Draaikolk

De vriendschap tussen Boudewijn Büch en Cees Nooteboom is te reconstrueren aan de hand van interviews, brieven en opdrachtexemplaren. De laatste categorie is al goed gedocumenteerd, doordat Eric J. Schneyderberg in 1991 de opdrachten van Nooteboom aan Büch in een verkoopcatalogus van De Slegte heeft geciteerd. Het afgelopen jaar zijn vijf boeken van Nooteboom uit Büchs bezit, elk van een handgeschreven opdracht voorzien, in mijn boekenkast aanbeland. Daar staan ze naast Büchs gelegenheidsuitgave De Boekhandel (1985), vanwege de inscriptie op de titelpagina:

voor Cees [Nooteboom]
van de verdrinkingsdood
gered –
3 X 1985
boudewijn büch

De rechte haken in dit citaat zijn nu eens niet van de antiquaar, die een prijsopdrijvende provenance geeft, maar van de auteur zelf. Blijkbaar was Büch bang dat ik dertig jaar later aan Buddingh’ zou denken.

Voordat Eva Rovers in allerijl een heldhaftig hoofdstuk aan haar Büch-biografie toevoegt: de opdracht is dichterlijke vrijheid, een grapje of een kleine leugen. Zoals zovele van Büchs verhalen moet deze op schrift gestelde herinnering met een kilo zout genomen worden.

Eind juli 1985 bezocht VPRO-verslaggever Büch Cees Nooteboom op Menorca, waar de schrijver sinds de jaren ’60 een seizoen per jaar leeft en werkt. Op dit eiland schreef Nooteboom In Nederland (1984), en stukken van Rituelen (1980) en Een lied van schijn en wezen (1981). Maar meer is het Spaanse eiland te vinden in Nootebooms poëzie. De schrijver kan er, vertelt hij Büch, de rotsen aanwijzen die aanleiding waren voor een gedicht.

Op de radio deed Büch uitgebreid verslag van zijn ontmoeting. Na een helse klim van drie kwartier bereiken de Hollandse schrijvers de werkplek van Nooteboom. Die beweegt zich het hele jaar ‘als een idioot’ over de wereld, maar kan hier achter een muur van steen ongestoord zitten schrijven. ‘Is dit mooi? Het is meer een woestenij.’ Zo lokt Büch voor de microfoon een lofzang van Nooteboom op het eiland uit. Zee, strand, bos – en nergens is een mensenhand in te herkennen. Heel in de verte staan de resten van een Arabische wachttoren uit de tiende eeuw.

Op Nootebooms tweeënvijftigste verjaardag gaan de schrijvers een dagje naar het strand. Büch zit in het zand, Nooteboom gaat de zee in. En opeens is Nooteboom uit zicht. Büch denkt nog dat hij net om een rots aan het zwemmen is, maar het ging anders. Nooteboom, diezelfde avond:

Ja, Boudewijn. Het is een heel wilde zee vandaag, maar ik ken die plek daar heel goed. Dus ik was daar aan het zwemmen en ineens riep iemand mij, beduidde dat we niet verder kwamen. Ik had het helemaal niet in de gaten. Ik was krachtig aan het zwemmen, er waren hoge golven. Toen ik één vast punt in het oog hield merkte ik inderdaad dat ik heel langzaam achteruit ging. Ik zat in een soort draaikolk, had geen grond meer onder mijn voeten. Even dacht ik nog: hé, daar ga je. Een paar mensen op het strand, die vanochtend hetzelfde hadden meegemaakt, hebben me vanaf een rots met een stok en een touw eruit getrokken.

En al die tijd zat Büch naar die rots te kijken, wachtend tot Nooteboom erachter vandaan zou komen. Büchs reactie (microfoon open) is vol spanning en sensatie:

Je bent dus echt gered? Mocht ik dat hebben mogen meemaken? Ik zag het dus niet. Ik wist van niks. Sterven er hier ook mensen eigenlijk?

Omzwervingen

Wanneer Cees Nooteboom in de jaren ’80 een nieuw boek publiceerde, dan stond de schrijver altijd een exemplaar af aan zijn vriend en fondscollega Boudewijn Büch. In Aas (1982), een bundel met veel filosofische gedichten over reizen en verre landen, schreef Nooteboom voorin deze regels, die een verschil in levenshouding benadrukken:

voor Boudewijn Büch
die niet van reizen
houdt,
van Cees Nooteboom
die veel moet reizen.
Cees N.
Asd. 11-10-82

De schrijver die tijdens zijn korte leven miljoenen Air Miles bij elkaar vloog en dertien televisieseizoenen vulde met reisprogramma’s, wilde niet altijd al naar het einde van de wereld. In het artikel ‘Tussen eerste druk en edelkitsch’ in De Boekenwereld 30/1 roept Eva Rovers in herinnering dat Büch begon als boekenkastreiziger: tijdens het schrijven van zijn eerste reisboek Eilanden (1981) had hij Nederland niet eens verlaten. Pas in 1982 maakte hij zijn eerste grote reis, samen met radiomaker Paul Aalbers, naar Nieuw-Zeeland, Tahiti, Fiji en Skiros. Pas toen begon Büch van reizen te houden.

In 1991 was zijn weerzin tegen ‘het literaire wereldje’ te groot geworden: Büch verkocht, via zijn vaste leverancier Eric J. Schneyderberg, zijn complete collectie Nederlandse literatuur. Daar waren talloze boeken bij die hij, getuige de vriendschappelijke opdrachten, van collega’s had ontvangen. Hij deed ook zijn Nooteboomen weg – de meeste, niet alle. Vier van deze bijzondere opdrachtexemplaren zijn, na omzwervingen, in mijn boekenkast aanbeland.

Toen Boudewijn Büch op 23 november 2002 overleed, bevond zich in zijn enorme bibliotheek een ongelezen exemplaar van de eerste druk van de Deense vertaling van Nootebooms bekendste roman. Drie weken voor zijn dood had Büch, vaste gast in de talkshow Barend en Van Dorp, het boek Ritualer (1987) nog voor de camera’s omhoog gehouden. Omdat de naam van de schrijver op het omslag consequent verkeerd was gespeld (‘Cess Noteboom’), zou deze druk nooit in de handel zijn gebracht, aldus Büch. Maar hij kreeg een auteursexemplaar cadeau met de opdracht:

voor Bodivan Bucc,
van Cess Noteboom,
Amsterdam,
28-10-87

Het was niet voor het eerst dat Nooteboom zijn naam verhaspeld had zien worden. Begin 1987 was hij een paar maanden Visiting Professor aan Berkeley, waar hij met studenten zijn werk besprak en hen onderwees over Nederlandse koloniale literatuur. Op een van zijn wekelijkse spreekuren, te midden van kasten vol – God betere – ‘Gotische Schillers en Goethes’, werd hij door ‘een getourmenteerde schrijver’ aangesproken met ‘Are you Professor Noetbaum?’

Noetbaum. Nussbaum. Noetboem. Noodebawm. Noddebom. Nobody. Ik tors die naam met me mee als een schat.

vervolgt Nooteboom in het reisverhaal ‘De tweede auto’, opgenomen in de bundel De wereld een reiziger (1989). Ook hiervan kreeg Büch een eerste druk met een inscriptie, die nu een Wahlverwandtschaft behelst:

voor Boudewijn
zelf eeuwige pelgrim
Cees,
Amsterdam
1 juni ’89

Tegenvoeter

Twee weken geleden schreef Arjan Peters in de Volkskrant een column over de verkoop van schrijversbrieven en -manuscripten. Jaap Goedegebuure had zijn paperassen van Jeroen Brouwers te gelde gemaakt bij het Letterkundig Museum. Theo Sontrop deed afstand van hem geschonken boeken, voorzien van een opdracht, zoals het eerste exemplaar van Nootebooms Rituelen (1980). Moraal van Peters’ verhaal: niet doen. Verkwanselde vriendschappen.

Toen ik in september beroepshalve een nieuwsbrief met uitgaven van A.L. Snijders rondstuurde, kreeg ik in de dagen erna enkele verontruste e-mails en zelfs een telefoontje. Of ik mijn boekenplank had verzilverd. ‘Lekker gecasht?’ In nummer 16 van de nieuwsbrief werd immers een handgeschreven opdracht van Snijders in De incunabel (1994) geciteerd: ‘Voor [X.]/ (de tegenvoeter/ van Marius 7)/ die niet kan/ autorijden,/ maar wel kan/ verzamelen./ Buddenbrooks/ jan 09/ (sign.)’. Dat kon niemand anders zijn dan die rijbewijsloze verzamelaar te Groningen.

Een ‘[X.]’ is blijkbaar niet niks. Vul zelf maar in. Mijn aanwezigheid in de Haagse boekhandel Buddenbrooks in januari 2009 valt niet te ontkennen. Ook heb ik toen een boek laten signeren. Dat was echter geen exemplaar van De incunabel – dat kreeg ik pas een jaar later te pakken. De sympathieke ‘tegenvoeter’ van Marius Zeven stond voor me in de rij.