Voorheen H.W. Meyer jr.

Opeens had iedereen het over dat antiquariaat in Utrecht. Het sufferdje schreef opnieuw over de verbleekte etalage van de al jaren gesloten boekhandel. De Utrechtse Internet Courant verzocht om meer informatie over het verlaten antiquariaat aan de Korte Jansstraat. Arjen Fortuin droomde in zijn column in NRC Handelsblad over de heropening van de tweedehands boekwinkel. Maar niemand wist wie de vorige eigenaar was van de Oude Boekhandel voorheen H.W. Meyer jr.

In het nieuwe nummer van De Boekenwereld komt Niek Waterbolk, tot voor kort antiquaar te Utrecht, uitgebreid aan het woord. Waterbolk heeft zich altijd in de marge van het antiquariaat opgehouden. In de portrettengalerij in Buijnsters’ Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) wordt hij node gemist. Adriaan van Dis nam het laatste grote interview met Waterbolk af. Dat was in 1977. Op 1 oktober jongstleden zochten Freek Heijbroek en ik hem op in zijn zo goed als lege winkelpand op Schoutenstraat 10, op een steenworp afstand van het veelbesproken antiquariaat.

Waterbolk vertelt in het interview dat hij in de jaren ’70, nog werkzaam bij het veilinghuis Beijers, in zijn lunchpauzes vaak De Slegte en Meyer bezocht. Wat hij op de tweedehands afdeling van de eerste kocht, kon hij in het antiquariaat van de tweede uitstallen. Bij verkoop kreeg Waterbolk van de heer Driessen (sinds 1946 eigenaar) een percentage van de winst. In de zomer van 1973 verruilde Waterbolk de voorspelbaarheid van het veilinghuis (‘je zat er met een denkbeeldige ketting aan je typemachine vast’) voor de uitdaging van het zelfstandige antiquariaat. De heer Driessen had hem gevraagd.

Er is zelfs sprake van geweest dat ik die zaak zou overnemen, maar gelukkig zag ik op tijd in dat dat idee volstrekt mesjogge was. Je zou namelijk het hele leven van die man hebben verstoord.

In plaats daarvan begon Waterbolk in 1976 voor zichzelf, op Schoutenstraat 10. De verhuurder van dat pand had Waterbolk leren kennen in de winkel van Driessen. En die bleef daar tot zijn dood zitten.

Vaders en zonen

De zelfmoord van zijn zoon heeft een onuitwisbaar stempel op het leven van Geert van Oorschot gedrukt. De 19-jarige Guido vergaste zichzelf op 7 oktober 1963 in de keuken aan de Herengracht en liet een brief achter, aan niemand in het bijzonder gericht, maar een verwijt aan het adres van zijn ouders. Het huwelijk van Geert en Hillie kreeg een enorme knauw. Van Oorschots rouwen vulde zich met angst en agressie. Alcohol moest het leed verzachten.

In het achttiende hoofdstuk van Arjen Fortuins biografie Geert van Oorschot, uitgever (2015) komt er een stoet aangenomen zonen langs: van de aanstormende schrijver Jeroen Brouwers tot de rechtenstudent Ulli Jessurun d’Oliveira. Fortuin signaleert Van Oorschots talent om razendsnel een intieme band te scheppen. In de jaren na Guido’s dood waren Van Oorschots nieuwe vrienden vaak mannen van de generatie van zijn zoon.

Ischa Meijer maakte in 1969 kennis met Geert van Oorschot, omdat hij de uitgever moest interviewen voor de Haagse Post. Het interview leidde tot een vriendschap, waarin ook Meijer uitgebreid aan het woord kon komen. Meijer – die een tweedegeneratietrauma had, omdat hij als baby met zijn ouders in Bergen-Belsen had gezeten – opende zijn hart in een brief aan Van Oorschot over het kamp, seksualiteit en zijn familie. De relatie met vader Jaap Meijer was problematisch.

‘Ischa is heel lief. Ik wou dat ik zijn vader kon zijn,’ schreef Van Oorschot in 1976 aan een vriend.

Een jaar later verscheen Meijers autobiografische roman Een rabbijn in de tropen. Na het moederboek Een brief aan mijn moeder (1974) stond in dit boek Meijers verhouding tot zijn vader centraal. De personages waren naar het leven getekend: de hoofdpersoon is een hoerenlopende journalist, zijn vader was rabbijn in een Nederlandse kolonie. Het leven in een concentratiekamp komt in flashbacks voorbij. Elke schlager, elke rashond is in dit boek een echo van de SS. Op de laatste pagina zingt de rabbijn ‘Het jodendom gaat nooit verloren, falderalderiere, falderalderore’, terwijl hij de liefde bedrijft met zijn zoon. Je kunt Een rabbijn in de tropen lezen als een literair experiment, de verwerking van een trauma en als een vadermoord.

Uiteraard gaf de aangenomen zoon Ischa Meijer een exemplaar van dit vaderboek aan Geert en Hillie van Oorschot, zijn nieuwe vader en moeder. Op de Franse titel staat in rode pen:

voor Geert,
die ik vertrouw en
bemin! van zijn
Ischa
nov. ’77
en voor Hil
een kus!
I.

Portvrij

In de speciale brievenbijlage van NRC Boeken bespreekt Arjen Fortuin een paar nieuwe brievenboeken: Vladimir Nabokovs verliefde brieven aan zijn vrouw, C.O. Jellema’s hartverscheurende post voor een vergeefse liefde en de kortstondige correspondentie tussen Jeroen Brouwers en Gerrit Komrij.

De eerste zin van Fortuins stuk is een juiste constatering: ‘Het uitgeven van brievenboeken is in de praktijk vaak het terrein van kleine uitgevers, waar de boeken worden volgepompt met liefdewerk –  en waar men ook wel weet dat er geen gouden bergen in het verschiet liggen.’

Geen gouden bergen. Een van mijn wensdromen is de uitgave van de complete correspondentie tussen Jan Hanlo en Gust Gils, die echt wel uitstijgt boven het gezever over het Antwerps dialect. De intelligente dichters schrijven en bevragen elkaar ook over sofisme, prehistorische rotstekeningen en Afrikaanse muziek (de mondboog is een van Gils’ favorieten).

In het verschiet. Interessant en vermakelijk zou de uitgave van de brieven tussen Simon Vinkenoog en Remco Campert zijn. Van een echte correspondentie (actie-reactie) is geen sprake meer, want een aantal brieven is verloren gegaan. Omdat Campert nog slechts met een been in de literatuur stond, een weifelend been ook, zag hij er het nut niet in om Vinkenoogs epistels te bewaren. Gelukkig bewaarde Vinkenoog doorslagen van zijn brieven.

Hun eerste brieven dateren al van oktober 1950. Die van Campert zijn vaak voorzien van grappige knipsels, die als motto boven een brief hangen. Zo sluit hij een hoogopgelopen conflict met Vinkenoog in 1954 af met een Kerst-knipseltje: ‘Het licht bevrijdt ook de slaven. Maar voor beulen geen genade!’ En over Vinkenoogs net verschenen Heren zeventien (1953) schrijft hij: ‘ik kreeg je bundel en ik neem mijn hoed af. Mijn pet mijn helm mijn pruik mijn vechtpetje.’

Kleine uitgevers. Maar kleine tijdschriften zijn er ook. In de laatste aflevering van het obscure Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift licht Jack van der Weide het tipje van een versluierde prachtcorrespondentie op. Hij publiceert eenmalig zes brieven uit de omvangrijke correspondentie tussen Geerten Meijsing en Nanne Tepper. Liefde, letteren, drank, sigaren: smaakt naar meer. Eerder heeft Meijsing al brieven gepubliceerd, zoals die aan Kester Freriks, maar van Tepper zijn dit de allereerste die in druk verschijnen.

Geen kiosk of boekhandel in Groningen die het tijdschrift Gierik in de schappen heeft staan. Gelukkig zijn de door Van der Weide ingeleide brieven gewoon online te lezen. De pdf is portvrij.

Herbonden

Telkens wanneer ik Gerrit Komrij sprak, nodigde hij me uit om eens naar Vila Pouca da Beira te komen. Boeken kijken. En telkens nam ik aan dat het een beleefdheidsfrase was. Nu is hij alweer een jaar dood.

De bibliotheek van Komrij heb ik voor een deel aanschouwd, eind november 2012, in Haarlem, in het kapitale pand van het veilinghuis. Met een scheef hoofd ben ik langs alle planken gegaan. Boeken kijken, maar ook de kunst van het verzamelen afkijken. Niet zozeer Komrij’s kennis van het boek was jaloersmakend, want kennis kun je eenvoudig kweken, maar zijn smaak.

En toch bracht de (eerste) veiling van Komrij’s boeken minder op dan verwacht. Of dat eenvoudigweg komt, zoals Arjen Fortuin toen schreef, doordat ‘de markt voor antiquarische boeken verzadigd is’? Gut, hier of daar staat misschien een overvolle boekenkast, maar verzadiging? Zolang ik wekelijks boekenjagers en -verzamelaars tegen het lijf loop, gaat die constatering er bij mij niet in. Een andere reden dan?

Misschien lag het aan de boeken zelf, dat zij geen nieuwe eigenaar vonden. Bij mijn inspectie in Haarlem ging mijn hoofd bij enkele exemplaren iets schever staan. Deze boeken waren herbonden. Het oorspronkelijke omslag, of de originele band, was verloren gegaan of verwijderd. Een boekbinder had de overgebleven katernen weer vakkundig bij elkaar gestoken. En zo was een kwetsbaar of kapot boek weerbaar gemaakt.

Soms leek het of de Pie Schmitz van Portugal aan de gang was geweest. (Pie Schmitz is de dyslectische boekbinder die de volledige boekerij van lesmethodemiljonair H.J.M.F. Lodewick van nieuwe linnen banden voorzag.) Boekbinderij Invicta Livro in Porto vergaloppeerde zich weleens door een sober boek in een knalrode halflederen band met platten van fluorescerend marmerpapier te steken.

Tja. Hoe streng in de leer ook, elke hooggestemde bibliofiel heeft een kast met lelijke boeken. Nieuwe paperbacks, herbonden zeldzaamheden, beduimelde deeltjes Nimmer Dralend. Er is niet alleen maar buitenkant. Je moet af en toe ook een boek lézen.

Roos Custers, vorige maand op pelgrimage naar Vila Pouca, noteert vandaag in een fijn bericht: ‘de boekenkasten worden weer mooi uitgevuld’. Zou dat betekenen dat de volgende veiling van Komrij’s boeken, toch al ‘uitgesteld voor onbepaalde tijd’, helemaal van de baan is?

Lijdensweg

Koen Schouwenburg, de jongste aanwinst van de online Tzum, verwijst in zijn recensie van A.F.Th. van der Heijdens onlangs verschenen Tonio naar die andere schrijver die een kind verloor en er een boek over schreef: P.F. Thomése, Schaduwkind (2002). De afgelopen jaren zijn er meer rampboeken verschenen: Arjen Fortuin zette ze in 2004 op een rij. Iets ouder zijn Büchs Dood kind (1982) en De kleine blonde dood (1985), al vluchtte deze schrijver wel heel erg in de verbeelding.

Bijna een eeuw voor Tonio publiceerde Frederik van Eeden Paul’s ontwaken (1913), dat hij – net als Van der Heijden – in een recordtempo afleverde. In het boek schildert hij de levensloop van zijn ziekelijke zoon, die als twintiger aan tbc stierf. Sterven is, in de ogen van de zweverige Van Eeden, ontwaken in Gods heerlijkheid. In Van Eedens postuum gepubliceerde dagboeken, die sowieso niet gespeend zijn van hemelhoog gejuich, is de aangrijpende lijdensweg van kuchjes en zuchtjes goed te volgen. (Wiens lijdensweg? Eigenlijk die van pa Van Eeden.)

Twee maanden na Paul van Eedens ontwaken hield de schrijver een lezing over zijn studie naar dromen (hoe je ze classificeert, hoe je ze duidt, hoe je ze stuurt). Hold your laugh: Van Eeden heeft in zijn droomwereld meermalen een ontmoeting met Koning Leopold II van België. Doodleuk terzijde: ‘Hij scheen zeer veel belang in mij en mijn werk te stellen, wat mij nog steeds vrij onwaarschijnlijk voorkomt.’ Van Eeden voert in droom en lezing ook een dood jongetje van 10 op, dat hem op een nieuw rijwiel verschijnt.

Ik denk dat Frederik van Eeden op Walden iets te veel Astro Tv heeft gekeken.

Nico van Suchtelen, geen onbekende van Van Eeden, gaf een jaar later in eigen beheer zijn elegische gedicht Voor Vera (1914) uit. In november 1914 was zijn dochtertje plotseling gestorven. Van Eeden schreef in zijn dagboek op donderdag 19 november 1914 over de dood van de kleine Vera: ‘Een engelachtig kind, dat eens zoo bedroefd was toen ze te laat aan de Zondagsschool kwam en de kinderen hoorde zingen: ‘en ze zullen God zien’ want ze vreesde dat zij God nu niet zien zou omdat ze te laat was. Een fijn, diepdenkend kindje, met haar mooie gezichtje en lichtblonde zijïge haren. Ik hoop dat Paul haar vinden en helpen zal.’

Dit zeldzame boekje heb ik twee jaar geleden mogen beschrijven, maar ik had het natuurlijk moeten kopen.

Arjen Fortuin wil eigenlijk bij Propria Cures

In het door onze ongeletterde vrienden van GeenStijl gesignaleerde filmpje over de redactie van Propria Cures geven redacteuren Erik Noomen, Tijn Sadée en Marck Burema anno 1996 hun oordeel over het meelopertje Beau van Erven Dorens, die beroemd wil worden als volwaardig PC-redacteur. Tegenover het dwarse geluid van Noomen, Sadée en Burema zet de Amsterdamse Studentenzender in deze reportage de welbespraakte Arjen Fortuin, redacteur van het ‘saaie, droge’ krantje Folia Civitatis.

Fortuin geeft toe de heimelijke wens te koesteren om in de PC-redactie te belanden, maar echte pogingen daartoe onderneemt hij niet. Als hem naar de kwaliteiten van Van Erven Dorens wordt gevraagd, zegt hij:

Vorige week had hij een stuk over De Jurk, een film van Alex van Warmerdam, en daar had hij heel erg zijn best op gedaan, dat zag je. En het was ook goed.

Vervolgens geeft Arjen Fortuin Beau van Erven Dorens zijn zegen. Marck Burema is kritischer:

Als Beau schrijft zoals hij drinkt, dan wordt het een hele grote. Maar eh…

Arjen Fortuin wordt weggezet als het braafste jongetje van de klas. Uitgever Vic van de Reijt over Folia:

Dat hoort saai te zijn, PC heeft dan een grotere kans om leuk te zijn.

Fortuin vindt op zijn beurt dat PC ‘niet zo erg sprankelt’, de laatste drie, vier jaar.

De leukste uitspraken worden gedaan vanaf de veertiende minuut. Oud-redacteuren van Propria Cures hebben een gouden toekomst, is de stelling, ‘je wordt vanzelf opgepikt’. Arjen Fortuin bekent dat hij ‘ook wel graag bij de NRC wil werken’.

Ergens in de buurt van de Dam zit een bordje ‘NRC Handelsblad’, daar zit de kunstredactie. En het is niet zo, als ik daar langs loop, dat ik naar dat bordje kijk: “O, stel je voor, over vijf jaar werk ik hier misschien wel!” Ik bedoel, ik zou best willen, maar…

arjen fortuin