Die catalogus-motten

De Litteraire Gids deed inderdaad wel heel erg aan Ter Braakbashing. En als het enigszins kon, kreeg Du Perron er in een moeite van langs. Gerben Colmjon deelde elke aflevering van zijn periodiek wel een verbale schop onder de gordel uit.

Maar de Forumianen slaan postuum terug. In hun briefwisseling becommentariëren de heren een recensie van Vestdijks Het Vijfde Zegel, die in De Litteraire Gids stond.

”Onze mindere rijmen’ hebben dan nu ook ontdekt, dat die Vestdijk een mahateloos [sic] door de critiek overschatte figuur is, en dat hij niets beteekent vergeleken bij… Feuchtwanger.’ (Menno ter Braak)

‘Die Colmjon en Verbraak verdienden eens goed op hun nummer te worden gezet. Kan je dat niet eens doen in Het Vad.? Maar met verachting, anders snijdt het geen hout. Inderdaad is Het Vijfde Zegel minstens even vervelend als Feuchtwanger’s hist. romans. Maar waar halen die boekbediendes het recht vandaan, uit te maken dat dit V.Z. V’s beste boek is? Kunnen zij dat zien, die catalogus-motten? Dergelijke knullen zijn het levend bewijs dat, zelfs om maar in de contramine te zijn en ‘gevestigde meeningen’ te ontmaskeren, men toch zelf iets moet zijn. Vraag dat eens, in ’t algemeen: waarop is de meening gebaseerd dat C. en V. een meening zouden hebben die ’t aanhooren waard is?’ (E. du Perron)

Met elkaar in strijd

Eerder beschreef ik de dubbele tong van Greshoff. De broodschrijver had voor het ene periodiek een lovende bespreking geschreven, terwijl hij in een andere krant hetzelfde boek hekelde. De ‘aartswinkellullen’ van het interbellum zetten Greshoff te kijk in hun blaadje, maar verder viel niemand over Greshoffs inconsequenties. Een week later was iedereen de affaire alweer vergeten. Dacht ik.

Maar Wim Hazeu citeert in zijn Slaubiografie deze passage uit een brief van J. Slauerhoff aan J. Greshoff:

‘Jany [Roland Holst] en ik [Slauerhoff] lazen in de Lit. Gids twee kritieken van jou lijnrecht met elkaar in strijd over ’t zelfde (fransche) boek. Als je ons een oplossing van deze puzzle zond, zouden wij blij zijn. Mocht er geen andere oplossing bestaan dan dat je overvoerd bent met werk, dan is ’t nog niet erg.’

Bloei in Leerstoelen

Begin 1940 werd Anton van Duinkerken aan de Leidse universiteit benoemd tot Vondelhoogleraar. In 1991 hield J. Bosmans in zijn inaugurele rede deze benoeming tegen het licht: het is misschien vooral een politieke keuze geweest.

De ‘aartswinkellullen’ (dixit Du Perron) Gerben Colmjon en Lex Verbraeck schreven, toen het nieuws hen ter ore kwam:

‘Bloei in Leerstoelen

Nu Anton van Duinkerken is aangewezen om een bijzondere leerstoel in Vondel te bezetten aan de rijksuniversiteit te Leiden, heeft August Heyting zich voor een Bilderdijk-professoraat en Du Perron zich voor één in Multatuli aanbevolen. Wij vernemen dat er ook reeds een adres circuleert (waarop reeds tienduizenden handtekeningen geplaatst moeten zijn) om Ter Braak een leerstoel in Vestdijk aan te bieden. Dit moet zelfs buiten de bescheiden geleerde zijn omgegaan, daar, toen hij het vernam, moet hebben verklaard, naar wij aannemen, dat hij, a priori, in de kolommen van Het Vaderland bevredigende gelegenheid heeft om Vestdijk te doceren (en voor Du Perron er bij, zelfs zó dat er af en toe nog ruimte voor anderen overschiet), en, a fortifiori [sic] alleen een leerstoel in Ter Braak ambieert, om plagiaat van zijn werk in nog wijdere kring bekend te maken.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 14, nummer 158 (april 1940)

Het café is amoreel

In het gekke krantje van Gerben Colmjon kom ik een hoogst originele beschouwing tegen over een onderwerp, waarvan het me verbaast dat daar niet al drie studenten op zijn gepromoveerd. Het artikel heet ‘Het café’ en is geschreven naar aanleiding van het verschijnen van Winner take nothing van Ernest Hemingway. Een citaat:

‘In de waardeschatting van onze Nederlandse onderwijzers en opvoeders (waartoe men het grote gros der romanschrijvers, om van de schrijfsters te zwijgen, moet rekenen) staat “het café” niet hoog genoteerd. Onze romankunst vereert de huiskamer, en deze acht men wel een schrille tegenstelling tot het café, dat het moet hebben van de uithuizigheid; waar de deugden, in de huiskamer gepropageerd, alle gevaar te duchten hebben van de dranklocaliteit (“het proeflokaal” fraai betiteld) met zijn lichtzinnige gesprekken, ruwe woorden, kaartspel en geldverliezen, zijn verleiding door de drank, slechte vrienden en soms door vrouwen; het verderf voor de werkman. De Nederlandse romankunst, verknocht aan de moraal, werpt zich daarom in de armen van de huiskamer, van het gezin; het café is amoreel. De kroeg kwam dan ook voornamelijk in onze letteren voor (ten tijde van het pessimistisch naturalisme) als plek van verwording, bij de didactici als waarschuwend voorbeeld.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 9, nummer 116 (april 1935)

Het pedante procédé

‘F. Bordewijk heeft in de roman “Karakter” (Nijgh & v. Ditmaar, 366 bladzijden, geb.) de Nederlandse litteratuur verrijkt met een aantal eigennamen. Katadreuffe heet de held van het verhaal; “deze naam op zijn Nederlands uit te spreken”, is de wens van de auteur in een noot op de eerste bladzijde. Verder maakt de lezer kennis met een juffrouw Sibculo, en een Lorna te George, een juffrouw Kalvelage, een advocaat Stroomkoning, een deurwaarder Dreverhaven, en meer dragers van kunstig geconstrueerde namen. Een onschuldige hobby van de schrijver, dit naamgekunstel, zal de goedige lezer zeggen. Dat is het echter slechts ten dele. Deze bizarre namen vormen een sprekend symptoom van een soort individualisme dat in onze letteren altijd welig heeft getierd: van de pedanterie. Natuurlijk treft men in deze roman ook andere uitingen van deze slepende ziekte aan. “In de lente begon Katadreuffe tekenen van vermoeidheid te vertonen,” lezen we op bladzijde 198.

“Zijn gestel was niet sterk na het vele pokken en mazelen van zijn jongste jaren. Zelfs zijn gebit, hoe onberispelijk, was zwak, de tandarts meende dat het kon samenhangen met te vroeg en te gewelddadig verlies van zijn dentitio prima, hem waren immers als kind bij een straatgevecht alle melktanden uitgeslagen.”

Zulk een alinea is niet alleen vrij dwaas, maar getuigt ook onverhuld van pedantheid in een ver stadium. De in dit ziektebeeld belangstellende lezer kan bij Bordewijk aan talloze passages te gast gaan. Pedanterie is te definiëren als de onbedwingbare neiging om het gewone en heel niet on-alledaagse te doen voorkomen als iets erg “aparts” en bijzonders. Deze definitie nu, wordt geheel gedekt door de roman “Karakter”. Het verhaal toont ons hoe de jonge Katadreuffe zich door een gestadige ijver en volharding opwerkt van jongste bediende tot meester in de rechten. Dat is kranig, we erkennen het gaarne, maar het heeft op zichzelf als gegeven van een roman niets om het lijf. De auteur moet het nog herscheppen tot iets dat ons lezers raakt. Hij kan dit op de vele beproefde wijzen doen, maar juist niet op de manier die Bordewijk kiest: het pedante procédé. Niet door romanfiguren die maar heel gewoontjes geconcipiëerd en oppervlakkig getekend zijn, te tooien met sierkunstige namen. Niet door hun in de grond zeer alledaagse eigenschappen, omstandigheden en gedragingen met een ongemotiveerde onderscheiding te bejegenen. Niet door van een gevreesd deurwaarder een Mussoliniaanse en fantastische dwangbevelenheld met Stravinsky-allures te maken.

Juist doordat “Karakter” de gewone roman dichter nadert dan een van Bordewijk’s vroegere werken, valt zijn pedanterie sterker op en maakt zij dit verhaal eerder tot een boek over de auteur-zelf dan over de jonge Katadreuffe. Dit mag dan door de andere pedanten onzer letteren als een prijzenswaardige eigenschap worden beschouwd; onze litteratuur heeft van Tachtig af tot en met Vestdijk heel wat schade aan dit extra-individualisme ondervonden.

Dat ook het laatste werk van Bordewijk een eind uitsteekt boven het gemiddelde peil onder romankunst behoeft overigens nauwelijks te worden vermeld.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 12, nummer 143 (oktober 1938)

Twee vreemde gevallen

Weten we het nog? In 1998 kwam Arjan Peters in opspraak, toen Joost Zwagerman in Vrij Nederland onthulde dat de criticus met twee maten had gemeten. In de Volkskrant had Zwagermans roman Chaos en rumoer in Peters’ ogen een ‘gebrek aan vaart’, terwijl hetzelfde boek in het reclameblaadje Six Books volgens Peters een ‘snelle stijl’ kende. Dat kan dus niet: boeken bejubelen die je een week eerder nog kraakte. Elsbeth Etty en Max Pam dachten er het hunne van. Peters kreeg een schrijfverbod.

In het letterkundige schoolkrantje van Colmjon en Verbraeck lees ik nu over een zeer vergelijkbare zaak, anno 1934.

Een vreemd geval
Er bestaat in Den Haag een op gezette tijden verschijnend blaadje “Zwart op Wit”, als reclame-orgaan gratis verspreid door de boekhandels Boucher en The Oriental Bookshop, én er bestaat daar een dagblad “Het Vaderland”. Van de redactie van het eerste maakt de heer J. Greshoff deel uit, aan het tweede werkt hij mee voor Fransch. Wij hebben in de heer Greshoff nu eenmaal nooit een criticus kunnen zien, en we gelooven, dat al degenen die hem in beide bedoelde organen over hetzelfde boekwerk “Les Lettres”, door René Groos, en Gonzague Truc hebben zien schrijven, voortaan op zijn oordeel weinig prijs meer zullen stellen.

In het 1 Juni-nummer van het reclame-orgaan toch heeft hij de volgende o[o]rdeelvelling, met zijn naam onderteekend, doen opnemen:

“Wat de litteratuurgeschiedenis betreft, moeten wij beginnen met een boek van René Groos en Gonzague Truc, genaamd “Les Lettres” (f 2.40) in de serie “Tableaux du Vingtième Siècle”, waarin vroeger reeds verschenen “Les Arts”, “Les Sciences” en “La Pensée”. Het boek van Groos en Truc bevat tal van wetenswaardigheden en tal van behartenswaardige opmerkingen. Men moet zich echter bij het bestudeeren daarvan steeds voor oogen houden, dat de schrijvers behooren tot de uiterst-rechtsche groep; dat heel hun leven en al hun geschriften daar het kenmerk van dragen en het getuigenis van zijn. Hun werk kan dus nooit gelden als een objectieve schets der verschijnselen. Wanneer men het echter gebruikt met het correctief van de eigen kritiek erbij, kan het groote diensten bewijzen.”

De critiek in “Het Vad.”, van 20 Mei, door Greshoff onderteekend, begint evenwel aldus:

“Dezer dagen ontving ik een overzicht van de nieuwe letteren in Frankrijk, dat zoo barok, slordig en onbetamelijk gemaakt werd, als géén soortgelijk boek mij bekend. Aangezien er veel reclame voor gemaakt wordt en het er, door vele portretten, zeer aantrekkelijk uitziet, haast ik mij om belangstellenden nadrukkelijk te waarschuwen. Wie “Les Lettres” door René Groos en Gonzague Truc (deel uitmakende van het “Tableau du 20ème Siècle; 1900-1933″; uitgave Denoël et Steele, Parijs 1934) koopt, komt bedrogen uit. Ik herinner mij niet een zoo schaamteloos slechtgemaakt boek ooit in handen te hebben gehad. Het schijnt dan ook, dat de heer Groos zich halverwegen uit de combinatie heeft teruggetrokken, omdat hij de verantwoordelijkheid voor de uitspattingen des heeren Trucs niet op zijn verantwoording durfde nemen. Alles in dit boek is infaam.”

De schrijver geeft hier meer dan een halve kolom voorbeelden van, vindt ten slotte dat aan 2 auteurs er in recht wordt gedaan, en besluit:

“Maar deze twee lofwaardige titels kunnen dit pamflet, waar de uitgevers zich mee geblameerd hebben, niet redden. Het is en blijft waardeloos om de hemeltergende partijdigheid en om de vodderige makelij. Men zij dus op zijn hoede.”

Niemand in de pers heeft de aandacht op deze aangelegenheid gevestigd, het oordeelen van de heer J. Greshoff op deze twee manieren vrijwel gelijktijdig; maar wij achtten het voor de standing van het litteraire leven alhier – hoe gering men daar wellicht over mode denken – noodzakelijk, dit geval te signaleeren. In het Nederlandsche litteraire leven blijkt veel mogelijk te zijn, en daarom zal de heer Greshoff er ook door déze zaak niet onmogelijk worden; of hij in breede kringen, waar men zijn woorden nog wel las, echter een sprankje van gezag zal overhouden, staat na deze aangelegenheid toch te bezien.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 8, nummer 109 (september 1934)

Greshoff geblameerd
De heer Greshoff heeft, in reactie op wat we de vorige maand signaleerden als een vreemd geval, er in Het Vad. de draai aan willen geven, dat hij in die courant een (vernietigende) “critiek” op het werk van Groos en Truc zou hebben geschreven, en tegelijk in “Zwart op Wit” een “verslag” van dit boek, dat volgens zijn mening aldaar “grote diensten kan bewijzen”. De Prov. Geldersche en Nijmeegsche Courant vindt de quaestie echter niet zo doodgewoon als Greshoff achteraf; zij oordeelt:

“We vragen ons af wat er van de waarde van de litteraire critiek overblijft, als dergelijke veranderingen van inzichten in de letterkundige kolommen mogelijk zijn. Voor het blaadje “Zwart op Wit” is deze aanbeveling van Greshoff trouwens een beleediging. We weten uit ervaring, dat in dit blaadje wel degelijk critiek mogelijk is en dat het geenszins enkel reclameschrijverij bevat.”

O.i. zou de heer Greshoff in de pers beter de lof kunnen zingen van wondermiddelen, verklarend dat hij bij het gebruik daarvan baat heeft gevonden – omdat toch iedereen dit humbug acht, kan hij er geen kwaad mee. Bij de litteratuur evenwel was men tot dusver geneigd, degene die voorlichtend optreedt een zekere mate van vertrouwen te schenken.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 8, nummer 110 (oktober 1934)

Twee monden, dubbele tongen, het is van alle tijden.

De Boekenweek

‘Morgen begint in heel den lande de “Week van het Boek”, een instelling waarvan het recht van bestaan het best wordt gekarakteriseerd door de vraag die de heer J. Versteeg [sic!] (een officiële functie innemend bij het bestuursapparaat van de Nederlandse Uitgeversbond en in dat van de Vereniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels) als titel aan de rede geeft welke hij op 1 April zal uitspreken: “Zijn er nog mensen, die niet lezen?” Met deze vraag is inderdaad met één slag de Week van het Boek veroordeeld; want ieder die een beetje met het boek te maken heeft, weet wel, dat er nog nimmer zóveel auteurs van naam gelijktijdig hebben bestaan, dat de uitgeverswereld de overige wereld nooit tevoren zó met een schat van boekwerken heeft bedacht. In het ene land is de productie groter en waardevoller dan in het andere – met name in ong eigen is er toevallig weinig bizonders aan de markt van eigen bodem – daar tegenover staan er, en wij denken hier allereerst aan Engeland met zijn keur van goedkope edities van hoogstaand werk en zijn laagstaand pond sterling – waarbij het een lust is de uitgeversprestaties gade te slaan.

De uitheemse boekenindustrie heeft zich over de gehele linie ingesteld op de nieuwe conjunctuur: veel goeds voor weinig gelds; het is een nieuwe aera in de cultuurgeschiedenis, in de waereldgeschiedenis, de opening van de tweede grote étappe sinds de uitvinding van de boekdrukkunst, dat het boek voor zúlk een lage prijs kan worden geleverd: de meer dan duizend gram wegende prachtig uitgevoerde, rijk geïllustreerde Phaidon-uitgave van 4 Mk 80, het meer dan duizend pagina’s tellende uitstekend gedrukte Book of Mystery van 3 sh.. 6 d. Wie heeft daar weerstand aan kunnen bieden?…. zijn er nog mensen die dat hebben kunnen doen?


Haast zou men behoefte krijgen, deze heugelijke overwinningen der techniek ten dienste van de cultuur te vieren door…. een “week van het boek”, maar we moeten bedenken dat vieren het doel niet is van de komende week, niet de voorlichting aangaande wat er verschijnt te perfectioneren, géén samenwerking met de dagbladpers te verkrijgen waardoor die pers geen uitgaven van een jaar geleden meer als nieuwe zou aandienen en de boekhandel, enige dagen tevoren ingelicht wélk werk een krant onder de aandacht wil brengen, bij het verschijnen van de critiek altijd het boek in huis zou kunnen hebben…. dat alles is de bedoeling van de boekenweek niet, maar alleen: de verkoop stimuleren, bepaaldelijk van Nederlandse uitgaven. En dit wel in een tijd dat de leeslust een onafwendbare inzinking vertoont doordat het voorjaar wordt en de natuur in jong en oud een onoverwinbare drang naar buiten doet ontwaken; precies op het tijdstip dat de uitgaven voor tennisclub, sportbenodigdheden, lentekleding volstrekt voorrang hebben. Mag men hierom de tijd, voor deze week van het boek vastgesteld, als de psychologisch allerongeschikste betitelen, en zou de eerste week van October een heel wat voor de hand liggender tijdvak zijn, allermerkwaardigst doet bij deze “feestweek” echter de omstandigheid aan, dat het publiek, althans het kopende, zich er vrijwel niet voor interesseert, terwijl de boekhandel, blijkens zijn vakpers, er niet veel anders dan teleurstelling ondervindt: onkosten om mee te doen, en onmiddellijk verminderde verkoop. Het is curieus, dat men er desondanks toch mede voortgaat.

En toch, er zou wel wat met een Week van het Boek, afgezien van de hiervóór gegeven aanwijzingen betreffende de zaken waarvoor men het niet opneemt, zijn aan te vangen. Mits het werd: een Week van de Boekverkoper. Een week waarin géén boeken worden verkocht, géén bestellingen binnenkomen, géén telefoon gaat. Waarin de boekhandel gesloten is, en ook de boekhandelaar naar buiten trekt, zonder de bezorgdheid over de gang van zaken in zijn afwezigheid, daar al het werk ter neer ligt.

In Frankrijk, te Parijs, kent men de “fermeture annuelle”. In het hartje van de zomer komt dit bordje op de ene winkel na de andere te hangen. De ene bakker vertrekt voor een week naar het land, de andere kruidenier gaat veertien dagen met de zijnen uit de stad, de derde slager verkoopt een hele maand geen vlees omdat hij in de bergen uitrust. De zaak is er voor mij, zegt men, niet omgekeerd.



Het bestaan van de boekverkoper is geen sinecure, en over te veel vrije tijd behoeft hij zich niet te beklagen, zeker niet in het winterhalfjaar. Zijn betrekking kan veel voldoening geven, maar eist een ongewone toewijding, is, met name in de steden zenuwslopend en een bedreiging van zijn gezondheid. Een Week voor de Boekverkoper, waarin géén boek verkocht wordt in het hele land, waarbij ieder weet dat het de jaarlijkse sluiting is – zoals verschillende uitgevers die al de eerste week van Augustus kennen – zou de werkkracht en frisheid van geest van alle vakgenoten ten goede komen, en hierom van vrij wat meer belang zijn dan de boekenweek van nu. Die over een week roemloos voorbij is, met slechts de herinnering aan niet geloond hebbende extra-werkzaamheden vor wie er aan mee deden.

Een Week voor de Boekverkoper, ideëel beschouwd de middelaar tussen schrijver en lezer, in de practijk het veelal schuldeloze stootkussen tussen uitgever en publiek. Uitteraard een publiek van gevoelsmensen, waarmee het niet altijd gemakkelijk vredehouden is; behalve dat, een dag- (en somtijds nacht-) taak van futiliteiten, overstelpend talrijk, en een correspondentie en administratie die hem dreigen te bedelven. Een Week voor de Boekverkoper, één in het jaar, waarin dat duizendvoudig gebruikte woordje b-o-e-k niet in zijn hoofd is…. een weldaad zou het voor hem zijn, die weer ten goede komen zou aan de verbreiding van…. het boek. Het Boek. Het Goede Boek. Het Boek; het boek.’

Uit: De Litteraire Gids, jaargang 9, nummer 115 (maart 1935)

Abonnement

Al het ge-ach en gewee over de literaire tijdschriften… Ik heb De Revisor maar opgezegd. De Tzum, míjn Tzum, is niet meer dan een ‘saai’ ‘clubblad’, zonder ‘een eigen gezicht’. Weten we dat ook weer.

Bij een handelaar in oud papier abonneerde ik me op De Litteraire Gids, het maandblad van Gerben Colmjon en Lex Verbraeck. Het abonnement is eenmalig: het gaat om 19 nummers, verschenen tussen september 1934 en mei 1940. Een welkomstgeschenk zat er niet bij.

Eén nummer is leuker dan zes jaargangen Raster.