Een echt antiquariaat

De handel in tweedehands en antiquarische boeken nam een vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Piet J. Buijnsters verklaart in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) waarom juist tweedehands boeken zo gewild werden: door de instelling van een censurerende Nederlandsche Kultuurkamer en sterke papierrantsoenen verschenen er aanzienlijk minder nieuwe boeken. Op boekenmarkten en bij antiquariaten konden leeshonger en verzamelwoede wel gestild worden. In de notulen van de jaarvergadering van de NVvA, gehouden op 20 april 1943, vindt Buijnsters deze constatering van voorzitter Menno Hertzberger:

De prijzen van het antiquarische boek zijn in enkele gevallen zoo gestegen, dat elke basis verloren is gegaan.

Dat de handel in tweedehands boeken ineens erg lucratief kon zijn, moet ook Adriaan Morriën zich toen hebben gerealiseerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij de schrijver van één dichtbundel. Bijna dertig, zat hij zonder werk en zonder inkomsten.

Vanuit het ouderlijk huis in IJmuiden begon Morriën in 1939 te corresponderen met Frits van Heerikhuizen, leraar Nederlands en letterkundige, twee jaar ouder dan hij. De flinke stapel brieven en briefkaarten die Van Heerikhuizen aan zijn vriendschap met Morriën overhield is mijn mooiste Marktplaats-vondst tot dusver.

In de handgeschreven epistels van Morriën komen zowel literaire zaken als dagelijkse beslommeringen langs. In een brief van 30 december 1941 laat hij Van Heerikhuizen weten dat zijn poging om in Frankrijk een baantje als administrateur te krijgen is mislukt. Nu zal zijn geld spoedig op zijn. Maar hij heeft nog wel een idee, dat hij zijn vriend in Bussum graag voorlegt.

Een plan van den allerlaatsten tijd is om, met behulp van geleend geld, goede litteratuur (antiquarisch) bij kennissen op te koopen, een catalogus samen te stellen en aan alle vrienden en kennissen te zenden. Wanneer men werkelijk goede boeken heeft, raakt men ze gemakkelijk kwijt.

Van Heerikhuizen wil Morriën blijkbaar wel op weg helpen met een lading boeken. Het haalt helaas weinig uit. Op 16 mei 1942 heeft Morriën nog maar weinig verkocht en een kennis, die een partij geërfde boeken zou inbrengen, laat hem in de steek. De dichter ziet het somber in.

Voor een echt antiquariaat komen natuurlijk andere dingen kijken. Daarvoor zijn geld en tijd noodig.

Drie maanden later is de situatie niet verbeterd. Van de boeken die Morriën uit Bussum meenam zijn er ‘enkele’ verkocht. Een catalogus heeft Morriën niet kunnen maken. Hij belooft Van Heerikhuizen zijn best te doen de rest ook ‘kwijt te raken’. In een brief van 4 augustus 1942 komt het avontuur voor het laatst ter sprake. De voorraad van het naamloze verzendantiquariaat van Adriaan Morriën is dan al ondergebracht bij vrienden in Haarlem, omdat bij een eventuele evacuatie van IJmuiden ‘slechts het allernoodzakelijkste’ mag worden meegenomen. Als de handelswaar niet meer binnen handbereik is, houdt het op.

W.F. Hermans: ‘inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp’

Verliefd op dat leuke meisje van de boekhandel. Vroeg of laat overkomt het elke bibliofiel. Aan het begin van zijn schrijversbestaan had Willem Frederik Hermans het flink te pakken.

In 1944 moet Hermans, tijdens een bezoek aan het kantoor van de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever A.A. Balkema, door de bliksem zijn getroffen. Een vrouwelijke medewerker, begin twintig, schrijft een nota voor Hermans uit en zet meteen zijn hart in brand. Aan een vriend, de dichter Adriaan Morriën, vraagt Hermans om een ontmoeting te arrangeren. Het gebeurt niet. Bijna een jaar later, op 6 en 15 april 1945, schrijft Hermans twee lange liefdesbrieven aan Elly Freem.

‘Brieven aan een onbekende zijn mij een gruwel. Brieven van onbekenden ook, want ik ontvang ze nooit. Waarom ik u schrijf, vereischt dus toelichting en bewijsvoering dat u mij niet onbekend bent.’ In de eerste brief kleedt Hermans zijn verzoek tot nadere kennismaking omstandig in. Op een hoogdravende toon probeert Hermans de jongedame van zijn goede bedoelingen te overtuigen: ‘Als gramschap U bevangt, zal het mij aangenaam zijn wanneer die alleen mij treft; ik raak in geestdrift voor alles wat mij treft en tot u behoort. Maar waarom? Niets ligt mij verder dan een aanval op uw sereniteit. De eenige sereniteit welke in gevaar verkeert, is die van mijzelf en zelfs dat is niet mìjn schuld….’

Elly Freem antwoordt afwijzend. Haar affaire met de criticus D.A.M. Binnendijk wil ze niet op het spel zetten. Ze valt bovendien op oude(re) mannen: Binnendijk is bijna twintig jaar ouder, Hermans is zelfs een jaartje jonger dan zij.

Maar Hermans (‘inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp’) geeft zich niet gewonnen. Zijn tweede brief is ronduit lyrisch: ‘Wat zal ik zeggen over de ervaring? Ervaring is een bedekking en een vervlakking, waarmee de ouderdom zich maskeert als een park met herfstblaren, die immers alles één toon geven, de parken, de paden, de spiegels der vijvers zelfs. (…) Ervaring maakt hard. De vereelte hand is ervaren en er zijn mannen die van het vele zoenen eelt op hun lippen hebben gekregen. (…) Ervaring is een geestelijke verstarring, routine. Het meest ervaren wezen is de machine die op alles wat hem wedervaart feilloos, doch zonder variaties, reageert.’

Tja. In zijn belangrijkste boeken is de Tweede Wereldoorlog een groot thema, maar in de dagen rond de bevrijding van Nederland was de schrijver zelf druk bezig een meisje te versieren. Ik verheug me op de contextuele aanmerkingen van Willem Otterspeer in De mislukkingskunstenaar, het nog te verschijnen eerste deel van zijn Hermans-biografie. Otterspeer moet al langer van deze mislukte versierpoging op de hoogte zijn; het Letterkundig Museum bewaart drie (andere) brieven van Hermans aan Freem, eveneens uit 1945. De handgeschreven liefdesbrieven, waaruit hierboven is geciteerd, worden eind mei in Haarlem geveild. De inzet is 1500 euro.

De beoogde bemiddelaar Adriaan Morriën herinnerde zich later: ‘Hermans heeft erg achter Elly aan gezeten’. Ook een collega van Elly Freem wist de hevige verliefdheid van Hermans nog te memoreren: ‘Hij bracht eens een prachtige bloem voor haar mee; een soort vogelbek, een tropische plant. Een stille hommage; het was een sombere minnaar; uit de verte. Elly was een beroemde schoonheid in Amsterdam; voor haar viel iedereen’.

Hermans’ bewogen brieven haalden niets uit, hoewel juffrouw Freem en hij in oktober 1945 eenmaal op date gingen. Twee jaar later trouwde Elly Freem met Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1950 vroeg de schrijver Emmy Meurs ten huwelijk – met succes.

Zelf verzonnen

Debutant Joubert Pignon wil de pijnlijke stiltes bij het signeren vermijden. Hij heeft vijf kant-en-klare opdrachten bedacht, die hij op 4 oktober in zijn boek kan schrijven. De koper mag kiezen.

Het influisteren van opdrachten is een aloude traditie, blijkt uit gedegen onderzoek.

Een van de mooiste voorbeelden is een opdracht van W.F. Hermans aan zijn aanstaande vijand Adriaan Morriën in Horror Cœli (1946): ‘Voor Adriaan Morriën,/ die ook afschuw van den/ hemel heeft, en deze opdracht/ zelf heeft verzonnen,/ in hartelijke vriendschap/ W.F. Hermans/ 26 Aug ’46’. Dit opdrachtexemplaar is voor het eerst gedocumenteerd in de befaamde Catalogus 205: W.F. Hermans van Antiquariaat Schuhmacher. Het belandde op de plank van Hermans-verzamelaar Arie Oexman, die het in 2008 verkocht aan een Haags antiquariaat.

Het boek staat nu klaar voor de mooiste boekenbeurs van het jaar. Voor de gelegenheid neemt de antiquaar ook Morriëns exemplaar van Hermans’ dichtbundel Hypnodrome (1947 [=1948]) mee. Misschien heeft Adriaan Morriën ook deze opdracht wel ingefluisterd.

Den zwierigen inzet van elk gedicht

Artistiek Bureau berichtte eerder over de ontmoeting tussen Menno ter Braak en Louis Lehmann. Zij spraken elkaar kort in het Haagse café Riche, na een gemeenschappelijk bezoek aan de Greshoff-tentoonstelling in de Bijenkorf in Den Haag. Adriaan Morriën was er ook.

De ‘Tentoonstelling van de werken van Jan Greshoff’ werd gehouden van 25 februari tot en met 4 maart 1939, en viel niet ontoevallig samen met de Boekenweek. Ed. Hoornik hield bij de opening op 24 februari in de lunchroom een lezing, die later in druk zou verschijnen onder de titel Jan Greshoff. Dichter en moralist. Aan de vele, letterkundige bezoekers werd dit foldertje uitgedeeld.

Foto’s van de tentoonstelling heb ik nooit gezien. Maar uit de lovende woorden van de verslaggever van Het Vaderland (Ter Braak?) blijkt dat elk snippertje Greshoff werd uitgelegd en toegelicht:

‘Dit is ook de eenige verklaring van den durf, waarmee hij zich steeds weer met iets nieuws inlaat: een nieuwe vriendschap, een nieuwe ontdekking of het schrijven van een nieuw boek, proza of gedichten. Men kan dit aflezen uit elk handschrift, dat men op de tentoonstelling aantreft: den zwierigen inzet van elk gedicht – graphologisch bedoelen wij nu – dat aan dit nerveuze, bijzonder mooie en ingewikkelde handschrift een groote bekoring verleent.’

Het Nieuwsblad voor den Boekhandel plaatste op 1 maart 1939 nog een korte recensie, waarbij Mevrouw Van der Heyden een niet nader geïdentificeerde medewerker van de Haagse Bijenkorf is:

‘Mevrouw Van der Heyden heeft niet alleen gezorgd, dat een raam van De Bijenkorf volgens alle regelen van de moderne etaleerkunst voor het boek is ingericht, maar tevens houdt zij in de boekenafdeling een uitvoerige Greshoff tentoonstelling. Van Greshoff valt heel wat ten toon te stellen: niet alleen zijn groot oeuvre, op de meest verschillende manieren uitgegeven, maar ook zijn handschrift, de critieken op zijn boeken, de tallooze portretten (is er wel één auteur die zoo onbevangen voor de liefde voor zijn conterfeitsel uitkomt?), ja zelfs zijn pers- en lidmaatschapskaarten ontbreken niet.’

Getuigen van Menno ter Braak (2)

Artistiek Bureau berichtte eerder over Max Nord als ‘de laatste levende getuige van Menno ter Braak’. Een opmerkzame lezer vroeg zich af of dit wel juist was. En Louis Th. Lehmann dan?

Lehmann debuteerde in de allereerste aflevering van het literaire jongerentijdschrift Werk, dat onder redactie stond van Johan Daisne, Ed. Hoornik, Jan Schepens en Adriaan van der Veen. Menno ter Braak kon zich wel vinden in de redactionele beginselverklaring ‘Ons eenige criterium is kwaliteit.’ De criticus schreef op 4 januari 1939 aan zijn vriend, de Indisch polemist:

‘Verder is een heel sympathieke eerste aflevering van Werk, het jongerentijdschrift, verschenen. […] Dit nummer is heusch de moeite overwaard (Hoornik, Vasalis, een onbekende: Lehmann, 18 jaar, heel curieus! er is weer een jonge generatie!).’

Adriaan Morriën herinnerde zich later dat de jonge Lehmann ook aanwezig was bij zijn eerste ontmoeting met Ter Braak, anno 1939, in het Haagse café Riche:

‘L.Th. Lehmann, die in het café bezig was een gedicht te schrijven (hij had twee regels en het idee voor een derde, zei hij toen ik ernaar vroeg) liet tekeningen van naakte vrouwen circuleren die hij had gemaakt. Ter Braak keek er even naar en zei dat hij de vrouwen wel erg ondoorvoed vond.’

Bij monde van zijn vriendin Alida Beekhuis verklaart de dichter Louis Lehmann vandaag de dag geen levendige herinneringen te hebben aan Menno ter Braak. Wel weet hij nog dat de ontmoeting in een café plaatsvond en dat hij de schrijver ‘zeer waardeerde om zijn schrijverschap’. Ter Braaks kritiek op de naakte jongedames is hij echter vergeten.

Onlangs verscheen Bescheiden kunsten. Teruggevonden gedichten, ook met tekeningen en collages van Lehmann. Voor bestellingen richte men zich tot:

Uitgeverij Brumes Blondes
De Genestetweg 16
2061 VC Bloemendaal
krevelen@xs4all.nl