

Biograaf Eva Rovers introduceert in haar boek de academische term ‘autobiografictie’: wanneer een persoon authentieke gevoelens koppelt aan verzonnen feiten, waarop vervolgens autobiografische geschriften gebaseerd kunnen worden. Büch gaat zo ver dat hij de dood van de kleine blonde in zijn dagboek noteert. Van elementen uit andermans biografieën en autobiograficties maakt hij dankbaar gebruik. De liefde voor jongetjes leent hij van Jan Hanlo. Oorlogsthematiek en een Poolse vader vindt hij bij Sylvia Plath.

Het is niet moeilijk om Boudewijn Büch weg te zetten als iemand aan wie alles onecht is. Boud is niet het onthullende verhaal van een bedrieger. Rovers nuanceert en typeert.

In het eerste en tweede hoofdstuk komt Büchs grote en onvervalste talent aan de oppervlakte: vertellen. Uit de mond van een broer tekent Rovers op dat de jonge Boud de gangmaker van het gebroken gezin Büch was. Op zaterdagavond vertoonde hij op de muur in de woonkamer korte films die al jaren in huis waren.

Iedere keer voorzag hij ze van ander commentaar; hij kon zijn broers moeiteloos laten geloven dat een film over de Watersnoodramp eigenlijk ging over de koe die door de straten dreef.

Meer dan de fantast-in-wording is dit een voorbode van de van enthousiasme overlopende, vreemde feiten spuiende entertainer, die even betoverend over popmuziek en poëzie praat als een pak rijst aanprijst.

Het jongetje van tien dat wikkels van King-pepermunt spaart om de atlas van te kopen is de wereldreiziger en eilandgek in de dop.

Al even puur is Büchs liefde voor boeken. Van de overredingskracht van inkt en papier is hij zich al op jonge leeftijd bewust. In de loop van zijn leven vervaardigt Büch diverse boekwerkjes, helemaal zelf, meestal om iemand (m/v) het hof te maken.

In 1965 vindt de 16-jarige Lucy Noordman onder haar kussen de ‘1e en enige editie’ van Poezy voor jou, een door Büch op grote vellen uitgetypt boek, met romantische gedichten en tekeningen. In de aanloop naar zijn debuutbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs (1976) ontvangen enkele vrienden van Büch zelfgemaakte bundels met ‘liederen’ en ‘zangstukjes’, stuk voor stuk gedateerd en gesigneerd. Sommige zijn voorzien van een omslag van schuurpapier.

Sébastien doorschoten. Vijf liederen voor een putto heet het boekje waarmee hij in maart 1980 Bas Heijne verrast. Het jaar erop geeft hij Rimbauds sonnet ‘Voyelles’ uit in één uniek exemplaar. Alsof er achter Le Bateau Ivre een heus uitgeversbedrijf schuilgaat, meldt de begeleidende brief:

unica – zeldzame drukken – debuten
vraag de folder. wij zijn billijk in prijs en leveren snel

De magie van het geschrift. En Büch weet dus vroeg wat vormgeving voor een boek doet. Hij verlustigt zich aan parateksten. Voor typografie heeft hij blijkbaar ook altijd oog gehad. In 1975 wenst hij een Precisa 3000, en wel omdat deze schrijfmachine van die ‘wonderlijke asterisken’ produceert. (Zulke details, wel degelijk verrassend, kunnen er niet genoeg in een biografie staan.)

Van de DIY-boekjes is het maar een kleine stap naar The Blue Lavender Press, Sub Signo Libelli, Plim’s Drukkerijen, AMO, Duindoornpers, Salix Alba, Breukenpers, Regulierenpers – de private presses die Büchs gedichten en verhalen in iets grotere, maar nog altijd kleine oplagen fraaier aan de man weten te brengen.

In geen van beide categorieën valt het affiche You’re screaming blue murder (1978). Het is eigenhandig geproduceerd drukwerk, in het kader van de (verloren) liefde ook, maar dit gedicht verscheen in een oplage: iedereen mocht er deelgenoot van worden. Büch wenste een publiek. You’re screaming blue murder markeert de overgang van geknutsel op zolder naar verfijnd drukwerk, van de unica naar echte bibliofiele uitgaven. In Boud staat niets over deze poëzieposter; de reactie van Bernadette erop blijft verborgen. Een kleine omissie in een uitstekende biografie.

Bezwaarschrift

In de eerste twee afleveringen van zijn feuilleton was Eric J. Schneyderberg buitengemeen kritisch over de werkwijze en de publicaties van Eva Rovers. Daaruit kon worden afgeleid dat de oprichter van de Actiegroep Stop De Biografie niets te maken wilde hebben met de officiële biograaf van Boudewijn Büch. Het tegendeel is waar, blijkt uit de derde aflevering van wat nu ‘Wisselgeld’ (mirror) heet.

Eerder had Schneyderberg uitgebreid contact gehad met Rovers over de vriendschap tussen Büch en Gerrit Komrij, beiden goede bekenden van de antiquaar. Onlangs heeft Schneyderberg delen van de tekst van Rovers’ biografie toegestuurd gekregen. Over de weerslag van wat hij Rovers had verteld over allerlei kwesties tussen Büch, Komrij en hemzelf was hij niet tevreden.

Sinds een week of wat circuleert op de burelen van de Actiegroep Stop de Biografie een serie ter goedkeuring ontvangen teksten. […] Zoveel onzin en zoveel geknoei, alleen al op déze vier blaadjes

Schneyderberg zegt nu de ‘bevredigende reactie’ van Eva Rovers op zijn bezwaarschrift af te wachten.

Zure opmerkingen

Aan zijn feuilleton ‘Gatenkaas met billenkoek’ – voorheen getiteld ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’, nu omgedoopt tot ‘De hoedjes van Rimbaud’ – heeft antiquaar en Büch-intimus Eric Schneyderberg een nieuwe aflevering (mirror) toegevoegd.

Ik wil een mysterie!
Waar is dat mysterie?
Het motief van de biograaf, dat is een mysterie!

In ‘Boudewijn Büch, Gerard Reve en een vreemd artikel’ uit hij kritiek op een stuk dat Eva Rovers in 2015 voor het Tijdschrift voor Biografie schreef. Schneyderberg verwijt haar een mysterie omtrent het beruchte Parool-interview van Büch met Reve te scheppen door niet van het haar ter beschikking gestelde materiaal gebruik te maken. Ook zou zij in haar artikel niet de werkelijke reden van de breuk tussen Büch en Reve hebben weergegeven.

Tegenover de ‘zure opmerkingen’ van een oude vriend staat het nieuws dat Eva Rovers’ dikke boek officieel is aangekondigd. De door Schneyderberg gevreesde biografie zal Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch heten. Uitgeverij Prometheus brengt de eerste druk gebonden op de markt.

Mystificaties en falsificaties

In november 2016 verschijnt de biografie van Boudewijn Büch, waaraan Eva Rovers sinds september 2011 werkt. Daarvoor kreeg ze als eerste en enige toegang tot het volledige archief van Büch. Maar niet iedereen ziet reikhalzend uit naar het dikke boek over de dichter, televisiemaker en columnist.

Waarom moet, door middel van boeken, kranten, tijdschriften, radio, televisie, internet, etcetera de hele Nederlandse bevolking geconfronteerd worden met privézaken die zich pakweg dertig jaar geleden afspeelden tussen Boudewijn Büch en een stuk of twintig “vrienden”?

schrijft Eric Schneyderberg in de eerste aflevering van een, naar eigen zeggen, ‘vermakelijk feuilleton’. Zijn zojuist begonnen reeks heet ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’ (mirror) en is een initiatief van de Actiegroep Stop De Biografie, bijgestaan door de Stichting Laat Die Jongen Toch Met Rust.

Zou het niet beter zijn als deze mensen een eigen club zouden oprichten? De BOUDEWIJN BÜCH BEDROGEN VRIENDEN CLUB? In dat geval kunnen ze in hun clubblad – oplage twintig exemplaren, enkele stuks Hors Commerce toegestaan – hun ervaringen en herinneringen delen, elkaar de loef afsteken en wat al niet.

Schneyderbergs idee stamt uit 2004, maar in de aanloop naar de verschijning van Rovers’ biografie schiet de gedachte steeds vaker door het hoofd van de antiquaar. In een aan zijn oorspronkelijke stuk toegevoegde inleiding vermoedt Schneyderberg dat hij met zijn herhaalde oproep weinig vrienden zal maken. Hij stelt zijn ‘intimi’ nog zeven afleveringen in het vooruitzicht.

Over de vermeende pseudologia phantastica van Boudewijn Büch is al veel gezegd en geschreven. In 2004 liet Rudie Kagie in een biografische schets van Büch verschillende (voormalige) vrienden en geliefden aan het woord over het gefantaseerde leven van de schrijver. Een jaar later verscheen Een andere Boudewijn Büch van Harry G.M. Prick, die in 1984 zijn Wahlverwandtschaft met Büch abrupt in rook zag opgaan. Prick blikte in zijn boek terug op een intense vriendschap, maar stond ook stil bij Büchs ‘mystificerende trekken’.

Eric Schneyderberg was jarenlang Büchs hoofdleverancier van boeken, prenten en langspeelplaten. Hij werkte vanaf 1989 bij de antiquarische afdeling van De Slegte, stelde vier aan Büch gewijde verkoopcatalogi samen en verzorgde ook enkele luxe-edities van werk van Büch. Ze hielden wel van een geintje, Schneyderberg en Büch. Aan Kagie vertelde Schneyderberg dat ze bij het samenstellen van Büchs Verzamelde gedichten in 1995 ‘een paar literaire geschiedvervalsingen’ in de bundel hadden verstopt, waar zelfs redacteur Ernst Braches nooit van op de hoogte is gebracht.

Nee, ik ga niet zeggen waar die falsificaties uit bestaan. Laat anderen dat maar proberen te achterhalen.

Uit de te verschijnen Büch-biografie zal blijken of Eva Rovers die handschoen heeft opgepakt.

Draaikolk

De vriendschap tussen Boudewijn Büch en Cees Nooteboom is te reconstrueren aan de hand van interviews, brieven en opdrachtexemplaren. De laatste categorie is al goed gedocumenteerd, doordat Eric J. Schneyderberg in 1991 de opdrachten van Nooteboom aan Büch in een verkoopcatalogus van De Slegte heeft geciteerd. Het afgelopen jaar zijn vijf boeken van Nooteboom uit Büchs bezit, elk van een handgeschreven opdracht voorzien, in mijn boekenkast aanbeland. Daar staan ze naast Büchs gelegenheidsuitgave De Boekhandel (1985), vanwege de inscriptie op de titelpagina:

voor Cees [Nooteboom]
van de verdrinkingsdood
gered –
3 X 1985
boudewijn büch

De rechte haken in dit citaat zijn nu eens niet van de antiquaar, die een prijsopdrijvende provenance geeft, maar van de auteur zelf. Blijkbaar was Büch bang dat ik dertig jaar later aan Buddingh’ zou denken.

Voordat Eva Rovers in allerijl een heldhaftig hoofdstuk aan haar Büch-biografie toevoegt: de opdracht is dichterlijke vrijheid, een grapje of een kleine leugen. Zoals zovele van Büchs verhalen moet deze op schrift gestelde herinnering met een kilo zout genomen worden.

Eind juli 1985 bezocht VPRO-verslaggever Büch Cees Nooteboom op Menorca, waar de schrijver sinds de jaren ’60 een seizoen per jaar leeft en werkt. Op dit eiland schreef Nooteboom In Nederland (1984), en stukken van Rituelen (1980) en Een lied van schijn en wezen (1981). Maar meer is het Spaanse eiland te vinden in Nootebooms poëzie. De schrijver kan er, vertelt hij Büch, de rotsen aanwijzen die aanleiding waren voor een gedicht.

Op de radio deed Büch uitgebreid verslag van zijn ontmoeting. Na een helse klim van drie kwartier bereiken de Hollandse schrijvers de werkplek van Nooteboom. Die beweegt zich het hele jaar ‘als een idioot’ over de wereld, maar kan hier achter een muur van steen ongestoord zitten schrijven. ‘Is dit mooi? Het is meer een woestenij.’ Zo lokt Büch voor de microfoon een lofzang van Nooteboom op het eiland uit. Zee, strand, bos – en nergens is een mensenhand in te herkennen. Heel in de verte staan de resten van een Arabische wachttoren uit de tiende eeuw.

Op Nootebooms tweeënvijftigste verjaardag gaan de schrijvers een dagje naar het strand. Büch zit in het zand, Nooteboom gaat de zee in. En opeens is Nooteboom uit zicht. Büch denkt nog dat hij net om een rots aan het zwemmen is, maar het ging anders. Nooteboom, diezelfde avond:

Ja, Boudewijn. Het is een heel wilde zee vandaag, maar ik ken die plek daar heel goed. Dus ik was daar aan het zwemmen en ineens riep iemand mij, beduidde dat we niet verder kwamen. Ik had het helemaal niet in de gaten. Ik was krachtig aan het zwemmen, er waren hoge golven. Toen ik één vast punt in het oog hield merkte ik inderdaad dat ik heel langzaam achteruit ging. Ik zat in een soort draaikolk, had geen grond meer onder mijn voeten. Even dacht ik nog: hé, daar ga je. Een paar mensen op het strand, die vanochtend hetzelfde hadden meegemaakt, hebben me vanaf een rots met een stok en een touw eruit getrokken.

En al die tijd zat Büch naar die rots te kijken, wachtend tot Nooteboom erachter vandaan zou komen. Büchs reactie (microfoon open) is vol spanning en sensatie:

Je bent dus echt gered? Mocht ik dat hebben mogen meemaken? Ik zag het dus niet. Ik wist van niks. Sterven er hier ook mensen eigenlijk?

Tweede Boudewijn Büch-prijs uitgereikt

Op zaterdag 6 oktober is tijdens de Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair 2012 de Boudewijn Büch-prijs uitgereikt. Deze onderscheiding, bestemd voor degene die er het best in geslaagd is om een breed publiek voor het antiquarische boek te interesseren, ging dit jaar postuum naar de in juli overleden schrijver, dichter en bibliofiel Gerrit Komrij.

Voorafgaand aan de uitreiking ging Eva Rovers, Büchs biograaf, in gesprek met vier boekhandelaren over hun ervaringen met de bibliofielen Boudewijn Büch en Gerrit Komrij. Antiquaar Bert Hagen viste uit zijn archief een lange nota op, bestemd voor Büch. Achter de bedragen stond in handschrift: ‘opdelen’. Büch, die bij Hagen in zijn hoogtijdagen jaarlijks voor tweehonderdduizend gulden aan boeken kocht, wilde meerdere nota’s, omdat het belastingtechnisch beter uitpakte.

Piet van Winden herinnerde zich een bezoek van Gerrit Komrij aan zijn antiquariaat in Leiden. Komrij stond op het punt op terug te vliegen naar Portugal, had het honorarium voor zijn optreden al lang en breed aan boeken besteed, maar belandde toch in het ‘peeskamertje’ van Van Winden. Daar liet de antiquaar hem de net gearriveerde perkamenten Chaucer van de Kelmscott Press zien. Handelaar en verzamelaar waren dermate onder de indruk, dat er op dit memorabele moment champagne geschonken moest worden. Juist toen liep Komrijs partner, Charles Hofman, de winkel binnen. Toen hij Komrij en Van Winden met het kostbare boek voor hen, champagneglazen in de hand, zag zitten, sloeg de schrik hem om het hart.

De presentatie van Eva Rovers was intelligent en luchtig. Zij zorgde ervoor dat iedereen aan het woord kwam. Antiquaar Ton Kok vertelde dat Boudewijn Büch zijn zaak altijd zonder vooropgezet plan binnenstapte. De verzamelaar kocht wat hem aansprak of interesseerde. Kok maakte eens mee dat Büch achter een kast dook, toen Komrij het antiquariaat betrad. Blijkbaar wilde hij niet gezien worden. Wijzend naar de achterwand van de zaal, waar Klaas Koppe foto’s van Büch in zijn volle grachtenpand had uitvergroot, wist Kok zich te herinneren dat Büch hem toevertrouwde dat er in zijn huis heus wel plek was voor een vrouwspersoon. ‘Maar dan moet ze de koffers op de stoep laten staan.’

Veilingmeester Jeffrey Bosch verbleef een week in het Portugese huis van Komrij om er boeken uit te zoeken voor de veiling bij Bubb Kuyper. Er reed een zwaarbeladen vrachtwagen van Casa Branca naar Haarlem. ‘Komrij had vele deelverzamelingen: literatuur, kinderboeken, scatologie. Natuurlijk is niet alles geschikt voor de veiling, maar veel gelukkig wel, omdat Komrij oog had voor vluchtig en efemeer drukwerk, dat maar door weinig mensen bewaard is gebleven.’

Na de discussie volgde de plechtige uitreiking van de Boudewijn Büch-prijs voor Gerrit Komrij. Charles Hofman, Komrijs levenspartner, kreeg uit handen van Eva Rovers het beeld dat bij de prijs hoort: twee gestileerde, witte handschoentjes in een antiek glazen kastje. Dit object kon gerealiseerd worden dankzij De Boekenwereld. In zijn televisiereportages en bij Barend & Van Dorp trok Büch altijd handschoentjes aan als hij een zeldzaam of kostbaar boek ter hand nam.

Vervolgens overhandigde Suzanne Holtzer, hoofdredacteur van De Bezige Bij, het eerste exemplaar van Komrijs bundel Boemerang en andere gedichten aan een zichtbaar ontroerde Hofman. Tot slot beschreef Komrijkenner Onno Blom welke tactiek Komrij toepaste, wanneer hij in een antiquariaat een onopgemerkt topstuk ontwaarde. ‘Gerrit deed of zijn neus bloedde en ging rustig door met het maken van een grote stapel. Bij het afrekenen vroeg Charles hem, met tussen duim en wijsvinger het gewilde boek, nonchalant of “dat boekje” ook nog mee moest. Geen antiquaar die er acht op sloeg.’