‘Een onverstoorbare originaliteit’

I

Nanne Tepper was verslaafd aan brieven. Hij begon de dag met het schrijven van brieven, ‘om polsen en kwabben los te maken’. Na zijn dood in 2012 bleek dat hij, behalve de auteur van drie romans en een bundel prozastukken, ook de schrijver was van duizenden brieven. In de papierchaos van zijn schipperswoning aan het Noorderplantsoen in Groningen werden niet alleen vele aan hem gerichte brieven aangetroffen, maar ook meters rollen uit zijn matrixprinter en stapels fotokopieën van eigen brieven. Hij had zijn brieven altijd bewaard, in tegenstelling tot andere ongepubliceerde teksten – tot twee keer toe had hij vuilniszakken vol manuscripten en typoscripten aan de straat gezet.

Hij dronk brieven ‘als ooit eens Black Jack’. Van zijn correspondenten verlangde hij eigenlijk per omgaande antwoord. De brievenbundels van Flaubert, Kerouac en Poesjkin verslond hij en het was zijn ultieme droom om met Gerard Reve in correspondentie te treden. In zijn fictie paste hij meer dan eens de brief toe als literair procedé. In De avonturen van Hillebillie Veen citeert Veen het ‘onbetaalbare velletje’ dat zijn grote liefde hem stuurde als zestienjarig meisje. Het derde boek van De eeuwige jachtvelden, dat bestaat uit correspondentie tussen de hoofdpersonen, vond Tepper zelf het beste deel.

Zakelijk of puntsgewijs een brief beantwoorden deed hij zelden. Meer dan papieren tweegesprekken zijn deze brieven uitgelokte monologen – hij had maar een kleine voorzet nodig, een kattebelletje paste niet bij zijn karakter. Bij het kennismakingsgesprek met zijn uitgever en zijn redacteur was hij meteen uren aan het woord. De brief, zonder sociale conventies of adempauzes als beperking, was het ideale communicatiemiddel.

Een zekere noodzaak was er ook. In 1992 had Tepper de kroeg en de drank afgezworen, het nachtleven en de drugs vaarwel gezegd, en gekozen voor een burgerlijk leven in isolement: thuis achter zijn schrijftafel. Zijn vriendin Sonja, met wie hij toen ruim tien jaar samen was, steunde hem. Schrijven deed hij al vanaf zijn achttiende jaar, nu kwam het erop aan te publiceren. Tepper is, naar eigen zeggen, belachelijk geïnspireerd en verschrikkelijk ambitieus. Zijn goede vriend Klaas Koetje leent hem een paar afleveringen van het literair tijdschrift de Biels. Kort daarna vangt Tepper met de Biels-redacteur Marc Kregting een briefwisseling aan, resulterend in zijn allereerste publicatie: het verhaal ‘Fuck ‘Em All!’. Kregting is ook de eerste die met de post flarden van De eeuwige jachtvelden ter beoordeling ontvangt.

Al snel weet Tepper een kring kritische lezers om zich heen te verzamelen, een ‘Rode Stiften Kliek’, die zijn proza van commentaar voorziet. Onder hen zijn de Nijmeegse literatuurwetenschappers Wilma Siccama en Jack van der Weide, en de neerlandici Jos Joosten en Anja van Kessel. Later nemen tijdschriftredacteuren Atte Jongstra en Kees ’t Hart de rol van kritische meelezer over. Aan hen schrijft hij vaak over de worsteling met zijn werk. Zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden slaat in 1995 in als een bom. De lovende recensies zijn niet aan Tepper besteed: de afkeer van ‘Luiletterland’ neemt toe, interviews hekelt hij, publieke optredens weigert hij te geven. De verschijning van de moeizaam tot stand gekomen romans De avonturen van Hillebillie Veen en De vaders van de gedachte wordt in 1998 niettemin breed uitgemeten in de media. De depressies, die hij eerder telkens de baas was, worden grimmiger; angst en paranoia overvallen hem steeds vaker. In de brieven aan Geerten Meijsing, eveneens lijdend aan depressies, komen ook de ‘gecrashte kwabben’ aan de orde – al laat Tepper nooit het achterste van zijn tong zien.

Van lieverlede worden zijn correspondenties vrijwel het enige contact met de literaire wereld. In 2000 komt hij een zware depressie nauwelijks te boven. Op den duur maakt zijn verslechterde toestand het hem onmogelijk nog romans en brieven te schrijven. Zijn productie beperkt zich tot columns en recensies. Met de meesten van zijn penvrienden is in 2003 het contact verwaterd of verbroken.

In 2008 verschijnt De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke, maar het gros van de stukken daarin dateert al van voor de eeuwwisseling. In zijn hoofd blijven de verhalen ontstaan, maar hij krijgt ze niet meer op papier. Op 10 november 2012 kiest hij voor de laatste, door hem vaak met scherts besproken uitweg.

II

Nanne Tepper heeft rekening gehouden met de postume publicatie van zijn brieven. In een vroege brief merkt hij al op:

Mocht mijn roman stranden aan de poort van Het Singel, dan moet men, nadat ik mij vakkundig heb opgeknoopt, mijn correspondentie maar eens gaan verzamelen en uitgeven; krijg ik toch nog mijn Dikke Boek.

Soms bladert hij door zijn aandeel in verschillende briefwisselingen om te concluderen dat elke correspondentie ‘een onverstoorbare originaliteit’ heeft, ‘een eigen toon, telkens weer, geheel gerelateerd aan de persoon aan wie de brieven gericht zijn’.

Daar is geen woord van gelogen. In brieven aan de debutant is Tepper de docent die afkraakt en aanmoedigt. Met jonge vrouwen speelt hij het spel der verleiding, altijd hengelend naar intieme details en expliciete foto’s. Tegenover de gepromoveerde wetenschapper stelt hij zich op als de dwarse denker die weliswaar ‘enkel lagere school’ heeft afgemaakt, maar die toch echt beter tussen de regels door kan lezen. Zijn adressanten ontvangen zowel filmbesprekingen als landschapsbeschrijvingen, voetbalverslagen en liefdesbetuigingen aan pubermeisjes, kruistochten en literatuurcolleges, pastarecepten en songteksten, conferences en tirades – veel tirades, want Tepper is ‘kwaad geboren’. Om cruciale kleinigheden kan hij ontploffen. Zo moet de eerste oplage van het omslag van De eeuwige jachtvelden op zijn vlammende verzoek worden vervangen, omdat een redacteur het woord ‘insect’ in de flaptekst heeft aangepast aan de nieuwe spelling – wat niet het gewenste anagram oplevert.

Soms is de toon in zijn brieven bewonderend, dan weer weemoedig, soms cynisch, dan weer jolig. Altijd gaat Tepper er vol in. De introductie van Prozac ter bestrijding van zijn depressiviteit en slapeloosheid zorgt in 1996 evenwel voor een stijlbreuk: zijn brieven worden minder wijdlopig, zijn zinnen minder meeslepend. Verbazingwekkend is dat hij zijn humor en zelfspot behoudt: de van Wim T. Schippers geleende flauwiteiten en verhaspelingen van schrijversnamen blijven maar komen.

Het leven van Nanne Tepper stond volledig in dienst van de kunst. Schrijven was zijn afmattende en opwekkende dagtaak. Alle muziek en literatuur nam hij ernstig, met bijna religieuze volharding, tot zich: een slecht boek of een matig concert vatte hij op als een persoonlijke belediging. De schrijver doet belijdenis in vijf indrukwekkende brieven aan de theosoof Louis Geertman. En uiteindelijk vinden alle voor dit boek geselecteerde brieven hun oorsprong en hun afloop in de kunst. Ze weerspiegelen dagdromen van ongeschreven verhalen en niet-opgerichte tijdschriften, ze werpen licht op de ontstaansgeschiedenis van romans en geven inzicht in een zuiver kunstenaarschap, dat niet besmeurd mocht worden met banaliteiten als schrijverscafés en literaire prijzen.

III

Hoewel dit boek een periode van slechts negen jaar bestrijkt, komt het hele leven van Nanne Tepper aan bod: zijn eerste schoolpleinliefje, de teleurstellende lerarenopleiding, het legendarische optreden met zijn band, de ontdekking van de literatuur. De schrijver kwam ter wereld in Hoogezand, groeide op in Veendam, maar had het geheugen van een Rus.

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Net als in zijn fictie is herinneren een belangrijk thema in zijn brieven. Heimwee is, volgens Tepper, een aangeboren aandoening bij Oost-Groningers. Hij was een meester in terugblikken en herbeleven: als hij aan het woord is, is het vaak het geheugen dat spreekt.

Dat verklaart ook zijn fascinatie voor Vladimir Nabokov, wiens portret boven Teppers werktafel hing. Met deze schrijver bleek hij de zinnelijke beleving van het eigen verleden gemeen te hebben en een gevoeligheid voor oude kleuren en geuren te delen. In een reeks brieven geeft Tepper onnavolgbare analyses van Nabokovs proza. De onvermijdelijke liefde tussen Van Veen en zijn zus Ada uit Nabokovs incestroman Ada or Ardor: A Family Chronicle verwerkte hij in De eeuwige jachtvelden. In zijn brieven speelt hij een mythologisch spelletje door Sonja consequent ‘zusje’ te noemen, maar tegelijk drukt hij daarmee een verbondenheid uit die dieper gaat dan de gekozen band tussen geliefden. De naam die hij zijn huis in de Groningse wijk De Oosterpoort gaf ontleende hij aan de familiehoeve in Ada.

De gesprekken met zijn psychiater, de bezoekjes aan de hifizaak en andere ‘ervaringen in de tegenwoordige tijd’ weet hij vaak met smaak en virtuoos samen te vatten. Dankzij de brieven is het mogelijk verbanden te leggen tussen gebeurtenissen in zijn privéleven en ontwikkelingen in zijn werk. Maar omdat de schrijver nooit heeft uitgesloten dat zijn brieven in druk zouden verschijnen, zal hij veel ongenoemd hebben gelaten. Dit is vooral Teppers weergave van de werkelijkheid. De beleving van ‘een overgevoelige natuur’ hoeft niet per se historisch juist te zijn. Daarom is ervoor gekozen om niemand te vervelen met voetnoten, die de verslavende vaart van het boek alleen maar zouden verminderen. In de compositie van deze uiterst persoonlijke geschiedenis was geen ruimte voor verwijzingen naar krantenkoppen en hitlijsten: een chronologie en een correspondentenlijst volstaan.

De kunst is mijn slagveld is een zelfportret, geen autobiografie. Of zoals Teppers alter ego in De avonturen van Hillebillie Veen van zijn vriendinnetje te horen krijgt:

Ik weet het niet hoor, maar in je brieven ben je iemand die ik niet ken, zo lijkt het wel, of… Ben je nu iemand die ik niet ken maar die je in je brieven bent?

 

Dit is de inleiding van Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001 (2016). Lees hier de loftuitingen, bestel hier het boek.

Groene giro-envelop

Van de duizenden brieven die A. Marja in zijn korte leven moet hebben geschreven zijn er naar schatting nog driehonderd overgeleverd. Het gros ligt in de geklimatiseerde kelders van het Literatuurmuseum, maar er zijn er ook nog wel bij particulieren te vinden. Mijn eerste, door een jonge A. Marja ondertekende brief schafte ik aan op 27 november 2007 bij het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Nummer 77 uit catalogus 32.

Inmiddels ben ik tientallen originele brieven rijker. Handgeschreven kattebelletjes en lange, op rijm gestelde epistels uit de schrijfmachine. Enkele brieven kon ik na lang speuren traceren bij correspondent of nabestaande, maar voor de meeste was ik aangewezen op het antiquariaat.

De handel in handschriften van Nederlandse literatoren kwam tot bloei in de ‘roaring eighties’ (Buijnsters). Antiquaren als Willem Huijer, Max en Wilma Schuhmacher en Piet van Winden specialiseerden zich (ook) in manuscripten. Zaken als Demian, Fokas Holthuis en Hinderickx & Winderickx kwamen er in de negentiger jaren bij, met in het aanbod altijd wel een manuscript en ook volledig aan handschriften gewijde catalogi. Soms was daar een door Marja aangeraakt velletje papier bij.

De dichter zelf heeft ook in handschriften gehandeld, blijkt nu uit J.B.W.P. Het leven van Johan Polak (2017) van Koen Hilberdink. Polak en Marja kenden elkaar van het tijdschrift Cartons voor Letterkunde (1959-1962), waaraan de een als redacteur verbonden was en de ander poëzie en proza afstond. (Polak & Van Gennep zou in 1963 de elfde en laatste uitgeverij zijn die nieuw werk van A. Marja uitbracht: de dichtbundel Van de wieg tot het graf.)

Arme dichters wisten Johan Polak, de miljonair met een manuscriptenmanie, wel te vinden. Simon Vinkenoog en Gerard Reve verkochten delen van hun inkomende en uitgaande correspondentie voor harde guldens aan verzamelaar Polak. De immer in geldnood verkerende A. Marja vulde Polaks ‘bibliofiele archief’ aan met aan hem gerichte brieven van Nel Noordzij, Koos Schuur en Hendrik de Vries. Hilberdink citeert in zijn Polak-biografie Marja’s dankbrief van 4 augustus 1960:

Vanmorgen werd mij een groene giro-envelop nagezonden, waaruit ik jouw waarlijk christelijke (d.w.z. in wezen joodse) naastenliefde kon konkluderen.

De handel in aan A. Marja geadresseerde brieven is echter eerder op gang gekomen. De eerste verkoopcatalogus waarin aan Marja gelieerde manuscripten werden aangeboden dateert van 1954. Het Arnhemse antiquariaat Gijsbers & Van Loon bood in Lilliput 31, hun bekende gestencilde catalogus, een ‘verzameling brieven en gedichten van Nederlandse letterkundigen, gericht aan de schrijver A. Marja’ aan. Twaalf in getal, uit de periode 1936-1944, waaronder brieven van Blaman, De Mérode, Nijhoff en Vestdijk.

De Koninklijke Bibliotheek kocht de collectie, waardoor deze brieven voorgoed buiten het bereik liggen van de kooplustige particuliere verzamelaar. ‘Ter inzage’: aanraken, lezen en besnuffelen kan wel, maar de brieven moeten voor sluitingstijd worden afgegeven bij de baliemedewerker.

Een echt antiquariaat

De handel in tweedehands en antiquarische boeken nam een vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Piet J. Buijnsters verklaart in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) waarom juist tweedehands boeken zo gewild werden: door de instelling van een censurerende Nederlandsche Kultuurkamer en sterke papierrantsoenen verschenen er aanzienlijk minder nieuwe boeken. Op boekenmarkten en bij antiquariaten konden leeshonger en verzamelwoede wel gestild worden. In de notulen van de jaarvergadering van de NVvA, gehouden op 20 april 1943, vindt Buijnsters deze constatering van voorzitter Menno Hertzberger:

De prijzen van het antiquarische boek zijn in enkele gevallen zoo gestegen, dat elke basis verloren is gegaan.

Dat de handel in tweedehands boeken ineens erg lucratief kon zijn, moet ook Adriaan Morriën zich toen hebben gerealiseerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij de schrijver van één dichtbundel. Bijna dertig, zat hij zonder werk en zonder inkomsten.

Vanuit het ouderlijk huis in IJmuiden begon Morriën in 1939 te corresponderen met Frits van Heerikhuizen, leraar Nederlands en letterkundige, twee jaar ouder dan hij. De flinke stapel brieven en briefkaarten die Van Heerikhuizen aan zijn vriendschap met Morriën overhield is mijn mooiste Marktplaats-vondst tot dusver.

In de handgeschreven epistels van Morriën komen zowel literaire zaken als dagelijkse beslommeringen langs. In een brief van 30 december 1941 laat hij Van Heerikhuizen weten dat zijn poging om in Frankrijk een baantje als administrateur te krijgen is mislukt. Nu zal zijn geld spoedig op zijn. Maar hij heeft nog wel een idee, dat hij zijn vriend in Bussum graag voorlegt.

Een plan van den allerlaatsten tijd is om, met behulp van geleend geld, goede litteratuur (antiquarisch) bij kennissen op te koopen, een catalogus samen te stellen en aan alle vrienden en kennissen te zenden. Wanneer men werkelijk goede boeken heeft, raakt men ze gemakkelijk kwijt.

Van Heerikhuizen wil Morriën blijkbaar wel op weg helpen met een lading boeken. Het haalt helaas weinig uit. Op 16 mei 1942 heeft Morriën nog maar weinig verkocht en een kennis, die een partij geërfde boeken zou inbrengen, laat hem in de steek. De dichter ziet het somber in.

Voor een echt antiquariaat komen natuurlijk andere dingen kijken. Daarvoor zijn geld en tijd noodig.

Drie maanden later is de situatie niet verbeterd. Van de boeken die Morriën uit Bussum meenam zijn er ‘enkele’ verkocht. Een catalogus heeft Morriën niet kunnen maken. Hij belooft Van Heerikhuizen zijn best te doen de rest ook ‘kwijt te raken’. In een brief van 4 augustus 1942 komt het avontuur voor het laatst ter sprake. De voorraad van het naamloze verzendantiquariaat van Adriaan Morriën is dan al ondergebracht bij vrienden in Haarlem, omdat bij een eventuele evacuatie van IJmuiden ‘slechts het allernoodzakelijkste’ mag worden meegenomen. Als de handelswaar niet meer binnen handbereik is, houdt het op.

Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Het antwoord

Op 14 januari jongstleden zette A.L. Snijders, gezeten aan zijn oudroze inmiddels blauwgroene eettafel in Klein Dochteren, drieëndertig keer zijn handtekening.

Daarmee werd een belofte in het colofon van Het antwoord ingelost en was de derde door Boris Rousseeuw verzorgde Snijders-uitgave van Artistiek Bureau een feit. Voor de twee eerdere uitgaven was een ongebundeld zkv het uitgangspunt. Nu had ik een passage gekozen uit een ongepubliceerde brief van Snijders aan Hans Broer, de vorig jaar overleden bibliotheekdirecteur en uitgever van De Geiten Pers. Die had de schrijver om een autobiografie gevraagd.

In het postscriptum van de brief van 26 oktober 1995 schrijft A.L. Snijders over zijn werkloze jaren, de bijbehorende uitkering en de verplichte sollicitaties. Bij een van zijn sollicitatiebrieven had Snijders een curriculum vitae gevoegd waarin een bepalende jeugdherinnering was opgenomen.

Het was 1946, zomer, de zon scheen. De Roompotstraat was zo stil en warm als in Het Uur U. Ik was alleen op straat. Misschien wist ik dat er iets zou gebeuren, misschien ook niet.

Wat er kort daarvoor gebeurd was, laat de houtsnede van Isabelle Vandenabeele tegenover de titelpagina van Het antwoord zien. Het meisje op de houtsnede is Greetje R. De jongen met het antwoord is Sjors Olsen.

Deze geschiedenis is meermaals in een tekst van A.L. Snijders opgedoken. In de column ‘Kut’, op 1 juni 1987 gepubliceerd in Het Parool, heet het meisje Truusje Nielsen en de jongen Otto Dunnebier. In het korte verhaal ‘De sprong’, dat in 1998 in het tweede nummer van het literaire periodiek Bunker Hill stond, gaat het om Roosje R. en Oskar Moholy-Nagy.

Verschillende versies van hetzelfde verhaal. Die in de brief aan Broer vind ik het mooist.

Prick vs. Prick

Eerst was er Rudie Kagies Boudewijn Büch, verslag van een mystificatie (2004), waarin voormalige vrienden van Büch als leugendetectoren werden ingezet. Toen verscheen Een andere Boudewijn Büch (2005), Harry Pricks overwegend liefdevolle terugblik op een vriendschap. En nu is er Boud (2016) van Eva Rovers. De twee laatstgenoemde Büch-kenners waren in de positie op hun voorganger(s) te reageren, tekortkomingen te constateren, met herzieningen en noodzakelijke aanvullingen te komen. Het hele Büch-discours: soms net wetenschap.

Toen Harry G.M. Prick aan zijn Büch-boek werkte, was het verslag van Kagie net verschenen. Enkele episodes uit Büchs leven lagen dus nog vers in het geheugen. In zijn memoires houdt de wijdlopige Prick zijn pas enkele malen in, om dankbaar naar Kagie te verwijzen. Zo legt Prick niet uit waarom Büch afwezig was bij de première van Komrijs toneelstuk Het chemisch huwelijk. In plaats daarvan geeft hij een paginanummer in Kagie op.

Tweemaal wast Prick Kagie de oren. Hij demonstreert Kagies slordigheid aan de hand van een op zeker drie punten verkeerd overgenomen citaat uit een column van Büch. En Prick rectificeert het verhaal dat Kagie in zijn boek afdraait over de bibliotheek van Jan Kamerbeek jr., die Büch geërfd zou hebben. Hij noemt dit een ‘nieuwe mystificatie’ van Kagie.

Eva Rovers is stelliger over Rudie Kagie. Ze schaart hem in haar biografie onder de journalisten die het enkel om Büchs ontmaskering ging. Kagie schiep, met hulp van anderen, een eendimensionaal beeld van Büch als charlatan en leugenaar. En Rovers corrigeert Kagie: Johan Polak stelde Büch nooit ‘ruimhartig’ een appartement ter beschikking, zoals ook Prick reeds vermoedde.

Prick wordt in Boud omschreven als de ‘goedgelovige’, ‘goeiige’ en ‘brave’ conservator, van wie Büch wel heel erg veel gedaan kreeg. Diens Büch-boek vindt Rovers ‘verhelderend’ en ‘zeer gedetailleerd’.

Dat egodocumenten niet altijd waarheidsgetrouw zijn, wist Rovers als ervaren biograaf ook wel. In het geval Büch moest zij bijzonder op haar hoede zijn. Diens dagboeken staan vol ‘autobiografictie’. Toen Prick nog voorbestemd was om Büchs Eckermann te worden, kreeg hij van zijn jonge vriend zelfs enkele dagboeken te leen. In zijn boek richt Prick zich een paar keer tot de toekomstige Büch-biograaf. Hij heeft bij voorbaat medelijden met hem:

[…] arme biograaf, die een oneindig aantal uren zal moeten uittrekken voor het, keer op keer moeizame, nagaan van het waarheidsgehalte van al de honderden verhalen [van Büch], vaak geheel verzonnen of op zijn minst sterk tot zeer sterk bijgekleurd.

Elders voorziet Prick dat de ‘beklagenswaardige’ biograaf de hulp in zal roepen van een ‘psycholoog of psychiater’. Het zal hem namelijk gaan duizelen van Büchs confidenties

wanneer over pakweg veertig jaar of daaromtrent Boudewijns brieven voor een dan opererende biograaf toegankelijk zullen worden.

Dat ‘veertig jaar’ was een erg optimistische schatting van Prick. Hij was blijkbaar vergeten dat hij Büch in een brief van 18 augustus 1974 de keuze had voorgelegd wat er op het omslag van de map met Büch-brieven moest staan: ‘na mijn dood te vernietigen’ of ‘gesloten collectie, niet eerder toegankelijk dan het jaar 2500’. Büch koos voor de tweede optie, schrijft Rovers tandenknarsend. De tragedie strekt zich uit tot noot 26 bij hoofdstuk 5 van Boud:

Uit diverse gesprekken met de huidige directeur van het Letterkundig Museum Aad Meinderts en met Pricks weduwe Lily Prick bleek dat aan dit embargo niet te tornen viel.

Honderden brieven van Büch aan Prick liggen dus nog eeuwen achter slot en grendel. Rovers moest het doen met de citaten uit Büchs brieven waarmee Prick zijn terugblik en zijn eigen brieven doorweefde.

Dankzij de carte blanche van de familie Buch en toestemming van Lily Prick kreeg Rovers wel inzage in de brieven van Prick aan Büch. Zij kon het verhaal van Pricks brieven – naar de letter en de geest – vergelijken met het verhaal in Een andere Boudewijn Büch. In het achtste hoofdstuk van Boud staat een prachtige confrontatie tussen Prick en Prick.

Harry Prick is de ‘schaduwschrijver’ van Büchs debuutroman De blauwe salon (1981): hij heeft het manuscript regel voor regel herschreven en met talloze alinea’s aangevuld. Rovers citeert Prick uit een brief aan Büch van 1 februari 1978, wanneer hij voor het eerst delen van de roman-in-wording heeft gelezen:

Met je roman voeg je een volstrekt oorspronkelijk schriftuur toe aan onze letteren. Heel wat bladzijden zijn klassiek in de beste zin van dat woord. […] Maar stilistisch zal ik streng zijn, meedogenloos streng. Het zijn grotendeels veelal “kleinigheden”, maar ze moeten gewied omdat ze afbreuk doen aan de rijkdom aan schoonheden en schitteringen van het geheel.

Zet daar tegenover Pricks oordeel over exact dezelfde teksten in Een andere Boudewijn Büch:

[…] het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Werken aan De blauwe salon, dát was nu juist een van die allervervelendste karweitjes waarmee Boudewijn een mens de dampen kon aandoen. Je werd, in dit geval op 31 januari 1978, opgezadeld met een stapel papieren […] waaraan, bladzijde na bladzijde, geen smaak of kraak viel te beleven.

Zelfs Harry G.M. Prick kon het niet laten een enkele keer de geschiedenis iets bij te kleuren.

In de sterren geschreven als opgegeven

In het verhaal ‘Een mooie jonge vriendin’ haalt Remco Campert herinneringen op aan liefde en poëzie in het begin van de jaren vijftig.

Omdat ik voelde dat ik een jonge dichter was – mijn dichterschap bestond toen nog voornamelijk uit het voelen dat ik dichter was – voelde ik ook dat ik een jonge vriendin moest hebben en die moest bij voorkeur mooi zijn.

Maar het waren jaren van schaarste en armoede. Wanneer een mooie jonge vriendin een cadeautje verlangde, moest de dichter zich van zijn vindingrijke kant laten zien.

Je schreef een gedicht op een wc-papiertje en zette eronder: Oplage 1 exemplaar.1

Deze passage in een vermakelijk verhaal is wel meer dan een voorbeeld van Camperts lichtvoetigheid en milde ironie. Het is ook een knipoog naar het gemak waarmee een groep dichters, aan het begin van het decennium waaraan zij hun naam ontleenden, in kleine oplagen uitgaven in eigen beheer vervaardigden. Soms met zeer beperkte middelen, maar altijd met enorme geestdrift. Zo gaven Hans Andreus en Hugo Claus beiden een dichtbundel met illustraties van Karel Appel uit, en liet Simon Vinkenoog als nieuwjaarswens een gedicht met handgekleurde tekeningen van Corneille drukken.2 Campert zelf deed ook een dichtbundel het licht zien, maar in tegenstelling tot de fraai geïllustreerde, bijna bibliofiele bundels van zijn vrienden is Camperts uitgave sindsdien zelden gesignaleerd. Dit is het verslag van mijn zoektocht naar de overgeleverde exemplaren van het zelfgemaakte debuut van Remco Campert: Ten Lessons with Timothy.3 Een dichtbundel, zo vluchtig als een wc-papiertje.

Experimentelen in Parijs

Oktober 1950. Zonder duidelijk doel of aanlokkelijk vooruitzicht stapt Rudy Kousbroek in de nachttrein naar Parijs. In 1949 heeft hij de zomervakantie in de Franse hoofdstad doorgebracht, samen met Remco Campert, die hij kent van de schoolkrant Het Amsterdams Lyceïsten Orgaan, kortweg Halo. Dat bezoek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. Hoewel Campert en hij net vier nummers van hun tijdschrift Braak hebben uitgegeven en hij een verstandige studie wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam is begonnen, vertrekt Kousbroek toch naar Parijs. De aantrekkingskracht van de lichtstad werkt ook op andere jonge kunstenaars en aanstormende schrijvers: Hugo Claus en Elly Overzier hebben net hun intrek genomen in een hotel, Karel Appel en Corneille delen hun eerste Parijse atelier.4 Experimentelen en atonalen voelen zich er thuis. De Cobra-beweging is al op haar hoogtepunt.

Na enkele korte verblijven in Parijs besluit Remco Campert zijn goede vriend op 22 november 1950 achterna te reizen. Hij neemt een dichter, die zich Lucebert noemt, met zich mee. Hun bestemming is Boulevard Jean-Jaurès 21, waar Simon Vinkenoog, sinds twee jaar Parijzenaar, op de vierde verdieping een ruime woning huurt.

Kom hier in het rode buisje en neem Lucebert mee5

had Vinkenoog geschreven. De arme dichters uit Amsterdam mogen voorlopig bij Vinkenoog logeren, al moeten ze voor de maaltijden een vergoeding aan de gastheer betalen.6 Aanvankelijk verdiende Vinkenoog zijn geld als naaktmodel in de ateliers van Léger en Zadkine, nu is hij in vaste dienst bij Unesco. Als Special Requests Documents Officer houdt hij zich binnen de idealistische organisatie bezig met archivering en reproductie. Op elk ander uur van de dag wijdt hij zich aan poëzie en zijn eenmanstijdschrift Blurb.

Na een logeerpartij van een week, waarin Vinkenoog voor het eerst Lucebert hoort voordragen, nemen Campert en Lucebert hun intrek in een goedkoop hotel.7 Lucebert is bij vlagen echter zeer ongelukkig en keert begin december terug naar Amsterdam. Remco Campert trekt op dat moment in bij Kousbroek, die een armzalige kamer huurt in Hôtel Beauséjour.8 Het vriest overdag flink: de Amsterdamse jongens zoeken verwarmde cafés op om er hun gedichten te schrijven. Als Vinkenoog een paar dagen voor Kerst met Juc Cohen op huwelijksreis naar Londen gaat, mogen Campert en Kousbroek op zijn woning passen. Zo zitten de redacties van Braak en Blurb korte tijd onder één dak.

Ik zal het prettig vinden als jullie terug zijn, tot die tijd dan maar Lodeizen en Pound. De ondergang van de familie B. wordt mij uit Holland opgestuurd, zodat ik van trieste literatuur niet verstoken zal zijn.9

schrijft Campert aan het echtpaar.

In Een zachte vernieling, een sleutelroman over deze jaren, geeft Hugo Claus mooie omschrijvingen van Remco Campert, alias ‘Emile’, en van Simon Vinkenoog, hier ‘Floris’. Het is Campert die

zwijgzaam, hoogrood en hortend als je onverwacht iets tegen hem zei, behoedzaam door het appartement schuifelde op zijn sokken, alles dronk wat hij zag; het liefst jazztrompettist wilde worden, maar er was iets mis met zijn longen.

En dan Vinkenoog

die een absurd uitgroeiende documentatie aanlegde van wat er over de geschiedenis, de zeden en gewoonten van die lugubere Parijse tijd gepubliceerd werd; knipte en plakte en ordende en catalogiseerde.10

In dit klimaat van schrijven, lezen en drinken besluiten Campert en Kousbroek, omstreeks de jaarwisseling 1950-1951, allebei een bundel van tien gedichten te drukken. Dankzij bemiddeling van Vinkenoogs echtgenote heeft Kousbroek intussen een baantje bij het International Theatre Institute, twee jaar eerder door Unesco opgericht. Daar maken de jonge dichters heimelijk gebruik van de reproductiemogelijkheden. Campert bewaart er een warme herinnering aan.

In het gebouw van die organisatie vermenigvuldigden Rudy Kousbroek en ik meer dan zestig jaar geleden op een stencilmachine onze poëzie, die we vervolgens trachtten uit te venten op de Parijse boulevards. Daar was die stencilmachine niet voor bedoeld. Eerder voor dikke rapporten, maar de mazen in het Unesco-net waren groot. Rudy had er een nederig baantje. Met de beveiliging van nu zou ik het gebouw nooit zijn ingekomen. Het was een koude winter, maar in ons hart brandde het heilig vuur.11

Kousbroek geeft zijn uitgave de titel 10 variaties op het bestiale mee, terwijl Campert zijn cyclus Ten Lessons with Timothy doopt. De oplagen bestaan uit 25 genummerde en gesigneerde exemplaren, aldus de colofons.

Nu, vijfenzestig jaar later, zijn beide bundels praktisch onvindbaar. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is in het bezit van Kousbroeks uitgave, maar die van Campert is in geen enkele bibliotheek of kunstinstelling in Nederland te vinden. In de bibliografie van Campert voor de Mededelingen van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum komt de bundel niet voor. In Brinkman’s Cumulatieve Catalogus is de uitgave ook niet te vinden. Bibliografen hebben de dichtbundel nooit te pakken gekregen. Tot op heden was het enige bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy dat van Simon Vinkenoog.

Gehad noch gezien

Vinkenoog ontvangt het allereerste nummer van de oplage op 5 januari 1951, op de dag dat hij van zijn huwelijksreis uit Engeland terugkeert.12 De datum is bekend vanwege een korte handgeschreven opdracht van Campert, en omdat Vinkenoog zijn exemplaar altijd heeft bewaard – gekoesterd past hier misschien beter: Vinkenoog verwijderde de nietjes in de linkermarge en zette de bundel vast in een halflinnen map, zodat de veertien kwetsbare vellen niet zouden kreuken. Het was ook zijn exemplaar dat werd gefotografeerd voor en afgebeeld in het schrijversprentenboek De beweging van vijftig.13 Terugblikkend op zijn Parijse jaren kon Vinkenoog zich later eigenlijk niet voorstellen dat er meer exemplaren waren overgeleverd:

de exemplaren in mijn bezit van Camperts 10 lessons with Timothy (naar een gelijknamige grammofoonplaat van Dizzy Gillespie) en Kousbroeks 10 variaties op het bestiale dragen ieder nr. 1. En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.14

Zouden Campert en Kousbroek inderdaad, als dank voor de huisvesting, hun vriend als enige een exemplaar hebben gegeven?

In de loop der jaren schonk en verkocht Vinkenoog af en toe schrijverscorrespondentie, boeken uit zijn bibliotheek en schilderijen aan handelaren, instellingen en verzamelaars. Zo kon het Amsterdamse antiquariaat Schuhmacher Vinkenoogs exemplaar van Ten Lessons with Timothy in 2000 beschrijven en te koop aanbieden in een aan opdrachtexemplaren gewijde catalogus. In oktober 2011 vond dit exemplaar, na te zijn aangeboden in een Vlugschrift, in één dag tijd een nieuwe eigenaar.15 Wilma Schuhmacher, de grande dame van het Nederlandse antiquariaat, kent geen tweede exemplaar.16 Andere in Nederlandse literatuur gespecialiseerde antiquariaten hebben de uitgave nooit gehad.17 Bij het grootste boekenveilinghuis van Nederland is nimmer een exemplaar onder de hamer gekomen.18

Zeldzame boeken zijn, voor een verzamelaar die zelf in het antiquariaat werkzaam is, een uitnodiging; zogenaamd onvindbare uitgaven vormen een uitdaging. Maar op de lange lijst van mogelijke eigenaren van Ten Lessons with Timothy moest ik keer op keer een naam doorstrepen. Karel N.L. Grazell, die in Amsterdam in 1950 en 1951 vaak achter Camperts schrijfmachine te vinden was, heeft de bundel gehad noch gezien.19 Letterkundige Braak-abonnees als Jan Hanlo, Ferdinand Langen en Nico Lijsen hebben geen exemplaar gekregen of gekocht.20 Rondvragen en zoeken in de omgeving van de Vijftigers leverde ook niets op. In de boekenkasten van Hans Andreus en Hugo Claus is de bundel niet te vinden.21 In de bibliotheek van Jan G. Elburg werd het door zijn biograaf niet aangetroffen.22 Zelfs Kousbroeks exemplaar is spoorloos.23 En de Keizer der Vijftigers? De inventaris van de boekenkast van Lucebert geeft niet thuis.24

Simon Vinkenoog was al sinds eind 1946 bevriend met Kees Lekkerkerker. Ze kenden elkaar uit kringen rond het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) in Amsterdam. Ook na Vinkenoogs vertrek naar Parijs blijft Lekkerkerker een van zijn literaire raadgevers. Hoewel Lekkerkerker zich in deze jaren volledig stort op de moeizame tekstbezorging van Slauerhoff en De Haan, volgt hij de jongste literaire ontwikkelingen op de voet. Zo is hij geabonneerd op eendagstijdschriften als De dualist en Spleen, en probeert hij obscure uitgaven in eigen beheer te pakken te krijgen. Wanneer Vinkenoog hem begin 1951 iets over een bundel van de onbekende Remco Campert schrijft, is zijn nieuwsgierigheid gewekt. Maar Lekkerkerker vist vermoedelijk achter het net.

Dat bundeltje van Remco Campert: Ten lessons with Timothy komt in zijn geheel in het volgende nummer van Podium25

deelt Vinkenoog hem tot troost mee.

Weggedaan, verdwenen

Particuliere verzamelaars treden niet graag met hun collectie uit de schaduw. De bibliofielen die ik benaderde verleenden wel hun medewerking, maar bleken zelden erg mededeelzaam. Tientallen brieven, telefoontjes, e-mails: het spoor liep telkens dood. Alleen Gert Jan Hemmink, collectionneur par excellence, komt met goed nieuws: hij heeft in de loop der tijd ‘diverse exemplaren’ van Camperts uitgave gezien.

Mijn exemplaar kocht ik bij Geerts’ Boekhuis in Arnhem, eind jaren ’60, een tweedehandsboekwinkel tegenover Gysbers & van Loon. Bij Geerts, een heer op leeftijd, kocht ik ook Braak, Blurb, enzovoorts. Hij was al jaren zijn voorraad aan het inventariseren, maar is nooit verder dan de letter D gekomen. Op een bepaald moment heb ik het werk van Remco Campert weggedaan, toen is ook Ten Lessons verdwenen.26

Waar dit exemplaar is gebleven, herinnert Hemmink zich niet. Wel weet hij zeker dat hij bij de uitgever en bibliofiel Johan Polak, die immers ook op Het Amsterdams Lyceum had gezeten, ooit een exemplaar in handen heeft gehad.27 In de veilingcatalogus van diens imposante bibliotheek is evenwel geen Ten Lessons with Timothy beschreven.28 Polaks biograaf stelt mijn verwachtingen bij:

Over het archief en de bibliotheek van Johan Polak zijn al veel verhalen verteld, vooral door (anonieme) mensen die zeggen bevriend met hem te zijn geweest. Iedereen heeft van alles gezien, maar ik moet het allemaal nog maar zien.29

De regel ‘in alle huizen waar ik kom liggen van mij boeken’, uit Camperts gedicht ‘ik, ik, ik’, geldt tegenwoordig allerminst voor zijn zelfgemaakte debuut.30

Dat de in 2009 gemaakte beschrijving van Luceberts bibliotheek geen melding maakt van Ten Lessons with Timothy, wil niet zeggen dat de dichter-kunstenaar nooit een exemplaar heeft gehad. De Amsterdamse tandarts C.A. (Kees) Groenendijk kocht vanaf de jaren ’50 tekeningen en soms boeken rechtstreeks van Lucebert; zijn Lucebert-verzameling ging in 1986 over naar het Stedelijk Museum.31 Toen Lucebert, Bert Schierbeek en hun beider geliefde Frieda Koch nog hun domicilie hadden in Van Eeghenstraat 152 Van Eeghenlaan 7, heeft Groenendijk vermoedelijk een Ten Lessons with Timothy bemachtigd.32 Antiquaar André Swertz kocht het vervolgens van Groenendijk en verkocht het aan poëzieliefhebber Wim van Til.33 Die deed het op zeker moment weer over aan Swertz, zodat deze hetzelfde exemplaar opnieuw kon verkopen, nu aan de Belgische bibliofiel Dirk-Emma Baestaens.34 Dit exemplaar, het tweede mij bekend, is eveneens genummerd ‘een’ en gesigneerd, maar is te onderscheiden van andere exemplaren doordat de laatste vellen in de rechteronderhoek lichtelijk verschroeid zijn. De bundel heeft ooit iets te dicht bij een brandende sigaret gelegen. De schuldige laat zich niet meer kennen; vrijwel alle Vijftigers rookten.

Dubbelgevouwen

Behalve met Lekkerkerker correspondeerde Vinkenoog ook intensief met Ad den Besten.35 Op zestienjarige leeftijd was Den Besten gedebuteerd als dichter in het protestantse tijdschrift Opwaartsche Wegen, kort na de oorlog kwam hij als lector in dienst bij de christelijke Uitgeversmaatschappij Holland. Den Besten was altijd geïnteresseerd in de literatuur van dit moment. Na enkele vergeefse pogingen slaagt hij er in februari 1950 in de poëziereeks De Windroos te beginnen, waarvoor hij als enig redacteur de verantwoordelijkheid draagt. In De Windroos wil Den Besten vooral werk uitgeven van jonge dichters, die hij stimulerend en kritisch begeleidt. Vinkenoog debuteert in de laatste week van 1950 in De Windroos met de bundel Wondkoorts. In de hieraan voorafgaande correspondentie tussen Den Besten en Vinkenoog komt Remco Campert een paar keer voor. Dat Ad den Besten begin 1951 een exemplaar van Ten Lessons with Timothy ontvangt, is hoogstwaarschijnlijk te danken aan Vinkenoogs enthousiasme voor Camperts verzen.36

Het exemplaar van Den Besten, alweer genummerd ‘een’, staat decennialang in de boekenkast: dubbelgevouwen heeft het bijna hetzelfde formaat als een bundel in De Windroos. In 2011 moet Den Besten, die aan Alzheimer lijdt, verhuizen naar een verpleeghuis. Een deel van zijn boekerij gaat naar Tjerk de Reus, die werkt aan een proefschrift over Den Besten. In december biedt De Reus op internet de uitgave aan. Ik mag mezelf een maand later de gelukkige koper noemen. De opbrengst van Den Bestens exemplaar komt volledig ten goede van diens biografie.

Ad den Besten was een kritische lezer, die in de kantlijn van de poëzie aantekeningen maakte. Zo voorzag hij het begin 1951 in het tijdschrift Podium afgedrukte gedicht ‘Lente suite voor Lilith’ van Lucebert met potlood veelvuldig van commentaar. Onder het woord ‘torrelt’ zette hij een streep en de opmerking: ‘oubol’, naast de bekende ‘kyrie eleison’-passage noteerde hij:

hoe draag je dat voor? overvloed van leestekens gewenst. waarom niet ki ka ko?

Ook in Ten Lessons with Timothy staan in potlood en inkt enkele strepen. Den Besten schrapt bovendien twee regels in het negende gedicht en twee strofen in het tiende gedicht.

Uit de enig bewaard gebleven brief van Den Besten aan Campert spreekt dezelfde kritische houding. Op 13 januari 1951 reageert Den Besten, met het oog op een uitgave, op een door Campert toegestuurde verzameling verzen. Op de vijftien gedichten die hij de moeite van het bundelen waard vindt, geeft hij beargumenteerd commentaar, beleefd doch ‘unverfroren’.37 Sommige dichtregels vindt Den Besten ‘zomaar vervelend’. Een algemene opmerking luidt:

Waarom doe je toch zo op-de-hoogte-van-de-moderne-techniek, terwijl je veelal met die gegevens niets doet, ze alleen noemt en uitstalt?38

Den Bestens begeleiding resulteert in de zomer van 1951 in Vogels vliegen toch, het officiële debuut van Remco Campert, de veertiende bundel in de reeks De Windroos.

Uitgevent en weggegeven

Gewend om niet alles te geloven wat gedrukt staat, schrijf ik Remco Campert een brief over zijn in eigen beheer uitgegeven debuut. Of de oplage werkelijk maar 25 exemplaren bedraagt? Ergens koester ik de hoop dat Campert een exemplaar tevoorschijn zal toveren. Sterker, het is niet ongebruikelijk dat schrijvers een stapeltje of doosje exemplaren van hetzelfde boek op zolder hebben staan. En anders weet hij de bundel misschien te traceren.

De dichter herinnert zich weinig meer:

Een paar exemplaren hebben we uitgevent op de Boulevard St. Michel aan Nederlandse Parijsbezoekers, de rest weggegeven aan vrienden (zoals Simon V.) en kennissen. Aan wie allemaal is uit mijn geheugen gewist; het is lang geleden. Zelf heb ik geen ex. meer.39

Remco Campert is überhaupt nooit een verzamelaar of bibliograaf van zijn eigen werk geweest. Tien jaar na het Braak-avontuur moest hij een medewerker van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum bekennen geen enkel nummer van zijn eigen tijdschrift bewaard te hebben, ‘gevolg van grote slordigheid’.40

Dit was niet de eerste keer dat een verzamelaar de dichter over diens debuut aansprak. De Haagse bibliofiel Simon van Wouwe deed het dertig jaar geleden ook, kort nadat hij Ten Lessons with Timothy pardoes in bezit had gekregen.

Ik liep de toenmalige antiquarische afdeling van boekhandel H. de Vries in Haarlem binnen. En daar, in de vitrine, lag Camperts debuut. Nummer één van de oplage. Prijs: fl 39,50. Ik sprong natuurlijk een gat in de lucht.

Toen Van Wouwe Campert later in de koffiehoek van Athenaeum Boekhandel op het Spui zag zitten, sprak hij hem aan.

Ik vertelde dat ik Ten Lessons had gevonden. Hij wilde het onmiddellijk van mij kopen. Dat wilde ik natuurlijk niet. Ik was toen heel serieus Vijftigers aan het verzamelen. André Swertz was in 1977 met zijn catalogus De Vijftigers gekomen en die vroeg heel andere prijzen.41

Over de herkomst van Van Wouwe’s exemplaar, dat ook dubbelgevouwen is geweest, is niets bekend.

Warme verwarring dichten

Ten Lessons with Timothy laat zich lezen als een neerslachtig relaas van Camperts verblijf in Parijs. ‘Het was een koude winter’… De barre decembermaand van 1950 is het decor van de tien gedichten. In het eerste gedicht vriezen ’s nachts ‘sterren in de stoepen’ en ‘drukken wij plakplaatjes van vogels/ op de bloemenruiten af’. Bomen zijn ‘bijna ontzield’, takken zijn dood, een sloot is bedekt met ‘stijfgevroren water’. Er wordt naar warmte verlangd. In het vierde gedicht loopt ‘een jongetje in matrozenkleren’ verwonderd te dwalen op ‘het warme strand’. Maar de dichter realiseert zich – want ‘hoe ver is van hier’ – dat dit slechts een vaag verlangen kan zijn. Melancholisch zijn het derde en vijfde vers, waarin ‘Moldau en Seine/ twee eendere rivieren zijn/ door dezelfde bruggen ingesnoerd’ en ‘alles [scheen] te zijn geplaatst onder een adembenemende glazen stolp’.

Droevig en bijna meelijwekkend is het negende gedicht, dat opent met de fraaie regel: ‘het verstilde gelaat van alles in kou’. Kranten slaan ‘een krans van gestolde bloedkorrels’ om het voorhoofd.

ik loop geen bontkraag van warmte
over dit gezicht
geen vijftiende eeuws gedicht
ik sta in de sterren geschreven
als opgegeven

De tweede strofe van ‘9.’ heeft een romantisch citaat van Lucebert, uit diens gedicht ‘de amsterdamse school’, waarvan de inkt toen nog nat was (‘we schrijven dichters 2 nov 1950’ is de datering in het gedicht) en dat net was verschenen in het novembernummer van Braak. Aan het slot van Camperts vers is weer de triestheid, die toch ook een glimlach oproept.

‘ik wil alleen wonen
tussen mijn alleenstaande ledematen’
maar in mijn lichaam
zijn altijd kamers te huur
voor de laagstbiedende
en ik verwissel de nummers
om warme verwarring te dichten

In het tiende en laatste gedicht wordt de Timothy uit de titel drie keer rechtstreeks aangesproken en een les geleerd. Het gedicht opent met een uitzicht op Parijs: ‘Timothy/ de daken zijn swinters/ spiegels alleen voor sterren’. Timothy – en ook de lezer – moet naar jazzmuziek luisteren uit ‘de glazen piano van papa Tristano’. Verder staan er in dit gedicht louter inzichten van uitzichtloosheid en metaforen van vergeefsheid. Seinen van ‘reeds gestorven planeten’ zijn ‘onontcijferbaar’ en wij zijn gedoemd ‘een sleutel te zoeken/ die verroest is en vergaan’. Dit is het enige gedicht uit de bundel, volgens het colofon ‘geinspireerd op de gelijknamige gramofoonplaat van Dizzy Gillespie’, waarin sprake is van muziek: ‘barre vogel van Klee/ vliegend in een zacht getinte poolnacht’ luidt de associatie.

Paarsrode balpen

Van slechts vier exemplaren van Camperts absolute debuut is nu de verblijfplaats bekend. Het is opmerkelijk dat alle getraceerde exemplaren van Ten Lessons with Timothy in het colofon nummer ‘een’ hebben meegekregen. Vijfenzestig jaar na dato heeft Campert wel een vermoeden waarom ze dat deden:

ik denk dat we iedereen nummer 1 gunden. En ook uit een soort jonge honden speelsheid.42

De nummers en handtekeningen in de vier colofons zijn vrijwel identiek: waarschijnlijk is de gehele oplage op hetzelfde moment genummerd en gesigneerd met dezelfde paarsrode balpen.

Slechts vier? Vooralsnog vier. De Amerikaanse antiquaar H.P. Kraus merkt in zijn autobiografie op:

In this business, you never assume that six copies exist because six are recorded. There could be another one. There could be, though not likely, another six.43

Na een zoektocht van vier jaren weet ik alleen niet of dit nu troostend of verontrustend is.

Dit verslag van een zoektocht naar het debuut van Remco Campert verscheen in De Parelduiker, jrg. 20, afl. 4 (september 2015). Een uitgebreide en herziene versie was de losse bijlage van de herdruk van Ten Lessons with Timothy (2016).


Noten

1. Remco Campert, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (Amsterdam 1999), p. 13.
2. Hugo Claus en Karel Appel, De blijde en onvoorziene week (Parijs 1951); Hans Andreus en Karel Appel, De ronde kant van de aarde (Parijs 1952); Simon Vinkenoog en Corneille, Driehoogballade (Parijs 1950). Ondanks hun kleine oplagen (200, 100, resp. 60 stuks) duiken exemplaren van deze uitgaven geregeld in de (kunst)handel op.
3. Vergelijkbare zoektochten naar en inventarisaties van (alle) exemplaren van één specifieke Nederlandse twintigste-eeuwse uitgave zijn eerder ondernomen. Marco Goud traceerde in Een ondraaglijke drukfout (Woubrugge 2005) elf van de veertien exemplaren van Boutens’ Naenia en Anneke de Vries beschreef in het Ploeg Jaarboek (Groningen 2008) de kopers van de eerste suite Chassidische legenden van H.N. Werkman, terwijl De Vries samen met Paul van Capelleveen voor de website van de Koninklijke Bibliotheek een census van Werkmans Hot Printing maakte. In de Angelsaksische wereld valt te denken aan de catalogus bij de tentoonstelling van 24 ‘eerste’ exemplaren van Joyce’ Ulysses door Glenn Horowitz (New York 1998) en de diepgravende studie van William S. Peterson en Sylvia Holton Peterson, The Kelmscott Chaucer. A Census (New Castle 2011).
4. Zie voor een overzicht van Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs: Paul Arnoldussen, Rue d’Amsterdam (Amsterdam 2002) en Diederik Stevens, Hoogtij langs de Seine (Amsterdam/Antwerpen 2012). Het laatste boek geeft veel data en adressen.
5. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 15 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1. Het ‘rode buisje’ is vermoedelijk een verwijzing naar de in 1914 vermoorde socialistenleider Jean Léon Jaurès.
6. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 28 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1.
7. Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert (Amsterdam 2004), p. 230.
8. Remco Campert, ‘Rue Mouffetard’ in: de Volkskrant, 12 juli 2014.
9. Brief Remco Campert aan Juc Cohen en Simon Vinkenoog, 28 december 1950. Collectie Letterkundig Museum. Signatuur: C 01463 B 1.
10. Hugo Claus, Een zachte vernieling (Amsterdam 1988), p. 82.
11. Remco Campert, ‘Slaperig en immaterieel’ in: de Volkskrant, 12 maart 2011. Opgenomen in: Remco Campert, Het verband tussen de dingen ben ik zelf (Amsterdam 2012), p. 79.
12. De newlyweds verbleven van 22 december 1950 tot 4 januari 1951 in Londen. Zie: Hans Andreus en Simon Vinkenoog, Brieven 1950-1956. Inleiding, tekstverzorging en aantekeningen door Jan van der Vegt (Baarn 1989), p. 63.
13. Gerrit Borgers, Jurriaan Schrofer, Simon Vinkenoog en Ellen Warmond (samenstelling), De beweging van vijftig (Amsterdam/Den Haag 1965), p. 35 en 51.
14. Simon Vinkenoog, ‘Sprokkelen in de herinnering: de nederlandse 5-tigers’ in: Diagram, jrg. 1, afl. 1 (januari 1963), p. 5.
15. Antiquariaat Schuhmacher, Catalogus 236 De Tooverfluit: 608 Boeken in eerste druk met opdrachten van Nederlandse & Vlaamse schrijvers – in vriendschap – voornamelijk aan mede-auteurs (Amsterdam 2000), nummer 78; Antiquariaat Schuhmacher, Vlugschriften, 24 en 25 oktober 2011; ‘Camperts debuut 61 jaar dichter’ in: de Volkskrant, 29 oktober 2011.
16. Mededeling Wilma Schuhmacher aan mij, 6 maart 2013.
17. Mededeling René Hesselink aan mij, 14 maart 2012; mededeling Fokas Holthuis aan mij, 16 januari 2012; mededeling Berend Immink aan mij, 13 februari 2012; mededeling Han Rouwenhorst aan mij, 25 juni 2012.
18. Mededeling Jeffrey Bosch aan mij, 26 juni 2012; mededeling Bubb Kuyper aan mij, 27 augustus 2012.
19. Mededeling Karel N.L. Grazell aan mij, 23 februari 2012.
20. Mededeling Ser J.L. Prop aan mij, 26 maart 2012; mededeling Ferdinand Langen aan mij, (10 juni 2013); mededeling Michiel Schierbeek aan mij, 2 juli 2012.
21. Mededeling L.J.A. van der Zant-Paulides aan mij, 11 juli 2012; mededeling Veerle Claus-De Wit aan mij, 5 augustus 2012.
22. Mededeling Jan van der Vegt aan mij, 25 juni 2012.
23. Mededeling Sarah Hart aan mij, 16 februari 2012.
24. Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert. Bibliotheek van een dichter (Nijmegen 2009).
25. Brief Simon Vinkenoog aan Kees Lekkerkerker, 19 april 1951. Collectie erven Lekkerkerker. Met een enkele wijziging verschijnt de cyclus van tien gedichten in: Podium, jrg. 7, afl. 2 (maart-april 1951), p. 81-86.
26. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 3 februari 2012.
27. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 24 februari 2012.
28. Veilinghuis J.L. Beijers, The bibliophile and scholarly library of the late J.B.W. Polak (1928-1992) (Utrecht 1993).
29. Mededeling Koen Hilberdink aan mij, 12 maart 2012.
30. Vijf 5tigers (Amsterdam 1958), p. 36.
31. Website, 20 mei 2014.
32. Mededeling André Swertz aan mij, 3 februari 2012.
33. Mededeling Wim van Til aan mij, 12 februari 2012; mededeling André Swertz aan mij, 25 januari 2013.
34. Mededeling Dirk-Emma Baestaens aan mij, 2 april 2013.
35. Tjerk de Reus, ‘Biografische schets van Ad den Besten’ in: Dader van het woord. Over Ad den Besten (Rotterdam 1998), p. 4-87.
36. Brief Simon Vinkenoog aan Ad den Besten, 30 september 1950. Geciteerd in: Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 193.
37. Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 192-195.
38. Fotokopie van brief Ad den Besten aan Remco Campert, 13 januari 1951. Collectie erven Den Besten.
39. Brief Remco Campert aan mij, 30 januari 2012.
40. Brief Remco Campert aan Kees Lekkerkerker, 1 juni 1960. Geciteerd in: Antiquariaat Fokas Holthuis, Catalogus 61 Het Lachende Boek (Den Haag 2012), nummer 14.
41. Mededeling Simon van Wouwe aan mij, 23 maart 2013.
42. Brief Remco Campert aan mij, 19 februari 2012.
43. H.P. Kraus, A Rare Book Saga (New York 1978), p. 144.

Roddels en revelaties

In de net verschenen Du Perron-catalogus staat maar weinig dat niet door de schrijver in hoogst eigen persoon is aangeraakt: een visitekaartje, een ten geschenke gegeven dichtbundel, een boek uit zijn bibliotheek, een handgeschreven gedicht. Voor de prijs van drie romans, twee dichtbundels en een literaire scheurkalender is het mogelijk de zweem van een vingerafdruk van E. du Perron of een door hem gelikte postzegel in huis te halen.

Soms heb je weinig woorden nodig om een handschrift aan de man te brengen. Centimeters, regels, doorhalingen, varianten, citaatje – een goede afbeelding doet de rest. De langste beschrijving in de nieuwe catalogus valt onder ‘Varia’ en betreft een onthullend pak brieven van Fred Batten, een Du Perron aanbiddende jongeman en na diens dood in 1940 zijn plaatsvervanger op aarde. Battens handschrift, ook in deze epistels, is amper van dat van Du Perron te onderscheiden. De samenvatting van Battens brieven aan Kees Lekkerkerker is ruim 1100 woorden groot – en nog te kort.

De rode draad in de correspondentie, die al in 1937 aanvangt, is natuurlijk Du Perron. Wat Lekkerkerker met Slauerhoff doet (zeldzame uitgaven opsporen, tijdschriftbijdragen overschrijven, andere aanbidders afvallen), doet Batten met Du Perron. Het zijn echter de roddels en revelaties in de brieven die naar meer smaken.

Vestdijk heeft een ‘onuitroeibaar dienstbodecomplex’, vindt Batten, Van Schendel is volgens hem de ‘merkwaardigste grijsaard in ons land’ en Voeten gaat met een schattige en schatrijke juffrouw een kapsalon runnen. Batten waarschuwt uitgever Veen via Lekkerkerker voor de oud-leden van het in 1936 opgeheven Louis Couperus Genootschap: dat zijn ‘deftige strebers, kletsmeiers en halfzachten’. Henri van Booven, eerste voorzitter van de club en Couperus-biograaf, is bovendien ‘reeds enige jaren een notoir fascist’.

In zijn lange monologen voor Lekkerkerker schrijft Batten ook over zijn geheime werkzaamheden voor de met A.A. Balkema en Adriaan Morriën opgerichte uitgeverij Het Zwarte Schaap. Dankzij zijn contacten in de literaire wereld is hij snel op de hoogte van de bekende roofdruk van de herdenkingsuitgave voor Du Perron en Ter Braak. Op 27 maart 1942 meldt hij Lekkerkerker vol afschuw:

Misschien heb je gehoord dat het gedicht van Roland Holst: In Memoriam E.d.P. et M.t.B onlangs door een smerigen anonymus voorzien van een allergoedkoopste inleiding met grapjes over de “siamese tweeling” e.d. zonder toestemming van A.R.H. clandestien herdrukt is in een fraaie uitvoering? De uitgave gaat hier voor fantastiese prijzen: ‘sGr. liet mij zijn ex. zien dat f 5,50 gekost had en vertelde mij dat een ander er reeds f 25.- voor had betaald. In de 18e eeuw was er hier te lande een tulpenzwendel en dit is nu een beschamende zwendel met boeken.

Van de zich al tijdens de oorlog ontwikkelende windhandel in illegale uitgaven zijn andere gevallen bekend. De ironie wil dat de bewuste roofdruk, door Batten gezien als een smet op de net gebeitelde grafsteen van Du Perron, tegenwoordig voor grof geld verhandeld wordt. Beschamend is de handel in clandestiene boeken allang niet meer.

Soundtrack

In de bijna tweeduizend dichtbeschreven en volgetikte vellen die ik voor het brievenboek van Nanne Tepper mocht lezen ben ik geen enkele mededeling over Noorderzon tegengekomen. Als muziekliefhebber en -recensent had hij er natuurlijk wel iets te zoeken, maar Nanne Tepper was niet zo van de festivals. Aan grote mensenmassa’s had hij een hekel (aan middelgrote en kleine trouwens ook). Tepper bracht zijn dagen door achter zijn bureau, schrijvend aan briljante boeken en buitenissige brieven.

Toen Tepper zich begin jaren ’90 op de schrijverij stortte, had hij tien jaar lang een leven geleid dat volkomen rock-‘n-roll was. Poptempel Vera was in de jaren ’80 zijn tweede thuis. Pas als de lichten aan gingen verliet hij zijn stamkroeg. In een terugblik, aan Wilma Siccama, 26 maart 1994:

Bars en barmeisjes, music and misery, broken shoes, and a constant battle with the booze.

De drank afgezworen bleef Tepper zich met klanken omringen. Tom Waits, Frank Zappa en Gustav Mahler waren Teppers grote helden, totdat hij de muziek van de ‘wilde negers’ ontdekte en geen aflevering van het twee uur durende tv-programma Yo! MTV Raps wilde missen. Tijdens het werken aan zijn roman De eeuwige jachtvelden draaide hij onafgebroken muziek. Aan Jack van der Weide, 14 december 1994:

Mijn dagelijkse portie soundtrack tijdens het werken bestaat voor tachtig procent uit hiphop, voor tien uit klassiek, en voor tien uit Zappa en Beefheart.

Hij stelde hoge eisen aan de geluidsapparatuur in zijn ‘werkpaleisje’. Alle knoppen en schuiven moesten in de hoogste stand, het volume voluit. Wanneer hij weer eens zijn boxen had opgeblazen, kon hij in de hifi-zaak maar moeilijk kiezen, want de beste boxen waren niet te betalen. Zijn tweedehands cassettedeck was gereviseerd. De bandjes gangstarap die hij soms bij zijn brieven voegde tapete hij bij zijn jongere broer Wim, want zijn eigen versterker was natuurlijk niet goed genoeg.

Buitenshuis moest muziek ook perfect klinken. Een matige uitvoering van een klassiek concert beschouwde hij haast als een persoonlijke belediging. Eerst schreef hij daar alleen nog in zijn brieven over, maar later ging hij muziek bespreken voor OOR en Prime Time Magazine – ook omdat de meeste recensenten ‘een viool niet van een kat op een zinken dak’ wisten te onderscheiden. Zijn afzeiken was meesterlijk: een symfonie van Mozart klonk dan ‘alsof hij vanonder een graszode opsteeg’.

Toen hem op 1 september 1997 het Belcampo Stipendium werd uitgereikt, mocht Nanne Tepper zelf de muziek uitzoeken. En dus stonden er in de sjieke Statenzaal van het zeventiende-eeuwse Provinciehuis vijf hiphoppers te schreeuwen en te springen. Het was misschien niet het beste geluid, maar verder in elk opzicht een droom van een uitvoering.

Deze column schreef ik voor Radio Noorderzon en las ik voor in de uitzending van 27 augustus 2015.

Verzorgd voor de dag komen

Nanne Tepper was verslaafd aan brieven. Hij ontving en las ze zo graag, dat hij het niet kon verdragen dat de postbode soms pas in de loop van de middag kwam. Dan waren de posterijen ‘pesterijen’. Liever nog schreef hij brieven.

Vanaf 1993 bestookt hij een handvol penvrienden in Arnhem en Nijmegen met almaar langer wordende brieven. Marc Kregting, enig redacteur van het tijdschrift de Biels, is de eerste die lappen proza bij Teppers brieven vindt. Telkens weer gaan er vele kantjes met verhalen en fragmenten naar Kregting. Kantjes worden kilo’s, in de loop van 1993. ‘Hierbij een kilo geloei,’ begint een brief. Later ontvangen ook de literatuurwetenschappers Wilma Siccama en Jack van der Weide grote delen van De eeuwige jachtvelden ter beoordeling.

De eerste brieven tikt hij op een schrijfmachine, met een minimale regelafstand, de pagina’s tot de kantlijn gevuld. Op 16 september 1993 komt Tepper in het gelukkige bezit van een ‘tekstverwerper’, een ‘prehistorisch model’ met WordPerfect 4.2. Vier dagen later schrijft hij zijn eerste brief op zijn eerste computer en biedt hij bij voorbaat excuses aan voor het ontbreken van leestekens, die hij ‘nog niet aan de schemerzones [heeft] weten te ontrukken’.

Het duurt even voor Nanne Tepper vertrouwd raakt met computers. Aan Marc Kregting, 2 november 1993:

Maar goed dat ik even naar een compushopcenter ben geweest want wat blijkt: mijn floppy’s zijn groter dan de jouwe (niet analyseren!). Ik had mij namelijk al suf gerekend van centimeters naar inches. […] Hoe moet dat nou met die floppy’s? Moet ik mijn [essay over] Ellis op een 3,5″ laten overzetten? Of heb jij een reserveslede voor het grotere werk (zoals sommige vrouwen in Afrikaanse landen schijnen te bezitten)? Ik word hier erg moe van.

Later haalt hij, wanneer een opstartdisc de geest geeft of de hardware vochtig is geworden, een hacker in huis. Als op 12 november 1993 zijn beeldscherm ‘compleet naar de knoppen’ gaat, is Tepper even teruggeworpen op zijn ‘gammele typmasjiene’. Veel erger: ‘Ik kan niet bij mijn roman!’

Honderden brieven van Nanne Tepper zijn overgeleverd in fotokopieën van vage afdrukken van een matrixprinter. Zoveel jaar later blijken de met metaal en inkt getypte brieven veel leesbaarder dan de vroege computerprints. Analoog wint van digitaal: getypte vellen hebben een groter contrast dan geprinte vellen, die vaak meer pixels dan letters bevatten. Gelukkig krijgt de schrijver, twee maanden na het verschijnen van De eeuwige jachtvelden, van zijn trotse ouders een laserprinter cadeau. Aan ‘Waarde ouders!’, 4 november 1995:

Als ik aan dit prachtding gewend ben en dit ding aan mij en de atmosferische toestanden in mijn laboratorium zal ik tenminste op één vlak ‘verzorgd voor de dag komen’. Stofnesten in hoofd, haardos en werkkamer, maar Teppers ‘ongevraagde bijdragen’ zien er keurig uit.

Hij aanvaardt het geschenk in grote dankbaarheid. Dankbaar zijn ook Teppers correspondenten, dankbaar is de bezorger van het brievenboek die ze nu allemaal mag lezen.

De kunst is mijn slagveld

Het eerste wat Nanne Tepper aan het begin van elke dag deed was: brieven schrijven, ‘om polsen en kwabben los te maken’.

Hij voerde intensieve correspondenties met vrienden, redacteurs, bewonderaars en collega-schrijvers over uiteenlopende onderwerpen als zijn literaire helden Nabokov en Salinger, de liefde voor zijn katten, pornofilms, de betekenis van vriendschap, zijn jeugd in de Veenkoloniën, de lekkerste spaghetti bolognese, zijn Muze, de gitaarsolo’s van Frank Zappa, Generatie Nix, de schoonheid van het Groninger land en de ideale opstelling van het Nederlands elftal.

Al doen de mores in Luiletterland hem walgen van woede, de passages over Librisdiners en ontmoetingen met literatoren staan vol Humor Om Te Lachen. Zelfs wanneer hij gesloopt wordt door ziekte, slapeloosheid en depressies blijft Nanne Tepper schrijven. Tot hij echt niet meer kan.

Toen Nanne Tepper op 10-11-12 een einde maakte aan zijn leven werd duidelijk hoe indrukwekkend zijn status als schrijver was. Alle dag- en weekbladen wijdden beschouwingen aan zijn leven en werk, en de roep om een biografie klonk unaniem. Toen kwam ook aan het licht dat hij naast auteur van een bescheiden oeuvre ook schrijver was van duizenden brieven.

Nick ter Wal maakte een persoonlijke selectie uit Teppers brieven uit de jaren 1993-2004. Deze veelstemmige uitgave laat een schrijver in zijn productiefste periode zien en legt tegelijk de ontstaansgeschiedenis van zijn romans bloot.

Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld (ca. 800 p.) verschijnt in januari 2016 bij Atlas Contact.

(ingezonden mededeling)

Meer onder dan boven water

Precies zeventig jaar geleden werd de kunstenaar H.N. Werkman, samen met negen anderen, in de bossen bij Bakkeveen gefusilleerd door de Duitse bezetter. Werkman was op 13 maart 1945 opgepakt door de Sicherheitsdienst en had sindsdien opgesloten gezeten in het Scholtenhuis aan de Grote Markt en het Huis van Bewaring in Helpman. Over Werkmans executie op 10 april 1945, zo kort voor de bevrijding van Stad, zijn veel details te vinden in Hendrik Nicolaas Werkman. De drukker van het paradijs (1980). Biograaf Hans van Straten geeft daarin op basis van allerlei bronnen en getuigenissen een reconstructie van de laatste dagen van Werkman.

‘Beste Papa’ zet Theo Mooij (alias A. Marja) op 1 mei 1945 boven een brief aan zijn vader in Yerseke. De oorlog is net afgelopen; in de brief overheersen gevoelens van blijdschap en opluchting. Theo is bijna genezen van colitis ulcerosa. Zijn echtgenote Puckje is in blijde verwachting van hun eerste kind. Maar de brief handelt ook uitgebreid over het lot van vrienden en kennissen in Groningen en Zeeland, van wie sommigen ‘goed’ en anderen ‘fout’ zijn gebleken.

Twee alinea’s gaan over ‘het droevige einde van onze beste vriend Werkman’. De informatie is – ‘met de kennis van nu’ – historisch misschien niet correct, maar toch belangwekkend. De dichter beschrijft wat hij uit eerste hand over Werkmans executie en de identificatie van diens lijk heeft gehoord. De moord op boekhandelaar Godert Walter, een andere Groningse vriend, komt ook ter sprake.

Je ziet, we hebben hier wel onder een schrikbewind geleefd de laatste maanden, en waren meer onder dan boven water.

De laatste vijf woorden van deze zin vormen de titel van de integrale uitgave van de brief van A. Marja aan Pa Marja, die ik van een korte toelichting voorzag. De Uitvreter drukte van Meer onder dan boven water 70 exemplaren op een Adana degelpers FAG proefpers en naaide ze in een hemelblauw omslag. Het boekje wordt kosteloos toegestuurd, wanneer men – met vermelding van adresgegevens – 12,50 euro overmaakt op rekening NL23INGB0001883734 ten name van C.A.J. Thomassen. (Zolang de voorraad strekt.)

Het duurste schilderij

Gustave Asselbergs nam in 1965 bijna wekelijks een kijkje in het huis van Jan Cremer aan de Amsterdamse Prinsengracht. Hij haalde Cremers post van de mat en ventileerde de kamers. Om de financiën van Cremer op orde te krijgen, verkocht Gustave Asselbergs eind 1965 wat spullen uit Cremers huis. Dat was geen sinecure.

Cremers houten werkbureau werd verkocht, maar bleek toen niet door de deur te passen, zodat er een timmerman moest worden ingeschakeld om het bureau doormidden te zagen. In een luchtpostbrief van 4 januari 1966 aan Cremer, hoog en droog in kamer 403 in het Chelsea Hotel, beschrijft Asselbergs wat hij aan spullen tegenkomt:

Ik heb meer dan een week je papieren, kranten en rotsooi uitmoeten zoeken, omdat overalrekeningen tussen zaten en foto’. Ook ontwerpen en ideeen op losse vellen papier. In je huis zijn geen dingen van waarde, dan behalve de bank, mijn schilderijen, kisten met kleren boeken, (ik heb voor f. 165.– boeken verkocht) twee tafels, een bureaustoel en een doormidden gezaagd bureau. Alles is verder opgeruimd.

De schilderijen van Asselbergs in Cremers Amsterdamse huis kwamen vooralsnog niet in aanmerking voor verkoop. Pas in 2009 verkocht Jan Cremer het schilderij ‘Rode Vlag’ van Gustave Asselbergs.

Het andere schilderij, waarop Asselbergs in zijn brief doelt, is ‘Victory-the point-birth-end’ uit 1964. Cremer zou het ongezien hebben gekocht. Op de openingsavond van Asselbergs’ expositie in de Amsterdamse galerie 845, op 1 maart 1965, kwam er, volgens een kort nieuwsbericht in alle grote dagbladen vier dagen later, een telegram binnen van Jan Cremer:

Succes, ik koop het duurste schilderij.

‘Victory-the point-birth-end’ was met tweeduizend gulden het duurste schilderij op de tentoonstelling.

Een mooie stunt, misschien niet eens meer dan dat. Drie maanden na aankoop werd het kostbare tweeluik nog eens tentoongesteld. Het hing, met ‘Rode Vlag’ en drieëntwintig andere schilderijen, in het gemeentelijk kunstcentrum De Galerij te Brunssum. Op de begeleidende folder stond achter nummer 15, zijnde ‘Victory, the Point, Birth, the End’, niet de vermelding ‘(coll. Jan Cremer)’. Was de immer in geldnood zittende Cremer terug gekomen van zijn impulsieve besluit?

Op de grote Asselbergs-tentoonstelling in het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint-Jan, van 20 november 1993 tot en met 9 januari 1994, is het doek weer te zien. ‘Victory-the point-birth-end’ is nu, volgens Gustave Asselbergs en de Pop Art in Nederland (1993), afkomstig uit de collectie van Evelien Wolf, de weduwe van Gustave Asselbergs.

Jan Cremer had twee schilderijen van Asselbergs. ‘Rode Vlag’ is het ene doek. Het andere doek is zoek.

Verhaal halen

In mei 1980 verscheen bij De Bezige Bij de bloemlezing Verhaal halen, met bijdragen van Jan Arends, C. Buddingh’, Remco Campert, Jan Cremer, Hugo Claus, Kees van Kooten, Harry Mulisch en vele anderen. Van Willem Frederik Hermans werd in dit boek het korte verhaal ‘Paramaribo’ opgenomen. Hermans’ presentexemplaar ging vergezeld van een honorariumberekening. Dat Hermans zelf een andere calculatie voor ogen stond, blijkt uit twee boze brieven van Hermans aan De Bezige Bij.

W.F. Hermans rekent in een brief van 11 juni 1980 de nieuwe Bij-medewerker Johannes Witteman voor dat zijn honorarium vreselijk laag is:

Er is f 60 per pagina betaald, d.w.z. in totaal 427 pagina’s tekst f 25620, dat is per exemplaar f 2,281 wat neerkomt op een royalty van slechts 4%… Schandelijk! Een honorarium van f 3,20 zou evenwel, zie bovenstaande berekening redelijk geweest zijn, ja zelfs heel matig. f 3,20 is 2,498 maal zoveel als wat jullie gedacht hadden te moeten betalen.

Wittemans antwoord bevalt Hermans allerminst. Op 26 juni 1980 komt de in zijn uitgever teleurgestelde schrijver met een oplossing:

Om een en ander te vergemakkelijken, wil ik er genoegen mee nemen dat het door mij nagevorde bedrag (f 1119,05 – f 480) = f 639,04 pas na het uitverkocht zijn van de eerste druk op mijn tegoedrekening wordt bijgeschreven. Van de volgende druk wil ik echter een honorarium hebben dat gebaseerd is op 10% van de verkoopsprijs.

Deze brieven worden samen te koop aangeboden door een antiquaar in Loosdrecht, die de hand heeft weten te leggen op enkele archiefstukken van De Bezige Bij. Daarbij zijn ook drie brieven van Gerard Reve en dummy’s van Lucebert en Marten Toonder. In andere, zakelijke brieven van Hermans aan zijn uitgever gaat het over een subsidieaanvraag, filmrechten en de Noorse vertaling van Nooit meer slapen:

Ik hoop dat die [uitgeverij] Guldendal inderdaad wat verkoopt van Nooit meer slapen en ben al blij dat zij, na van “Damokles’ Morkerom” niet veel verkocht te hebben, indertijd, niet bij zichzelf gezegd hebben “Nooit meer Hermans”.

De verkoop van brieven, opdrachtexemplaren en foto’s uit het archief van een literaire uitgeverij is niet nieuw, maar ook niet onomstreden.

Voormalig De Arbeiderspers-directeur Theo Sontrop is al jaren een lichtend voorbeeld. De via Sontrop in de handel gekomen typoscripten van F.B. Hotz zien sommigen liever in het depot van een openbare instelling verdwijnen. Ben Hosman, oud-uitgever bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, deed ook afstand van aan hem opgedragen boeken en unieke luxe-exemplaren van fondsuitgaven. In mei 2014 kwam een grote partij boeken, sommige met begeleidende schrijversbrieven en van intieme inscripties voorzien, uit het bezit van Bert Bakker jr. onder de hamer.

Phone: 66524

De bekendste – en in mijn optiek fraaiste – nieuwjaarswens in de Nederlandse literatuur staat op naam van Jan Cremer. Vrienden en bekenden van Cremer ontvingen eind december 1962 per post een tweemaal gevouwen affiche. De nieuwjaarswens van Cremer is een in blauw gedrukte collage met hoogtepunten uit het leven van de schrijver-kunstenaar: knipsels van kritische krantenstukken over de barbaar, fragmenten van uitnodigingen voor exposities, foto’s van de kunstenaar aan het werk en van zijn pasgeboren zoon. Een nieuwjaarswens als publiciteitsoffensief.

Misschien bracht Cremer zijn gelukswens ook over op Gustave Asselbergs, die hij in 1962 had leren kennen. Asselbergs hield van collages.

Twee jaar later gingen de beste wensen in tegengestelde richting. Dat is zeker. In de collectie Gustave Asselbergs van Jan Cremer bevindt zich een vouwkaart, in rood en zwart gezeefdrukt, met in spiralende kapitalen de tekst: ‘Gustave en Evelien [zijn echtgenote] wensen u een gelukkig negentienvijfenzestig!’ In de rechteronderhoek begraaft een schop het jaartal 1964.

Gustave Asselbergs postte zijn wenskaart in Amsterdam. Jan Cremer ontving de kaart in New York, waar hij zich kort na de publicatie van Ik Jan Cremer in het Chelsea Hotel had gevestigd. Voor het documenteren van de vriendschap tussen Asselbergs en Cremer is de emigratie van Cremer een zegen. Als Cremer in zijn etage aan de Joden Houttuinen in Amsterdam was blijven zitten, hadden de vrienden elkaar dagelijks gezien en was er nooit zo’n briefwisseling op gang gekomen.

In een brief van 20 juni 1965 aan Cremer is Asselbergs erg gelukkig met de zeefdrukker die hij onlangs heeft ontmoet:

Ik heb een nieuwe screendrukker in Meerssen, die erg veel voelt voor het maken van bibliofiele uitgaven. Ik heb met hem al gesproken over allerlei en prijzenopgaven gevraagd. Binnenkort ga ik bij hem werken.

Het enthousiasme voor zeefdrukken vertaalt zich aan het eind van 1965 in een reusachtige nieuwjaarswens. Het gezeefdrukte affiche van Asselbergs meet tachtig bij zestig centimeter. De tekst is een variant op de oude slogan van biermerk Guinness: ‘1966 is good for You’. Onder rode golven als scheidingsteken staat het jaartal 1965 met een rode streep door het laatste cijfer, gevolgd door ‘now’ en het jaartal 1966. In het klein is tegen de onderrand van het affiche het Amsterdamse telefoonnummer van Asselbergs gedrukt: ‘Phone: 66524’.

Wie de brieven van Asselbergs aan Cremer heeft gelezen, zou gemakkelijk concluderen dat deze Engelstalige nieuwjaarswens speciaal voor Cremer is gemaakt. Asselbergs klaagt in zijn brieven vaak over Cremers stilzwijgen, terwijl er van alles speelt rond Cremers onbeheerde woning in Amsterdam. Samen met Geert Lubberhuizen weet Asselbergs alle Cremer-affaires in goede banen te leiden, maar vanuit New York komen zelden dankbare berichten.

Het woordje ‘phone’ onderaan het affiche vertaal ik hier niet met ‘telefoonnummer’, maar met de gebiedende wijs ‘bel’. Mogelijke intercontinentale telefoongesprekken tussen Asselbergs en Cremer zijn met de wind verdwenen. Aan de punaisegaatjes in de hoeken is te zien dat de nieuwjaarswens van Asselbergs voor enige tijd een muur in het Chelsea Hotel heeft gesierd.