Voorheen H.W. Meyer jr.

Opeens had iedereen het over dat antiquariaat in Utrecht. Het sufferdje schreef opnieuw over de verbleekte etalage van de al jaren gesloten boekhandel. De Utrechtse Internet Courant verzocht om meer informatie over het verlaten antiquariaat aan de Korte Jansstraat. Arjen Fortuin droomde in zijn column in NRC Handelsblad over de heropening van de tweedehands boekwinkel. Maar niemand wist wie de vorige eigenaar was van de Oude Boekhandel voorheen H.W. Meyer jr.

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld komt Niek Waterbolk, tot voor kort antiquaar te Utrecht, uitgebreid aan het woord. Waterbolk heeft zich altijd in de marge van het antiquariaat opgehouden. In de portrettengalerij in Buijnsters’ Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) wordt hij node gemist. Adriaan van Dis nam het laatste grote interview met Waterbolk af. Dat was in 1977. Op 1 oktober jongstleden zochten Freek Heijbroek en ik hem op in zijn zo goed als lege winkelpand op Schoutenstraat 10, op een steenworp afstand van het veelbesproken antiquariaat.

Waterbolk vertelt in het interview dat hij in de jaren ’70, nog werkzaam bij het veilinghuis Beijers, in zijn lunchpauzes vaak De Slegte en Meyer bezocht. Wat hij op de tweedehands afdeling van de eerste kocht, kon hij in het antiquariaat van de tweede uitstallen. Bij verkoop kreeg Waterbolk van de heer Driessen (sinds 1946 eigenaar) een percentage van de winst. In de zomer van 1973 verruilde Waterbolk de voorspelbaarheid van het veilinghuis (‘je zat er met een denkbeeldige ketting aan je typemachine vast’) voor de uitdaging van het zelfstandige antiquariaat. De heer Driessen had hem gevraagd.

Er is zelfs sprake van geweest dat ik die zaak zou overnemen, maar gelukkig zag ik op tijd in dat dat idee volstrekt mesjogge was. Je zou namelijk het hele leven van die man hebben verstoord.

In plaats daarvan begon Waterbolk in 1976 voor zichzelf, op Schoutenstraat 10. De verhuurder van dat pand had Waterbolk leren kennen in de winkel van Driessen. En die bleef daar tot zijn dood zitten.

Puntkomma

Toen ik al niet meer doorging voor ambitieus student Nederlands, in het jaar 2006, en mijn liefde voor literatuur plaatsmaakte voor een begeerte naar boeken, ontdekte ik dat er drie boekentijdschriften bestonden.

De Boekenwereld was zonder twijfel het belangrijkste blad: serieus, degelijk, bestemd voor boekwetenschappers en gepromoveerde bibliofielen. Boekenpost was veel toegankelijker, een praktisch tijdschrift voor hobbyisten, met een onmisbaar overzicht van boekenmarkten. Puntkomma (ondertitel: ‘iets met boeken…’) was heel iets anders: er stonden geen beschouwingen in, maar persoonlijke stukken, geen artikelen, maar interviews.

Puntkomma was spraakmakend, brutaal en actueel. Interviews werden van begin tot eind opgenomen en direct uitgeschreven. Het interview met Fokas Holthuis, in de tweede aflevering, ving dus niet aan met een introductie, maar met: ‘Wat is je volledige naam? ‘Moet dat?’ Ja. ‘Gatsie. Echt?” De onvaste rubriek De Winkeldochter, een antiquarische centerfold, toonde naakte meisjes van mijn leeftijd, zacht soezend met een open boek. Zes pagina’s telde het niets en niemand verhullende fotoverslag van de boekenbeurs in de RAI. En voor het eerst in een boekentijdschrift werd er geschreven over antiquarische boeken op het internet en handige zoekstrategieën.

Veilinghuis G. Postma was uitgever van het blad. Eenderde van Puntkomma bestond uit advertenties voor Veilinghuis G. Postma.

De herinnering is misleidend. Van Puntkomma verschenen slechts negen nummers in vijf jaar tijd. Antiquaar en oud-medewerker van Puntkomma Michel de Vries doet in zijn in memoriam van oud-hoofdredacteur Martijn Steenbergen een oproep. Het allerbeste van het tijdschrift wil hij bundelen. De inschrijving voor de Puntkomma-afterparty is bij deze geopend.

Dat had Martijn wel mooi gevonden, denk ik.

Frontaal naakt

Populair drukwerk is het thema van het nieuwe nummer van De Boekenwereld. Verstripte Nederlandse romans, de iconografie van de ruimtehelm, zeldzame sensatieromans, pin-upmagazines. De Boekenwereld opent met twee artikelen over volksprenten en centsprenten. Daarom siert een vroegnegentiende-eeuwse, met de hand ingekleurde Manneken Pis het omslag. Tot op heden heeft geen boekhandelaar of abonnee dit omslag, vanwege een ‘bedreiging der kuischheid’, veroordeeld.

Precies dit gebeurde wel in 1936, toen de Rotterdamse uitgeverij Brusse de roman Het steenen ventje van Jos Brusse-van Huizen op de markt bracht. In het typo-foto-omslag van de getalenteerde huisvormgever Wim Brusse was Manneken Pis van Brussel tweemaal verwerkt: op de zwart-witte achtergrond, enigszins geretoucheerd, doch met een ferme waterstraal, en in een oranje zweem op de voorgrond, haarscherp, frontaal naakt.

Aanstootgevend, vonden Haagse boekverkopers. Wim Brusse vervaardigde in allerijl een nieuw omslag, waarop het dimensionale aspect verdween en van het stenen hoofdpersoontje van de roman enkel nog de contouren te zien waren. Er bestaan ingenaaide exemplaren van Het steenen ventje met beide omslagen (waarvoor een prospectus zelfs in sensatiebeluste bewoordingen reclame maakte). Een heer in de Wachtkamer Eerste Klasse kon het boek dus onbeschroomd uit zijn aktetas plukken.

Dit kinderboek voor volwassenen, met Manneken Pis als stille getuige van het woeden der wereld, is niet te lezen. Zo slecht. Het functioneel-blote omslag is echter een fraai voorbeeld van Wim Brusses collage-achtige stijl. Bovendien voegde Brusse aan typografie en fotografie nog een derde, eigen laag toe: vignetten. Hier zijn het zeven tekeningen van een beweeglijk poppetje, dat ook op de omslagen van J. Heuff van Houweninge, Droesem (1936) en Fré Dommisse, Het licht op den drempel (1937) te vinden is.

Stilaan wordt het drukwerk van Wim Brusse in verzamelaarskringen populair. Zeer terecht, lijkt me.

‘Elke uitgave is een individu’

Hij is gestopt met zetten en drukken, zijn trapdegelpers is verhuisd. Gerrit Kleis (Coevorden, 1940) heeft afscheid genomen van zijn private press Sub Signo Libelli, maar hij is nog dagelijks in de weer met boeken. Naar aanleiding van het verschijnen van de afsluitende bibliografie van SSL blikt hij in zijn Drentse boerderij terug op zijn fonds, zijn studiejaren in Amsterdam en een Praags avontuur.

Links van de keuterij bij het dorpje Geesbrug, aan het Zwindersche Kanaal, staat een stevige houten schuur. We betreden de schuur door een extra brede deur (‘speciaal laten maken, anders paste de degelpers er niet door’) en nemen plaats aan een tafel. In dit atelier was Gerrit Kleis, wanneer hij niet voor de klas stond in Amsterdam, alle weekenden en vakanties aan het werk voor zijn eigen uitgeverij. Nu de drukpers en de bokken zijn verdwenen is er ruimte voor zijn verzameling Nederlandse literatuur en historische studies, zijn correspondentiearchief en een schrijftafel. Boeken staan zelfs in de nok, op de houten dwarsbalken. Boven onze hoofden hangt een wissellijst met de vijf etsen die Joost Veerkamp voor zijn uitgave De doos van Simon Carmiggelt maakte. Achterin staat een wasmachine. Naast de deur is een metalen bak gevuld met diverse heggenscharen, takkensnijders en rozensnoeischaren. Want Kleis is ook tuinier en rozenkweker.

Of het afscheid pijn deed, wil ik weten. ‘Ja. Zeker wel. Aan de andere kant: mijn ogen zijn slecht, ik heb een nieuwe knie, een nieuwe heup, moet nog een nieuwe knie. Het drukken ging met mijn kwaliteitseisen daarom niet meer.’
De Boston trapdegel, de Krause snijmachine en de vijf zetbokken zijn in 2012 verkocht aan een drukkerswerkplaats in Gouda. Het was Pieter Stroop, een oud-leerling van Kleis aan het Barlaeus Gymnasium, die het initiatief tot de overname nam. Tot Kleis’ genoegen blijft de lettercombinatie SSL verbonden aan de pers: van Sub Signo Libelli naar Sub Signo Leonis. De leeuw in de nieuwe naam verwijst naar de oudste drukker van Gouda, Gheraert Leeu. Binnenkort verhuist de pers nogmaals, van de Jeruzalemkapel naar de nieuwe openbare bibliotheek van Gouda.

De presentatie van het derde en afsluitende deel van de SSL-bibliografie vond plaats op 19 augustus in de Artis Bibliotheek. ‘Dat was een gezellige en leerzame middag, in het kader van de Summerschool bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Ik vond het leuk om de conservator van de Artis Bibliotheek in levende lijve te zien, want hij heeft mijn collectie rozenboeken gekregen, bij elkaar zo’n vier meter. Hij kon me vertellen dat het al mooi op de plank staat.’ Met de schenking van zijn rozenboeken en na de publicatie van De rozenteelt in Nederland. Geschiedenis, literatuur en documenten in 2007 heeft Kleis het onderwerp nu afgesloten. ‘Naar die bibliografie van mij wordt overigens nooit verwezen; mensen kopen blijkbaar geen oude rozenboeken. Nou ja.’

Oudezijds Achterburgwal

Zijn belangstelling voor literatuur en typografie werd aangewakkerd in Amsterdam, waar hij van 1962 tot 1969 Nederlands studeerde, met als bijvak analytische bibliografie. Studie en stad waren voor de 22-jarige Kleis een logische keuze. ‘Ik wilde natuurlijk weg uit de provincie. Maar ik wilde niet naar Groningen, waar ik iedereen al kende – of dacht te kennen. Ik wilde mijn vleugels uitslaan. De andere kant van het leven lonkte. Mijn toenmalige vriend was mij een jaar eerder voorgegaan naar Amsterdam. Maar toen ik er kwam, had hij het leven al leren kennen, dus die liet mij al gauw in de steek.’

‘In mijn studietijd woonde ik onder meer op de Oudezijds Achterburgwal, op de zolder van een pakhuis. Pim Scheele, een student Geneeskunde die ik kende van de sociëteit Olofspoort, woonde voor. Ik had een heel leuk mansardekamertje, maar als ik ’s winters wakker werd, was mijn dekbed besneeuwd. De sneeuw kwam gewoon tussen de dakpannen door. In de strenge winter van 1963 kwam ik vaak over de vloer bij George en Anke Groot, ook studenten Nederlands en toen nog geen Don Quishocking, die iets verderop woonden. Ik liep dan in de bijtende kou naar ze toe om me daar bij een groep vrienden te voegen, die bijeengepakt om een oliekacheltje zaten te kleumen. Het was wel romantisch.’ Hij zucht. ‘Ja, dat waren tijden.’

‘We zaten daar trouwens tussen de meisjes van lichte zeden. Naast het trappetje van mijn huis stond in deze uiterst felle winter, op houten plankjes, een hoertje. Ik heb haar toen weleens koffie gebracht. Het contact ontstond per ongeluk: ik gleed van die spekgladde trap af en toen ving zij me giechelend op.’

Zijn Amsterdamse jaren waren gelukkige jaren. ‘En ik heb de gekste dingen meegemaakt. Ik maakte wekelijks het huis van de oude dichter Jac. van Hattum schoon. Elke keer was dat weer een avontuur. Zo liet hij me zijn vriendin Josine Meijer eens in paniek opbellen met de mededeling dat het niet goed met hem ging – terwijl hij eigenlijk alleen platzak was. Josine stapte in Den Haag meteen op de trein, wat Van Hattum de tijd gaf om zogenaamd ziek op de bank te gaan liggen met een emmer naast zich. Van een gesprek met Josine knapte hij meteen op. Zij liet bij het weggaan geld op tafel achter. Of dit al een voorloper van zijn dementie moet zijn geweest? Toen ik hem later met de boodschappen hielp, trok hij naar Albert Heijn een zwarte pijmantel met een opvallend rode binnenvoering aan en zegende hij alle voorbijgangers.’

‘Bij Van Hattum heb ik trouwens Johan Polak ook voor het eerst ontmoet. Met hem heb ik later onder het imprint Astèr drie omvangrijke boeken gemaakt. Van Hattum zat altijd aan een grote tafel in zijn achterkamer, waar elke bezoeker verplicht een potje moest scrabbelen. Zelfs Geert van Oorschot. En daar zat Polak dus ook weleens aan. Van Hattum was ervan overtuigd dat scrabble goed voor de dichtkunst was. Aan dezelfde tafel tikte ik zijn geschreven teksten over en hield daarvan zelf een kopie. Die kwamen later goed van pas bij het samenstellen van Van Hattums verzameld werk.’

Inmiddels is Gerrit Kleis, hoewel niet lijfelijk, terug in Coevorden. ‘Ik schrijf veel over lokale geschiedenis, vooral over Coevorden, maar ook over begraafplaatsen en criminaliteit in het Drents verleden en over het werkkamp in Geesbrug, om maar wat te noemen. Daar heb ik vreselijk veel lol in.’

Jonge gevoelige jongens

De eerste twee delen van de SSL-bibliografie uit 1983 en 1999 hadden een algemene inleiding van Rudi Ekkart respectievelijk een verklarend verhaal van de drukker zelf; het onlangs verschenen deel De laatste loodjes bevat een interessante en vermakelijke bijdrage over publiciteit, verzamelaars en fonds van Sub Signo Libelli door Paul van Capelleveen.

‘Mijn geheugen wordt behoorlijk opgefrist door dat gespit van Paul. Hij heeft alle correspondentie gelezen en in zijn essay ruimhartig geciteerd. Ik heb die brieven natuurlijk wel gelezen in de tijd dat ik ze kreeg, maar dat zijn herinneringen geworden. En herinneringen zijn niet erg feitelijk of exact.’

Kleis was bijzonder geraakt door de nu opgerakelde geschiedenis met Jos ’t Gilde, een Zeeuwse hoteleigenaar in ruste. Diens brieven aan Sub Signo Libelli worden uitvoerig aangehaald in het stuk van Paul van Capelleveen. Daaruit komt naar voren dat ’t Gilde, keurig met een lieve vrouw getrouwd, altijd is blijven hunkeren naar een vriend. ‘Ik had het zo enorm met hem te doen. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik vond het heel fijn dat iemand aan mijn boeken, weliswaar wat laat, zo’n specifiek genoegen beleefde. Ontroerend, hoor, als een boek van mij zoiets voor iemand kan betekenen. Ja, dat herkende ik zelf wel, want als scholier dweepte ik met Hans Lodeizen. Daar stond ik mee op en ging ik mee naar bed. Hij was een icoon voor, laat ik zeggen, jonge gevoelige jongens. Goed tussen de regels door lezen heb ik toen geleerd. De poëzie die ik zelf schreef was helemaal op Lodeizen geënt.’

Kleis staat op en loopt naar de boekenkast tegen de linkerwand van de schuur. Hij geeft me een Meulenhoff-pocket uit 1962: Vermoeden van tijd. Poëzie van jongeren. Kleis staat erin onder het pseudoniem Pieter Nagel met negen gedichten. ‘Deze bloemlezing is voortgekomen uit de rubriek ‘Dichtershoek’ in het toenmalige Handelsblad, jaren gerund door Herman Besselaar. Een paar van die jongeren zijn nog bekend geworden: Jojada Verrips, Emma Brunt, Jaco Groot, Frank Martinus Arion.’

‘Herman Besselaar correspondeerde intensief met al die jongeren. Ik heb hier nog een stapel brieven van Besselaar liggen. Als ik nu op die tijd terugkijk, zie ik een zoekende jongen – die op een gegeven moment toch een beetje teleurgesteld raakt. Besselaar was nog wel iemand van zijn tijd. Hij had moeite met homoseksualiteit: niet dat hij je daar op aanviel, hij had er wel moeite mee. Ik herinner me dat hij Verrips een briefje stuurde met iets als “Wees voorzichtig!” toen hij vernam dat ik bij Jojada zou logeren.’

Litho’s uit Praag

Na het essay van Paul van Capelleveen volgt in De laatste loodjes een kleurenkatern met illustraties en de eigenlijke bibliografie van de pers van februari 1999 tot augustus 2010. Van ruim vijftig uitgaven worden formaat, bindwijze, papiersoort, varianten, etc. beschreven. Aan het eind van het boek staat een summier overzicht van de gelegenheidsuitgaven die Kleis, naast het strikt literaire werk, ook drukte. Het gaat om briefpapier, menukaarten en geboorteaankondigingen uit de periode 1969-2008. Valt dit drukwerk, soms nogal privé, eigenlijk niet buiten het bestek van het boek? ‘Het is niet mijn keuze geweest om het op te nemen. André Swertz, executeur-testamentair van mijn eerste bibliograaf Ronald Breugelmans, heeft dit boek opgevat als een hommage aan de verzameldrift van het echtpaar Breugelmans. Swertz beheert sinds de dood van Ronald en Lizanne hun collectie SSL en trof dus ook al dat efemere drukwerk aan. Hij nam het initiatief om de reeks compleet te maken.’

Uit de tellingen van Van Capelleveen blijkt dat de bloeiperiode van de belangrijkste naoorlogse private press tussen 1982 en 1986 ligt: er rolden toen, onder het teken van de libel, jaarlijks gemiddeld 16 nieuwe uitgaven van de pers. In deze jaren benaderde Kleis vaak ook kunstenaars voor originele grafiek in zijn uitgaven: een ets van Reinder Homan, een litho van Chris Buursen, een collage van Siep van den Berg, een tekening van Bob van Blommestein. Illustraties waren voor Kleis altijd een extra uitdaging, vanwege het kleurgebruik en de technische moeilijkheden.

‘De meeste moeite heb ik moeten doen voor een kleurenlitho van Vladimír Suchánek, dat was in de zomer van 1982, voor een dichtbundel van Leopold Andrian. Boudewijn Büch bracht mij op het spoor van deze Tsjechische kunstenaar. Toen ik in de aankomsthal van het vliegveld van Praag mijn naam hoorde omroepen, dacht ik nog: “Dat heeft die Suchánek goed geregeld.” Maar al snel werd ik door een man van de geheime politie in een taxi geparkeerd, naar het hotel gebracht met het strikte verbod om op eigen houtje de stad in te gaan, laat staan met inwoners contact te leggen. Ik zou de volgende dag onder begeleiding wel een tour door Praag krijgen. Die avond ben ik het hotel uit geslopen, heb snel in een telefooncel contact gezocht met Suchánek, die mij daar even later met zijn auto oppikte en naar zijn huis meenam. Afspraken gemaakt over de aantallen en de kleuren, Japans papier overhandigd, door mij thuis al op het juiste formaat gesneden. Uiteindelijk heb ik het met die staatsfunctionaris op een akkoordje gegooid. Hij zag ook wel dat ik geen spion was. Suchánek heeft zijn litho’s overigens per gewone post naar Leo van Maris, zijn agent in het Westen, gestuurd, naar ik vernam, verstopt in kalenders.’

Natuurlijk ging het in de drukkerij ook weleens fout. ‘In het begin had ik nog niet zo’n kijk op letters. Bij mijn boekje van Georg Trakl uit 1975 had ik niet in de gaten dat er twee verschillende kapitalen van de Bembo in de kast lagen. Na het drukken ontdekte ik pas dat de ene hoofdletter N veel breder was dan de andere. Al doende leert men.’

Interpretatieve typografie

De met inkt ingevulde getallen in de colofons van SSL-uitgaven verraden een precieze instelling. De meeste drukkers bepalen van te voren hun oplage, kopen daar hun hoeveelheid papier op in, en drukken dan de getallen van de oplage zwart op wit. Sommigen drukken zelfs het exemplaarnummer met lood. Kleis deed dat liever niet. ‘Je weet immers nooit zeker hoeveel goede exemplaren je van de oplage overhoudt. Je keurt namelijk exemplaren af, bijvoorbeeld omdat er een smet op een pagina zit. Daar komt ook bij dat op de pers nummeren met mijn trapdegel niet gemakkelijk was: die had een staande vorm, dus elke keer als je het zetsel van de pers haalde om het nummer te veranderen, was er kans op pastei of verschuivingen.’

Kleis drukte zijn uitgaven in oplagen van maximaal 100 exemplaren, meestal minder. Dat was niet alleen om reden van exclusiviteit: ‘Ik moest elk vel papier zelf op maat snijden, vaak meermaals bedrukken, vouwen, noem maar op. Een grote oplage is exponentieel meer werk. Het leukste blijft toch het bedenken van een vormgeving en het exemplaar voor jezelf en de auteur.’

‘Ik ben eens benaderd door Chris Leeflang, een van de oprichters van de Stichting De Roos, voor het drukken van een boek. Aan deze bibliofiele stichting zijn 175 leden verbonden, dus van de oplage worden er ook 175 stuk voor stuk genummerd. Een eervol verzoek van Leeflang, totdat hij meldde dat ik er 275 zou moeten drukken, 100 meer. Daar wilde ik mijn benen niet aan verslijten. Later begreep ik dat Leeflang zelf extra exemplaren gebruikte als ruilmiddel. Hij had een prachtige verzameling boeken en prenten.’

Als we een laatste blik op zijn fonds werpen, ruim 300 boeken en boekjes op rij, op de middelste plank van een antieke houten Engelse secretairekast in de voorkamer van de boerderij, wil Kleis mij wijzen op de grote variëteit in de vormgeving van zijn fonds.

‘Ser Prop drukt technisch feilloos, echt waar, maar het gaat hem, denk ik, vooral om de perfecte uitgave van een tekst. Zijn fonds heeft het uiterlijk van een serie in min of meer gelijke uitvoering. De Eliance Pers van Peter Muller, hetzelfde laken een pak. Ik heb altijd een andere opvatting gehanteerd, net als Hans van Eijk van In de Bonnefant en Peter Bekker met zijn Koekanger Handpers. Ik heb geprobeerd om van elke uitgave een individu te maken. Dus bij SSL zul je zelden een uitgave tegenkomen die gelijk is aan een vorige. Het is allemaal verschillend, omdat ik gezocht heb naar een nieuw jasje voor elke tekst. Het is uiteraard veel meer dan een jasje. Het is een maatpak. Met vormgeving in kleur, formaat, papier en typografie heb ik getracht een tekst toegankelijker te maken. Het grootste compliment dat ik ooit heb gekregen over mijn drukwerk is van Emile Puettmann. Hij zei: “Het is allemaal anders, maar ik zie toch altijd dat het van jou is.”’

Kleis pakt Nohant van Boudewijn Büch uit de kast. Dit halflederen exemplaar, met een frontispice van Suchánek, draagt nummer I. Hij drukte de gedichten in augustus 1979 in de Cancelleresca Bastarda van Jan van Krimpen. ‘Die loden letter beschikt over varianten binnen één letter. Zo zijn er drie verschillende b’s, vier verschillende h’s, drie verschillende k’s, slot-k’s, initiaal-k’s. En dat is alleen nog maar onderkast. Evenveel variëteit is er bij de kapitalen. Ik had voor alle varianten een eigen vakje in de letterkast, zodat ik ze bewust kon gebruiken. Hier in Nohant heb ik de aandacht op opzettelijke afkortingen willen vestigen door de sierlijke varianten te kiezen om ze bij elkaar te brengen in betekenis. Ook kon ik, omwille van de bladspiegel, een dichtregel enkele millimeters langer maken door een r te pakken met een slinger eraan. Ik heb me uiteraard ook wel vergist, je moet zuinig met die sierlijkheid zijn, anders leidt het af van het lezen. “Wat een bonte troep”, dacht ik dan als ik een proefdrukje had gemaakt.’

Een mooi voorbeeld van interpretatieve typografie vindt Kleis in de zwierige f in het woord ‘lief’. Voor het woord ‘infusen’, in een ander gedicht van Büch, koos hij een f op x-hoogte. ‘Dat kon natuurlijk geen staartletter zijn, die aan het eind opkrult. Nu is de f onderaan scherp, bijna een naald die het lichaam binnendringt.’ En de laatste letter in ‘sluier’ wappert iconisch.

Dit interview met Gerrit Kleis verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 6 (december 2013).

Keuterland

Historische cartografie staat vol in de schijnwerpers. Onze Koning ontving laatst het eerste exemplaar van de facsimile van De Atlas der Neederlanden, Kester Freriks en Joyce Roodnat maakten voetreizen over oude landkaarten en dan verscheen ook nog het cartografie-nummer van De Boekenwereld, wonderschoon geïllustreerd.

Perkamentus schreef vorige week bovendien over zijn oude liefde voor kaarten en prenten. Hij roerde ook de dubieuze praktijken van sommige prenthandelaren aan: zij kopen een atlas en snijden thuis alle kaarten eruit, omdat deze per stuk meer opleveren dan bij elkaar in een band. Perkamentus noemde een handelaar met naam en toenaam, waar hij zelf een nogal ontnuchterende ervaring mee had – maar er zijn er meer die al jaren ongenoemd blijven.

In zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) portretteert Piet J. Buijnsters dezelfde handelaar uit de bollenstreek, zonder zijn slooppraktijken te veroordelen:

‘Hij zit als het ware in de machinekamer van het Nederlandse antiquariaat en representeert daarmee het permanente spanningsveld tussen de ethische en de meer commercieel denkende handelaars.’ In België heeft de antiquaar de charmante bijnaam ‘De Gouden Schaar’.

Zelf houd ik meer van fictieve cartografie. De neiging om te knippen, snijden en scheuren is dan ook minder groot. De beste 1-aprilgrap van de vorige eeuw betrof een katern van The Guardian dat geheel in het teken stond van de tienjarige onafhankelijkheid van de kleine eilandengroep San Serriffe in de Indische Oceaan. Deze natie, inclusief alle aan lettertypes ontleende plaatsnamen, bestaat alleen op papier. Het is een kikker-in-je-bil-die-er-nooit-meer-uit-wil: sinds 1977 duikt de verzonnen archipel om de paar jaar weer op in officiële berichtgeving.

In mijn boekenkast vond ik twee voorbeelden van literaire of fictieve cartografie uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

De mij onbekende P.A. Eggermont maakte in 1932 de omslagtekening voor het najaarsnummer van het katholiek-culturele tijdschrift De Gemeenschap. Hij tekende een kaart van een naamloze kuststreek in de Lage Landen. Grofweg zijn er drie gebieden te onderscheiden: het Politiek Moeras, het Letterkundig Gewest en de Radiovlakte. In de Perszee ligt het Tijdschrifteneiland, daarvoor de Drukfoutenbank en het Nauw van Redaktie. In de Muskietendelta komt de Stroom der Welsprekendheid binnen, die meandert langs ’t Denkend Deel (waarin een Heilig Huisje), onder het Spreekkoorkanaal door. Deze streek is goed voorzien van openbaar vervoer: er loopt een spoorlijn van Lezersdorp, via het Lyries Labyrint en de Stille Plantage, naar de Bibliotheekbuurt. In het zuiden ligt dan nog een Epies Bos en het Proefveld van de Mij. tot veredeling van krachttermen.

Met de roman Keuterland voltooide Joh.W. Broedelet in 1910 zijn Vagebond-trilogie. (De drie boeken zijn volstrekt vergeten, maar daar kan de recente lancering van een verkorte herdruk van Hofstad, het tweede boek Vagebond uit 1909, verandering in brengen.) In dit onwaarschijnlijke reisverhaal gaat hoofdpersoon Vagebond op tournee door de provincies en langs de steden van Keuterland. Het leukst aan dit boek is niet het proza van Broedelet, dat slechts bij flauwe vlagen weet te boeien, maar de landkaart van Keuterland, die tegenover de titelpagina is afgedrukt.

De kaart van Keuterland, ‘met de provinciën, steden en gehuchten welke door Vagebond werden bezocht’, is een cartografische samenvatting van de satirische roman. Ter hoogte van Den Haag ligt Hofstad, op een schiereiland in het zuiden is Ziekirlee te vinden, waar Noord-Brabant te verwachten valt ligt West-Zwartland. De provincie Groningen, pardon: Noord-Keuterland kent vijf kleine plaatsen, per trein te bereiken: Onderdedirk, Dubbeldarie, Hoogkiek-Sappebroek, Kropdijkwoud en Herdegriepshornwolde. De legenda verklaart wat de stippellijn op de kaart in Broedelets werkelijkheid betekent: ‘omnibus in aanleg’.

Voorbestemd

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld vertelt chroniqueur Piet J. Buijnsters, naar aanleiding van zijn laatste boek, ook over de verschillen tussen Nederlandse en Belgische bibliofielen. Een onderscheid betreft de pecunia: onze zuiderburen hebben op Nederlandse boekenveilingen doorgaans hogere limieten. Dat komt ook, zegt Buijnsters, omdat het in België niet vreemd is voor een zakenman of rijke voetballer om boeken te verzamelen. De boekenliefde is er niet groter; de portemonnee is gewoon dieper.

Bij Marc Van de Wiele, antiquaar te Brugge, pikte Buijnsters een ander verschil op: ‘als een boek in de etalage van zijn winkel ligt, dan wordt het niet zo snel verkocht. Een Belg wil echt het idee hebben dat een zeker boek voor hem bestemd is, dat het voor hem apart ligt, dat hij eerste keus heeft’.

Deze suggestie van bibliofiele predestinatie bevreemdde Buijnsters. En toen hij het aan de twee Nederlandse interviewers van De Boekenwereld voorlegde, bevreemdde het hen ook. Antiquaren spelen een belangrijke rol bij de aankoop van boeken, maar zij hoeven voor goede klanten toch geen toneelstukjes op te voeren?

Een aantrekkelijk boek kan zichzelf wel verkopen. Het is coup de foudre of niet. Dat antiquarisch uithuwelijken is nergens voor nodig.

Als ik een mooi boek in de etalage van een antiquariaat zie staan, dan weet ik zeker dat het daar zojuist en enkel voor mij is neergezet. What are the odds? Dat wij, het boek en ik, elkaar treffen is voorbestemd. Na de verrassende kennismaking willen wij onze relatie bestendigen. Ik heb geen andere keuze dan het boek te kopen.

Veilingverslag (1)

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld, dat over een week verschijnt, staat een verslag van een boekenveiling in België. Eindelijk, want voor het laatste veilingverslag moet je drie jaargangen terugbladeren. Wereldschokkend zijn deze reportages zelden, maar ze geven wel een mooi inkijkje in het antiquariaat in vol bedrijf.

Al publiceren veilinghuizen hun opbrengsten altijd wel online of in een volgende papieren catalogus; een veilingverslag legt een biedstrijd tussen twee verhitte verzamelaars bloot, verklaart niet gehaalde richtprijzen en onthult welke verzamelaar er heeft toegeslagen en welke handelaar er afdroop. Dat kan een lijstje met getallen niet. Voor een bibliofiel is een veilingverslag wat een rechtbankverslag moet zijn voor een jurist. Niet de uitspraak, maar het proces.

Een veiling, zeker in zo’n benauwd achterafzaaltje, heeft een eigen dynamiek. Ervaren bieders hebben verschillende aan de praktijk getoetste theorieën ontwikkeld. Over wat de beste plek is om te zitten (achterin de zaal heb je zicht op je tegenbieders). Over wat het juiste moment is om je hand op te steken (rust nemen en aan het eind van een biedstrijd onverwacht overrulen). En een kwartier voor de veiling kan er – gewenk, gesmiespel – nog een kongsi ontstaan.

Dit alles mist een online veiling. Gisteren stond op het tweede scherm de Cremer-veiling aan. Ik keek er met een half oog naar – en werd er al snel ingezogen.

Plakkers

De Boekenwereld is groter en dikker geworden. En voortaan krijgen abonnees een grafisch cadeautje. Het eerste nieuwe nummer bevat, los ingevoegd, een groot affiche van het omslag: Marilyn Monroe leest Ulysses. In het redactioneel roepen Freek Heijbroek, Marc Beerens en Garrelt Verhoeven een prijsvraag in het leven: ‘hang dit fraaie affiche voor uw raam, prik het op bij uw favoriete boekwinkel, breng het naar de Openbare Bibliotheek, spijker het op de kerkdeur of plak het wild waar niet geplakt mag worden’. De vijf origineelste plakkers (m/v), die een foto van hun affiche kunnen tonen, ontvangen een exemplaar van 1001 vrouwen.

Genoeg plekken in de buurt waar het affiche niet zou misstaan. In Leescafé Belcampo, naast het onlangs opnieuw onthulde fotoportret. Op de grootste eik in het Noorderplantsoen. In het portiek van boekhandel Godert Walter, natuurlijk. Of op de deur van het mooiste transformatorhuisje.

Maar De Boekenwereld-abonnees in Stad krijgen het zwaar. Ze moeten de mannen en vrouwen van Stadstoezicht zien te ontlopen. Dit weekend inventariseerde Dagblad van het Noorden, over een volle pagina, de vele klachten over Stadstoezicht. Veel ergernissen van hondenbezitters, maar ook terechte verontwaardiging van studenten van kunstacademie Minerva. Ter nagedachtenis aan C.O. Jellema hadden zij Jellema’s gedicht ‘Op de kwelders’ elfmaal als typografisch affiche vormgegeven en deze met punaises aan een paar bomen bevestigd. Stadstoezicht slingerde drie studenten meteen op de bon.

Vanwege aanhoudende griepverschijnselen blijf ik, ook abonnee, nog even binnen. Wildplakken binnenshuis, dan maar. Ze zal het misschien niet leuk vinden, maar Marilyn Monroe zit voorlopig achter het raam. Met vier stukjes plakband.

Alliantie

Elke geschiedenis van een tijdschrift bestaat uit een reeks doorstarten, heroprichtingen, credo’s en formaatwijzigingen. Maarten Asscher plaatste de lancering van het eerste nieuwe nummer van De Boekenwereld gistermiddag in een breder perspectief. Hij was zeer enthousiast over het eerste nummer in de nieuwe stijl, maar bleef kritisch: ‘In elk nummer een verbluffend artikel, dat maakt een tijdschrift echt goed.’

Freek Heijbroek, founding father van De Boekenwereld, haalde in een korte toespraak herinneringen op aan zijn ontmoetingen met bibliothecaris en hoogleraar Herman de la Fontaine Verwey (1901-1989), wiens memoires in de beginjaren van het tijdschrift grote indruk maakten. De bundeling van deze stukken werd een bestseller. Heijbroek overhandigde het eerste exemplaar van De Boekenwereld, jaargang 29, nummer 3, aan Lidewijde Paris.

Paris heeft aan het hoofd van verschillende literaire uitgeverijen gestaan, maar begon haar carrière in de boekenwereld bij een antiquariaat. ‘Bij André Swertz in Utrecht maakte ik titelbeschrijvingen. Geweldig vond ik dat, de hele dag met boeken werken. Elk boek opende een wereld voor mij. Ik las veel onder werktijd. Tot André, toen ik weer in een boek verdiept was, zei: “Het hoeft niet zo precies, hoor.” Gelukkig was André veel op pad.’ Ze voelde zich vereerd met het eerste exemplaar en tegelijk wat beschaamd. ‘Ik sta hier, maar ik ben noch Vriend van de Bijzondere Collecties noch abonnee van De Boekenwereld. Bij deze geef ik me voor beide op!’

Naast Asscher namen Tracy Metz en Jeffrey Bosch deel aan een discussie over het papieren tijdschrift in een digitale wereld. Metz prees de alliantie van De Boekenwereld met Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Gespreksleider Steph Scholten merkte op dat de rijke collectie aan de Oude Turfmarkt in ieder geval garant staat voor de allermooiste afbeeldingen. Men was het erover eens dat beeld, zowel bij boeken als tijdschriften, een steeds grotere rol gaat spelen.

En zonder internet en sociale media is een boekentijdschrift nergens. Vanaf heden is De Boekenwereld te volgen op Facebook en Twitter.

Na de toespraken en discussie was het tijd voor borrelen en bladeren. Mevrouw Isa de la Fontaine Verwey moest wennen aan het nieuwe formaat en de eigentijdse vormgeving van De Boekenwereld, maar dacht wel dat er ‘iets behoorlijks’ in stond. Oud-medewerkers waren blij dat het tijdschrift nu eindelijk een rechte rug heeft. Een Amsterdamse boekwetenschapper keek wat argwanend naar Marilyn Monroe op het omslag, maar haalde al snel opgelucht adem. ‘De Boekenwereld is nog steeds een inhoudelijk, degelijk blad.’

Donkere kamer (2)

Zoveel boeken in de catalogus – terwijl het boek juist het enige product is dat IKEA níet verkoopt. Twee relevante citaten.

‘Het hele interieur komt uit Zweden. Daar past een boekenkast nauwelijks meer in. Het is gelukkig zo dat er bij Ikea daadwerkelijk boeken in de boekenkast staan, anders waren we het zelf ook al vergeten.’ Antiquaar Michel de Vries denkt, in een interview in De Boekenwereld (april 2011), dat antiquarische boeken te lijden hebben van ‘verikearisering’.

Paul van Capelleveen, wederom in De Boekenwereld (juli 2012), verbaast zich over advertenties voor boekenkasten. ‘Toegegeven, die zien eruit als gotische kathedralen of negentiende-eeuwse sociëteitswanden, maar de betekenis van de advertenties lijkt verder te gaan. Enerzijds openbaren de advertenties dat er een behoefte bestaat aan zulke degelijke, chique boekenwanden in art-decostijl; anderzijds zijn ze een teken van de behoefte van fabrikanten klanten voor hun houten producten te vinden. De kwestie is of de vraag van de klant groter of kleiner is dan die van de verkoper.’

Mijn druk ophemelen

Onafhankelijk van elkaar raken de Vlaamse sierkunstenaar Julius de Praetere (1879-1947) en de Nederlandse uitgever Lambertus Jacobus Veen (1863-1919) rond 1900 in de ban van de nieuwe boekdecoratie. De een schaft zichzelf een handpers aan, de ander begint met wat familiekapitaal een eigen uitgeverij, maar beide heren streven hetzelfde na: mooie boeken maken in de stijl van art nouveau.

‘Denk s.v.p. om de dikte van den rug van het boek, m.a.w. dat de teekening van den rug in evenredigheid is met [de] werkelijke dikte van het boek.’ Dit schrijft Veen op 4 maart 1901 aan De Praetere, bij de overname van 150 exemplaren van de tweede druk van Streuvels’ Lenteleven. Iedereen die weleens een ingenaaid boek uit het fin de siècle in handen heeft gehad, weet hoe nauw het kijkt. Het is het begin van een zakelijke correspondentie, die krap drie jaar later doodbloedt. De Praetere laat zijn ambities dan maar varen. Veen en De Praetere mogen danwel hun boekenliefde delen, de uitgever is de kunstenaar in zakelijk opzicht de baas.

De Praetere giet zijn structurele tekort aan geld soms in mooie, wanhopige zinnen. De titel van deze uitgave is ontleend aan een brief van 25 maart 1903: ‘ik heb aan die zaak van prachtdrukken te veel geld verloren. Zoudt Ge niet denken dat nu, dat er een tiental tijdschriften mijn druk ophemelen, mijne biographie vragen, enz. het tijd wordt wat te rusten… langs geldelijken kant, vooral wanneer men kapitalist is zooals ik!!!’ Intussen buit Veen zijn positie als uitgever uit: hij schakelt boekhandelaren in Antwerpen en Gent in om de inkoopprijs van een door De Praetere gedrukt boek te drukken. Nederland-België: 1-0.

De briefwisseling is voortreffelijk uitgegeven door De Carbolineum Pers: alle 178 pagina’s zijn door Boris Rousseeuw met de hand gezet uit de loden letter Goudy Old Style. Ter illustratie zijn dertien originele kleurenfoto’s ingeplakt, boekbanden van De Praetere, briefkaarten van Veen. De editie is iets minder voortreffelijk. Ondanks 95 eindnoten blijft de lezer met enkele vragen zitten. In de transcriptie van een enkele brief is een foutje geslopen. Erg storend is dat overigens niet.

Deze bespreking van Die zaak van prachtdrukken. De briefwisseling tussen Julius de Praetere en L.J. Veen bezorgd door H.T.M. Van Vliet (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 4 (mei 2012).

Reclamebladen

Dankzij de prachtige app VPRO Radio Gemist kon ik vannacht vroege afleveringen van Radio Bergeijk beluisteren, afgewisseld met een Argos-reportage over valse paspoorten, gelardeerd met de beste jazz uit Vrije Geluiden. Ook het archief van cultureel praatprogramma De Avonden is opgenomen in de app. Geen hele uitzendingen inclusief het weerbericht van 9 januari, maar losse gesprekken, zonder de toeters en bellen er omheen.

Jeroen van Kan besprak in De Avonden de inhoud van een nieuwe oude aflevering van het tijdschrift Boekenpost met hoofdredacteur Janneke van der Veer. Het ging vooral over ‘vloeiboeken’: mooi geïllustreerde vloeibladen die in de jaren 1870-1940 door uitgevers als relatiegeschenk werden verspreid. Van Kan is duidelijk gecharmeerd van deze elegante reclamebladen.

– Ik ken geen enkel ander tijdschrift dat aan zo’n onderwerp aandacht zou besteden.
– Ehm…
– Maar dat kan aan mij liggen, natuurlijk.
– Eh… Nou, ik ken er nog wel eentje, eigenlijk.

Het geweten van de hoofdredacteur van Boekenpost spreekt. Zij is dan toch eerlijk. De naam van dat andere boekentijdschrift noemt zij niet. Ik spel de naam even uit. B, O, E, K, E, N, W, E, R, E, L, D.

De Boekenwereld is het allermooiste boekentijdschrift van Nederland. Een nieuw nummer verschijnt aan het eind van deze maand. Nieuwe abonnees krijgen nu een flinke korting: slechts 25 euro voor de eerste jaargang (vijf nummers). Meteen aanmelden bij de uitgever dus.

Latere staat

Kenners weten waar ze moeten zijn als ze ‘Ort62’ of ‘vdB62’ in een voetnoot bij de beschrijving van een topografische kaart van ’s werelds eerste atlasmaker lezen. Ze zullen onmiddellijk naar het door Marcel van den Broecke vervaardigde naslagwerk over de kaarten van Ortelius grijpen. Omdat de eerste druk van Ortelius Atlas Maps uit 1996 al even uitverkocht was, vroeg uitgever Bas Hesselink de auteur of een herdruk kon worden gemaakt. Van den Broecke maakte van de gelegenheid gebruik om zijn geïllustreerde gids uit te breiden met recentelijk ontdekte kaarten, bijgewerkte verwijzingen en referenties, en vertalingen van de Latijnse titels.

Vanaf de verschijning in 1570 was de Theatrum Orbis Terrarum van de vooraanstaande Antwerpse boek- en prenthandelaar Abraham Ortelius (1527-1598) een inslaand succes. Hoewel de monumentale wereldatlas een van de duurste boeken van het moment was, gingen er tot 1641 zo’n 8225 exemplaren over de toonbank, in niet minder dan 32 edities. Zo kreeg de wereld steeds meer kleur.

Van den Broecke demonstreert dat de edities onderling nogal verschillen: de kwaliteit van de gravures ging door het vele herdrukken achteruit en door de toenemende geografische kennis moesten de koperplaten waarvan de kaarten werden gedrukt worden vervangen of bijgewerkt. Deze gids laat per kaart zien op welke plek in welke editie van de Theatrum zij voorkomt, en in welk opzicht een latere staat van eerdere staten afwijkt. Meestal zijn het de bijschriften die werden aangepast, soms de decoratieve randen. Een enkele keer gaat de droge opsomming van platen, oplagen en staten tot de verbeelding spreken, als de zee opeens heftiger en ruwer gegraveerd blijkt te zijn. Of als een illustratief fregat niet meer met bolle zeilen voor de wind vaart, maar aan de wind, met het achtersteven naar de kijker toe.

Zoals het verboden is om zelfs maar naar een tweede druk van Elsschots Kaas te kijken zonder Wilma Schuhmachers bibliografie te raadplegen, zo is het ongeoorloofd om een kaart uit Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum te bestuderen zonder een blik te werpen in Ortelius Atlas Maps. Een goed naslagwerk maakt zich onmisbaar, en dat is wat Marcel van den Broecke heeft gedaan.

Deze bespreking van Marcel van den Broecke, Ortelius Atlas Maps. An illustrated Guide. Second revised edition (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 1 (oktober 2011).

Uit de schaduw

Bij Wim Gielen begon het met Nieuwe avonturen van de vos Reinaert, dat hij als zevenjarig jochie ter herinnering aan de eerste communie ontving. Wolbert Vroom kreeg voor zijn eindexamen een ordeboekje uit 1694 van zijn grootmoeder. En Geert Jan Bierenga liet zich als scholier inspireren door Het schoone boek van Menno Jaarsma bij zijn zoektochten naar leren ruggen en perkamenten bandjes.

Ze worden met naam en toenaam genoemd, 62 van de ongeveer 150 leden van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen die in het schitterende boek Uit de schaduw aan bod komen. Wat lid Piet Buijnsters in zijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie niet voor mogelijk hield, is dan toch geschied: het Genootschap treedt naar buiten. In deze kleurrijke jubileumuitgave presenteren leden van het gesloten gezelschap stukken uit hun collectie, welke soms paginagroot zijn afgebeeld, en leggen ze uit welke bijzondere betekenis juist die band, tekst of typografie voor hen heeft.

Uit de schaduw is ingedeeld in zes hoofdstukken, even zoveel er ‘duidelijk aanwijsbare’ verzamelmotieven zijn, door de redactie van dit boek uit de opgetekende verhalen geabstraheerd: ‘esthetisch genot’, ‘het boek als object’, ‘gereedschap’, ‘levensbeschouwing’, ‘nostalgie’ en ‘hoeders van het verleden’. De leden moesten kiezen welk motief het meest op hun verzamelwoede van toepassing was. Hoewel deze indeling gevoelsmatig wel klopt, en die gevoelens in de ‘methodische verantwoording’ achterin nog worden beredeneerd, blijft het onduidelijk waarom dit stramien moest worden toegepast. Wat zegt het dat 31 van de 62 leden zichzelf scharen onder ‘het boek als object’ tegenover de twee eenlingen onder de motieven ‘levensbeschouwing’ en ‘nostalgie’? Het zegt alleen iets over hoe de leden zichzelf zien. In enkele gevallen zijn motief en verhaal niet te rijmen: Baukje Scheppink maakt toch geen kunstenaarsboeken, opdat ze er vervolgens een collectie secundaire literatuur over kan aanleggen, zoals haar motief voorschrijft?

Die twijfelachtige indeling heeft grafisch ontwerper Hansje van Halem overigens bijzonder fraai vormgegeven: elk hoofdstuk heeft het kader in een andere steunkleur, tot en met de sneden aan toe. Alle steunkleuren komen terug in het feestelijke bandontwerp. En alleen De Buitenkant is het gegeven om twee royale leeslinten in precies dezelfde kleur te krijgen als de steunkleur van het hoofdstuk waar het lint zachtjes het katern binnenkomt. Bravo!

Het is intrigerend, herkenbaar, leerzaam en soms amusant hoe de bibliofielen hun passie met veel deskundigheid onder woorden brengen. Als er al iets gemeenschappelijks aan hun verhalen te ontdekken valt, dan is het wel de precisie waarmee gebeurtenissen, jaartallen, herkomsten, papiersoorten en (cultuur)historische achtergronden worden verteld. (Hebt u ooit een bibliofiel met een vlek op zijn stropdas gezien? Dat dacht ik al.)

Geert Jan Bierenga heeft inmiddels 400 in de Nederlanden gedrukte Bijbels op de plank staan. Wolbert Vroom reist de hele wereld over om architectuurboeken uit de periode 1485-1750 te bemachtigen. En Wim Gielen is tot de laatste dag voor zijn dood in 2010 op zoek geweest naar een waardige aanvulling voor zijn museale collectie Van den vos Reynaerde.

Deze bespreking van Edwin Bloemsaat (red.), Uit de schaduw. Twintig jaar Nederlands Genootschap van Bibliofielen (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 1 (oktober 2011).

Literair agent (2)

Terwijl het volgende nummer van De Boekenwereld al in de steigers staat, komen er goede reacties binnen op het themanummer over het literair agentschap in Nederland.

Robertine Romeney woonde namens Boekblad de lancering van het themanummer bij. Haar verslag eindigt aldus: ‘Het archief van literair agentschap Prins & Prins ligt verpakt in 600 mappen in het depot van de Bijzondere Collecties. Studenten van de UvA hebben onder leiding van Lisa Kuitert onderzoek gedaan naar dit agentschap. De Boekenwereld presenteert in het themanummer de fascinerende uitkomst van dit onderzoek.’

In Knack vatte Maarten Dessing de literaire salon, voorafgaand aan de lancering, mooi samen.

Arjan Peters besprak De Boekenwereld voor de Volkskrant: ‘Fascinerend is de briefwisseling tussen Nabokovs zaakwaarneemster, diens alomtegenwoordige vrouw Véra, en Henk Prins, die in 1974 denkt een centje te verdienen door Lolita te slijten aan een boekenclub, zonder mevrouw Nabokov eerst in te lichten. Véra is not amused, en het komt niet meer goed.’

Blogger Sander Bink beschreef naar aanleiding van het themanummer zijn lectuur van De smarten van Satan of de zonderlinge lotgevallen van den millionnair Geoffrey Tempest van de vergeten bestsellerbakker Maria Corelli. In deze roman wordt de schrijvende hoofdpersoon, dankzij bemiddeling van een duivelachtige literair agent, rijk en succesvol.