Prick vs. Prick

Eerst was er Rudie Kagies Boudewijn Büch, verslag van een mystificatie (2004), waarin voormalige vrienden van Büch als leugendetectoren werden ingezet. Toen verscheen Een andere Boudewijn Büch (2005), Harry Pricks overwegend liefdevolle terugblik op een vriendschap. En nu is er Boud (2016) van Eva Rovers. De twee laatstgenoemde Büch-kenners waren in de positie op hun voorganger(s) te reageren, tekortkomingen te constateren, met herzieningen en noodzakelijke aanvullingen te komen. Het hele Büch-discours: soms net wetenschap.

Toen Harry G.M. Prick aan zijn Büch-boek werkte, was het verslag van Kagie net verschenen. Enkele episodes uit Büchs leven lagen dus nog vers in het geheugen. In zijn memoires houdt de wijdlopige Prick zijn pas enkele malen in, om dankbaar naar Kagie te verwijzen. Zo legt Prick niet uit waarom Büch afwezig was bij de première van Komrijs toneelstuk Het chemisch huwelijk. In plaats daarvan geeft hij een paginanummer in Kagie op.

Tweemaal wast Prick Kagie de oren. Hij demonstreert Kagies slordigheid aan de hand van een op zeker drie punten verkeerd overgenomen citaat uit een column van Büch. En Prick rectificeert het verhaal dat Kagie in zijn boek afdraait over de bibliotheek van Jan Kamerbeek jr., die Büch geërfd zou hebben. Hij noemt dit een ‘nieuwe mystificatie’ van Kagie.

Eva Rovers is stelliger over Rudie Kagie. Ze schaart hem in haar biografie onder de journalisten die het enkel om Büchs ontmaskering ging. Kagie schiep, met hulp van anderen, een eendimensionaal beeld van Büch als charlatan en leugenaar. En Rovers corrigeert Kagie: Johan Polak stelde Büch nooit ‘ruimhartig’ een appartement ter beschikking, zoals ook Prick reeds vermoedde.

Prick wordt in Boud omschreven als de ‘goedgelovige’, ‘goeiige’ en ‘brave’ conservator, van wie Büch wel heel erg veel gedaan kreeg. Diens Büch-boek vindt Rovers ‘verhelderend’ en ‘zeer gedetailleerd’.

Dat egodocumenten niet altijd waarheidsgetrouw zijn, wist Rovers als ervaren biograaf ook wel. In het geval Büch moest zij bijzonder op haar hoede zijn. Diens dagboeken staan vol ‘autobiografictie’. Toen Prick nog voorbestemd was om Büchs Eckermann te worden, kreeg hij van zijn jonge vriend zelfs enkele dagboeken te leen. In zijn boek richt Prick zich een paar keer tot de toekomstige Büch-biograaf. Hij heeft bij voorbaat medelijden met hem:

[…] arme biograaf, die een oneindig aantal uren zal moeten uittrekken voor het, keer op keer moeizame, nagaan van het waarheidsgehalte van al de honderden verhalen [van Büch], vaak geheel verzonnen of op zijn minst sterk tot zeer sterk bijgekleurd.

Elders voorziet Prick dat de ‘beklagenswaardige’ biograaf de hulp in zal roepen van een ‘psycholoog of psychiater’. Het zal hem namelijk gaan duizelen van Büchs confidenties

wanneer over pakweg veertig jaar of daaromtrent Boudewijns brieven voor een dan opererende biograaf toegankelijk zullen worden.

Dat ‘veertig jaar’ was een erg optimistische schatting van Prick. Hij was blijkbaar vergeten dat hij Büch in een brief van 18 augustus 1974 de keuze had voorgelegd wat er op het omslag van de map met Büch-brieven moest staan: ‘na mijn dood te vernietigen’ of ‘gesloten collectie, niet eerder toegankelijk dan het jaar 2500’. Büch koos voor de tweede optie, schrijft Rovers tandenknarsend. De tragedie strekt zich uit tot noot 26 bij hoofdstuk 5 van Boud:

Uit diverse gesprekken met de huidige directeur van het Letterkundig Museum Aad Meinderts en met Pricks weduwe Lily Prick bleek dat aan dit embargo niet te tornen viel.

Honderden brieven van Büch aan Prick liggen dus nog eeuwen achter slot en grendel. Rovers moest het doen met de citaten uit Büchs brieven waarmee Prick zijn terugblik en zijn eigen brieven doorweefde.

Dankzij de carte blanche van de familie Buch en toestemming van Lily Prick kreeg Rovers wel inzage in de brieven van Prick aan Büch. Zij kon het verhaal van Pricks brieven – naar de letter en de geest – vergelijken met het verhaal in Een andere Boudewijn Büch. In het achtste hoofdstuk van Boud staat een prachtige confrontatie tussen Prick en Prick.

Harry Prick is de ‘schaduwschrijver’ van Büchs debuutroman De blauwe salon (1981): hij heeft het manuscript regel voor regel herschreven en met talloze alinea’s aangevuld. Rovers citeert Prick uit een brief aan Büch van 1 februari 1978, wanneer hij voor het eerst delen van de roman-in-wording heeft gelezen:

Met je roman voeg je een volstrekt oorspronkelijk schriftuur toe aan onze letteren. Heel wat bladzijden zijn klassiek in de beste zin van dat woord. […] Maar stilistisch zal ik streng zijn, meedogenloos streng. Het zijn grotendeels veelal “kleinigheden”, maar ze moeten gewied omdat ze afbreuk doen aan de rijkdom aan schoonheden en schitteringen van het geheel.

Zet daar tegenover Pricks oordeel over exact dezelfde teksten in Een andere Boudewijn Büch:

[…] het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Werken aan De blauwe salon, dát was nu juist een van die allervervelendste karweitjes waarmee Boudewijn een mens de dampen kon aandoen. Je werd, in dit geval op 31 januari 1978, opgezadeld met een stapel papieren […] waaraan, bladzijde na bladzijde, geen smaak of kraak viel te beleven.

Zelfs Harry G.M. Prick kon het niet laten een enkele keer de geschiedenis iets bij te kleuren.

Journaal

Nergens worden zoveel deadlines gemist als in de boekenwereld. Uitgevers zweren bij een strakke planning: achterin hun prospectussen leggen ze lijsten met boektitels en verschijningsdata aan. Wat eenmaal gedrukt is, is waar. Toch wordt het verschijnen van een boek, om uiteenlopende redenen, vaak uitgesteld. Valt het mee, dan ligt het boek enkele weken te laat in de winkel; boekhandelaren halen er hun schouders over op. Valt het tegen, dan gaan er maanden overheen.

Twee maanden kunnen de geschiedenis ingaan als een jaar. De kunst is mijn slagveld werd in de aanbiedingsfolder van Atlas Contact aangekondigd voor november 2015. Maar in november was de selectie maar net afgerond, lag de inleiding in de kreukels, begon het naamregister bij ‘Alberti, Willeke’ en moest een rechtszaak nog afgewend worden. De brieven van Tepper verschenen pas halverwege de eerste maand van het volgende jaar in druk. Achter het copyrightteken staat voorgoed ‘2016’.

In juli 2012 stond er in The New Yorker een voorpublicatie uit de te verschijnen dagboeken van de Canadese schrijfster Mavis Gallant. Prachtige, zeer persoonlijke notities van een intelligente vrouw, straatarm, in een vreemde stad. Het eerste deel van The Journals of Mavis Gallant zou, las ik toen in een Canadese krant, eind 2013 of – waarschijnlijker – begin 2014 verschijnen.

De verschijning van het eerste deel werd ingehaald door het overlijden van de auteur, op 18 februari 2014. In een herdenkingsstuk in The New Yorker werd terloops gemeld dat de eerste selectie uit haar dagboeken volgend jaar zou verschijnen bij Alfred A. Knopf.

Toen 2015 op zijn einde liep, stuurde ik een wanhopige tweet de wereld in. Waar bleef dat mooie boek? Geen reactie van Knopf. Het dikke mannetje van Bertelsmann On-Line geeft heden als verschijningsdatum 3 november 2016. Uitgever: Bloomsbury.

Allen & Unwin (mirror), de uitgeverij die Bloomsbury in Australië vertegenwoordigt, gooit er in de officiële aanbieding een half jaar bij op. Het ISBN van The Journals of Mavis Gallant: 1952-1968 is nu ook bekend. Dit 13-cijferige getal koester ik in de tussentijd als een lot, waarvan ik weet dat de hoofdprijs erop zal vallen. In mei 2017 – of later, nog later.

Mavis Gallant was vorige week even trending topic, dankzij de lovende recensies van The Collected Stories, uitgebracht in de prestigieuze Everyman’s Library. Dit duizend bladzijden dikke boek staat in Amazons ‘Hot New Releases’ (mirror) momenteel op nummer 1 (hardcover) én nummer 2 (Kindle).

Niettemin vrees ik dat Gallants autobiografische proza, wanneer het ook verschijnt, hier te lande onopgemerkt zal blijven. Hoewel twee van haar verhalenbundels in een Nederlandse vertaling zijn verschenen – Zwevend in een luchtballon in 1992, Verloren stemmen een jaar later – is de belangstelling voor haar werk tot dusver minimaal. Hollandse critici zaten te slapen wanneer een nieuwe Gallant verscheen. Haar tweede roman A Fairly Good Time werd vriendelijk gesignaleerd in De Tijd.

Dat was in 1970.

Peseta’s

In The New Yorker van deze week staan fraaie fragmenten uit het dagboek van de Canadese schrijfster Mavis Gallant. Ze heeft in 1950 haar vaste baan in Montreal opgegeven om zonder bestemming door Europa te reizen, terwijl ze aan haar korte verhalen werkt. Ik ben zeer onder de indruk van haar observaties in Madrid, haar staccato beschrijvingen van het straatleven. Ze gebruikt de komma, zoals Menno Wigman dat ook zo goed kan, in combinatie met vijf perfect gekozen woorden. Dan vangt ze een idee of een situatie in een enkele zin.

At night the sky is deep indigo, the moon a piece of cold metal. Few city lights, and so it is almost a country sky. The sound of Madrid is a million trampling feet. Its smell is cooking oil. Everything tastes of it, even the breakfast croissants. This flat is awash in it. At lunch I saw a meal being prepared – a bath of oil with something sinister swimming inside.

Haar eerste verhaal verschijnt in 1951 in The New Yorker. Maar als het honorarium is verdampt, raakt deze jonge vrouw in verval. Ze verpandt haar kostbaarste bezit: een typemachine. Om maar te kunnen eten wisselt ze stilaan haar hele bezit (mantelpak, tweedjas, klok, boeken) in voor peseta’s. Ze slijt haar dagen in haar hoofd (‘this bird in my mind’ noemt ze haar roman-in-wording) en in het Prado (‘that small container overflowing with good things’). Na vier maanden Madrid heeft ze één setje kleren, geen zeep en haar dagboek.

Chose cinema over potatoes. I found myself watching the women’s clothes, drinking in their texture, appreciating every bite the actors put in their mouths. When one of the characters (because of some imbecility of plot) wore old clothes and pretended to be poor, I was furious and felt cheated, having chosen this over a meal. Now I really understand why the Italian poor detest De Sica and neorealist films, and why shopgirls like heiresses and read every line in gossip columns. I mean, I understand it, and not just intellectualy.

Volgens het colofon van The New Yorker is een uitgave van de dagboeken van Mavis Gallant in voorbereiding. I can’t wait.