Mijn tweede vader

Naar aanleiding van zijn net verschenen biografie Lucebert praatte Wim Hazeu eergisteren een uur lang met Elfie Tromp in het radioprogramma Nooit meer slapen. De welingelichte interviewer stelde goede vragen, de opperbiograaf gaf eerlijke antwoorden. Uiteraard ging het over Lucebert en over zijn grote misstap in de Tweede Wereldoorlog, maar aan bod kwamen ook het dichterschap van Hazeu, zijn vroegste herinneringen en zijn enorme ambitie. Wim Hazeu wil de beste biograaf van Nederland zijn – misschien is hij dat al.

Tromp herinnerde Hazeu op een gegeven moment aan zijn stellige bewering, dat hij zijn tijd niet verspilt aan het schrijven van een biografie van een derderangs schrijver, waar vervolgens niet meer dan honderd exemplaren van worden verkocht. Tromp deed de voorzet en wilde ook zelf inkoppen.

En A. Marja dan?

Het is even geleden dat de naam van de dichter in de ether was. In de nacht van afgelopen woensdag op donderdag ging het op een radiozender met landelijke dekking opeens over A. Marja. Zeker een volle minuut.

Na een korte introductie van Tromp (‘dat is een totaal vergeten dichter, de meeste luisteraars zullen nu denken: wíé?’) vertelde Hazeu over het onderwerp van een van zijn eerste biografieën (A. Marja, dichter en practical joker verscheen in 1985). Zo persoonlijk deed hij dat in het openbaar niet eerder.

Het [schrijven van een biografie van A. Marja] was ook eerherstel, want hij was een beetje mijn tweede vader. Polemisch was hij heel erg sterk. Ik heb hem de laatste jaren van zijn leven gezien. Ik kwam daar heel vaak en hij kwam bij mij. En we hebben heel veel over Oost-Duitsland gesproken en over literatuur. Ik hield van die man. Het was een hele fysiek zwakke man, maar psychisch heel sterk.

Schaduwoeuvre

In de meeste necrologieën van uitgever Theo Sontrop, die vorige week zondag op 86-jarige leeftijd overleed, werd de omvang van zijn scheppend werk gememoreerd. Hij was de man van ‘het kleinste poëtische oeuvre van Nederland’ (Onno Blom), van een ‘bijzonder klein’ oeuvre (Kester Freriks), wiens gedichten ‘heel mondjesmaat, in pierdunne bundeltjes’ verschenen (Rob Schouten). Nee, ‘een veelschrijver was hij niet’ (NOS). Hier en daar werd een getal genoemd: 38, want zoveel verzen staan er in Sontrops Gedichten 1962-1996 (1996).

Maar het poëtische oeuvre van deze markante man is wel iets groter dan wat hij selecteerde voor en opnam in zijn officieuze Verzamelde gedichten. De 26 kwatrijnen van Het Alfabet (1975), een door Joost Roelofsz geïllustreerde dichtbundel, ontbreken bijvoorbeeld in Gedichten 1962-1996.

En Theo Sontrop liet een schaduwoeuvre na, verspreid over talloze schutbladen en titelpagina’s. De dichter die ‘legendarisch traag’ was (Blom), schudde de gelegenheidsverzen zo uit zijn mouw. Wanneer Sontrop zijn eigen bundels cadeau deed, verwerkte hij wel eens nieuwe poëzie in de opdracht. Voor in een exemplaar van zijn debuut Langzaam kromgroeien (1962) staat ‘Aan de ongelukkige koper’:

‘Ach, als ik dicht dan moet ge mededichten’
of laat ook maar, het is al dicht genoeg.
Hoe zouden woorden ook maar iets verlichten:
een brakke echoput, een schampscheut voor de boeg.

Met Sontrop bevriende schrijvers kregen ook vaak een boek uit zijn fonds ten geschenke, waarin hij bij overhandiging nog even vlot een kwatrijn neerpende. Criticus Ivan Sitniakowsky kreeg in 1988 de Achterberg-biografie cadeau:

Dit is het boek van I… Sitniakowsky,
die nooit de minnaar werd van Feetje Lowski.
Waar Achterberg viel in Neerlangbroek:
zéér veel te lijden, en dat alles voor één boek?

Uit de bibliotheek van Benno Barnard, die weer eens verhuizen moest, kocht ik in 2003 Maarten ’t Harts essaybundel Een dasspeld uit Toela (1990). Op de Franse titel van het boek staat in Sontrops priegelhandschrift:

Al draagt een aap een dasspeld
dan wordt hij nog geen dagheld.
En wat de criticus mag zeggen:
zal C. Pe[e]ters ooit een grens verleggen!?

Groene giro-envelop

Van de duizenden brieven die A. Marja in zijn korte leven moet hebben geschreven zijn er naar schatting nog driehonderd overgeleverd. Het gros ligt in de geklimatiseerde kelders van het Literatuurmuseum, maar er zijn er ook nog wel bij particulieren te vinden. Mijn eerste, door een jonge A. Marja ondertekende brief schafte ik aan op 27 november 2007 bij het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Nummer 77 uit catalogus 32.

Inmiddels ben ik tientallen originele brieven rijker. Handgeschreven kattebelletjes en lange, op rijm gestelde epistels uit de schrijfmachine. Enkele brieven kon ik na lang speuren traceren bij correspondent of nabestaande, maar voor de meeste was ik aangewezen op het antiquariaat.

De handel in handschriften van Nederlandse literatoren kwam tot bloei in de ‘roaring eighties’ (Buijnsters). Antiquaren als Willem Huijer, Max en Wilma Schuhmacher en Piet van Winden specialiseerden zich (ook) in manuscripten. Zaken als Demian, Fokas Holthuis en Hinderickx & Winderickx kwamen er in de negentiger jaren bij, met in het aanbod altijd wel een manuscript en ook volledig aan handschriften gewijde catalogi. Soms was daar een door Marja aangeraakt velletje papier bij.

De dichter zelf heeft ook in handschriften gehandeld, blijkt nu uit J.B.W.P. Het leven van Johan Polak (2017) van Koen Hilberdink. Polak en Marja kenden elkaar van het tijdschrift Cartons voor Letterkunde (1959-1962), waaraan de een als redacteur verbonden was en de ander poëzie en proza afstond. (Polak & Van Gennep zou in 1963 de elfde en laatste uitgeverij zijn die nieuw werk van A. Marja uitbracht: de dichtbundel Van de wieg tot het graf.)

Arme dichters wisten Johan Polak, de miljonair met een manuscriptenmanie, wel te vinden. Simon Vinkenoog en Gerard Reve verkochten delen van hun inkomende en uitgaande correspondentie voor harde guldens aan verzamelaar Polak. De immer in geldnood verkerende A. Marja vulde Polaks ‘bibliofiele archief’ aan met aan hem gerichte brieven van Nel Noordzij, Koos Schuur en Hendrik de Vries. Hilberdink citeert in zijn Polak-biografie Marja’s dankbrief van 4 augustus 1960:

Vanmorgen werd mij een groene giro-envelop nagezonden, waaruit ik jouw waarlijk christelijke (d.w.z. in wezen joodse) naastenliefde kon konkluderen.

De handel in aan A. Marja geadresseerde brieven is echter eerder op gang gekomen. De eerste verkoopcatalogus waarin aan Marja gelieerde manuscripten werden aangeboden dateert van 1954. Het Arnhemse antiquariaat Gijsbers & Van Loon bood in Lilliput 31, hun bekende gestencilde catalogus, een ‘verzameling brieven en gedichten van Nederlandse letterkundigen, gericht aan de schrijver A. Marja’ aan. Twaalf in getal, uit de periode 1936-1944, waaronder brieven van Blaman, De Mérode, Nijhoff en Vestdijk.

De Koninklijke Bibliotheek kocht de collectie, waardoor deze brieven voorgoed buiten het bereik liggen van de kooplustige particuliere verzamelaar. ‘Ter inzage’: aanraken, lezen en besnuffelen kan wel, maar de brieven moeten voor sluitingstijd worden afgegeven bij de baliemedewerker.

Piekeraartje

Hier volgt de letterlijke weergave van een gesprek dat Hans van Straten op 8 februari 1967 had met zijn collega-journalist Piet Heil. Het typoscript van deze tekst werd aangetroffen in de literaire nalatenschap van Van Straten. Dit korte interview wordt hier voor het eerst gepubliceerd.

Je bent voor Het Vrije Volk redacteur geweest in het Gooi?

Jazeker, dat waren mijn eerste stappen op het journalistieke pad, mag ik wel zeggen. Dat is geweest van 1945 tot 1947.

In die tijd heb je ook Marja meegemaakt?

Marja is zelfs enige malen van mijn motorfiets gedonderd. Hij was namelijk nogal groot en zwaar en mijn motorfiets startte nogal snel, door een fout aan de koppeling, en schoot zogezegd als een snoek vooruit. En Marja viel dan achteruit.

Ik zie het haarscherp voor mij.

Hij woonde toen met zijn Puckje in het koetshuis van Kroonder, in Bussum.

Hij is je toneelmedewerker geweest.

Ja, ik heb hem een poosje aangehaakt. Het heeft niet zo lang geduurd. Wat hij toen voor beroep had, zo hij het al had, weet ik niet meer.

Hij zat toen bij Kroonder.

Ja, hij zat bij Kroonder, maar hij deed wat? Hij deed zelden iets.

Wat voor indruk heb jij van hem?

Mmm… moeilijk mens. Piekeraartje. Zwaar door de calvinistische wol geverfd.

Ja, zijn vader was wel dominee, maar toch geen calvinist! Die man stond bij de Vrije Evangelische Gemeente.

Ja, calvinisme gebruik ik dan ook niet in de strikte zin, meer als Nederlands verschijnsel. Theologisch gepieker, aangelengd met vele filosofieën. Maar het was wel gezellig. Je kon lekker ouwehoeren. Hij is tot in lengte van jaren wel de eeuwige puber gebleven. Poepgrapjes en zo. Een wat jongehondachtige jongen. Een ouwe jongen. Ach, ik mocht hem wel, ik had ook niet zo’n last van zijn practical jokes. Maar mensen die dat wel hebben gehad, vonden hem niet zo aardig.

Deed hij daar in het Gooi ook aan?

In het Gooi heb ik er nooit zoveel van gemerkt. Toen was hij ook nog niet zo bitter, ik weet het niet. Daar peinsde hij alleen nog maar. Later uitte het zich meer. Je kent toch het verhaal van dat briefje, dat hij aan Ferdinand Langen stuurde?

Ja, wat stond daar nou precies in?

Ze hadden hem gezegd dat ze een sociëteit wilden oprichten. Ab Visser was daarmee bezig.

Drieluik.

Ja, dat kan wel. Maar Marja schreef terug dat hij daar niet aan wenste deel te nemen, want het werd toch alleen maar een clubje voor ouwehoeren en beschaafd neuken. Dat had hij geschreven als ‘nöken’. En dat viel toen in handen van Ferdinands vader.

Ja, omdat hij het opzettelijk had geadresseerd ‘aan de heer Pannekoek’, zonder voorletters!

De clou van het verhaal is de wijze waarop Ferdinand zich eruit redde. Toen zijn vader vroeg wat ‘nöken’ betekende, zei hij: ‘Een Fins balspel.’ Waarom is het toch uit gegaan met Puckje? In die tijd ging het allemaal wel leuk. Ze was bezig een detective te schrijven. ’t Was wel een taaie actieve meid.

Hij kreeg op een gegeven moment een baan bij de reclassering in Den Haag en toen heeft hij zich tijdelijk, omdat hij niet voortdurend op en neer kon reizen van Bussum, op de Pauwhof neergelaten. Daar zat Louise Gaastra, een meisje dat in een leeszaal werkte. Daar heeft hij toen mee aangepapt en dat viel bij Puckje helemaal verkeerd. Die kon dat volstrekt niet plaatsen. Dat werd rottigheid over en weer en dat leidde vrij snel tot een breuk en echtscheiding.

Ben je daar wel eens geweest, bij Kroonder? Het was wel een mooi optrekje. Een schuur, een oud koetshuis. Beneden een grote open ruimte, waar vroeger de koetsen stonden. Dat was een stal geworden. Dan moest je met een kippetrapje naar boven en dan kwam je in één groot vertrek, waar het gezin Marja huisde.

Met een snel groeiend kindertal.

Het was wat men aanduidt als een artistieke bende. Wel leuk, moet ik zeggen.

Dus ze woonden daar met die vier kinderen in één kamer?

Ik kan me niet eens meer herinneren dat het er vier waren.

Op het laatst wel, ja. Hermans had in De Baanbreker geschreven, dat het portret van Marja hem deed denken aan de beschrijving die Faulkner geeft van de impotente gangster Popeye, in Sanctuary. Een wassen pop die te lang bij de kachel heeft gestaan. Dat heeft hem zó de dampen aan gedaan, dat hij als de bliksem vier kinderen op de wereld heeft geschopt.

Dat soort dingen trok hij zich inderdaad aan.

Een dertigjarige vriendschap

Aan de eerste bloemlezing die Koos Schuur uit eigen werk maakte, voegde hij een nawoord toe. Op de zes bladzijden achter in Gedichten 1940-1960 (1963) doet Schuur uit de doeken hoe zijn dichterschap ontlook. Hij omschrijft zichzelf omstreeks 1935 als een eenzaat in Veendam:

een knaap in de provincie met te onprovinciale aspiraties om door zijn omgeving volledig geaccepteerd te worden, een die verzen probeerde te schrijven in navolging van zijn tijdelijke ‘meesters’, zonder critiek

De enige met wie Schuur over poëzie kon praten was een domineeszoon uit Winschoten. Deze Theo Mooij schreef zelf ook aan de lopende band gedichten. Mooij en Schuur kwamen ’s weekends bij elkaar en onderhielden verder een levendige briefwisseling. Meestal bevatte een grote, aan Mooij geadresseerde envelop ‘talrijke manuscripten’.

Theo Mooij, alias A. Marja, zou de jeugdverzen van Schuur altijd bewaren. Hij duikelde ze op toen hij aan een literair profiel van Schuur werkte, dat werd opgenomen in Buiten het boekje (1954). In zijn portret van ‘de verbannen koning’ Koos Schuur breekt Marja een lans voor de ‘jeugdproducten’ van zijn oude vriend. Hij citeert het gedicht ‘een kind tekent…’ en noemt het ‘een bijzonder geslaagd specimen’.

een kind tekent…

koe en paard kakelbont
en een huis van carton
en op de weg een hond
en in de lucht een zon

(het heeft de boom vergeten)

de zon is geel de hond is bruin
de weg is wit – de witte weg –
en helemaal rondom de tuin
tot aan het huis een groene heg

(maar ’t heeft de boom vergeten)

het huis is rood het dak is rood
en uit de schoorsteen komt wat rook
waar is de boom?

o sapperloot
nu is de boom er ook.

Omdat Marja dit gedicht citeerde in zijn anekdotische portret in Buiten het boekje, kon Schuur erover beschikken toen hij jaren later verzen bijeensprokkelde voor zijn bloemlezing. (En Gerrit Komrij putte uit deze bloemlezing voor zíjn bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten (2007), waarin ‘een kind tekent’ op p. 604 is afgedrukt.) Uit Schuurs nawoord bij Gedichten 1940-1960 is op te maken dat Marja zijn vriend, die toen in Australië verbleef, niet van tevoren op de hoogte had gebracht van het in druk laten verschijnen van diens jeugdvers. De tijdelijke breuk tussen Marja en Schuur, begin jaren ’50, zal hiervoor de reden zijn geweest. Toch doet Schuur achteraf niet kinderachtig over de roofdruk:

Erkentelijk voor zijn [= Marja’s] goede zorgen voor dat manuscript draag ik het gedicht hierbij aan hem op.

Inderdaad staat er op bladzijde 15 van Gedichten 1940-1960 boven ‘Een kind tekent’ cursief gedrukt:

voor A. Marja

Tineke Schuur-Kaspers, die na de dood van A. Marja in 1964 de geliefde werd van Koos Schuur, herinnerde zich in 2008 levendig de eerste keer dat Marja en Schuur elkaar na een radiostilte van jaren weer zagen:

Dat was wel heel apart, die ontmoeting. Koos kwam de drie, vier trappen in zijn huis afgestormd en ze vielen elkaar echt om de hals. En kussen! Dat was toen nog niet zo gebruikelijk in die tijd. Ik keek mijn ogen uit! Je merkte wel dat het twee hele goede vrienden waren en dat is altijd zo gebleven. Het waren geen mannen die het verleden gingen analyseren. Nee. Dat was geweest. Klaar.

Het moet bij deze emotionele hereniging zijn geweest dat de dichters de meest recente bloemlezingen uit eigen werk uitwisselden. Koos Schuur kreeg Marja’s Nochtans een christen (1962) met een handgeschreven kwatrijn:

Voor Koos, de vriend, de oude bard:
weer in het oog, weer in het hart!
Wat er gebeurd is in ons leven:
‘Wat niet goed is, is niet geschreven.’
A’dam 22-9-63
Marja

A. Marja ontving uit handen van Schuur een exemplaar van Gedichten 1940-1960. Voorin zette Schuur:

voor Theo Mooy &
A. Marja
een dertigjarige
vriendschap
koosschuur
23-9-63

Uit de dateringen maak ik op dat de dichters elkaar tot in de kleine uurtjes hebben bijgepraat. De pocket van Schuur met de betekenisvolle opdracht vond ik in 2014 tot mijn verrassing op de deurmat. (Nochtans een christen uit het bezit van Schuur bevindt zich nog altijd in de opdrachtencollectie van antiquariaat Schuhmacher.)

En een kind

‘Het huwelijk’ is het enige gedicht van A. Marja dat geheel op eigen kracht, zonder enige promotie van Coen Peppelenbos en mij, de eenentwintigste eeuw heeft gehaald. Het behoort intussen, samen met de gedichten van Elsschot en Nijhoff, tot de canon van de huwelijkspoëzie. Deze vier eenvoudige regels zijn te vinden in bloemlezingen over geluk, verzamelingen light verse, werkstukken van Turkse studenten en op poëziekalenders, keukenschorten en papieren servetten.

Ik heb je alles gegeven:
een gedicht, mijn maandsalaris
en een kind; wil je nu even
kijken of het eten klaar is?

Autobiografisch of uit het leven gegrepen is ‘Het huwelijk’ niet. Toen A. Marja het schreef was hij geen echtgenoot, maar een puber zonder vaste verkering. De allereerste publicatie van ‘Het huwelijk’ is in de eerste en enige jaargang van Pomp, het maandblad voor scholieren in Winschoten, waarvan Jan E. Folkerts en Arthjo Marja de redactie voerden. Er komt dan nog geen kind in voor.

Ik heb je alles gegeven:
een gedicht, mijn maandsalaris
en een zoen. – Wil je nu even
kijken of het eten klaar is?

Met een minieme wijziging in de derde regel (een puntkomma voegt de twee zinnen samen) nam Marja ‘Het huwelijk’ een paar maanden later op in zijn debuutbundel Stalen op zicht (1937), in de afdeling ‘Ironisch omspoeld’, tussen dertien andere humoristische en wat wrange ‘kleine trompetsolo’s’. Vier van deze versjes hebben met het geloof te maken, de overige gaan over meisjes, vrouwen en relaties.

Overgenomen uit Stalen op zicht belandt het gedicht voorop de aankondiging van Marja’s huwelijk met zijn jeugdliefde Puckje op 8 juni 1944. De vouwkaart werd gedrukt door H.N. Werkman aan het Lage der A in Groningen. Boven het uit een schreefloze cursief gezette vers vervaardigde Werkman in rood en blauw een sjabloondruk. Volgens de deskundigen is Werkmans illustratie abstract, maar sinds ik een exemplaar in huis heb zie ik er een fluitketel op het vuur in.

De overige tekst op de trouwkaart is nogal melig. Het zal ook wel het idee geweest zijn van Marja, actief immers als clandestiene uitgever, om een colofon op de kaart te drukken en alle 42 genummerde exemplaren door ‘beide slachtoffers’ te laten signeren. Het ging Werkman, blijkens een brief aan August Henkels van 20 juni 1944, allemaal wat ver:

Hij wilde n.b. die kaarten ook door mij laten teekenen, de lui zijn gek met hun signeeren.

Na de oorlog schrapte Marja de zoen en introduceerde hij het kind in zijn gedicht. In zijn eerste verzamelbundel Van mens tot mens. Gedichten 1935-1946 (1948) staat het gedicht in de definitieve versie. Marja was intussen zelf vader geworden; Van mens tot mens is in druk opgedragen aan zijn dochter Marjo en zijn zoon Wim.

In zijn tweede verzamelbundel Nochtans een christen (1962) is het vergeefs zoeken naar ‘Het huwelijk’. De afdeling ‘Oud’ bevat geen enkel gedicht uit Stalen op zicht, zelfs geen vers van voor de oorlog. Misschien zocht de dichter met zijn recentere poëzie aansluiting bij de nieuwe generatie. Of misschien is de reden van het ontbreken van ‘Het huwelijk’ te vinden in de biografie van de dichter, wiens eerste huwelijk in 1953 strandde en wiens tweede huwelijk in 1963 ontbonden zou worden.

Het is merkwaardig dat een van de eerste gedichten van A. Marja verreweg zijn bekendste is geworden, terwijl de dichter zelf, aan het eind van zijn leven, bij het samenstellen van een overzichtswerk zijn vroege poëzie negeerde. ‘Het huwelijk’ was voor hem oud en afgedankt.

Meer onder dan boven water

Precies zeventig jaar geleden werd de kunstenaar H.N. Werkman, samen met negen anderen, in de bossen bij Bakkeveen gefusilleerd door de Duitse bezetter. Werkman was op 13 maart 1945 opgepakt door de Sicherheitsdienst en had sindsdien opgesloten gezeten in het Scholtenhuis aan de Grote Markt en het Huis van Bewaring in Helpman. Over Werkmans executie op 10 april 1945, zo kort voor de bevrijding van Stad, zijn veel details te vinden in Hendrik Nicolaas Werkman. De drukker van het paradijs (1980). Biograaf Hans van Straten geeft daarin op basis van allerlei bronnen en getuigenissen een reconstructie van de laatste dagen van Werkman.

‘Beste Papa’ zet Theo Mooij (alias A. Marja) op 1 mei 1945 boven een brief aan zijn vader in Yerseke. De oorlog is net afgelopen; in de brief overheersen gevoelens van blijdschap en opluchting. Theo is bijna genezen van colitis ulcerosa. Zijn echtgenote Puckje is in blijde verwachting van hun eerste kind. Maar de brief handelt ook uitgebreid over het lot van vrienden en kennissen in Groningen en Zeeland, van wie sommigen ‘goed’ en anderen ‘fout’ zijn gebleken.

Twee alinea’s gaan over ‘het droevige einde van onze beste vriend Werkman’. De informatie is – ‘met de kennis van nu’ – historisch misschien niet correct, maar toch belangwekkend. De dichter beschrijft wat hij uit eerste hand over Werkmans executie en de identificatie van diens lijk heeft gehoord. De moord op boekhandelaar Godert Walter, een andere Groningse vriend, komt ook ter sprake.

Je ziet, we hebben hier wel onder een schrikbewind geleefd de laatste maanden, en waren meer onder dan boven water.

De laatste vijf woorden van deze zin vormen de titel van de integrale uitgave van de brief van A. Marja aan Pa Marja, die ik van een korte toelichting voorzag. De Uitvreter drukte van Meer onder dan boven water 70 exemplaren op een Adana degelpers FAG proefpers en naaide ze in een hemelblauw omslag. Het boekje wordt kosteloos toegestuurd, wanneer men – met vermelding van adresgegevens – 12,50 euro overmaakt op rekening NL23INGB0001883734 ten name van C.A.J. Thomassen. (Zolang de voorraad strekt.)

Het laatste pianospel van Ida Simons

Ida Simons-Rosenheimer (1911-1960) speelde Liszt in het Kurhaus, Schumann in het Concertgebouw. De Tweede Wereldoorlog brak haar bloeiende carrière als pianiste af. Kort na de oorlog pakte ze de draad weer op: ze gaf door het hele land concerten met de violist en dirigent Sam Swaap, in 1950-1951 maakte ze zelfs een solotournee door de Verenigde Staten. In de tweede helft van de jaren vijftig stopte ze met spelen – voorgoed, volgens sommigen. Ida Simons ging schrijven. In 1958 voltooide ze het boek Een dwaze maagd, dat een jaar later bij uitgeverij Stols verscheen. De roman, over het joodse meisje Gittel dat pianiste wil worden, werd gunstig ontvangen en goed verkocht. Bij de Amsterdamse boekhandel Joachimstal was de ‘Joodse roman’ van Simons in maart 1959 het ‘boek van de maand’. Een dwaze maagd, onlangs door uitgeverij Cossee heruitgegeven, wordt opnieuw alom geprezen.

Het proza dat zij na Een dwaze maagd schreef zou postuum gepubliceerd worden. Ida Simons overleed, 49 jaar oud, op 27 juni 1960 in haar huis op Johan van Oldenbarneveltlaan 114 in Den Haag. Alfred Kossmann, in zijn in memoriam voor Het vrije volk, herinnerde zich van zijn ontmoetingen met Simons ‘de bekoring van zoveel spontane vriendschappelijkheid, zoveel geestdrift en humor’. ‘Zij stond op het punt om een roman te voltooien, toen zij zo plotseling stierf.’

Haar pianospel had zij echter niet helemaal opgegeven. Samen met de dichter A. Marja (1917-1964), eveneens woonachtig in Den Haag, trad zij op 3 juni 1960 op. In hetzelfde jaar als de debuutroman van Simons was Marja’s bundel Wat ik speelde verschenen, dertien gedichten bij evenzovele secties van de Kinderszenen van Robert Schumann. Lang voor Tonnus Oosterhoff zijn gedichten zou laten samenvallen met pianomuziek van Bach, schreef Marja deze muzikale gedichtencyclus – speels maar precies, klemtonen op muzieknoten. Volgens critici behoort Wat ik speelde tot zijn beste, meest persoonlijke werk. Het is, ook nu, ontroerend om deze poëzie en muziek tegelijk te lezen en beleven.

In verschillende Haagse kranten werd het optreden voor de Haagsche Kunstkring (in een ‘tot de laatste plaats bezette zaal’, aldus Het Vaderland) enthousiast begroet. Er is ook een zwart-witfoto bewaard gebleven, opgeplakt in het exemplaar van Wat ik speelde dat Marja schonk aan een collega van zijn echtgenote. Simons heeft haar handen aan het klavier en lacht vriendelijk naar de fotograaf, Marja leunt gebogen op de zwarte vleugel met zijn dichtbundel in de hand, het raam reflecteert een volle zaal. Geen bladmuziek te zien: Simons, die al op 20-jarige leeftijd in Diligentia de Kinderszenen had gespeeld, moet de muziek nog in haar vingers hebben gehad. Deze uitvoering van Schumanns Kinderszenen is het laatste publieke optreden van Ida Simons geweest.

Mieke H. Hille, student aan de School voor Fotografie en Fototechniek in Den Haag, hanteerde haar camera tijdens het optreden. Op de Schrijversmarkt in De Bijenkorf had zij, een paar jaar eerder, alle aanwezige auteurs op de foto gezet. Met sommige van hen was er een correspondentie of zelfs een vriendschap ontstaan. Het contact tussen Marja en Simons werd dan ook door deze jeugdige fotograaf tot stand gebracht. Hiervan getuigt de hartelijke opdracht van Marja aan Simons in zijn interviewbundel Buiten het boekje; het ‘musje’ in de tweede regel verwijst naar Hille, die door Simons ‘impresario Mus’ werd genoemd.

Met de laatste drie regels van het laatste gedicht in Wat ik speelde heeft Marja geworsteld: ‘poëzie -// nu ja -/ poëzie.’ werd op aandringen van twee Schumannkenners kort voor publicatie in 1959 veranderd in ‘poëzie -// ja -/ poëzie.’ In 1962, bij opname van de gedichtencyclus in zijn verzamelbundel Nochtans een christen, kon Marja zijn aanpassing herzien. Het uitgesproken, stellig einde van ‘Der Dichter spricht’ werd weer iets bedachtzamer, nonchalant. Achter in Nochtans een christen licht Marja toe:

Wijlen Ida Simons-Rosenheimer, schrijfster en pianiste, adviseerde dringend de oorspronkelijke versie te herstellen, als veel meer in overeenstemming met het slot van Schumann’s muziek.

Ida Simons is niet alleen de auteur van een roman vol ‘muzikaal proza’ (NRC), ‘ten onrecht vergeten, nu opnieuw ontdekt’ (de Volkskrant). Zij mag ook verantwoordelijk gehouden worden voor het vervolmaakte slot van de mooiste gedichtencyclus van A. Marja.

Dit stukje verscheen in De Parelduiker, jrg. 19, afl. 3 (augustus 2014). Daarbij werd de foto afgedrukt.

Geen bloemen

Het was koud toen A. Marja stierf. De zon liet zich op die dag amper zien. Precies vijftig jaar geleden, in de eerste uren van vrijdag 10 januari 1964, overleed de dichter in de leeftijd van 46 jaar. In zijn levensverhaal, zoals ik dat ken, zitten grote gaten, maar juist de laatste dagen van A. Marja zijn vrij goed te reconstrueren. Zo heeft dominee J.J. Buskes verteld wat hij Marja op diens sterfbed in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag voorlas. Zijn toekomstige biograaf Wim Hazeu ontving de allerlaatste briefkaart (‘ben niet in staat uitvoerig op je brieven in te gaan’). En zijn laatste vriendin, Tineke Schuur-Kaspers, wist op 8 augustus 2008 nog precies hoe zij, na een avondje in de bioscoop, het bericht van zijn overlijden kreeg:

Om een uur of twaalf of één werd ik opgebeld door het ziekenhuis. Later hoorde ik dat hij niet in zijn bed is overleden. Dat zeiden ze wel, maar dat is niet zo geweest. Een bevriende dominee heeft me verteld dat hij in de kamer van de zusters aan de telefoon zat. Hij belde iemand op, maar wie dat was, weten we niet. Ik denk niet dat hij nog iemand aan de lijn had, anders had ik dat wel gehoord. Hij had een nummer gedraaid en toen was het klaar.

Twee jaar voor zijn dood had een fotograaf tijdens een interview door Simon Vinkenoog voor de Haagse Post een reeks foto’s gemaakt. Op de mooiste foto in de serie kijkt Marja recht in de lens. In zijn hand heeft hij de zwarte hoorn van een telefoontoestel. Dat is pas voorzienigheid.

De landelijke kranten maakten meteen melding van zijn vroege overlijden. De Telegraaf noemde hem een ‘veelzijdig mens’, die zowel lyrische verzen als ‘hekelverzen’ schreef en ook ‘belangrijk maatschappelijk werk’ deed. Zijn allerlaatste dichtbundel werd helaas omschreven als ‘de kort geleden verschenen verzamelbundel Van de weg tot het graf‘. C.J. Kelk in De Groene Amsterdammer beschouwde de gedichten in Marja’s laatste bundel als de kroniek van een aangekondigde dood, ‘zo met hart en ziel geschreven in zulk een penibele levensfase. Zijn woorden blijven hun warmte, al is het maar de hitte van de drift, behouden.’ ‘Schrijver Marja overleden’ kopte de voorpagina van Het Parool. Op pagina 11 van de krant probeerde criticus Max Nord ook leven (en dood) en werk van Marja aan elkaar te koppelen:

De felheid, waarmee hij vooral na 1945 van leer is getrokken tegen stromingen en tegen personen, getuigde van een levenshonger, die men waarschijnlijk mede mag toeschrijven aan de ongeneeslijke ziekte waaraan hij leed […] Dat was niet altijd plezierig, maar wel prikkelend en tegen de achtergrond van zijn vroege dood krijgt zijn werk een aspect van tragische verbetenheid, dat men niet voorbij zal kunnen gaan.

Op de rouwkaart stond als motto de titel van zijn laatste verzamelbundel: ‘Nochtans een christen’. Onder het gebod ‘Geen bloemen’ werd meegedeeld dat de overledene opgebaard lag in de rouwkamer van het ziekenhuis. Hazeu: ‘Ik heb de opgebaarde Marja gezien en even speelde bij mij toen de stoutmoedige gedachte dat hij op zou staan.’

In de voormiddag van dinsdag 14 januari 1964 was de uitvaart. Tijdens de rouwdienst in de ziekenhuiskapel las dominee P. Müller uit Heerde een fragment uit het boek Job. Op de algemene begraafplaats Westduin, ongeveer een uur later, haalde de vader van Tineke Schuur-Kaspers Marja’s op rijm gestelde grafschrift aan: ‘In memoriam myself’, dat de doodzieke dichter al in maart 1943 als vouwkaart aan zijn vrienden had gestuurd. Klaas de Wit herinnerde zich dat een deel van de aanwezigen zich eerst bij de verkeerde begrafenis had aangesloten. De zon liet zich niet zien. Willy Rieser wist hoe koud het was. De begrafenis was ‘voorlopig’: vanwege de vorst werd Marja in een massagraf gelegd. Zijn eigen graf werd later gedolven. Bij de condoleance stond Tineke Schuur-Kaspers naast Louise Gaastra, de vrouw die nog geen jaar eerder van Marja was gescheiden.

De volgende dag meldde een Haagse krant nog dat de plechtigheid door velen was bijgewoond en dat de dichter ‘plotseling’ aan een hartaanval was gestorven. Een recensent citeerde het profetische begin en het bezwerende slot van het vers ‘Hartpatiënt’.

Men zegt dat er nog lang boven de pisbak in Bodega De Posthoorn heeft gestaan: ‘Marja is dood’.

Adressen

Vorige week zat ik te rillen in een portiek op de hoek Tuinbouwstraat-Moesstraat. De cameraman die mijn bibberende spraak vastlegde was een Italiaan. Ik moest recht in de lens kijken en vertellen over de dichter die vanaf 1937 dagelijks deze traptreden beklom, naar zijn studentenkamertje. Vervolgens vertelde ik op twee andere locaties over dezelfde man.

Deze korte film over drie Groningse adressen van de dichter A. Marja staat nu online. Eén adres is geïntegreerd in de eerste wandeling (Groningen centrum) van de Literaire wandeling Groningen (2012). Om een volledige bedevaart mogelijk te maken som ik alle mij bekende Groningse woonadressen van A. Marja op. De gaten in de chronologie hoop ik ooit te kunnen vullen.

Na zijn eindexamen gaat Marja op kamers op Tuinbouwstraat 65-B. Daar woont hij zeker tot en met oktober 1939. Vanaf juli 1940 zit hij aan Eeldersingel 8. In januari 1941 verschijnt het adres Herman Colleniusstraat 21-A boven zijn brieven. Vanwege zijn ernstige darmontsteking logeert Marja van de zomer van 1942 tot begin 1944 bij zijn vader in Yerseke. In het nieuwe jaar betrekt hij, aan de beterende hand, met Puckje twee kamers op Donkersgang 1, middenin de stad. Af en toe logeert het jonge paar bij Puckjes ouders op Tuinbouwstraat 156-A. In de zomer van 1945 komt de schipperswoning op Kleine Leliestraat 9 in beeld.

In 1946 vertrekt A. Marja, met vrouw en dochter, naar Bussum. In het villapark Spieghel mag hij in het koetshuis van uitgever F.G. Kroonder wonen. Zoveel jaar later is het nog een prachtige filmlocatie.

Drinkjaar

Op een zaterdagmorgen in 1953 komt A. Marja in het trappenhuis van uitgeverij De Arbeiderspers Simon Carmiggelt tegen, die bij dezelfde uitgeverij zit. Ze schudden elkaar de hand. Carmiggelt stelt voor op een terras iets te gaan nuttigen. Marja stemt in en wil er wel een interview voor De Wereldkroniek van maken. Het tweeslachtige stuk wordt opgenomen in Buiten het boekje (1954), ‘geschreven portretten van vrienden en vakgenoten’, waar Marja ook deze toevallige ontmoeting beschrijft.

Eenmaal op het terras bestelt Carmiggelt een koffie. Marja is verbaasd, schrijft hij, ‘meen je dat werkelijk?’ Carmiggelt zegt alle alcoholica afgezworen te hebben, maar Marja’s gedachten dwalen meteen af:

op dat ogenblik weet ik ineens dat ik ergens in mijn onderbewustzijn toch enige rancune tegen hem koester, die niet voortspruit uit zijn oplagen en zijn tantièmes, maar uit de situatie waarin hij mij twee jaar geleden bracht. Ik zat toen ook op een terrasje.

Volgt een lange flashback waarin reclasseringsambtenaar Marja een belangrijk gesprek met een meerdere op de klippen ziet lopen dankzij een beschonken Carmiggelt met een rafelige tandarts aan zijn zijde en een cynische dubbele tong in zijn mond.

En Simon was niet eens in staat hierover later een Kronkel te creëren.

Vier jaar later, op 26 juni 1956, treedt A. Marja dan toch op in een Kronkel. Carmiggelt is enthousiast over Marja’s nieuwste Ooievaarpocket Over de kling (1956), een bloemlezing met legendarische polemieken van Nederlandse schrijvers en dichters. Geen woord verder over hun eerdere ontmoetingen. Het dronkenmansverhaal wordt bevestigd noch ontkend.

Carmiggelt heeft het zwaar in deze jaren. Hij drinkt veel, heel veel. Van de drank kan Carmiggelt vaak niet slapen. Bij slijterij Jan W. Jonker loopt hij de deur plat. Henk van Gelder heeft in Carmiggelt. Het levensverhaal (2000) geboekstaafd dat de schrijver in 1955 onder curatele wordt gesteld: Het Parool en De Arbeiderspers maken hun honoraria over naar een accountant, die Carmiggelts vrouw elke maand een paar honderd gulden voor de boodschappen geeft. Ook deze perikelen laat Kronkel links liggen. Op papier blijft hij vrolijk.

En in de tussentijd is A. Marja directeur geworden van het consultatiebureau voor alcoholisme in Den Haag. Tot 1958 is hij zeer begaan met het lot van drankverslaafden en hun gezinnen.

Een van de laatste Kronkels van het jaar 1957 schiet de idealistische Marja in het verkeerde keelgat. Onder de kop ‘Goed’ waarschuwt Carmiggelt voor de goedheid en mildheid waar mensen in de decembermaand mee worden geïnfecteerd. Hij bidt elk jaar weer dat deze menslievendheid maar tijdelijk is, want de gevolgen zouden desastreus zijn.

Er zijn geen misdadigers meer. Dat betekent: Het departement van Justitie wordt opgeheven. De agenten kunnen naar huis. De gevangenissen worden gesloten. De reclasseerders hebben niemand meer om tegen aan te praten. […] De aardse verlokkingen van spijs en drank zouden op niemand meer vat hebben. Dus: Kroegen sluiten. Kasteleins failliet. Kelners werkloos.

Op 28 december 1957 stuurt Carmiggelt een exemplaar van Alléén voor u, het nieuwjaarsgeschenk van Het Parool met twaalf Kronkels, naar Marja. Op de voortitel komt Carmiggelt in een paar handgeschreven regels terug op zijn Kronkel van een paar weken geleden:

Het stukje was niet zo ernstig gemeend. – meer een “badinage”. Mag ik U een geweldig drinkjaar toewensen?

Na deze vileine verontschuldiging is het nooit meer goedgekomen tussen Marja en Carmiggelt. Voor de een was de fles altijd halfvol, voor de ander meestal helemaal leeg.

Louise’s trouwhoed

Een literaire huwelijksreis, 59 jaar geleden. De dichter A. Marja trouwde op 19 juli 1954 met de bibliothecaresse Louise (‘Wies’) Gaastra. In hun wittebroodsweken trokken zij vanuit Den Haag per Volkswagen door de zuidelijke provincies naar Vlaanderen.

In een van de autobiografische hoofdstukjes in Tussen de gemaskerden (1958) geeft Marja een luchtig verslag van de reis, die begint met een logeerpartij bij Hans Warren in Borssele. Bij avondlicht, in het dijkhuis van Adri[e] Duvekot, beschrijft Marja de wonderlijke kamer waar Warren ter wereld kwam:

aan twee kanten ramen, de ene kant kijkt uit over eindeloze groene zeeuwse landouwen, de andere over de grijze zee – eigenlijk de Schelde – waarover een bij dit huis horend miniatuur vuurtorentje nu juist zijn rode, groene en blanke stralen begint te zaaien.

Vervolgens tijgen de newlyweds richting Brussel voor een ontmoeting met schrijver en omroepbaas Raymond Brulez. De afspraak is dat Marja een causerie zal opnemen in de radiostudio. Bij de grensovergang wordt het echtpaar vertraagd: ‘omdat ze Louise’s trouwhoed, die beslist mee op reis gemoeten had, voor een soort atoomapparaat aanzagen’. En na nog meer vertraging bij Gent en in de buurt van Brussel is de begroeting in het Belgische omroepbedrijf wat koeltjes. Marja over Brulez: ‘Hij deed zo akelig strak en officieel.’ Direct wordt Marja achter een microfoon gezet, zonder dat hij de tekst van zijn causerie kan doornemen: ‘drie regels stemproef en meteen ging het rode lichtje aan’.

Dat komt nooit meer goed, denk je dan.

Maar na de opname laat Brulez zijn slee met chauffeur voorrijden om het echtpaar op een sjieke lunch te trakteren. De stemming verbetert. Hierna neemt Brulez het paar mee naar zijn huis in de Nijverheidstraat, ‘een flat op de achtste verdieping, die men onmiddellijk herkent als men zijn boeken gelezen heeft’. Het huis hangt evenwel vol met jurken. Angèle Brulez is couturière en bovendien gaat de familie de volgende dag op vakantie. Marja: ‘zij vindt niettemin tijd om een goede gastvrouw te zijn’.

Bij het afscheid die avond laat A. Marja een exemplaar van zijn laatste boek in Brussel achter. Hij schrijft voorin Buiten het boekje (1954):

voor de heer en mevrouw Brulez
in dank voor genoten gast-
vrijheid van Amarja
en zijn Louise
28-7-54

Toen het boek in maart 1954 verscheen, was de liefde tussen de dichter en de bibliothecaresse nog pril. Nu, negen dagen na het jawoord, kan Marja een bezittelijk voornaamwoord voor haar naam zetten. Maar toen hij de kopij voor zijn boek inleverde, moet hij al zeker van zijn zaak geweest zijn: alle exemplaren van Buiten het boekje zijn in druk opgedragen aan Louise Gaastra.

Zij kopen kritiekloos

Naast vier dichtbundels verschenen er van A. Marja in de oorlog, zonder toestemming van de bezetter: een plaquette, twee vertalingen (proza en poëzie) en verschillende gedichten in minstens drie bloemlezingen. Dat is de score. Daarnaast was Marja, hoewel fysiek zwak, actief als uitgever voor In agris occupatis en de Volière-reeks. En in oktober 1944 begon hij in Groningen aan een reeks dagboeknotities, die in 1947 als Zeepbellen in de orkaan door De Bezige Bij werden uitgebracht.

Aan zijn dagboek vertrouwt Marja in november 1944 enkele kritische overwegingen over het peil van de huidige literatuur toe. ‘Ik kan mij niet voorstellen, dat deze jaren een belangrijke poëtische oogst in ons land zullen opleveren. Wel wordt de clandestiene boekenmarkt overstroomd met talloze bundels en bundeltjes, zodat het zelfs voor een verzamelaar nauwelijks bij te sloffen is, maar toch maakt het geheel de indruk of een algehele matheid de gemoederen der dichters bevangen houdt.’

Niet alleen de oorlogsdichters, ook de kopers moeten het ontgelden: ‘tegenwoordig kopen de zonderlingste mensen poëzie, niet alleen zwart-handelaars, dite het uit geldbelegging doen, maar ook notoire burgerlieden, in wier huis men vroeger hoogstens Het Financiële Weekblad of een psalmboek aan zou treffen. Zij kopen poëzie, dat wil zeggen zij kopen kritiekloos alles wat al of niet rijmt en tegen een exorbitant hoge prijs in de boekhandel wordt gebracht.’ (Over de literaire inflatie in de Tweede Wereldoorlog schreef ik eerder eens.)

In december 1944, het begin van de koude hongerwinter, slaat de twijfel toe: gedichten kan Marja nu niet schrijven, het manuscript van zijn tweede (nooit verschenen) roman legt hij opzij. De oorlog heeft hem min of meer ‘lamgeslagen’. Dezelfde vraag spookt door zijn hoofd: ‘Mag men, terwijl in Amsterdam duizenden weerloze joden worden weggesleept, in Groningen de lettergrepen van een nieuw sonnet zitten tellen?’ De dichter worstelt met zijn artistieke aspiraties.

Zijn poëtische productie lag in het laatste oorlogsjaar stil, en van sommige illegale initiatieven moest hij niets hebben, maar toch zal A. Marja geen actief ontmoedigingsbeleid hebben gevoerd. Tot in het voorjaar van 1944 verschenen er deeltjes in de mede door Marja gerunde Volière-reeks. Sommige deeltjes werden zo goed verkocht dat Marja een tweede druk oplegde, in 90 exemplaren. Een klein deel van de opbrengst van de boekjes was bestemd voor Marja, voor zijn vrouw Puckje en zijn dochtertje Marjo.

En lezen bleef hij ook – met haast religieuze toewijding. Aan het eind van Zeepbellen in de orkaan beseft Marja, die zich vanwege het luchtalarm in een kerk verschuilt, dat ‘vandaag of morgen’ de elektriciteit zal worden afgesloten. ‘Eventuele hongersnood leek mij plotseling minder erg dan de geestdodende duisternis, waarin geen boek meer ter hand genomen zou kunnen worden.’ Dan ontwaart hij, naast het beeld van de heilige maagd, ‘een kaars van formidabele afmetingen’. Die verdwijnt, als de koster uit zicht is, onder de jas van de dichter.

Zelfportretten voor haar

In de oorlogsjaren zijn, in het geheim en vaak tegen de bezetter gekeerd, bijna duizend bundels en boeken verschenen. Bibliograaf Dirk de Jong geeft 982 titels in zijn onmisbare werk Het vrije boek in onvrije tijd. Bibliografie van illegale en clandestiene bellettrie (1958). Vier dichtbundels staan op naam van A. Marja.

De eerste clandestiene bundel verzorgde de dichter zelf, in samenwerking met de bevriende schrijver Hans Redeker. Kerstballade 1940 verscheen te Groningen in februari 1941 in een oplage van 30 genummerde exemplaren, aldus het colofon. De Jong meldt in zijn bibliografie dat het werkelijke aantal exemplaren slechts 10 bedraagt. (Ik heb deze bundel nooit van mijn leven gezien.)

De tweede en derde bundel van Marja verschenen in 1943 en 1944 bij de kleine uitgever F.G. Kroonder, onder het impressum Homerus Pers. Van Maar ja, Marja en Waar ik ook ga werd een deel van de oplage op luxer papier gedrukt, genummerd en gesigneerd door de dichter. (Diverse exemplaren staan hier in de kast.)

Zelfportret voor haar is de vierde bundel – bij De Jong residerend onder nummer 541. De acht sonnetten in dit bijna vierkante boekje schreef A. Marja in betrekkelijk isolement: vanwege ernstige problemen met zijn darmen woonde de dichter bij zijn vader, dominee Mooij in Yerseke. Zijn geliefde bleef achter in Groningen. Voor haar heeft Marja in november 1943 dit poëtische zelfportret geschreven. Sombere gedichten.

De titelpagina geeft geen plaatsnaam, maar alleen de uitgever: In agris occupatis. Geleid door een driemanschap nam in deze uitgave Marja het voortouw. Hij vond in Yerseke een drukker bereid om de clandestiene bundel te verzorgen. De heer E.Th. Zoeteweij moest de gedichten met de hand zetten, maar door het gebrek aan loden letters kon hij niet meer dan twee gedichten tegelijk drukken. Zoeteweij was gedwongen om na voldoende afdrukken het zetsel weer te distribueren en de volgende twee gedichten te zetten en te drukken.

A. Marja kreeg de eerste exemplaren van zijn nieuwe bundel onder ogen op 14 maart 1944. Alle honderd exemplaren van Zelfportret voor haar (‘welke niet in de handel komen’) heeft hij toen in het colofon Arabisch genummerd en Hollands gesigneerd. De datum staat vast: aan verschillende vrienden stuurde hij het bundeltje toe, op de Franse titel voorzien van vergelijkbare opdrachten en nogmaals gesigneerd met dezelfde datum. (Ferdinand Langen schonk mij ooit zijn exemplaar.)

Dit is geen wonder van typografie. Zelfportret voor haar is eenvoudig met blauwe inkt gedrukt in een onopvallende cursief op dun houthoudend papier. Vier velletjes, een grijzig kaftje, twee nietjes. Andere uitgaven van In agris occupatis hebben ten minste een kleurrijk druksel van H.N. Werkman voorop. Hier alleen auteur en titel. Het colofon toont misschien een beetje verbeelding: het is in de vorm van een op de punt staande driehoek gezet.

Wat Dirk de Jong niet wist en wat ik onlangs per abuis ontdekte: Zoeteweij drukte er, naast de 100 reguliere exemplaren, een paar op papier van een betere, zwaardere kwaliteit (‘gehammertes’). Het boekje is millimeters groter en keurig met een koordje gebonden. Luxe-exemplaren bestemd voor de auteur? (Ik ben in het gelukkige bezit van twee stuks, beide met opdracht, gesigneerd op 14 maart 1944, in het colofon genummerd ‘IV’ respectievelijk ‘IX’.)

Pro Patria

Een voor het hele begrip van clandestiene en illegale uitgaven onmisbare paragraaf in het hoofdstuk ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’, in Het ideale boek (2010), is ‘Papierschaarste’. Hierin schrijft Sjoerd van Faassen over de door de Duitsers ingestelde papierdistributie, waardoor het voor verzetsdrukkers moeilijker werd om aan pakken papier te komen. De clandestiene drukkers zouden wel gek zijn om hun teksten voor te leggen aan de afdeling Boekwezen van de Kultuurkamer. Er zat dus niets anders op: jatten of creatief zijn.

Zo kende uitgever Bert Bakker jongens op de werkvloer van de papierfabriek Van Gelder, die bereid waren voor tegen de bezetter gerichte uitgaven vellen papier te ontvreemden. De Bezige Bij-oprichter Geert Lubberhuizen roofde in 1943 een papierpakhuis leeg.

De latere voorman van Bruna, Jaap Romijn, stal niet. Terwijl Bert Bakker grote risico’s nam om bijvoorbeeld een idioot grote uitgave van gedichten van Bertus Aafjes te kunnen drukken, gebruikte Romijn zijn hersens. In de Hongerwinter bedacht hij de Handpalm-reeks: boekjes zo klein dat je ze in je hand kon verstoppen.

In 1943 drukten de Gebroeders Pelle te Bussum 300 exemplaren van de bundel Maar ja, Marja van A. Marja. Waar uitgever F.G. Kroonder zijn papier haalde, is niet bekend. De eerste 75 exemplaren van de oplage werden gedrukt op ‘blauw-grijs, luxe-tekst’, terwijl de overige exemplaren werden opgeleverd op eenvoudig en authentiek ‘bruin pakpapier’. Deze laatste exemplaren kregen ook andere schutbladen mee: donkerbruine vellen met een motiefje. Het doet een beetje aan vooroorlogs behang denken.

Margedrukkers, die wel weten wat private press-verzamelaars willen, splitsen hun oplagen op in gewone, luxe en super-de-luxe exemplaren. Elk deel van de oplage wordt gedrukt op een verschillende papiersoort. Sinds Stols, in zijn boekverzorging een halve Fransoos, is het onderscheid een traditie. De mooiste boeken van A.A.M. Stols zijn gedrukt op keizerlijk Japans.

Ik bedenk nu dat die papiertraditie natuurlijk een uitkomst was voor clandestiene drukkers. Nu hoefden ze niet per se een grote voorraad eensoortig papier te bemachtigen, maar konden ze zich ook redden met een restje van dit en een stapeltje van dat. Van Gelder, Simili Japon, Pannekoek, Register Vergé: allemaal geschikt, als je je oplagen en je colofons er maar op aanpaste.

En toch. Dat verzet moet heel diep gezeten hebben. Illegale uitgevers drukten het liefst op papier des vaderlands. Het dichtbundeltje Novemberland (1943) van Koos Schuur is, aldus het colofon, ‘gedrukt in een oplaag van 100 exemplaren, waarvan 50 op Hollandsch papier’. Als ik de eerste pagina van mijn Novemberland tegen het licht houd, zie ik het watermerk: een Nederlandse leeuw, waarboven de woorden ‘Pro Patria’.