Jaszak

Decennialang was het enig bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy (1951), het gestencilde debuut van Remco Campert, dat van Simon Vinkenoog. Hij werd niet voor niets beschouwd als de documentalist van een dichtersgeneratie. Toen Vinkenoog in 1963 op verzoek van het nieuwe tijdschrift Diagram zijn herinneringen aan de Vijftigers op schrift zette, vond hij in zijn archief ook zijn Ten Lessons with Timothy terug.

En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.

In september 2015 had ik er, na een speurtocht van vier jaar, nog drie gelokaliseerd. Ad den Besten had ooit een exemplaar toegestuurd gekregen, aartsverzamelaar Simon van Wouwe kocht een exemplaar uit een boekhandelsvitrine in Haarlem, en ten huize van Lucebert en Schierbeek vond Kees Groenendijk het zijne. Dit volmaakte kwartet stond centraal in mijn artikel voor het Campert-nummer van De Parelduiker.

De Parelduiker lag nog niet goed en wel in de boekhandel of er doken nog twee exemplaren van het absolute debuut van Remco Campert op. In het niet bijster gesorteerde archief van uitgeverij De Bezige Bij bleek een exemplaar te liggen. Giny Klatser-Oedekerk schreef me dat haar man en zij omstreeks 1952 voor f 2,50 bij de auteur een exemplaar hadden aangeschaft. Ooit had ze het uitgeleend aan het Letterkundig Museum, maar nu had ze het bundeltje weer in huis.

Omdat een half dozijn ook niet veel is, maakte René Franken in maart 2016 op de vloeistofduplicator een schitterende herdruk van Ten Lessons with Timothy.

Bij het lezen van de catalogus van de aanstaande veiling bij Bubb Kuyper viel ik, ter hoogte van kavel 1177, van mijn stoel. Er komt een tot dusver onbekend gebleven exemplaar van Ten Lessons with Timothy onder de hamer. Net als alle andere exemplaren is het in het colofon genummerd ‘een’ en gesigneerd door de auteur.

Desgevraagd laat veilinghouder Thijs Blankevoort weten dat de eerste eigenaar van dit exemplaar niet bekend is. Eigendomskenmerken, zoals een geschreven naam of een ex libris, heeft het te veilen exemplaar niet. Het is afkomstig uit een verzameling kunst en (clandestiene) letterkunde die ruim zestig jaar geleden is ontstaan; via vererving kwam het bij de huidige eigenaar terecht. Aan de beschrijving (mirror) kan Blankevoort het volgende toevoegen:

Het is duidelijk een exemplaar dat wat langer in gevouwen toestand heeft verkeerd en dat, gezien de vlekken en vlekjes, mogelijk langere tijd in een jaszak gebivakkeerd heeft.

Knap

In Offeren aan Mercurius en Minerva (1995), een boek met interviews en mémoires ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren, vertelt Max Schuhmacher dat zijn zus en hij het eigenlijk al jaren fout doen: hun catalogi zijn te goed. Schuhmacher geeft zijn jonge collega’s in het interview wijze raad:

Als wij een Achterberg-catalogus maken, wordt dat een verzamelobject voor de mensen en een reden om hun brandverzekering te verhogen. Maar het is niet stimulerend voor de mensen: wij laten te weinig ruimte voor de particulier. De particulier wil zélf zijn vondsten doen, zélf de illusie hebben van “wat ben ik knap”.

O, wat ben ik knap. Ik weet nog goed wanneer die gedachte zich voor het laatst in mijn hoofd nestelde. November 2012: ik zat in de trein de afdeling ‘Dutch literature’ van een veilingcatalogus uit te spellen. Onder ‘Minco, M.’ werden handgeschreven gedichten van Marga Minco en Nico Scheepmaker in een of andere jubileumuitgave beschreven. Ik had mijn lectuur al bijna voortgezet bij het volgende kavel, toen ik zag dat er aan matte Marga en nietige Nico een dichtbundel van ‘Harmsen van Beek, F. ten’ was toegevoegd: de debuutbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965). Het exemplaar had een paginagrote parel van een opdracht. Kippevel. Het kavelnummer 2398 graveerde ik meteen in mijn geheugen.

Met de nonchalance en beroepsmatige desinteresse van een oude antiquaar nam ik op de kijkdag het kavel onder de loep. Magere Minco en Saaie Scheepmaker sloeg ik over, de opdracht in Geachte Muizenpoot keurde ik goed, mij restte enkel ‘2 others by the same, both with autograph dedication signed “Fritzi”‘. Deze opdrachtexemplaren waren al even fraai. Op de Franse titel van Neerbraak (1969) stond in dat karakteristieke handschrift: ‘van/ Fritzi voor Coen en Greetje/ in de hoop op en met de/ quasi belofte van/ betere, mooiere, aan-/ sprekende verhalen/ van mij/ met liefs, liefs’. In Kus of ik schrijf (1975) had de dichteres op pagina 4 gepend: ‘Voor Coen en Greetje/ met al liefs van Fritzi/ (een opdracht, vlak onder de/ titel, leek me te absurd/ 29.1.76’.

Het zong rond in mijn hoofd. Knap, ik. Knap, ik. Niemand zou voor Fritzi bij Marga zoeken of kijken. Ik was een particulier geworden die zélf zijn vondsten deed. De richtprijs van het kavel was schrikbarend laag: 60-80 euro. Ik gaf het veilinghuis mijn bieding door met een maximum van 250 euro. Just to make sure.

Thuis zocht ik uit wie de met Fritzi bevriende ‘Coen’ geweest kon zijn. Ik had die drie bundels bij wijze van spreken al op de plank staan. Het moest wel de bankier en kinderboekenverzamelaar Coen van Veen zijn, de mecenas van vele kunstenaars. In 1971 kocht hij voor 8000 gulden het arbeidershuisje in Garnwerd waar Fritzi tot haar dood zou wonen.

Kavel 2398 werd een mislukking en een teleurstelling. Ik was onderbieder. Een andere knappe kop ging voor 275 euro met al dit moois aan de haal. Sinds die donkere dag in november heb ik geen opdrachtexemplaar van Fritzi gezien.

Kus, Arnon

Arnon Grunberg schrijft gekke dingen op titelpagina’s van boeken. Al in 2009 doken er in korte tijd bij verschillende handelaren boeken van Grunberg op, door de schrijver verrijkt met een zogenaamde handgeschreven opdracht aan Geert Wilders. Of Connie Palmen. Of Jörg Haider. Zelfs Jan Peter Balkenende moest eraan geloven.

Vanavond, een krap uur geleden, werden drie kavels Grunberg met curieuze opdrachtexemplaren verkocht op een veiling in Haarlem. Het is duidelijk dat Grunberg het genre opdrachtexemplaar nog steeds met verve ridiculiseert. In kavel 1707 (richtprijs 150-250, opbrengst 400 euro) zat, behalve een gecorrigeerde drukproef van Grunbergs laatste essaybundel Buster Keaton lacht nooit (2013), een vierentwintigste druk van De asielzoeker (2012) met een nogal pikante opdracht aan Willem Holleeder.

De daaropvolgende kavel met vijf opdrachtexemplaren (richtprijs 100-150, opbrengst 110 euro) bevatte twee liefdevolle opdrachtexemplaren van Grunberg aan collega Cees Nooteboom. In Euforie (2013) van Christiaan Weijts noteerde Grunberg: ‘Voor Cees N. Jij krijgt die prijs. Maak je niet druk. Jij verdient hem, alleen al vanwege je mooie mond. Kus, Arnon’. Ik denk niet dat Nooteboom deze exemplaren ooit heeft gezien.

En in De receptioniste (2012) flirtte Grunberg met onze nieuwe koning, zonder de koningin af te vallen: ‘Voor Maxima. Ik geef de voorkeur aan je man maar jij mag er ook zijn’.

Overigens beschreef Pieter van Os afgelopen vrijdag in NRC Handelsblad een kleine fittie tussen Grunberg en Bijzondere Collecties van de UvA naar aanleiding van de veiling van genoemde gecorrigeerde drukproef uit 2013. Sinds 2011 beheert Bijzondere Collecties het archief van Grunberg, met diens typoscripten, agenda’s, notitieboekjes en promotiemateriaal. Een prachtig, ‘levend’ archief ten behoeve van onderzoekers en studenten. Hoofdconservator Garrelt Verhoeven was vanzelfsprekend niet blij toen hij ontdekte dat de drukproef niet naar Bijzondere Collecties, maar naar de hoogste bieder zou gaan.

Ik hoop, voor de wetenschap, dat Grunberg fotokopieën van zijn drukproeven maakt.

W.F. Hermans: ‘inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp’

Verliefd op dat leuke meisje van de boekhandel. Vroeg of laat overkomt het elke bibliofiel. Aan het begin van zijn schrijversbestaan had Willem Frederik Hermans het flink te pakken.

In 1944 moet Hermans, tijdens een bezoek aan het kantoor van de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever A.A. Balkema, door de bliksem zijn getroffen. Een vrouwelijke medewerker, begin twintig, schrijft een nota voor Hermans uit en zet meteen zijn hart in brand. Aan een vriend, de dichter Adriaan Morriën, vraagt Hermans om een ontmoeting te arrangeren. Het gebeurt niet. Bijna een jaar later, op 6 en 15 april 1945, schrijft Hermans twee lange liefdesbrieven aan Elly Freem.

‘Brieven aan een onbekende zijn mij een gruwel. Brieven van onbekenden ook, want ik ontvang ze nooit. Waarom ik u schrijf, vereischt dus toelichting en bewijsvoering dat u mij niet onbekend bent.’ In de eerste brief kleedt Hermans zijn verzoek tot nadere kennismaking omstandig in. Op een hoogdravende toon probeert Hermans de jongedame van zijn goede bedoelingen te overtuigen: ‘Als gramschap U bevangt, zal het mij aangenaam zijn wanneer die alleen mij treft; ik raak in geestdrift voor alles wat mij treft en tot u behoort. Maar waarom? Niets ligt mij verder dan een aanval op uw sereniteit. De eenige sereniteit welke in gevaar verkeert, is die van mijzelf en zelfs dat is niet mìjn schuld….’

Elly Freem antwoordt afwijzend. Haar affaire met de criticus D.A.M. Binnendijk wil ze niet op het spel zetten. Ze valt bovendien op oude(re) mannen: Binnendijk is bijna twintig jaar ouder, Hermans is zelfs een jaartje jonger dan zij.

Maar Hermans (‘inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp’) geeft zich niet gewonnen. Zijn tweede brief is ronduit lyrisch: ‘Wat zal ik zeggen over de ervaring? Ervaring is een bedekking en een vervlakking, waarmee de ouderdom zich maskeert als een park met herfstblaren, die immers alles één toon geven, de parken, de paden, de spiegels der vijvers zelfs. (…) Ervaring maakt hard. De vereelte hand is ervaren en er zijn mannen die van het vele zoenen eelt op hun lippen hebben gekregen. (…) Ervaring is een geestelijke verstarring, routine. Het meest ervaren wezen is de machine die op alles wat hem wedervaart feilloos, doch zonder variaties, reageert.’

Tja. In zijn belangrijkste boeken is de Tweede Wereldoorlog een groot thema, maar in de dagen rond de bevrijding van Nederland was de schrijver zelf druk bezig een meisje te versieren. Ik verheug me op de contextuele aanmerkingen van Willem Otterspeer in De mislukkingskunstenaar, het nog te verschijnen eerste deel van zijn Hermans-biografie. Otterspeer moet al langer van deze mislukte versierpoging op de hoogte zijn; het Letterkundig Museum bewaart drie (andere) brieven van Hermans aan Freem, eveneens uit 1945. De handgeschreven liefdesbrieven, waaruit hierboven is geciteerd, worden eind mei in Haarlem geveild. De inzet is 1500 euro.

De beoogde bemiddelaar Adriaan Morriën herinnerde zich later: ‘Hermans heeft erg achter Elly aan gezeten’. Ook een collega van Elly Freem wist de hevige verliefdheid van Hermans nog te memoreren: ‘Hij bracht eens een prachtige bloem voor haar mee; een soort vogelbek, een tropische plant. Een stille hommage; het was een sombere minnaar; uit de verte. Elly was een beroemde schoonheid in Amsterdam; voor haar viel iedereen’.

Hermans’ bewogen brieven haalden niets uit, hoewel juffrouw Freem en hij in oktober 1945 eenmaal op date gingen. Twee jaar later trouwde Elly Freem met Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1950 vroeg de schrijver Emmy Meurs ten huwelijk – met succes.