Mijn tweede vader

Naar aanleiding van zijn net verschenen biografie Lucebert praatte Wim Hazeu eergisteren een uur lang met Elfie Tromp in het radioprogramma Nooit meer slapen. De welingelichte interviewer stelde goede vragen, de opperbiograaf gaf eerlijke antwoorden. Uiteraard ging het over Lucebert en over zijn grote misstap in de Tweede Wereldoorlog, maar aan bod kwamen ook het dichterschap van Hazeu, zijn vroegste herinneringen en zijn enorme ambitie. Wim Hazeu wil de beste biograaf van Nederland zijn – misschien is hij dat al.

Tromp herinnerde Hazeu op een gegeven moment aan zijn stellige bewering, dat hij zijn tijd niet verspilt aan het schrijven van een biografie van een derderangs schrijver, waar vervolgens niet meer dan honderd exemplaren van worden verkocht. Tromp deed de voorzet en wilde ook zelf inkoppen.

En A. Marja dan?

Het is even geleden dat de naam van de dichter in de ether was. In de nacht van afgelopen woensdag op donderdag ging het op een radiozender met landelijke dekking opeens over A. Marja. Zeker een volle minuut.

Na een korte introductie van Tromp (‘dat is een totaal vergeten dichter, de meeste luisteraars zullen nu denken: wíé?’) vertelde Hazeu over het onderwerp van een van zijn eerste biografieën (A. Marja, dichter en practical joker verscheen in 1985). Zo persoonlijk deed hij dat in het openbaar niet eerder.

Het [schrijven van een biografie van A. Marja] was ook eerherstel, want hij was een beetje mijn tweede vader. Polemisch was hij heel erg sterk. Ik heb hem de laatste jaren van zijn leven gezien. Ik kwam daar heel vaak en hij kwam bij mij. En we hebben heel veel over Oost-Duitsland gesproken en over literatuur. Ik hield van die man. Het was een hele fysiek zwakke man, maar psychisch heel sterk.

Het lekkere verhaal

Van Jagtlust (1998), de meeslepende geschiedenis van de roemruchte kunstenaarskolonie in een Blaricums landhuis, zijn intussen veertien drukken verschenen. Geen slechte score voor ‘verhalende non-fictie’; ‘hardnekkig’ noemt schrijver Annejet van der Zijl haar boek zelf, in het voorwoord bij de tiende druk.

Ik was verkocht, toen ik het de eerste keer las. Jagtlust is knap werk: de informatie wordt precies goed gedoseerd. Het verhaal van de vele schrijvers en schilders is charmant. De vrijheid-blijheid-sfeer wordt jaloersmakend getekend. De hoofdpersoon van Jagtlust, de fenomenale Fritzi, was voortaan mijn heldin.

Maar toen ik Jagtlust eens ter sprake bracht bij Ferdinand Langen, keurde hij het resoluut af. Ik had een gevoelige snaar geraakt. Het was een populair boek, maar veel was bezijden de waarheid. Of het was een tikkeltje respectloos tegenover de betrokkenen. Ferdinand kon zich opwinden over hoe bijvoorbeeld Gilles de Marechal, de enige zoon van Fritzi, erin werd afgeschilderd. Ook Paula zat hoofdschuddend op de bank.

Wat ik niet wist: de hoofdpersoon van Jagtlust vond Jagtlust ook afschuwelijk. In een recent interview met Maaike Meijer, die aan de biografie van F. Harmsen van Beek werkt, zegt zij dat de dichter na het verschijnen van het boek de straat niet meer op durfde.

Ze kreeg een acute depressie en voelde zich door het slijk gehaald.

Meijer hoopt de mythevorming rond Harmsen van Beek te verklaren, zo niet te weerleggen. Ze beschouwt Jagtlust als ‘het lekkere verhaal, dat iedereen wilde lezen’. Meijer wil het ‘sensationele beeld’ van de dichter ontmantelen.

De biograaf worstelt nog wel met een paar zaken, vertelt ze op de website van HP/De Tijd. Ten tijde van het grote feest op Jagtlust is Harmsen van Beek door een man uit het dorp verkracht. In Jagtlust geen woord daarover, en Harmsen van Beek heeft die traumatische gebeurtenis meteen onder het tapijt geveegd.

Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Prick vs. Prick

Eerst was er Rudie Kagies Boudewijn Büch, verslag van een mystificatie (2004), waarin voormalige vrienden van Büch als leugendetectoren werden ingezet. Toen verscheen Een andere Boudewijn Büch (2005), Harry Pricks overwegend liefdevolle terugblik op een vriendschap. En nu is er Boud (2016) van Eva Rovers. De twee laatstgenoemde Büch-kenners waren in de positie op hun voorganger(s) te reageren, tekortkomingen te constateren, met herzieningen en noodzakelijke aanvullingen te komen. Het hele Büch-discours: soms net wetenschap.

Toen Harry G.M. Prick aan zijn Büch-boek werkte, was het verslag van Kagie net verschenen. Enkele episodes uit Büchs leven lagen dus nog vers in het geheugen. In zijn memoires houdt de wijdlopige Prick zijn pas enkele malen in, om dankbaar naar Kagie te verwijzen. Zo legt Prick niet uit waarom Büch afwezig was bij de première van Komrijs toneelstuk Het chemisch huwelijk. In plaats daarvan geeft hij een paginanummer in Kagie op.

Tweemaal wast Prick Kagie de oren. Hij demonstreert Kagies slordigheid aan de hand van een op zeker drie punten verkeerd overgenomen citaat uit een column van Büch. En Prick rectificeert het verhaal dat Kagie in zijn boek afdraait over de bibliotheek van Jan Kamerbeek jr., die Büch geërfd zou hebben. Hij noemt dit een ‘nieuwe mystificatie’ van Kagie.

Eva Rovers is stelliger over Rudie Kagie. Ze schaart hem in haar biografie onder de journalisten die het enkel om Büchs ontmaskering ging. Kagie schiep, met hulp van anderen, een eendimensionaal beeld van Büch als charlatan en leugenaar. En Rovers corrigeert Kagie: Johan Polak stelde Büch nooit ‘ruimhartig’ een appartement ter beschikking, zoals ook Prick reeds vermoedde.

Prick wordt in Boud omschreven als de ‘goedgelovige’, ‘goeiige’ en ‘brave’ conservator, van wie Büch wel heel erg veel gedaan kreeg. Diens Büch-boek vindt Rovers ‘verhelderend’ en ‘zeer gedetailleerd’.

Dat egodocumenten niet altijd waarheidsgetrouw zijn, wist Rovers als ervaren biograaf ook wel. In het geval Büch moest zij bijzonder op haar hoede zijn. Diens dagboeken staan vol ‘autobiografictie’. Toen Prick nog voorbestemd was om Büchs Eckermann te worden, kreeg hij van zijn jonge vriend zelfs enkele dagboeken te leen. In zijn boek richt Prick zich een paar keer tot de toekomstige Büch-biograaf. Hij heeft bij voorbaat medelijden met hem:

[…] arme biograaf, die een oneindig aantal uren zal moeten uittrekken voor het, keer op keer moeizame, nagaan van het waarheidsgehalte van al de honderden verhalen [van Büch], vaak geheel verzonnen of op zijn minst sterk tot zeer sterk bijgekleurd.

Elders voorziet Prick dat de ‘beklagenswaardige’ biograaf de hulp in zal roepen van een ‘psycholoog of psychiater’. Het zal hem namelijk gaan duizelen van Büchs confidenties

wanneer over pakweg veertig jaar of daaromtrent Boudewijns brieven voor een dan opererende biograaf toegankelijk zullen worden.

Dat ‘veertig jaar’ was een erg optimistische schatting van Prick. Hij was blijkbaar vergeten dat hij Büch in een brief van 18 augustus 1974 de keuze had voorgelegd wat er op het omslag van de map met Büch-brieven moest staan: ‘na mijn dood te vernietigen’ of ‘gesloten collectie, niet eerder toegankelijk dan het jaar 2500’. Büch koos voor de tweede optie, schrijft Rovers tandenknarsend. De tragedie strekt zich uit tot noot 26 bij hoofdstuk 5 van Boud:

Uit diverse gesprekken met de huidige directeur van het Letterkundig Museum Aad Meinderts en met Pricks weduwe Lily Prick bleek dat aan dit embargo niet te tornen viel.

Honderden brieven van Büch aan Prick liggen dus nog eeuwen achter slot en grendel. Rovers moest het doen met de citaten uit Büchs brieven waarmee Prick zijn terugblik en zijn eigen brieven doorweefde.

Dankzij de carte blanche van de familie Buch en toestemming van Lily Prick kreeg Rovers wel inzage in de brieven van Prick aan Büch. Zij kon het verhaal van Pricks brieven – naar de letter en de geest – vergelijken met het verhaal in Een andere Boudewijn Büch. In het achtste hoofdstuk van Boud staat een prachtige confrontatie tussen Prick en Prick.

Harry Prick is de ‘schaduwschrijver’ van Büchs debuutroman De blauwe salon (1981): hij heeft het manuscript regel voor regel herschreven en met talloze alinea’s aangevuld. Rovers citeert Prick uit een brief aan Büch van 1 februari 1978, wanneer hij voor het eerst delen van de roman-in-wording heeft gelezen:

Met je roman voeg je een volstrekt oorspronkelijk schriftuur toe aan onze letteren. Heel wat bladzijden zijn klassiek in de beste zin van dat woord. […] Maar stilistisch zal ik streng zijn, meedogenloos streng. Het zijn grotendeels veelal “kleinigheden”, maar ze moeten gewied omdat ze afbreuk doen aan de rijkdom aan schoonheden en schitteringen van het geheel.

Zet daar tegenover Pricks oordeel over exact dezelfde teksten in Een andere Boudewijn Büch:

[…] het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Werken aan De blauwe salon, dát was nu juist een van die allervervelendste karweitjes waarmee Boudewijn een mens de dampen kon aandoen. Je werd, in dit geval op 31 januari 1978, opgezadeld met een stapel papieren […] waaraan, bladzijde na bladzijde, geen smaak of kraak viel te beleven.

Zelfs Harry G.M. Prick kon het niet laten een enkele keer de geschiedenis iets bij te kleuren.

De magie van het geschrift

In beginsel is de net verschenen Büch-biografie niet verrassend. Vanaf het eerste hoofdstuk van Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch (2016) staat vast welke kant het met de held van deze geschiedenis opgaat. Büchs vriendschappen en verhoudingen verlopen volgens een vast patroon van aantrekken en afstoten. Om de zoveel jaar vernieuwt Büch zijn kring van vertrouwelingen en moet hij zichzelf opnieuw uitvinden. Elke nieuwe Boudewijn lijkt een uitvergroting van de vorige.

Biograaf Eva Rovers introduceert in haar boek de academische term ‘autobiografictie’: wanneer een persoon authentieke gevoelens koppelt aan verzonnen feiten, waarop vervolgens autobiografische geschriften gebaseerd kunnen worden. Büch gaat zo ver dat hij de dood van de kleine blonde in zijn dagboek noteert. Van elementen uit andermans biografieën en autobiograficties maakt hij dankbaar gebruik. De liefde voor jongetjes leent hij van Jan Hanlo. Oorlogsthematiek en een Poolse vader vindt hij bij Sylvia Plath.

Het is niet moeilijk om Boudewijn Büch weg te zetten als iemand aan wie alles onecht is. Boud is niet het onthullende verhaal van een bedrieger. Rovers nuanceert en typeert.

In het eerste en tweede hoofdstuk komt Büchs grote en onvervalste talent aan de oppervlakte: vertellen. Uit de mond van een broer tekent Rovers op dat de jonge Boud de gangmaker van het gebroken gezin Büch was. Op zaterdagavond vertoonde hij op de muur in de woonkamer korte films die al jaren in huis waren.

Iedere keer voorzag hij ze van ander commentaar; hij kon zijn broers moeiteloos laten geloven dat een film over de Watersnoodramp eigenlijk ging over de koe die door de straten dreef.

Meer dan de fantast-in-wording is dit een voorbode van de van enthousiasme overlopende, vreemde feiten spuiende entertainer, die even betoverend over popmuziek en poëzie praat als een pak rijst aanprijst.

Het jongetje van tien dat wikkels van King-pepermunt spaart om de atlas van te kopen is de wereldreiziger en eilandgek in de dop.

Al even puur is Büchs liefde voor boeken. Van de overredingskracht van inkt en papier is hij zich al op jonge leeftijd bewust. In de loop van zijn leven vervaardigt Büch diverse boekwerkjes, helemaal zelf, meestal om iemand (m/v) het hof te maken.

In 1965 vindt de 16-jarige Lucy Noordman onder haar kussen de ‘1e en enige editie’ van Poezy voor jou, een door Büch op grote vellen uitgetypt boek, met romantische gedichten en tekeningen. In de aanloop naar zijn debuutbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs (1976) ontvangen enkele vrienden van Büch zelfgemaakte bundels met ‘liederen’ en ‘zangstukjes’, stuk voor stuk gedateerd en gesigneerd. Sommige zijn voorzien van een omslag van schuurpapier.

Sébastien doorschoten. Vijf liederen voor een putto heet het boekje waarmee hij in maart 1980 Bas Heijne verrast. Het jaar erop geeft hij Rimbauds sonnet ‘Voyelles’ uit in één uniek exemplaar. Alsof er achter Le Bateau Ivre een heus uitgeversbedrijf schuilgaat, meldt de begeleidende brief:

unica – zeldzame drukken – debuten
vraag de folder. wij zijn billijk in prijs en leveren snel

De magie van het geschrift. En Büch weet dus vroeg wat vormgeving voor een boek doet. Hij verlustigt zich aan parateksten. Voor typografie heeft hij blijkbaar ook altijd oog gehad. In 1975 wenst hij een Precisa 3000, en wel omdat deze schrijfmachine van die ‘wonderlijke asterisken’ produceert. (Zulke details, wel degelijk verrassend, kunnen er niet genoeg in een biografie staan.)

Van de DIY-boekjes is het maar een kleine stap naar The Blue Lavender Press, Sub Signo Libelli, Plim’s Drukkerijen, AMO, Duindoornpers, Salix Alba, Breukenpers, Regulierenpers – de private presses die Büchs gedichten en verhalen in iets grotere, maar nog altijd kleine oplagen fraaier aan de man weten te brengen.

In geen van beide categorieën valt het affiche You’re screaming blue murder (1978). Het is eigenhandig geproduceerd drukwerk, in het kader van de (verloren) liefde ook, maar dit gedicht verscheen in een oplage: iedereen mocht er deelgenoot van worden. Büch wenste een publiek. You’re screaming blue murder markeert de overgang van geknutsel op zolder naar verfijnd drukwerk, van de unica naar echte bibliofiele uitgaven. In Boud staat niets over deze poëzieposter; de reactie van Bernadette erop blijft verborgen. Een kleine omissie in een uitstekende biografie.

Bezwaarschrift

In de eerste twee afleveringen van zijn feuilleton was Eric J. Schneyderberg buitengemeen kritisch over de werkwijze en de publicaties van Eva Rovers. Daaruit kon worden afgeleid dat de oprichter van de Actiegroep Stop De Biografie niets te maken wilde hebben met de officiële biograaf van Boudewijn Büch. Het tegendeel is waar, blijkt uit de derde aflevering van wat nu ‘Wisselgeld’ (mirror) heet.

Eerder had Schneyderberg uitgebreid contact gehad met Rovers over de vriendschap tussen Büch en Gerrit Komrij, beiden goede bekenden van de antiquaar. Onlangs heeft Schneyderberg delen van de tekst van Rovers’ biografie toegestuurd gekregen. Over de weerslag van wat hij Rovers had verteld over allerlei kwesties tussen Büch, Komrij en hemzelf was hij niet tevreden.

Sinds een week of wat circuleert op de burelen van de Actiegroep Stop de Biografie een serie ter goedkeuring ontvangen teksten. […] Zoveel onzin en zoveel geknoei, alleen al op déze vier blaadjes

Schneyderberg zegt nu de ‘bevredigende reactie’ van Eva Rovers op zijn bezwaarschrift af te wachten.

Zure opmerkingen

Aan zijn feuilleton ‘Gatenkaas met billenkoek’ – voorheen getiteld ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’, nu omgedoopt tot ‘De hoedjes van Rimbaud’ – heeft antiquaar en Büch-intimus Eric Schneyderberg een nieuwe aflevering (mirror) toegevoegd.

Ik wil een mysterie!
Waar is dat mysterie?
Het motief van de biograaf, dat is een mysterie!

In ‘Boudewijn Büch, Gerard Reve en een vreemd artikel’ uit hij kritiek op een stuk dat Eva Rovers in 2015 voor het Tijdschrift voor Biografie schreef. Schneyderberg verwijt haar een mysterie omtrent het beruchte Parool-interview van Büch met Reve te scheppen door niet van het haar ter beschikking gestelde materiaal gebruik te maken. Ook zou zij in haar artikel niet de werkelijke reden van de breuk tussen Büch en Reve hebben weergegeven.

Tegenover de ‘zure opmerkingen’ van een oude vriend staat het nieuws dat Eva Rovers’ dikke boek officieel is aangekondigd. De door Schneyderberg gevreesde biografie zal Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch heten. Uitgeverij Prometheus brengt de eerste druk gebonden op de markt.

Mystificaties en falsificaties

In november 2016 verschijnt de biografie van Boudewijn Büch, waaraan Eva Rovers sinds september 2011 werkt. Daarvoor kreeg ze als eerste en enige toegang tot het volledige archief van Büch. Maar niet iedereen ziet reikhalzend uit naar het dikke boek over de dichter, televisiemaker en columnist.

Waarom moet, door middel van boeken, kranten, tijdschriften, radio, televisie, internet, etcetera de hele Nederlandse bevolking geconfronteerd worden met privézaken die zich pakweg dertig jaar geleden afspeelden tussen Boudewijn Büch en een stuk of twintig “vrienden”?

schrijft Eric Schneyderberg in de eerste aflevering van een, naar eigen zeggen, ‘vermakelijk feuilleton’. Zijn zojuist begonnen reeks heet ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’ (mirror) en is een initiatief van de Actiegroep Stop De Biografie, bijgestaan door de Stichting Laat Die Jongen Toch Met Rust.

Zou het niet beter zijn als deze mensen een eigen club zouden oprichten? De BOUDEWIJN BÜCH BEDROGEN VRIENDEN CLUB? In dat geval kunnen ze in hun clubblad – oplage twintig exemplaren, enkele stuks Hors Commerce toegestaan – hun ervaringen en herinneringen delen, elkaar de loef afsteken en wat al niet.

Schneyderbergs idee stamt uit 2004, maar in de aanloop naar de verschijning van Rovers’ biografie schiet de gedachte steeds vaker door het hoofd van de antiquaar. In een aan zijn oorspronkelijke stuk toegevoegde inleiding vermoedt Schneyderberg dat hij met zijn herhaalde oproep weinig vrienden zal maken. Hij stelt zijn ‘intimi’ nog zeven afleveringen in het vooruitzicht.

Over de vermeende pseudologia phantastica van Boudewijn Büch is al veel gezegd en geschreven. In 2004 liet Rudie Kagie in een biografische schets van Büch verschillende (voormalige) vrienden en geliefden aan het woord over het gefantaseerde leven van de schrijver. Een jaar later verscheen Een andere Boudewijn Büch van Harry G.M. Prick, die in 1984 zijn Wahlverwandtschaft met Büch abrupt in rook zag opgaan. Prick blikte in zijn boek terug op een intense vriendschap, maar stond ook stil bij Büchs ‘mystificerende trekken’.

Eric Schneyderberg was jarenlang Büchs hoofdleverancier van boeken, prenten en langspeelplaten. Hij werkte vanaf 1989 bij de antiquarische afdeling van De Slegte, stelde vier aan Büch gewijde verkoopcatalogi samen en verzorgde ook enkele luxe-edities van werk van Büch. Ze hielden wel van een geintje, Schneyderberg en Büch. Aan Kagie vertelde Schneyderberg dat ze bij het samenstellen van Büchs Verzamelde gedichten in 1995 ‘een paar literaire geschiedvervalsingen’ in de bundel hadden verstopt, waar zelfs redacteur Ernst Braches nooit van op de hoogte is gebracht.

Nee, ik ga niet zeggen waar die falsificaties uit bestaan. Laat anderen dat maar proberen te achterhalen.

Uit de te verschijnen Büch-biografie zal blijken of Eva Rovers die handschoen heeft opgepakt.

De blinde vlek van een biograaf

In zijn ‘met zorg geschreven boek’ over de eerste dertig levensjaren van W.F. Hermans wijdt Willem Otterspeer twee hele hoofdstukken aan Hermans als lezer. In het elfde hoofdstuk van De mislukkingskunstenaar (2013), ‘Lezen’, komt de lectuur van de middelbare scholier Hermans aan bod. Het vierentwintigste hoofdstuk, ‘Hij las’, behandelt Hermans’ lectuur in de Tweede Wereldoorlog. Van de door Otterspeer geraadpleegde archivalia wordt het ‘Lijstje van boeken die mij het meest getroffen hebben, resp. “openbaringen” waren, “vereerde” schrijvers’, in de oorlog door Hermans samengesteld, herhaaldelijk opgevoerd. De eerste foto van een volwassen Hermans, in deze biografie, toont hem lezend.

Overigens staan pa en ma Hermans in het illustratiekatern eveneens lezend afgebeeld, hun gezichten afgewend van camera en fotograaf. Otterspeer beschrijft het gezin waarin Hermans opgroeit als ‘een in zichzelf gekeerde wereld’. Hermans wordt in isolement opgevoed: op straat spelen is er niet bij. De biograaf geeft angst als motief voor de strikte beslotenheid van dit gezin, dat radicaal burgerlijk is. Uit angst wordt nooit iets weggegooid, uit angst wordt alles achter slot en grendel bewaard.

Krasse constatering: in het ouderlijk huis van W.F. Hermans stonden de boeken in afgesloten en vergrendelde kasten.

De lectuur van Hermans wordt in De mislukkingskunstenaar besproken, maar nergens wordt zijn bibliotheek genoemd. In De zanger van de wrok (2015), over Hermans’ leven van 1953 tot aan zijn dood in 1995, worden alleen een aflevering van Autokampioen (waarin Hermans twee kruisjes naast gewilde automobielen plaatste) en Panizza’s Aussprüche (waarin hij een passage aanstreepte) genoemd. Als Otterspeer schrijft welke boeken Hermans las, bedoelt hij meestal welke teksten Hermans tot zich nam; zelden komen de exemplaren ter sprake die hij daadwerkelijk in handen had. Daardoor blijven ook zijn leesaantekeningen buiten beeld, de talloze krabbels in de kantlijn. Hermans schreef immers terwijl hij las.

Sinds de verkennende studie Marginalia. Readers writing in books (2001) van H.J. Jackson is de aandacht voor marginalia in de wereld van boek en bibliotheek flink toegenomen. Groot nieuws was in 2014 de ontdekking van het woordenboek van Shakespeare, voorzien van diens aantekeningen in de marge. En een van de belangrijkste redenen voor de Universiteitsbibliotheek Leiden om de bibliotheek van Menno ter Braak te verwerven, was juist het feit dat de schrijver tijdens het lezen streepjes zette, vraagtekens noteerde, opmerkingen maakte. Ter Braaks boekerij is nu een uitzonderlijk studieobject. Eerder werden de bibliotheken van Lucebert en Mulisch al in kaart gebracht.

Otterspeer had toegang tot alle hoeken en gaten van Hermans’ gigantische archief. Zat Hermans’ boekenkast soms op slot?

Niet bepaald. De complicerende factor bij onderzoek naar het boekenbezit van W.F. Hermans is het feit dat zijn bibliotheek over een periode van tientallen jaren versnipperd is geraakt, waardoor een groot deel van de boeken onbereikbaar was voor de biograaf. De bibliotheek van Willem Frederik Hermans, als cumulatie van een leven lang kopen en lezen, is een fictie. Een verhuizing was voor Hermans vaak het uitgelezen moment om in zijn boekenkast te wieden en overbodig of oninteressant geworden boeken weg te doen. Vanaf de jaren zeventig zijn er honderden boeken met aantekeningen van Hermans beland bij veilinghuizen en antiquariaten.

Een biograaf werkt altijd met thema’s en aandachtspunten. Hij moet, zeker wanneer er een overstelpende hoeveelheid materiaal is, keuzes maken. Zo noemt Otterspeer in zijn boeken wel dat Hermans als jong ventje nu en dan een pak voor zijn blote billen kreeg en aan wie de schrijver voor het eerst zijn piemel liet zien, maar koos hij ervoor om de enkele honderden boeken uit het bezit van Hermans in de collectie van het Letterkundig Museum links te laten liggen. Bij het optekenen van het levensverhaal van een schrijver die zichzelf omschreef als iemand die ‘au fond voor boekenwurm in de wieg gelegd [was]’ is dat tamelijk opmerkelijk.

Willem Frederik Hermans stapte vaak een antiquariaat binnen. Zijn leeshonger dreef hem als puber al naar boekenmarkten op het Amstelveld en het Waterlooplein. Willem Otterspeer heeft zich niet door zijn held laten inspireren. Het antiquariaat is de blinde vlek van de biograaf. Momenteel, en ook toen Otterspeer aan zijn biografie werkte, zijn er tientallen interessante boeken uit het bezit van Hermans – sommige aan hem opgedragen, andere met zijn aantekeningen – te vinden bij de antiquariaten Schuhmacher, A. Kok & Zn., Hinderickx & Winderickx en Fokas Holthuis. Ook deze exemplaren werden niet door de Hermans-biograaf geraadpleegd.

Friedrich Nietzsche was een van de helden van de jonge Hermans. Also sprach Zarathustra las Hermans als vijftienjarige al (oordeel: ‘heel prachtig’) en in 1939 hield hij voor de literaire schoolvereniging een verhandeling over Nietzsche. De filosoof was een levenslange fascinatie: naar Nietzsche’s huizen en werkplekken maakte Hermans begin jaren tachtig pelgrimages. Otterspeer in De mislukkingskunstenaar: ‘Er bleef jammer genoeg maar één deeltje bewaard van zijn oude Nietzsche-uitgaven’ – gevolgd door een citaat van de passage die Hermans in dit deel aanstreepte. In het antiquariaat wordt echter ook veel waardevols bewaard: sinds 2007 staan achttien delen van Nietzsche’s wetenschappelijke brieveneditie, ‘with annotations & markings in pencil on some of the first endpapers & margins by W.F. Hermans’, te koop bij Kok in Amsterdam.

Maar het kan altijd erger. Na de dood van de schrijversweduwe Emmy Hermans-Meurs in 2008 doken er bij de plaatselijke kringloopwinkel in Broek in Waterland opeens boeken op met het ingeplakte exlibris van Hermans. Een oplettende verzamelaar uit Amsterdam-Noord haalde bij deze ‘kringloopwinkel +’ een tiental mooie boeken van de plank. Vroegtwintigste-eeuwse Spaanse literatuur, evenals biografieën van Dickens en Flaubert, met in de kantlijn strepen en aantekeningen van W.F. Hermans. Voor minder dan twee tientjes kon de verzamelaar ze meenemen. Geen Hermans-biograaf, geen Hermans-instituut had bedacht dat die boeken nog van nut konden zijn.

En zelf kon ik even later – via een tussenpersoon, die een riant vindersloon bedong – uit dezelfde dozen het zo goed als complete poëtische oeuvre van Gust Gils, in afzonderlijke dichtbundels, bemachtigen. Uiteraard staan in elk exemplaar vriendschappelijke opdrachten van Gils en leestekens van Hermans. Gemist door Otterspeer, die de briefwisseling Hermans-Gils typeerde als ‘een van de boeiendste uit het hele Hermans-archief’.

Dat een reconstructie van Hermans’ boekerij niet meer tot de mogelijkheden behoort, daar valt mee te leven. Verbijsterend is evenwel dat deze biograaf – die zich tien jaar lang op leven en werken van een schrijver heeft gestort, die te pas en te onpas pronkte met het hem door de erven geschonken aantekenboekje waarin de schrijver opschreef wat hij las – niet heeft willen zien wat er bij de weduwe Hermans in de boekenkast stond. Dat waren de boeken die Willem Frederik Hermans nooit had afgedankt, die hij tot het eind van het leven bij zich wilde hebben. Otterspeer had het kunnen weten: bij Hermans zijn de laatste drukken, de boeken het laatst ingezien, het belangrijkst.

Vaders en zonen

De zelfmoord van zijn zoon heeft een onuitwisbaar stempel op het leven van Geert van Oorschot gedrukt. De 19-jarige Guido vergaste zichzelf op 7 oktober 1963 in de keuken aan de Herengracht en liet een brief achter, aan niemand in het bijzonder gericht, maar een verwijt aan het adres van zijn ouders. Het huwelijk van Geert en Hillie kreeg een enorme knauw. Van Oorschots rouwen vulde zich met angst en agressie. Alcohol moest het leed verzachten.

In het achttiende hoofdstuk van Arjen Fortuins biografie Geert van Oorschot, uitgever (2015) komt er een stoet aangenomen zonen langs: van de aanstormende schrijver Jeroen Brouwers tot de rechtenstudent Ulli Jessurun d’Oliveira. Fortuin signaleert Van Oorschots talent om razendsnel een intieme band te scheppen. In de jaren na Guido’s dood waren Van Oorschots nieuwe vrienden vaak mannen van de generatie van zijn zoon.

Ischa Meijer maakte in 1969 kennis met Geert van Oorschot, omdat hij de uitgever moest interviewen voor de Haagse Post. Het interview leidde tot een vriendschap, waarin ook Meijer uitgebreid aan het woord kon komen. Meijer – die een tweedegeneratietrauma had, omdat hij als baby met zijn ouders in Bergen-Belsen had gezeten – opende zijn hart in een brief aan Van Oorschot over het kamp, seksualiteit en zijn familie. De relatie met vader Jaap Meijer was problematisch.

‘Ischa is heel lief. Ik wou dat ik zijn vader kon zijn,’ schreef Van Oorschot in 1976 aan een vriend.

Een jaar later verscheen Meijers autobiografische roman Een rabbijn in de tropen. Na het moederboek Een brief aan mijn moeder (1974) stond in dit boek Meijers verhouding tot zijn vader centraal. De personages waren naar het leven getekend: de hoofdpersoon is een hoerenlopende journalist, zijn vader was rabbijn in een Nederlandse kolonie. Het leven in een concentratiekamp komt in flashbacks voorbij. Elke schlager, elke rashond is in dit boek een echo van de SS. Op de laatste pagina zingt de rabbijn ‘Het jodendom gaat nooit verloren, falderalderiere, falderalderore’, terwijl hij de liefde bedrijft met zijn zoon. Je kunt Een rabbijn in de tropen lezen als een literair experiment, de verwerking van een trauma en als een vadermoord.

Uiteraard gaf de aangenomen zoon Ischa Meijer een exemplaar van dit vaderboek aan Geert en Hillie van Oorschot, zijn nieuwe vader en moeder. Op de Franse titel staat in rode pen:

voor Geert,
die ik vertrouw en
bemin! van zijn
Ischa
nov. ’77
en voor Hil
een kus!
I.

In pak op bed

Jeroen Brouwers, die hem over de vloer kreeg in verband met het bibliografisch bulletin van het Letterkundig Museum, vond hem ‘een kletsmeier’ en ‘een klepzeikerd’, die urenlang zijn ‘abortuskoffer’ op schoot bleef houden. Volgens Theo Sontrop bevond zich in die grote tas, behalve veel papier, een levende ringslang. Adriaan van Dis, student Nederlands, hoorde het verhaal dat hij in een leren pak feestjes gaf en vergiftigde petitfours uitdeelde.

Aan anekdotes over Kees Lekkerkerker geen gebrek.

In de afgelopen maandag feestelijk gepresenteerde biografie Lagere aap. Het leven van Kees Lekkerkerker richt Menno Voskuil zich minder op de maffe mythes en meer op de feiten.

De belangrijkste bron voor zijn boek is het archief van Lekkerkerker zelf. De schatbewaarder van Slauerhoff legde zijn eigen leven al even minutieus vast in talloze autobiografische en bibliografische aantekeningen, tientallen correspondenties en honderden foto’s. Lekkerkerkers gearchiveerde agenda’s gaan terug tot de jaren ’60.

In het goed geordende archief zijn tevens te vinden: uitgeknipte horoscopen, de toegangskaart tot de leeszalen van de Koninklijke Bibliotheek van België, het schema van zijn boekenkastindeling, de Pas 65, sollicitatiebrieven, treinkaartjes.

Voor Lagere aap is een ruime keuze gemaakt uit de fotoalbums van Lekkerkerker. Hij was overal te vinden: aan het souper met Jan Hanlo en J.W. Hofstra, op een kameel, aan boord van de MS Bloemfontein, in de achtertuin van Ed. Hoornik.

Mijn favoriete foto is afgedrukt op pagina 12 van de biografie. Te zien is een 25-jarige Lekkerkerker, met gepommadeerd kapsel en strakke middenscheiding, in driedelig pak, schoenen gepoetst – en hij ligt op bed. Op het tafeltje naast hem staat de belangrijkste literatuur van dat moment, zoals een aflevering van het (toen net opgeheven) tijdschrift Forum.

Lekkerkerker probeert zo ontspannen mogelijk te ogen, met een achteloze linkerhand op een linkerknie, maar hij wil zijn pak ook niet kreuken. In zijn rechterhand bevindt zich een opengeslagen boek. Het boek is nooit ver weg bij hem. Dit is geen vasthouden meer, maar omarmen.

Die vrouw

Dankzij de ogenschijnlijk goed gedocumenteerde biografie van Willem Otterspeer kent het liefdesleven van W.F. Hermans amper geheimen. In de veertiger jaren was Hermans een rokkenjager, een hitsige adolescent die veel meisjes versleet en er nog veel meer begeerde. Hun namen zijn in De mislukkingskunstenaar (2013) geboekstaafd. Aan Hannie Blind liet Wim voor het eerst zijn piemel zien. Met Jenny de Groot had hij de allereerste keer geslachtsgemeenschap, in de duinen bij Brielle.

Getrouwd was geen excuus, voor Hermans. Hij deed het halverwege de jaren ’40 met Juusje Hartman, Albertien de Wolf, Genia Timmer – alle voor de wet gehuwd. Via het echtpaar Genia en Charles B. Timmer maakte Hermans kennis met de acteur Johan Schmitz en diens echtgenote Reny. Zij waren buren in de Botticellistraat in Amsterdam. Reny Schmitz-Knufman was Hermans’ nieuwste verovering.

In de Hermans-biografie komt Reny tweemaal voorbij, maar Otterspeer laat niet veel meer over haar los dan ‘dat Hermans ook een verhouding had met die vrouw’.

Uit het net opgedoken opdrachtexemplaar van Hermans’ debuutbundel Kussen door een rag van woorden blijkt dat Reny belangrijker voor de schrijver is geweest dan de Hermansianen, Otterspeer voorop, tot dusver hebben aangenomen. In december 1944 schonk Hermans haar een van zijn laatste exemplaren van zijn bundel, met een vleiend-verontschuldigende opdracht: ‘Voor Reny, in de hoop dat zij mij vergeven wil dat ik haar/ zoo welluidende naam op de leege plekken die de vrouwelijke hoofdpersoon/ in het dagboek van Karel R. moesten voorstellen, heb ingevuld’.

Het is mogelijk dat ‘die vrouw’ model stond voor het personage Madelon in de als dagboek gebrachte novelle In de mist van het schimmenrijk, waarnaar Hermans in de opdracht verwijst. Maar Otterspeer hult zich in een wolk van niet weten. De zeven brieven die het echtpaar Schmitz aan Hermans schreef (aanwezig in het Hermans-archief in het Letterkundig Museum) worden in De mislukkingskunstenaar ook niet genoemd.

Sub Rosa

Je kunt boeken verzamelen. Dat is leuk. Maar als je al jaren boeken hamstert, dagelijks vecht tegen volle kasten, verschuift je focus. Je verzamelt op een dag boekenleggers. Je verzamelt verstrooid papier dat je in boeken vindt. Of je stort je op die kleine etiketjes die de boekhandelaar vroeger voorin een nieuw boek plakte, meestal in een hoek van het schutblad. Uit boeken losgeweekte boekhandelsetiketten nemen amper ruimte in. Wat zichtmapjes in een oude ordner.

De ruimtewinst heeft een keerzijde: er wordt een flard geschiedenis van het boek uitgewist. Een boekhandelsetiket is, behalve een nederige vorm van reclame, ook een geboorteakte. Dat kleine plakkertje verraadt waar het boek voor de allereerste keer te koop werd aangeboden. Waar het boek te vondeling werd gelegd, voordat een mens het adopteerde. Een losgeweekt etiket heeft zelf geen geschiedenis meer.

Over twee weken komt er bij Bloomsbury in Londen een eerste druk van het modernistische meesterwerk The Waste Land (1923) onder de hamer. Het is beslist niet het topstuk van de veiling, maar het exemplaar heeft het leukst denkbare boekhandelsetiketje: “Shakespeare and Company”. T.S. Eliot was een terugkerend bezoeker van de beroemde boekwinkel van Sylvia Beach. Beach en haar geliefde Adrienne Monnier zouden twee jaar later The Love Song of J. Alfred Prufrock in het Frans vertalen.

Ter gelegenheid van de presentatie van de eerste Ab Visser biografie wordt vandaag een nieuwsbrief rondgezonden met boeken en brieven van Ab Visser. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, in de lente van 1945, verscheen bij de eendagsuitgeverij Sub Rosa – zonder toestemming van de bezetter – de dichtbundel Alter ego. Het exemplaar in de nieuwsbrief heeft een groen boekhandelsetiket: ‘Boekhandel Godert Walter Groningen’.

Bij boekhandel Godert Walter, genoemd naar de oprichter, kocht A. Marja in de veertiger jaren zijn dagelijkse lectuur en stond Jacques den Haan achter de toonbank. Godert Walter zelf overleefde de oorlog niet: hij werd op 17 september 1944 in zijn eigen huis doodgeschoten door de Sicherheitsdienst, omdat hij clandestiene en illegale boeken verkocht.

Blijkbaar bleef de boekhandel, in en na de oorlog, illegaal uitgegeven boeken aanbieden. Het groene etiketje is daar een stille getuige van.

Encyclopedische waarde

In dit jubeljaar wordt Louis Couperus geëerd met exposities, lezingen, theatervoorstellingen, een roos en een veiling. Het Louis Couperus Genootschap geeft een mooi overzicht van de activiteiten.

Intussen werkt een Wikipediaan in Brussel stilletjes aan lemma’s over afzonderlijke uitgaven van én over Couperus. In elk lemma geeft hij literair-historische achtergronden, gegevens over de drukker, bindwijzen, lettertypes, bibliografische verwijzingen… maar echt nieuw op Wikipedia is de informatie over de verblijfplaats van originele handschriften en van zeldzame exemplaren. Over Couperus’ handschrift van een boekbespreking meldt Wikipedia nu dat de vorige eigenaar het lang verborgen heeft gehouden voor onderzoekers. Van het kostbare boekje L.C. van Gerard Goudriaan worden eindelijk eens alle bekende opdrachtexemplaren opgesomd. Fijne feitjes voor een opdrachtenverzamelaar.

Maar het nieuwe lemma over de afzonderlijke uitgave van een Ikje roept weerstand op bij doorgewinterde Wikipedianen. De pagina staat op de gevreesde beoordelingslijst: het voldoet volgens de community niet aan de uitgangspunten van Wikipedia. ‘ew [= encyclopedische waarde]?’

Wikipediaan Agora zaaide vanochtend twijfel over de relevantie van het lemma. De uitgave is ‘een stukje huisvlijt qua drukwerk op basis [van] een kort stukje in de krant’. Wikipediaan Peter b wil het lemma graag verwijderen: ‘dat iemand uit ijdelheid zijn eigen stukje laat drukken is leuk voor het familiealbum, maar niet in een encyclopedie’. Onze man in Brussel verdedigt zijn lemma met argumenten. De discussie valt tot nu toe in zijn, en mijn, nadeel uit.

Voorlopige titel van mijn autobiografie: Genomineerd voor verwijdering.

Rudie Kagie bij Literair Dispuut Flanor

à_Flanor
Behalve romancier, dichter, journalist, columnist, recensent, theatermaker en televisieproducent was Boudewijn Maria Ignatius Büch (1948-2002) ook de allereerste gast bij Literair Dispuut Flanor. Volgens de annalen hield hij op 24 april 1986 een memorabel vertoog over zijn idool Goethe.

Aangenaam was het in ieder geval, voor herhaling vatbaar zeker

noteerde hij ‘s nachts in het gastenboek. Helaas bleef het bij dat ene bezoek.

Exact 21 jaar na dato hield Rudie Kagie, schrijver van een biografische schets over Büch, een luchtige lezing over het medewerkerschap van Büch aan het weekblad Vrij Nederland. De Amsterdamse journalist werd bijgestaan door Louis Schouten, huisschilder te Wormerveer maar bovenal gepassioneerd Büchverzamelaar. In de zaal zaten twintig belangstellenden, waaronder een echtpaar uit Kampen en een nuchtere Fries, die alle plechtig moesten beloven niets van wat de spreker zo zou vertellen naar buiten te brengen. Kagie had in de archieven van Vrij Nederland brieven van Büch gevonden, maar mocht officieel slechts enkele fragmenten hieruit openbaren.

Het duurde niet lang of de sollicitatiebrief van Büch gericht aan de toenmalige keizer van de Republiek der Letteren, het boekenkatern van Vrij Nederland, Carel Peeters, werd complete and unabridged geciteerd. Met zijn epistolaire talent schoot Büch wortel: een jaar later zag hij zijn eerste artikel gedrukt. Vervolgens schetste Kagie het verloop van zijn journalistieke carrière: naarmate Büch meer opdrachtgevers kreeg (vier columns, twee essays en een radio-uitzending per dag), werd de kwaliteit van zijn stukken minder. De briefwisseling illustreerde dit: lieten zijn eerste brieven aan Peeters, handgeschreven op fabelachtig briefpapier, zich nog kenmerken door een malle, negentiende-eeuwse wijdlopigheid; de brief waarin Büch zijn vertrek aankondigt was kort en zakelijk, op het kille af.

De discussie na afloop ging lang door, want Büch spreekt – zeker sinds zijn leugentjes de pers hebben gehaald – tot de verbeelding. Het bleek dat iedereen de veelzijdige Büch op zijn eigen manier herinnert. Anekdotes die over hem verteld werden, maakten samen een mooi portret van de duizendpoot. Een portret dat ongetwijfeld zal worden geretoucheerd door Büchs biograaf, die naar verluidt is aangesteld. Hopelijk krijgt deze biograaf toegang tot Büchs geheime dagboeken. Ik wil nou weleens weten hoe Wybe Douma, Niek Knol, Lydia Schot en Gerda Uyen de op geld beluste Boudewijn Büch zover hebben gekregen op die mooie lentedag in 1986 naar Groningen af te reizen.