Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Drie recorders

Een maand nadat Gerard Reve de bandjes van Boudewijn Büch had volgepraat, publiceerde Büch in het weekblad De Tijd zijn ‘Afscheid van Gerard Reve’. Daarin beschrijft hij zijn eerste kennismaking met Reve en reconstrueert hij de totstandkoming van het beruchte interview. Wie Büchs artikel na al die jaren integraal leest, blijft wat vertwijfeld achter. Büch, terugblikkend:

Reve is het eerste uur onrustig. Het geklungel met drie recorders (het gesprek werd opgenomen op twee professionele recorders en één pocketrecorder; dit vanwege eventuele rampen en het vermijden van gemiste passages bij het verwisselen van de banden) duurt een tijdje.

Eén gesprek, twee microfoons, drie recorders. De bandopnamen voor het KRO-radioprogramma Spektakel overhandigde Büch aan Ernst Braches – in plaats van ze terug te geven aan regisseur Louis Houët. De cassettebandjes hield hij een tijdje zelf, om ze vervolgens aan een antiquaar te schenken. Waar is dan de derde set opnamen?

De [KRO-]banden en het integrale typoscript van het interview – zo heb ik besloten – schenk ik aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Ze mogen voor het eerst één uur na Reve’s overlijden worden geraadpleegd. Misschien dat geleerden deze affaire dàn kunnen ontraadselen.

In de loop van 8 april 2006, verordonneerde Büch in 1983, had het rode zegel op het blauwe pak al gebroken mogen worden. Bij de overhandiging van de inmiddels verzegelde KRO-banden aan Braches in 1984 werd, herinnert Klaas Koppe zich, gesproken over een termijn van dertig jaar. Maar in 1985 schreef iemand op de verpakking van de opnamen:

Niet te openen zonder toestemming Büch.

Ik zoek nog een paar geleerden om deze affaire te ontraadselen.

Twee microfoons

Eén gesprek, twee interviews. Voor Het Parool zou Boudewijn Büch Gerard Reve op 5 januari 1983 over politiek bevragen en voor de Katholieke Radio Omroep zou hij de schrijver over literatuur en religie aan de tand voelen. Daar kwam gedoe van.

In de inleiding van de gisteren uitgezonden radiodocumentaire ‘Schrijft U dat maar gerust in Uw krant’ is sprake van ‘de verzegelde banden [cursivering van mij]’ waarop Büch zijn ontmoeting met Reve vastlegde. Eerder, elders ging het vaak over ‘de Reve-tapes’ – alsof het hier geheime opnamen betrof.

In de heisa over de uit de kluis van Bijzondere Collecties geviste opnamen, na vierendertig jaar vrijgegeven, is geen ruimte voor het droge feit dat er naast de verzegelde bandopnamen ook andere opnamen van het gesprek bestaan. Ik wist het, het staat allemaal in Boud (2016), maar ik liet me meeslepen.

Bij deze foto van Büchs lijffotograaf Klaas Koppe, die de ontmoeting tussen Büch en Reve vastlegde, begon het me weer te dagen. Er staan twee microfoons op tafel. Büch had, aldus Koppe in het bijschrift (mirror), naar Schiedam zowel zijn Nagra als zijn gewone cassetterecorder meegenomen. De verzegelde banden schonk Büch, getuige deze foto, op 13 juni 1984 aan bibliothecaris Ernst Braches. De andere bandjes nam hij mee naar huis.

Gewoon in de kast

Boudewijn Büch was dus geen slechte journalist. Al die opmerkelijke uitspraken in het meest spraakmakende interview uit zijn carrière, hoofdredactionele commentaren en ingezonden brieven uitlokkend, bleken gewoon te kloppen. Aan het eind van het negende hoofdstuk van Boud (2016) schrijft Eva Rovers, na de originele gespreksopnamen met de gepubliceerde tekst vergeleken te hebben, dat Büch geen van Reves uitlatingen had verdraaid. Tien dagen na de verschijning van de Büch-biografie werd dit voor de bühne bevestigd.

Krap twee jaar na het beruchte Reve-interview arrangeerde Büch een tweegesprek met Augusta (‘Guusje’) Buwalda-Slauerhoff. Gewapend met een bandrecorder bezocht Büch eind 1984 Slauerhoffs jongste zus, een toen 84-jarige dame in Haarlem. Büch was de eerste journalist met wie zij de herinneringen aan haar beroemde broer deelde. Op 8 januari 1985 zond VPRO Boeken het interview van een uur uit. Naar beproefd recept wist de journalist het verhaal tweemaal te verkopen: Vrij Nederland publiceerde op 9 februari 1985 ‘In gesprek met de zuster van Slauerhoff’, aan welk stuk Wim Hazeu in zijn biografie van J. Slauerhoff bepaalde details ontleent.

Het is niet moeilijk voor te stellen waar Büchs belangstelling voor Slauerhoff vandaan kwam. Ze waren allebei verslingerd aan eilanden. Slau en Boud hadden beiden een romantische inborst en een rusteloze natuur.

Tijdens het interview met Slauerhoffs zus werkt Büch geen vragenlijst af, maar zit hij gewoon gezellig bij Zusje Slau aan tafel. Terwijl de band loopt nuttigen de oude dame en de jonge journalist een broodje ham – ‘Mag ik ook kauwen?’, vraagt zij op een gegeven moment. Levensbeschrijvingen en poëtica boeien Büch niet. Hij zoekt naar het persoonlijke verhaal, vist naar intimiteiten en curiositeiten. En spreekt daar dan af en toe zijn verbazing over uit.

Twee van de grootste dichters [A. Roland Holst en Slauerhoff] van hun tijd blijken ’s middags een dutje te doen! […] U gelooft dat hij naar de hoeren is geweest?

Aldus informeert mevrouw Buwalda-Slauerhoff Büch over de stoeipartijen met haar broer, de stijve en strakke Hendrik de Vries, de dansschool van Darja Collin, het slappe handje van Constant van Wessem en over de boze brief van Du Perron die ze na de dood van broer Jan vond en verscheurde. Een rommelig interview dat barst van de human interest.

Slauerhoffs lievelingszus vertelt ook, ietwat getergd, dat zij zich over het boekenbezit van haar dichtende broer moest ontfermen. De boeken die uit Tanger waren meegekomen bleken nogal ‘verwaterd’ te zijn. Zij regelde wel dat alles netjes op de planken kwam te staan.  Ze verzorgde ook Slauerhoffs post, of hij nu in Nederland was of over de zeeën zwierf.

Waar ik niet altijd pakjes naartoe moest sturen. En als hij weer ergens anders woonde, vroeg hij me sokken [te sturen] of weet ik wat.

Nieuwsgierig is Büch naar een tastbare herinnering aan J. Slauerhoff. Helaas, deelt de zus mee, het was hun oudste broer Feije die van elke nieuwe publicatie van Slauerhoff een exemplaar kreeg. En dan stelt Büch de vraag die elke waerachtige bibliophiel zou stellen.

– U heeft dus geen boek met opdracht van uw broer?
– Ik wel. Twee, maar niet [in boeken] die hij geschreven heeft. Maar die ik van hem gekregen heb.
– Ja, maar geen eigen boeken dus.
– Nee. Ik heb wel boeken, van IJslandsche Visscher, en van Annie Salomons, dat hij dan schreef “met zestien jaar, huwbare leeftijd” en dat hij naar Amsterdam ging.
– En die staan hier gewoon ergens in de kast?
– Ja, die staan hier gewoon in de kast. Wat moet ik ermee? In een lijstje zetten?

Beide boeken hebben nog lang in de kast gestaan, in elk geval tot 1995, het jaar waarin Slauerhoffs zuster overleed. Het boekje Langs het geluk (1913) van Annie Salomons, dat Slauerhoff zijn jongste zus schonk op haar zestiende verjaardag, is nu boven water gekomen. Gewoon te koop. Het is niet uitgesloten dat de volgende eigenaar het inlijsten zal.

Prick vs. Prick

Eerst was er Rudie Kagies Boudewijn Büch, verslag van een mystificatie (2004), waarin voormalige vrienden van Büch als leugendetectoren werden ingezet. Toen verscheen Een andere Boudewijn Büch (2005), Harry Pricks overwegend liefdevolle terugblik op een vriendschap. En nu is er Boud (2016) van Eva Rovers. De twee laatstgenoemde Büch-kenners waren in de positie op hun voorganger(s) te reageren, tekortkomingen te constateren, met herzieningen en noodzakelijke aanvullingen te komen. Het hele Büch-discours: soms net wetenschap.

Toen Harry G.M. Prick aan zijn Büch-boek werkte, was het verslag van Kagie net verschenen. Enkele episodes uit Büchs leven lagen dus nog vers in het geheugen. In zijn memoires houdt de wijdlopige Prick zijn pas enkele malen in, om dankbaar naar Kagie te verwijzen. Zo legt Prick niet uit waarom Büch afwezig was bij de première van Komrijs toneelstuk Het chemisch huwelijk. In plaats daarvan geeft hij een paginanummer in Kagie op.

Tweemaal wast Prick Kagie de oren. Hij demonstreert Kagies slordigheid aan de hand van een op zeker drie punten verkeerd overgenomen citaat uit een column van Büch. En Prick rectificeert het verhaal dat Kagie in zijn boek afdraait over de bibliotheek van Jan Kamerbeek jr., die Büch geërfd zou hebben. Hij noemt dit een ‘nieuwe mystificatie’ van Kagie.

Eva Rovers is stelliger over Rudie Kagie. Ze schaart hem in haar biografie onder de journalisten die het enkel om Büchs ontmaskering ging. Kagie schiep, met hulp van anderen, een eendimensionaal beeld van Büch als charlatan en leugenaar. En Rovers corrigeert Kagie: Johan Polak stelde Büch nooit ‘ruimhartig’ een appartement ter beschikking, zoals ook Prick reeds vermoedde.

Prick wordt in Boud omschreven als de ‘goedgelovige’, ‘goeiige’ en ‘brave’ conservator, van wie Büch wel heel erg veel gedaan kreeg. Diens Büch-boek vindt Rovers ‘verhelderend’ en ‘zeer gedetailleerd’.

Dat egodocumenten niet altijd waarheidsgetrouw zijn, wist Rovers als ervaren biograaf ook wel. In het geval Büch moest zij bijzonder op haar hoede zijn. Diens dagboeken staan vol ‘autobiografictie’. Toen Prick nog voorbestemd was om Büchs Eckermann te worden, kreeg hij van zijn jonge vriend zelfs enkele dagboeken te leen. In zijn boek richt Prick zich een paar keer tot de toekomstige Büch-biograaf. Hij heeft bij voorbaat medelijden met hem:

[…] arme biograaf, die een oneindig aantal uren zal moeten uittrekken voor het, keer op keer moeizame, nagaan van het waarheidsgehalte van al de honderden verhalen [van Büch], vaak geheel verzonnen of op zijn minst sterk tot zeer sterk bijgekleurd.

Elders voorziet Prick dat de ‘beklagenswaardige’ biograaf de hulp in zal roepen van een ‘psycholoog of psychiater’. Het zal hem namelijk gaan duizelen van Büchs confidenties

wanneer over pakweg veertig jaar of daaromtrent Boudewijns brieven voor een dan opererende biograaf toegankelijk zullen worden.

Dat ‘veertig jaar’ was een erg optimistische schatting van Prick. Hij was blijkbaar vergeten dat hij Büch in een brief van 18 augustus 1974 de keuze had voorgelegd wat er op het omslag van de map met Büch-brieven moest staan: ‘na mijn dood te vernietigen’ of ‘gesloten collectie, niet eerder toegankelijk dan het jaar 2500’. Büch koos voor de tweede optie, schrijft Rovers tandenknarsend. De tragedie strekt zich uit tot noot 26 bij hoofdstuk 5 van Boud:

Uit diverse gesprekken met de huidige directeur van het Letterkundig Museum Aad Meinderts en met Pricks weduwe Lily Prick bleek dat aan dit embargo niet te tornen viel.

Honderden brieven van Büch aan Prick liggen dus nog eeuwen achter slot en grendel. Rovers moest het doen met de citaten uit Büchs brieven waarmee Prick zijn terugblik en zijn eigen brieven doorweefde.

Dankzij de carte blanche van de familie Buch en toestemming van Lily Prick kreeg Rovers wel inzage in de brieven van Prick aan Büch. Zij kon het verhaal van Pricks brieven – naar de letter en de geest – vergelijken met het verhaal in Een andere Boudewijn Büch. In het achtste hoofdstuk van Boud staat een prachtige confrontatie tussen Prick en Prick.

Harry Prick is de ‘schaduwschrijver’ van Büchs debuutroman De blauwe salon (1981): hij heeft het manuscript regel voor regel herschreven en met talloze alinea’s aangevuld. Rovers citeert Prick uit een brief aan Büch van 1 februari 1978, wanneer hij voor het eerst delen van de roman-in-wording heeft gelezen:

Met je roman voeg je een volstrekt oorspronkelijk schriftuur toe aan onze letteren. Heel wat bladzijden zijn klassiek in de beste zin van dat woord. […] Maar stilistisch zal ik streng zijn, meedogenloos streng. Het zijn grotendeels veelal “kleinigheden”, maar ze moeten gewied omdat ze afbreuk doen aan de rijkdom aan schoonheden en schitteringen van het geheel.

Zet daar tegenover Pricks oordeel over exact dezelfde teksten in Een andere Boudewijn Büch:

[…] het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Werken aan De blauwe salon, dát was nu juist een van die allervervelendste karweitjes waarmee Boudewijn een mens de dampen kon aandoen. Je werd, in dit geval op 31 januari 1978, opgezadeld met een stapel papieren […] waaraan, bladzijde na bladzijde, geen smaak of kraak viel te beleven.

Zelfs Harry G.M. Prick kon het niet laten een enkele keer de geschiedenis iets bij te kleuren.

De magie van het geschrift

In beginsel is de net verschenen Büch-biografie niet verrassend. Vanaf het eerste hoofdstuk van Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch (2016) staat vast welke kant het met de held van deze geschiedenis opgaat. Büchs vriendschappen en verhoudingen verlopen volgens een vast patroon van aantrekken en afstoten. Om de zoveel jaar vernieuwt Büch zijn kring van vertrouwelingen en moet hij zichzelf opnieuw uitvinden. Elke nieuwe Boudewijn lijkt een uitvergroting van de vorige.

Biograaf Eva Rovers introduceert in haar boek de academische term ‘autobiografictie’: wanneer een persoon authentieke gevoelens koppelt aan verzonnen feiten, waarop vervolgens autobiografische geschriften gebaseerd kunnen worden. Büch gaat zo ver dat hij de dood van de kleine blonde in zijn dagboek noteert. Van elementen uit andermans biografieën en autobiograficties maakt hij dankbaar gebruik. De liefde voor jongetjes leent hij van Jan Hanlo. Oorlogsthematiek en een Poolse vader vindt hij bij Sylvia Plath.

Het is niet moeilijk om Boudewijn Büch weg te zetten als iemand aan wie alles onecht is. Boud is niet het onthullende verhaal van een bedrieger. Rovers nuanceert en typeert.

In het eerste en tweede hoofdstuk komt Büchs grote en onvervalste talent aan de oppervlakte: vertellen. Uit de mond van een broer tekent Rovers op dat de jonge Boud de gangmaker van het gebroken gezin Büch was. Op zaterdagavond vertoonde hij op de muur in de woonkamer korte films die al jaren in huis waren.

Iedere keer voorzag hij ze van ander commentaar; hij kon zijn broers moeiteloos laten geloven dat een film over de Watersnoodramp eigenlijk ging over de koe die door de straten dreef.

Meer dan de fantast-in-wording is dit een voorbode van de van enthousiasme overlopende, vreemde feiten spuiende entertainer, die even betoverend over popmuziek en poëzie praat als een pak rijst aanprijst.

Het jongetje van tien dat wikkels van King-pepermunt spaart om de atlas van te kopen is de wereldreiziger en eilandgek in de dop.

Al even puur is Büchs liefde voor boeken. Van de overredingskracht van inkt en papier is hij zich al op jonge leeftijd bewust. In de loop van zijn leven vervaardigt Büch diverse boekwerkjes, helemaal zelf, meestal om iemand (m/v) het hof te maken.

In 1965 vindt de 16-jarige Lucy Noordman onder haar kussen de ‘1e en enige editie’ van Poezy voor jou, een door Büch op grote vellen uitgetypt boek, met romantische gedichten en tekeningen. In de aanloop naar zijn debuutbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs (1976) ontvangen enkele vrienden van Büch zelfgemaakte bundels met ‘liederen’ en ‘zangstukjes’, stuk voor stuk gedateerd en gesigneerd. Sommige zijn voorzien van een omslag van schuurpapier.

Sébastien doorschoten. Vijf liederen voor een putto heet het boekje waarmee hij in maart 1980 Bas Heijne verrast. Het jaar erop geeft hij Rimbauds sonnet ‘Voyelles’ uit in één uniek exemplaar. Alsof er achter Le Bateau Ivre een heus uitgeversbedrijf schuilgaat, meldt de begeleidende brief:

unica – zeldzame drukken – debuten
vraag de folder. wij zijn billijk in prijs en leveren snel

De magie van het geschrift. En Büch weet dus vroeg wat vormgeving voor een boek doet. Hij verlustigt zich aan parateksten. Voor typografie heeft hij blijkbaar ook altijd oog gehad. In 1975 wenst hij een Precisa 3000, en wel omdat deze schrijfmachine van die ‘wonderlijke asterisken’ produceert. (Zulke details, wel degelijk verrassend, kunnen er niet genoeg in een biografie staan.)

Van de DIY-boekjes is het maar een kleine stap naar The Blue Lavender Press, Sub Signo Libelli, Plim’s Drukkerijen, AMO, Duindoornpers, Salix Alba, Breukenpers, Regulierenpers – de private presses die Büchs gedichten en verhalen in iets grotere, maar nog altijd kleine oplagen fraaier aan de man weten te brengen.

In geen van beide categorieën valt het affiche You’re screaming blue murder (1978). Het is eigenhandig geproduceerd drukwerk, in het kader van de (verloren) liefde ook, maar dit gedicht verscheen in een oplage: iedereen mocht er deelgenoot van worden. Büch wenste een publiek. You’re screaming blue murder markeert de overgang van geknutsel op zolder naar verfijnd drukwerk, van de unica naar echte bibliofiele uitgaven. In Boud staat niets over deze poëzieposter; de reactie van Bernadette erop blijft verborgen. Een kleine omissie in een uitstekende biografie.

Cocaïne

Een van de vele talenten van Boudewijn Büch was het achtereenvolgens opduiken en in de schijnwerpers zetten van obscure uitgaven. Coen Hissinks prozabundel Cocaïne. Berlijnsch Zedenbeeld (1928) lag decennialang te verstoffen, totdat Büch op 22 augustus 1981, in het paginagrote stuk ‘Hoe goddelijk is cocaïne?’ in NRC Handelsblad, laat weten Hissinks ‘triviale maar interessante roman’ te hebben gelezen. Een jaar later, in Het Parool van 29 augustus 1982, maakt Büch in een boekbespreking weer terloops melding van Hissinks ‘eendagsvlieg’.

Uitgebreider behandelt Büch Cocaïne in zijn artikel ‘Cocaïne in de literatuur’, in De Tijd van 16 november 1984. Daarin geeft hij toe dat hij niet veel over de schrijver van het boek te weten is gekomen, maar hij sluit niet uit dat de in de Kampen geboren toneelspeler en filmacteur Coen Hissink samen met de dichter Paul van Ostaijen in Berlijn een lijntje heeft gelegd. Over de zeldzaamheid van Cocaïne schrijft Büch ondubbelzinnig:

Ik ken slechts twee exemplaren van dit boek. […] De oplage kan niet hoog zijn geweest en dat het boek recent zo weinig wordt aangetroffen, moet eerder worden geweten aan de treinlectuurlijkheid ervan.

Büchs herhaaldelijke herontdekking van Hissinks proza had hype noch herdruk tot gevolg. Het exemplaar van Cocaïne uit de Bibliotheca Didina et Pinguina – in matige staat, maar van een opdracht voorzien – bleef tijdens de tweede Büch-veiling op 31 mei 2005 op de planken staan. Verkocht werd wel een kavel Büch-dummy’s, waaronder die van de nooit verschenen boeken Onder invloed geschreven. Roes en verslaving bij Bilderdijk, Multatuli […] en anderen en Cocaïne.

In de tweede helft van 1928 waagden zes dag- en weekbladen zich aan een bespreking van Cocaïne. De ontvangst was overwegend positief: De Telegraaf vond het een ‘gelukkig debuut’, De Sumatra Post drukte bijvoeglijke naamwoorden als ‘gevoelig’ en ‘navrant’ af, en De Groene Amsterdammer roemde het ‘knappe, soliede werk’. Alleen de Nieuwe Rotterdamsche Courant was niet onder de indruk: recensent Jan Campert had het over ‘ver-ouderd realisme’ en citeerde in zijn signalement Hissinks ‘onbeduidende, niets zeggende zinnetjes’.

De waarde van dit boek is zuiver literair-historisch: het is een van de eerste werken in de Nederlandse literatuur waarin cocaïnegebruik zo gedetailleerd wordt beschreven. De beroemde filmactrice, in het eerste deel van het boek, blijft alleen op de been als zij af en toe ‘een poeiertje’ neemt. Zij is al over het toppunt van haar roem heen. De filmproducenten hanteren haar als een marionet.

Ze zag ’t glas champagne vóór zich, ze ráákte den donkeren afgrond, de leegte,… en ze moèst: ze nam ’t glas, dronk ’t haastig leeg, als een noodlots-daad, wankelde overeind, en haastig in haar handtaschje vingerend nam ze een clandestien als ap’thekers-poeiertje gevouwen papiertje, opende ’t en snóóf…
Nog even ging ze zitten, instinctmatig de sigaret grijpend en aanstekend, diep inhaleerend, de oogen dicht, duizelend de omzwaai van haar bloedstroom dóór-lijdend en genietend: haar hoofd werd lichter, de loomheid gleed van haar leden af, haar oogen openden zich en begonnen vreemd te glanzen. Alles wat ze zooeven nog in pijnigend moreel gewroet vagelijk overdacht had, was weg, verzwonden, vergeven, en vergeten.

Twee recensenten stipten indertijd aan wat het boek nu nog zo bijzonder maakt. De Groene had het afkeurend over ‘de branderige, zwoele zinnelijkheid van hen die anders zijn dan anderen in het walgelijke Berlijn van thans’ en De Sumatra Post noemde de ‘Schwüle Diele’, ‘een gelegenheid voor “anders als die Andern”‘. Dat was duidelijke taal: Anders als die Andern (1919) is de eerste film met een homoseksueel in de hoofdrol. De hoofdpersoon van Cocaïne duikt een homo-club in, gebruikt het witte poeder op de wc, ziet een travestiet op de dansvloer, ontmoet handtastelijke mannelijke en vrouwelijke prostituees. Hissink beschrijft het filmisch en meeslepend: een geïllustreerde reisgids had anno 1928 niet beter reclame kunnen maken voor de Duitse hoofdstad.

Het internet heeft het boek minder zeldzaam gemaakt. Eens in de drie jaar duikt er wel een exemplaar van Cocaïne op; in zeker zes particuliere collecties is het te vinden. Hissinks eigen exemplaar van Cocaïne is, sinds 2011, in mijn bezit. Het is afkomstig van een dochter van Hissinks zus, waar de acteur vaak kwam logeren. Het nichtje had goede herinneringen aan oom Coen. Tot haar dood heeft ze het boek bewaard, waarin de auteur met potlood drie zetfouten verbeterde en op de voorgedrukte exlibris-pagina schreef:

Coen Hissink
Vreeland
Huize “Jagtlust”

Hissinks ingenaaide exemplaar lag zodanig uit elkaar, dat ik in 2013 besloot Binderij Phoenix opdracht te geven een nieuwe band te vervaardigen. Philipp Janssen koos voor ‘aufgesetzte Deckeln’: een rug van donkerrood leder, platten van perkament, de cassette bekleed met leer en wit Japans papier. De titel van het boek staat op de rug, maar is ook vervat in de kleur van de platten en de subtiele lijnen in de cassettebekleding.

Een tweet over de boekband trok de aandacht van H.M. van den Brink. Hij nam onlangs het initiatief tot de herdruk van het titelverhaal ‘Cocaïne’ uit Cocaïne; de twee overige verhalen, ‘Overwinning’ en ‘De hongerende kunstenaar en het nieuwe licht’, werden niet herdrukt. Cocaïne verscheen op 30 augustus jongstleden als eerste boekje in de reeks Gids Cahiers in een oplage van 200 exemplaren. De herdruk bevat schitterende stills uit zwart-wit klassiekers als Berlin. Die Sinfonie der Großstadt (1927) en Alexandra (1922). In de laatste film speelde Hissink de rol van fakir Hamul Afid.

De naar de huidige spelling overgezette tekst van ‘Cocaïne’ wordt gevolgd door een informatief nawoord van Van den Brink, waar Boudewijn Büch veel van had opgestoken. Van den Brink beschrijft het leven van Coen Hissink, vanaf zijn debuut in 1903 op de Utrechtse kermis, tot zijn dood in 1942 in de tyfusbarak in Neuengamme.

Bezwaarschrift

In de eerste twee afleveringen van zijn feuilleton was Eric J. Schneyderberg buitengemeen kritisch over de werkwijze en de publicaties van Eva Rovers. Daaruit kon worden afgeleid dat de oprichter van de Actiegroep Stop De Biografie niets te maken wilde hebben met de officiële biograaf van Boudewijn Büch. Het tegendeel is waar, blijkt uit de derde aflevering van wat nu ‘Wisselgeld’ (mirror) heet.

Eerder had Schneyderberg uitgebreid contact gehad met Rovers over de vriendschap tussen Büch en Gerrit Komrij, beiden goede bekenden van de antiquaar. Onlangs heeft Schneyderberg delen van de tekst van Rovers’ biografie toegestuurd gekregen. Over de weerslag van wat hij Rovers had verteld over allerlei kwesties tussen Büch, Komrij en hemzelf was hij niet tevreden.

Sinds een week of wat circuleert op de burelen van de Actiegroep Stop de Biografie een serie ter goedkeuring ontvangen teksten. […] Zoveel onzin en zoveel geknoei, alleen al op déze vier blaadjes

Schneyderberg zegt nu de ‘bevredigende reactie’ van Eva Rovers op zijn bezwaarschrift af te wachten.

Zure opmerkingen

Aan zijn feuilleton ‘Gatenkaas met billenkoek’ – voorheen getiteld ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’, nu omgedoopt tot ‘De hoedjes van Rimbaud’ – heeft antiquaar en Büch-intimus Eric Schneyderberg een nieuwe aflevering (mirror) toegevoegd.

Ik wil een mysterie!
Waar is dat mysterie?
Het motief van de biograaf, dat is een mysterie!

In ‘Boudewijn Büch, Gerard Reve en een vreemd artikel’ uit hij kritiek op een stuk dat Eva Rovers in 2015 voor het Tijdschrift voor Biografie schreef. Schneyderberg verwijt haar een mysterie omtrent het beruchte Parool-interview van Büch met Reve te scheppen door niet van het haar ter beschikking gestelde materiaal gebruik te maken. Ook zou zij in haar artikel niet de werkelijke reden van de breuk tussen Büch en Reve hebben weergegeven.

Tegenover de ‘zure opmerkingen’ van een oude vriend staat het nieuws dat Eva Rovers’ dikke boek officieel is aangekondigd. De door Schneyderberg gevreesde biografie zal Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch heten. Uitgeverij Prometheus brengt de eerste druk gebonden op de markt.

Mystificaties en falsificaties

In november 2016 verschijnt de biografie van Boudewijn Büch, waaraan Eva Rovers sinds september 2011 werkt. Daarvoor kreeg ze als eerste en enige toegang tot het volledige archief van Büch. Maar niet iedereen ziet reikhalzend uit naar het dikke boek over de dichter, televisiemaker en columnist.

Waarom moet, door middel van boeken, kranten, tijdschriften, radio, televisie, internet, etcetera de hele Nederlandse bevolking geconfronteerd worden met privézaken die zich pakweg dertig jaar geleden afspeelden tussen Boudewijn Büch en een stuk of twintig “vrienden”?

schrijft Eric Schneyderberg in de eerste aflevering van een, naar eigen zeggen, ‘vermakelijk feuilleton’. Zijn zojuist begonnen reeks heet ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’ (mirror) en is een initiatief van de Actiegroep Stop De Biografie, bijgestaan door de Stichting Laat Die Jongen Toch Met Rust.

Zou het niet beter zijn als deze mensen een eigen club zouden oprichten? De BOUDEWIJN BÜCH BEDROGEN VRIENDEN CLUB? In dat geval kunnen ze in hun clubblad – oplage twintig exemplaren, enkele stuks Hors Commerce toegestaan – hun ervaringen en herinneringen delen, elkaar de loef afsteken en wat al niet.

Schneyderbergs idee stamt uit 2004, maar in de aanloop naar de verschijning van Rovers’ biografie schiet de gedachte steeds vaker door het hoofd van de antiquaar. In een aan zijn oorspronkelijke stuk toegevoegde inleiding vermoedt Schneyderberg dat hij met zijn herhaalde oproep weinig vrienden zal maken. Hij stelt zijn ‘intimi’ nog zeven afleveringen in het vooruitzicht.

Over de vermeende pseudologia phantastica van Boudewijn Büch is al veel gezegd en geschreven. In 2004 liet Rudie Kagie in een biografische schets van Büch verschillende (voormalige) vrienden en geliefden aan het woord over het gefantaseerde leven van de schrijver. Een jaar later verscheen Een andere Boudewijn Büch van Harry G.M. Prick, die in 1984 zijn Wahlverwandtschaft met Büch abrupt in rook zag opgaan. Prick blikte in zijn boek terug op een intense vriendschap, maar stond ook stil bij Büchs ‘mystificerende trekken’.

Eric Schneyderberg was jarenlang Büchs hoofdleverancier van boeken, prenten en langspeelplaten. Hij werkte vanaf 1989 bij de antiquarische afdeling van De Slegte, stelde vier aan Büch gewijde verkoopcatalogi samen en verzorgde ook enkele luxe-edities van werk van Büch. Ze hielden wel van een geintje, Schneyderberg en Büch. Aan Kagie vertelde Schneyderberg dat ze bij het samenstellen van Büchs Verzamelde gedichten in 1995 ‘een paar literaire geschiedvervalsingen’ in de bundel hadden verstopt, waar zelfs redacteur Ernst Braches nooit van op de hoogte is gebracht.

Nee, ik ga niet zeggen waar die falsificaties uit bestaan. Laat anderen dat maar proberen te achterhalen.

Uit de te verschijnen Büch-biografie zal blijken of Eva Rovers die handschoen heeft opgepakt.

You’re screaming blue murder

Bernadette Gallis was zeven jaar gelukkig getrouwd met Floris Pelgrim, toen ze op Eerste Kerstdag 1974 bij een wederzijdse vriend Boudewijn Büch ontmoette. De vervolgafspraken vonden plaats bij Bernadette thuis, wanneer haar man en kind al op bed lagen. Die avonden vulden zich met gesprekken over muziek en literatuur. Toen was er een zoen. In april 1976 ging het verliefde stel samenwonen op Bakker Korffstraat 12a te Leiden.

De foto’s uit die tijd suggereren een idylle. Bernadette en Boudy glimlachen gelukzalig. Allebei het haar tot op hun schouders, zij in een nauwsluitende zigeunerjurk, hij in een zachtgeel overhemd met scherpe punten en een zwarte cape. Alsof ze zo uit een eenakter met zang en dans van de plaatselijke toneelvereniging zijn komen lopen.

En al die tijd zat de echtgenoot van Bernadette Gallis gedesillusioneerd in de coulissen. Maar in januari 1978 besloot Gallis naar haar man terug te keren, in een laatste poging haar huwelijk te redden.

Büch reageert op het verlies van zijn geliefde zoals een dichter dat doet: op papier. Hij schrijft op 27 januari 1978 het gedicht ‘You’re screaming blue murder’, laat dit in honderdvoud drukken als affiche en hangt er in februari de binnenstad van Leiden vol mee.

De titel van Büchs gedicht is een citaat uit het nummer ‘Short and Curlies’ (1974) van The Rolling Stones. Dat gaat over het in de ban zijn van een vrouw:

It’s too bad, she’s got you by the balls
She’s nailed you to the wall
[…]
And you can’t get away from it all

Het is een hyperromantische daad, een poëtische hartekreet. Tegelijk neigt het naar emotionele chantage. Dichten over je liefdesverdriet en je verlangen – en daar dan elke willekeurige Leidenaar lastig mee willen vallen. Gallis wist dat ze de enige was die wist dat zij in het gedicht werd aangesproken, maar zij moet het toch anders gevoeld hebben, wanneer ze voor het rode stoplicht te midden van andere weggebruikers met het gedicht werd geconfronteerd. Büch had van iets persoonlijks en pijnlijks kunst gemaakt. En een publiciteitsstunt.

Het gewenste effect van het affiche bleef overigens uit. Wel bleven Büch en Gallis altijd bevriend.

You’re screaming blue murder is een lichtblauw vel papier van 50 bij 39 centimeter, in donkerblauw bedrukt naar een wrijfletter van Mecanorma. Vermoedelijk heeft Büch zelf het moedervel gemaakt, voor hij het naar de kopieerinrichting bracht. Het gebruikte lettertype Avant Garde Gothic kent verschillende e’s, v’s en w’s (vooroverhellend, romein en achteroverhellend) en deze varianten zijn op de poster willekeurig ingezet. (Helaas heeft dit font bij recente digitalisering veel karakteristieks verloren.)

Het blauwe affiche is de allereerste eigenbeheeruitgave van Boudewijn Maria Ignatius Büch, die daarvóór wel boekjes in elkaar fröbelde, maar altijd in een oplage van een enkel exemplaar. You’re screaming blue murder, vervaardigd in een door de auteur genummerde en gesigneerde oplage, is tevens de eerste in een lange rij bibliofiele uitgaven. Harry G.M. Prick heeft opgemerkt dat het bovendien Büchs eerste sonnet is.

Ik zag de affiches in de loop der maanden verrotten of verscheurd worden…

herinnerde Büch zich in 1990, nadat hij het affiche eerder al eens als ‘onvindbaar’ had bestempeld. Natuurlijk zijn niet alle exemplaren verloren gegaan. Hans Maarten van den Brink, die Büch kende van het Leidse universiteitsblad Mare, had het affiche op zijn studentenkamer hangen. Prick ontving zijn exemplaar in een kartonnen koker per post. Zelfs Bernadette Gallis zou, pas op de laatste meidag van 1978, nog een affiche krijgen. De laatste vijftien jaar heb ik er zo zeker nog twee of drie gesignaleerd.

In mijn bezit is een exemplaar gemerkt ‘h.c.’ – wat opmerkelijk is, want ook de van 1 tot 100 genummerde exemplaren bleven buiten de handel. Het gebruik van de term ‘hors commerce’ (er bestaan ook exemplaren ‘épreuve d’artiste’) laat zien dat de 29-jarige Büch al goed op de hoogte was van de bibliofiele zeden.

Verrot of verscheurd is mijn affiche niet, wel is het gekreukt en heeft het aan de onderrand waterschade opgelopen. Rechtsonder staat een gesigneerde opdracht van Büch met de toevoeging ‘too late’. In elk geval slaat dat op het feit dat de dichter dit affiche pas in 1981 aan een vriend overhandigde, maar Büch kan hier ook bewust een regel uit het Stones-nummer ‘Hand of Fate’ (1976) hebben aangehaald. Hij wist toen zeker dat de liefde met Bernadette Gallis voorgoed voorbij was. Niets aan te doen.

I’m on the run, I hear the hounds
My luck is up, my chips are down
So goodbye baby, so long now

Draaikolk

De vriendschap tussen Boudewijn Büch en Cees Nooteboom is te reconstrueren aan de hand van interviews, brieven en opdrachtexemplaren. De laatste categorie is al goed gedocumenteerd, doordat Eric J. Schneyderberg in 1991 de opdrachten van Nooteboom aan Büch in een verkoopcatalogus van De Slegte heeft geciteerd. Het afgelopen jaar zijn vijf boeken van Nooteboom uit Büchs bezit, elk van een handgeschreven opdracht voorzien, in mijn boekenkast aanbeland. Daar staan ze naast Büchs gelegenheidsuitgave De Boekhandel (1985), vanwege de inscriptie op de titelpagina:

voor Cees [Nooteboom]
van de verdrinkingsdood
gered –
3 X 1985
boudewijn büch

De rechte haken in dit citaat zijn nu eens niet van de antiquaar, die een prijsopdrijvende provenance geeft, maar van de auteur zelf. Blijkbaar was Büch bang dat ik dertig jaar later aan Buddingh’ zou denken.

Voordat Eva Rovers in allerijl een heldhaftig hoofdstuk aan haar Büch-biografie toevoegt: de opdracht is dichterlijke vrijheid, een grapje of een kleine leugen. Zoals zovele van Büchs verhalen moet deze op schrift gestelde herinnering met een kilo zout genomen worden.

Eind juli 1985 bezocht VPRO-verslaggever Büch Cees Nooteboom op Menorca, waar de schrijver sinds de jaren ’60 een seizoen per jaar leeft en werkt. Op dit eiland schreef Nooteboom In Nederland (1984), en stukken van Rituelen (1980) en Een lied van schijn en wezen (1981). Maar meer is het Spaanse eiland te vinden in Nootebooms poëzie. De schrijver kan er, vertelt hij Büch, de rotsen aanwijzen die aanleiding waren voor een gedicht.

Op de radio deed Büch uitgebreid verslag van zijn ontmoeting. Na een helse klim van drie kwartier bereiken de Hollandse schrijvers de werkplek van Nooteboom. Die beweegt zich het hele jaar ‘als een idioot’ over de wereld, maar kan hier achter een muur van steen ongestoord zitten schrijven. ‘Is dit mooi? Het is meer een woestenij.’ Zo lokt Büch voor de microfoon een lofzang van Nooteboom op het eiland uit. Zee, strand, bos – en nergens is een mensenhand in te herkennen. Heel in de verte staan de resten van een Arabische wachttoren uit de tiende eeuw.

Op Nootebooms tweeënvijftigste verjaardag gaan de schrijvers een dagje naar het strand. Büch zit in het zand, Nooteboom gaat de zee in. En opeens is Nooteboom uit zicht. Büch denkt nog dat hij net om een rots aan het zwemmen is, maar het ging anders. Nooteboom, diezelfde avond:

Ja, Boudewijn. Het is een heel wilde zee vandaag, maar ik ken die plek daar heel goed. Dus ik was daar aan het zwemmen en ineens riep iemand mij, beduidde dat we niet verder kwamen. Ik had het helemaal niet in de gaten. Ik was krachtig aan het zwemmen, er waren hoge golven. Toen ik één vast punt in het oog hield merkte ik inderdaad dat ik heel langzaam achteruit ging. Ik zat in een soort draaikolk, had geen grond meer onder mijn voeten. Even dacht ik nog: hé, daar ga je. Een paar mensen op het strand, die vanochtend hetzelfde hadden meegemaakt, hebben me vanaf een rots met een stok en een touw eruit getrokken.

En al die tijd zat Büch naar die rots te kijken, wachtend tot Nooteboom erachter vandaan zou komen. Büchs reactie (microfoon open) is vol spanning en sensatie:

Je bent dus echt gered? Mocht ik dat hebben mogen meemaken? Ik zag het dus niet. Ik wist van niks. Sterven er hier ook mensen eigenlijk?

Omzwervingen

Wanneer Cees Nooteboom in de jaren ’80 een nieuw boek publiceerde, dan stond de schrijver altijd een exemplaar af aan zijn vriend en fondscollega Boudewijn Büch. In Aas (1982), een bundel met veel filosofische gedichten over reizen en verre landen, schreef Nooteboom voorin deze regels, die een verschil in levenshouding benadrukken:

voor Boudewijn Büch
die niet van reizen
houdt,
van Cees Nooteboom
die veel moet reizen.
Cees N.
Asd. 11-10-82

De schrijver die tijdens zijn korte leven miljoenen Air Miles bij elkaar vloog en dertien televisieseizoenen vulde met reisprogramma’s, wilde niet altijd al naar het einde van de wereld. In het artikel ‘Tussen eerste druk en edelkitsch’ in De Boekenwereld 30/1 roept Eva Rovers in herinnering dat Büch begon als boekenkastreiziger: tijdens het schrijven van zijn eerste reisboek Eilanden (1981) had hij Nederland niet eens verlaten. Pas in 1982 maakte hij zijn eerste grote reis, samen met radiomaker Paul Aalbers, naar Nieuw-Zeeland, Tahiti, Fiji en Skiros. Pas toen begon Büch van reizen te houden.

In 1991 was zijn weerzin tegen ‘het literaire wereldje’ te groot geworden: Büch verkocht, via zijn vaste leverancier Eric J. Schneyderberg, zijn complete collectie Nederlandse literatuur. Daar waren talloze boeken bij die hij, getuige de vriendschappelijke opdrachten, van collega’s had ontvangen. Hij deed ook zijn Nooteboomen weg – de meeste, niet alle. Vier van deze bijzondere opdrachtexemplaren zijn, na omzwervingen, in mijn boekenkast aanbeland.

Toen Boudewijn Büch op 23 november 2002 overleed, bevond zich in zijn enorme bibliotheek een ongelezen exemplaar van de eerste druk van de Deense vertaling van Nootebooms bekendste roman. Drie weken voor zijn dood had Büch, vaste gast in de talkshow Barend en Van Dorp, het boek Ritualer (1987) nog voor de camera’s omhoog gehouden. Omdat de naam van de schrijver op het omslag consequent verkeerd was gespeld (‘Cess Noteboom’), zou deze druk nooit in de handel zijn gebracht, aldus Büch. Maar hij kreeg een auteursexemplaar cadeau met de opdracht:

voor Bodivan Bucc,
van Cess Noteboom,
Amsterdam,
28-10-87

Het was niet voor het eerst dat Nooteboom zijn naam verhaspeld had zien worden. Begin 1987 was hij een paar maanden Visiting Professor aan Berkeley, waar hij met studenten zijn werk besprak en hen onderwees over Nederlandse koloniale literatuur. Op een van zijn wekelijkse spreekuren, te midden van kasten vol – God betere – ‘Gotische Schillers en Goethes’, werd hij door ‘een getourmenteerde schrijver’ aangesproken met ‘Are you Professor Noetbaum?’

Noetbaum. Nussbaum. Noetboem. Noodebawm. Noddebom. Nobody. Ik tors die naam met me mee als een schat.

vervolgt Nooteboom in het reisverhaal ‘De tweede auto’, opgenomen in de bundel De wereld een reiziger (1989). Ook hiervan kreeg Büch een eerste druk met een inscriptie, die nu een Wahlverwandtschaft behelst:

voor Boudewijn
zelf eeuwige pelgrim
Cees,
Amsterdam
1 juni ’89

Een bibliofiele daad

Vandaag, de geboortedag van beide brievenschrijvers, komt de op een briefkaart na volledige correspondentie tussen Boudewijn Büch en Gerard Reve onder de hamer. In maart 2003 kwam deze briefwisseling voor het eerst in de verkoop: antiquariaat AioloZ beschreef de literaire post in zijn catalogus 61 voor de jaarlijkse antiquarenbeurs in de RAI, waar de brieven wel te zien waren maar al niet meer te koop (‘everything offered here is still available!!! (except the Büch-Reve correspondence)’).

De brieven zijn geschreven in de periode 1981-1984. De allereerste brief heeft mijn bijzondere belangstelling: Büch schrijf op 2 november 1981 zijn eerste epistel aan ‘Hooggeschatte Meester, Beste Markies’. De brief behelst een verzoek aan Reve om gedichten af te staan voor de private press Sub Signo Libelli van Büchs goede vriend Ger Kleis:

Oh! De komende weken wacht ik aan mijn brievenbus … verlang naar dat pakketje … jaag in huurrijtuigen naar de drukker … Maar nee … Uw dichterschap & anders zwijgt.

Reve stuurde een schitterende brief terug, maar geen pakketje verzen. Zijn dichterschap zweeg.

Dat Büch nog een tweede poging zou wagen om Reve in het illustere fonds van Kleis te krijgen, blijkt niet alleen uit de correspondentie. Behalve een uitwisseling van brieven vond er tussen Büch en Reve ook een uitwisseling van boeken plaats.

Op 16 november 1981 stuurt Büch, van wie op dat moment drie poëzie-uitgaven bij Kleis zijn verschenen, Reve ter overreding een fraai specimen van Sub Signo Libelli toe. Het is Auch ich in Arkadien, een Goethesk gedicht als vouwblad in omslag, gedrukt op de Sub Signo Libellipers in oktober 1980 ter gelegenheid van een margedrukkersfestival in Utrecht. Reve krijgt (geluks)nummer 7 van de 60 exemplaren.

Onder het colofon, helemaal in de stijl van de eerste brieven van Büch, schrijven drukker en dichter aansporende opdrachten: ‘Aan de voeten des Markies’/ dit eenvoudig geschenk/ van een nederige werkmansjongen/ Ger Kleis’ en ‘Om u te verlokken/ tot een bibliofiele daad,/ uw leerling/ Boudew*’.

‘Elke uitgave is een individu’

Hij is gestopt met zetten en drukken, zijn trapdegelpers is verhuisd. Gerrit Kleis (Coevorden, 1940) heeft afscheid genomen van zijn private press Sub Signo Libelli, maar hij is nog dagelijks in de weer met boeken. Naar aanleiding van het verschijnen van de afsluitende bibliografie van SSL blikt hij in zijn Drentse boerderij terug op zijn fonds, zijn studiejaren in Amsterdam en een Praags avontuur.

Links van de keuterij bij het dorpje Geesbrug, aan het Zwindersche Kanaal, staat een stevige houten schuur. We betreden de schuur door een extra brede deur (‘speciaal laten maken, anders paste de degelpers er niet door’) en nemen plaats aan een tafel. In dit atelier was Gerrit Kleis, wanneer hij niet voor de klas stond in Amsterdam, alle weekenden en vakanties aan het werk voor zijn eigen uitgeverij. Nu de drukpers en de bokken zijn verdwenen is er ruimte voor zijn verzameling Nederlandse literatuur en historische studies, zijn correspondentiearchief en een schrijftafel. Boeken staan zelfs in de nok, op de houten dwarsbalken. Boven onze hoofden hangt een wissellijst met de vijf etsen die Joost Veerkamp voor zijn uitgave De doos van Simon Carmiggelt maakte. Achterin staat een wasmachine. Naast de deur is een metalen bak gevuld met diverse heggenscharen, takkensnijders en rozensnoeischaren. Want Kleis is ook tuinier en rozenkweker.

Of het afscheid pijn deed, wil ik weten. ‘Ja. Zeker wel. Aan de andere kant: mijn ogen zijn slecht, ik heb een nieuwe knie, een nieuwe heup, moet nog een nieuwe knie. Het drukken ging met mijn kwaliteitseisen daarom niet meer.’
De Boston trapdegel, de Krause snijmachine en de vijf zetbokken zijn in 2012 verkocht aan een drukkerswerkplaats in Gouda. Het was Pieter Stroop, een oud-leerling van Kleis aan het Barlaeus Gymnasium, die het initiatief tot de overname nam. Tot Kleis’ genoegen blijft de lettercombinatie SSL verbonden aan de pers: van Sub Signo Libelli naar Sub Signo Leonis. De leeuw in de nieuwe naam verwijst naar de oudste drukker van Gouda, Gheraert Leeu. Binnenkort verhuist de pers nogmaals, van de Jeruzalemkapel naar de nieuwe openbare bibliotheek van Gouda.

De presentatie van het derde en afsluitende deel van de SSL-bibliografie vond plaats op 19 augustus in de Artis Bibliotheek. ‘Dat was een gezellige en leerzame middag, in het kader van de Summerschool bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Ik vond het leuk om de conservator van de Artis Bibliotheek in levende lijve te zien, want hij heeft mijn collectie rozenboeken gekregen, bij elkaar zo’n vier meter. Hij kon me vertellen dat het al mooi op de plank staat.’ Met de schenking van zijn rozenboeken en na de publicatie van De rozenteelt in Nederland. Geschiedenis, literatuur en documenten in 2007 heeft Kleis het onderwerp nu afgesloten. ‘Naar die bibliografie van mij wordt overigens nooit verwezen; mensen kopen blijkbaar geen oude rozenboeken. Nou ja.’

Oudezijds Achterburgwal

Zijn belangstelling voor literatuur en typografie werd aangewakkerd in Amsterdam, waar hij van 1962 tot 1969 Nederlands studeerde, met als bijvak analytische bibliografie. Studie en stad waren voor de 22-jarige Kleis een logische keuze. ‘Ik wilde natuurlijk weg uit de provincie. Maar ik wilde niet naar Groningen, waar ik iedereen al kende – of dacht te kennen. Ik wilde mijn vleugels uitslaan. De andere kant van het leven lonkte. Mijn toenmalige vriend was mij een jaar eerder voorgegaan naar Amsterdam. Maar toen ik er kwam, had hij het leven al leren kennen, dus die liet mij al gauw in de steek.’

‘In mijn studietijd woonde ik onder meer op de Oudezijds Achterburgwal, op de zolder van een pakhuis. Pim Scheele, een student Geneeskunde die ik kende van de sociëteit Olofspoort, woonde voor. Ik had een heel leuk mansardekamertje, maar als ik ’s winters wakker werd, was mijn dekbed besneeuwd. De sneeuw kwam gewoon tussen de dakpannen door. In de strenge winter van 1963 kwam ik vaak over de vloer bij George en Anke Groot, ook studenten Nederlands en toen nog geen Don Quishocking, die iets verderop woonden. Ik liep dan in de bijtende kou naar ze toe om me daar bij een groep vrienden te voegen, die bijeengepakt om een oliekacheltje zaten te kleumen. Het was wel romantisch.’ Hij zucht. ‘Ja, dat waren tijden.’

‘We zaten daar trouwens tussen de meisjes van lichte zeden. Naast het trappetje van mijn huis stond in deze uiterst felle winter, op houten plankjes, een hoertje. Ik heb haar toen weleens koffie gebracht. Het contact ontstond per ongeluk: ik gleed van die spekgladde trap af en toen ving zij me giechelend op.’

Zijn Amsterdamse jaren waren gelukkige jaren. ‘En ik heb de gekste dingen meegemaakt. Ik maakte wekelijks het huis van de oude dichter Jac. van Hattum schoon. Elke keer was dat weer een avontuur. Zo liet hij me zijn vriendin Josine Meijer eens in paniek opbellen met de mededeling dat het niet goed met hem ging – terwijl hij eigenlijk alleen platzak was. Josine stapte in Den Haag meteen op de trein, wat Van Hattum de tijd gaf om zogenaamd ziek op de bank te gaan liggen met een emmer naast zich. Van een gesprek met Josine knapte hij meteen op. Zij liet bij het weggaan geld op tafel achter. Of dit al een voorloper van zijn dementie moet zijn geweest? Toen ik hem later met de boodschappen hielp, trok hij naar Albert Heijn een zwarte pijmantel met een opvallend rode binnenvoering aan en zegende hij alle voorbijgangers.’

‘Bij Van Hattum heb ik trouwens Johan Polak ook voor het eerst ontmoet. Met hem heb ik later onder het imprint Astèr drie omvangrijke boeken gemaakt. Van Hattum zat altijd aan een grote tafel in zijn achterkamer, waar elke bezoeker verplicht een potje moest scrabbelen. Zelfs Geert van Oorschot. En daar zat Polak dus ook weleens aan. Van Hattum was ervan overtuigd dat scrabble goed voor de dichtkunst was. Aan dezelfde tafel tikte ik zijn geschreven teksten over en hield daarvan zelf een kopie. Die kwamen later goed van pas bij het samenstellen van Van Hattums verzameld werk.’

Inmiddels is Gerrit Kleis, hoewel niet lijfelijk, terug in Coevorden. ‘Ik schrijf veel over lokale geschiedenis, vooral over Coevorden, maar ook over begraafplaatsen en criminaliteit in het Drents verleden en over het werkkamp in Geesbrug, om maar wat te noemen. Daar heb ik vreselijk veel lol in.’

Jonge gevoelige jongens

De eerste twee delen van de SSL-bibliografie uit 1983 en 1999 hadden een algemene inleiding van Rudi Ekkart respectievelijk een verklarend verhaal van de drukker zelf; het onlangs verschenen deel De laatste loodjes bevat een interessante en vermakelijke bijdrage over publiciteit, verzamelaars en fonds van Sub Signo Libelli door Paul van Capelleveen.

‘Mijn geheugen wordt behoorlijk opgefrist door dat gespit van Paul. Hij heeft alle correspondentie gelezen en in zijn essay ruimhartig geciteerd. Ik heb die brieven natuurlijk wel gelezen in de tijd dat ik ze kreeg, maar dat zijn herinneringen geworden. En herinneringen zijn niet erg feitelijk of exact.’

Kleis was bijzonder geraakt door de nu opgerakelde geschiedenis met Jos ’t Gilde, een Zeeuwse hoteleigenaar in ruste. Diens brieven aan Sub Signo Libelli worden uitvoerig aangehaald in het stuk van Paul van Capelleveen. Daaruit komt naar voren dat ’t Gilde, keurig met een lieve vrouw getrouwd, altijd is blijven hunkeren naar een vriend. ‘Ik had het zo enorm met hem te doen. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik vond het heel fijn dat iemand aan mijn boeken, weliswaar wat laat, zo’n specifiek genoegen beleefde. Ontroerend, hoor, als een boek van mij zoiets voor iemand kan betekenen. Ja, dat herkende ik zelf wel, want als scholier dweepte ik met Hans Lodeizen. Daar stond ik mee op en ging ik mee naar bed. Hij was een icoon voor, laat ik zeggen, jonge gevoelige jongens. Goed tussen de regels door lezen heb ik toen geleerd. De poëzie die ik zelf schreef was helemaal op Lodeizen geënt.’

Kleis staat op en loopt naar de boekenkast tegen de linkerwand van de schuur. Hij geeft me een Meulenhoff-pocket uit 1962: Vermoeden van tijd. Poëzie van jongeren. Kleis staat erin onder het pseudoniem Pieter Nagel met negen gedichten. ‘Deze bloemlezing is voortgekomen uit de rubriek ‘Dichtershoek’ in het toenmalige Handelsblad, jaren gerund door Herman Besselaar. Een paar van die jongeren zijn nog bekend geworden: Jojada Verrips, Emma Brunt, Jaco Groot, Frank Martinus Arion.’

‘Herman Besselaar correspondeerde intensief met al die jongeren. Ik heb hier nog een stapel brieven van Besselaar liggen. Als ik nu op die tijd terugkijk, zie ik een zoekende jongen – die op een gegeven moment toch een beetje teleurgesteld raakt. Besselaar was nog wel iemand van zijn tijd. Hij had moeite met homoseksualiteit: niet dat hij je daar op aanviel, hij had er wel moeite mee. Ik herinner me dat hij Verrips een briefje stuurde met iets als “Wees voorzichtig!” toen hij vernam dat ik bij Jojada zou logeren.’

Litho’s uit Praag

Na het essay van Paul van Capelleveen volgt in De laatste loodjes een kleurenkatern met illustraties en de eigenlijke bibliografie van de pers van februari 1999 tot augustus 2010. Van ruim vijftig uitgaven worden formaat, bindwijze, papiersoort, varianten, etc. beschreven. Aan het eind van het boek staat een summier overzicht van de gelegenheidsuitgaven die Kleis, naast het strikt literaire werk, ook drukte. Het gaat om briefpapier, menukaarten en geboorteaankondigingen uit de periode 1969-2008. Valt dit drukwerk, soms nogal privé, eigenlijk niet buiten het bestek van het boek? ‘Het is niet mijn keuze geweest om het op te nemen. André Swertz, executeur-testamentair van mijn eerste bibliograaf Ronald Breugelmans, heeft dit boek opgevat als een hommage aan de verzameldrift van het echtpaar Breugelmans. Swertz beheert sinds de dood van Ronald en Lizanne hun collectie SSL en trof dus ook al dat efemere drukwerk aan. Hij nam het initiatief om de reeks compleet te maken.’

Uit de tellingen van Van Capelleveen blijkt dat de bloeiperiode van de belangrijkste naoorlogse private press tussen 1982 en 1986 ligt: er rolden toen, onder het teken van de libel, jaarlijks gemiddeld 16 nieuwe uitgaven van de pers. In deze jaren benaderde Kleis vaak ook kunstenaars voor originele grafiek in zijn uitgaven: een ets van Reinder Homan, een litho van Chris Buursen, een collage van Siep van den Berg, een tekening van Bob van Blommestein. Illustraties waren voor Kleis altijd een extra uitdaging, vanwege het kleurgebruik en de technische moeilijkheden.

‘De meeste moeite heb ik moeten doen voor een kleurenlitho van Vladimír Suchánek, dat was in de zomer van 1982, voor een dichtbundel van Leopold Andrian. Boudewijn Büch bracht mij op het spoor van deze Tsjechische kunstenaar. Toen ik in de aankomsthal van het vliegveld van Praag mijn naam hoorde omroepen, dacht ik nog: “Dat heeft die Suchánek goed geregeld.” Maar al snel werd ik door een man van de geheime politie in een taxi geparkeerd, naar het hotel gebracht met het strikte verbod om op eigen houtje de stad in te gaan, laat staan met inwoners contact te leggen. Ik zou de volgende dag onder begeleiding wel een tour door Praag krijgen. Die avond ben ik het hotel uit geslopen, heb snel in een telefooncel contact gezocht met Suchánek, die mij daar even later met zijn auto oppikte en naar zijn huis meenam. Afspraken gemaakt over de aantallen en de kleuren, Japans papier overhandigd, door mij thuis al op het juiste formaat gesneden. Uiteindelijk heb ik het met die staatsfunctionaris op een akkoordje gegooid. Hij zag ook wel dat ik geen spion was. Suchánek heeft zijn litho’s overigens per gewone post naar Leo van Maris, zijn agent in het Westen, gestuurd, naar ik vernam, verstopt in kalenders.’

Natuurlijk ging het in de drukkerij ook weleens fout. ‘In het begin had ik nog niet zo’n kijk op letters. Bij mijn boekje van Georg Trakl uit 1975 had ik niet in de gaten dat er twee verschillende kapitalen van de Bembo in de kast lagen. Na het drukken ontdekte ik pas dat de ene hoofdletter N veel breder was dan de andere. Al doende leert men.’

Interpretatieve typografie

De met inkt ingevulde getallen in de colofons van SSL-uitgaven verraden een precieze instelling. De meeste drukkers bepalen van te voren hun oplage, kopen daar hun hoeveelheid papier op in, en drukken dan de getallen van de oplage zwart op wit. Sommigen drukken zelfs het exemplaarnummer met lood. Kleis deed dat liever niet. ‘Je weet immers nooit zeker hoeveel goede exemplaren je van de oplage overhoudt. Je keurt namelijk exemplaren af, bijvoorbeeld omdat er een smet op een pagina zit. Daar komt ook bij dat op de pers nummeren met mijn trapdegel niet gemakkelijk was: die had een staande vorm, dus elke keer als je het zetsel van de pers haalde om het nummer te veranderen, was er kans op pastei of verschuivingen.’

Kleis drukte zijn uitgaven in oplagen van maximaal 100 exemplaren, meestal minder. Dat was niet alleen om reden van exclusiviteit: ‘Ik moest elk vel papier zelf op maat snijden, vaak meermaals bedrukken, vouwen, noem maar op. Een grote oplage is exponentieel meer werk. Het leukste blijft toch het bedenken van een vormgeving en het exemplaar voor jezelf en de auteur.’

‘Ik ben eens benaderd door Chris Leeflang, een van de oprichters van de Stichting De Roos, voor het drukken van een boek. Aan deze bibliofiele stichting zijn 175 leden verbonden, dus van de oplage worden er ook 175 stuk voor stuk genummerd. Een eervol verzoek van Leeflang, totdat hij meldde dat ik er 275 zou moeten drukken, 100 meer. Daar wilde ik mijn benen niet aan verslijten. Later begreep ik dat Leeflang zelf extra exemplaren gebruikte als ruilmiddel. Hij had een prachtige verzameling boeken en prenten.’

Als we een laatste blik op zijn fonds werpen, ruim 300 boeken en boekjes op rij, op de middelste plank van een antieke houten Engelse secretairekast in de voorkamer van de boerderij, wil Kleis mij wijzen op de grote variëteit in de vormgeving van zijn fonds.

‘Ser Prop drukt technisch feilloos, echt waar, maar het gaat hem, denk ik, vooral om de perfecte uitgave van een tekst. Zijn fonds heeft het uiterlijk van een serie in min of meer gelijke uitvoering. De Eliance Pers van Peter Muller, hetzelfde laken een pak. Ik heb altijd een andere opvatting gehanteerd, net als Hans van Eijk van In de Bonnefant en Peter Bekker met zijn Koekanger Handpers. Ik heb geprobeerd om van elke uitgave een individu te maken. Dus bij SSL zul je zelden een uitgave tegenkomen die gelijk is aan een vorige. Het is allemaal verschillend, omdat ik gezocht heb naar een nieuw jasje voor elke tekst. Het is uiteraard veel meer dan een jasje. Het is een maatpak. Met vormgeving in kleur, formaat, papier en typografie heb ik getracht een tekst toegankelijker te maken. Het grootste compliment dat ik ooit heb gekregen over mijn drukwerk is van Emile Puettmann. Hij zei: “Het is allemaal anders, maar ik zie toch altijd dat het van jou is.”’

Kleis pakt Nohant van Boudewijn Büch uit de kast. Dit halflederen exemplaar, met een frontispice van Suchánek, draagt nummer I. Hij drukte de gedichten in augustus 1979 in de Cancelleresca Bastarda van Jan van Krimpen. ‘Die loden letter beschikt over varianten binnen één letter. Zo zijn er drie verschillende b’s, vier verschillende h’s, drie verschillende k’s, slot-k’s, initiaal-k’s. En dat is alleen nog maar onderkast. Evenveel variëteit is er bij de kapitalen. Ik had voor alle varianten een eigen vakje in de letterkast, zodat ik ze bewust kon gebruiken. Hier in Nohant heb ik de aandacht op opzettelijke afkortingen willen vestigen door de sierlijke varianten te kiezen om ze bij elkaar te brengen in betekenis. Ook kon ik, omwille van de bladspiegel, een dichtregel enkele millimeters langer maken door een r te pakken met een slinger eraan. Ik heb me uiteraard ook wel vergist, je moet zuinig met die sierlijkheid zijn, anders leidt het af van het lezen. “Wat een bonte troep”, dacht ik dan als ik een proefdrukje had gemaakt.’

Een mooi voorbeeld van interpretatieve typografie vindt Kleis in de zwierige f in het woord ‘lief’. Voor het woord ‘infusen’, in een ander gedicht van Büch, koos hij een f op x-hoogte. ‘Dat kon natuurlijk geen staartletter zijn, die aan het eind opkrult. Nu is de f onderaan scherp, bijna een naald die het lichaam binnendringt.’ En de laatste letter in ‘sluier’ wappert iconisch.

Dit interview met Gerrit Kleis verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 6 (december 2013).