‘Een slaaf van mijn verzameling?’

Sinds 1998 verzamelt hij alles van Arnon Grunberg. De omvang van zijn verzameling laat zich nu even niet uitdrukken in strekkende meter: alles is ingepakt omdat de verzamelaar in between houses is. De kartonnen dozen blijven gesloten. Met een laptop en een USB-stick binnen handbereik vertelt Arie Oexman (Katwijk 1952) over zijn collectie.

‘In dit Excelbestand heb ik heel minimaal mijn collectie beschreven: omschrijving, jaar van verschijnen, eventueel ISB-nummer. Item per item. Ik maak geen onderscheid tussen een roman en een ingezonden brief: elke publicatie maakt deel uit van een oeuvre. Dus ook De Nieuwe Bijbelvertaling met een buikbandje waarop een citaat van Grunberg staat. Intussen zit ik op ruim 6700 items. Mijn laatste aanwinsten vond ik op de boekenmarkt in Deventer. Ik kocht er drie vertalingen: een Italiaanse Huid en Haar, een Russische De geschiedenis van mijn kaalheid en een Hongaarse De man zonder ziekte.’

‘De kracht van mijn verzameling is misschien wel de hoeveelheid knipsels uit kranten, weekbladen en tijdschriften. Dat zijn er ongeveer 4000. Ik knip niet alleen recensies en interviews uit, ik bewaar ook advertenties voor Grunbergs boeken en artikelen waarin hij wordt genoemd. Den Haag is wat dat betreft rampzalig. Literaire tijdschriften kun je hier bijna nergens kopen. Voor een exemplaar van Die Welt, waarin Grunberg een halve pagina had geschreven, ben ik langs de Bruna geweest, langs Paagman, de kiosk op Scheveningen en het centraal station. Uiteindelijk vond ik de krant in een klein tijdschriftenzaakje in het centrum. Bestaat intussen ook al niet meer.’

‘Nee, ik heb niet op een dag het licht gezien. Het was Gerrit Jan de Rook, kunstcriticus en deskundige op het gebied van kunstenaarsboeken, die mij in de Boekenweek van 1998 tipte. Ik moest But you are also very attractive when you don’t drink kopen, Grunbergs eerste uitgave bij Kunst Editions in New York. Het Leidse antiquariaat AioloZ had daar het alleenrecht van verkoop op. Ik had toen weleens van Grunberg gehoord, maar nog niets van hem gelezen. Ik was in de eerste, tweede en derde plaats met W.F. Hermans bezig en nogal terughoudend in het aanschaffen van boeken van nieuwe schrijvers. Ik ken mezelf en weet dat het dan snel een verzameling wordt. Maar ik was toch onder de indruk van die uitgave en kocht voortaan alle nieuwe bibliofiele Grunbergen rechtstreeks bij Kunst Editions. En er verschenen er in 1998 en 1999 nogal veel. Soms ontving ik de nieuwe uitgave per post, maar meestal werden de uitgaven meegebracht door Henk Hofland of Hans Liberg, die regelmatig in New York kwamen. De oplagen zijn klein, die gingen zo mee met de handbagage.’

‘Toen ik eenmaal een paar Kunst Editions-uitgaven had, wilde ik ook wel eens een reguliere uitgave van Grunberg lezen. Dat werden Blauwe maandagen en Figuranten. Zijn schrijfstijl en mensbeeld spraken me erg aan en dus was de verzameling echt geboren. Misschien is mijn interesse in Grunberg ook zo sterk omdat ik op een bepaalde manier iets van mezelf in hem herken.’

‘Ik tel zo 23 Figuranten. Ik wil in elk geval alle tekstueel verschillende drukken hebben – wat bij Grunberg nog niet makkelijk is. Hij vermeldt niet, zoals W.F. Hermans voorin zijn romans deed, wanneer een druk gewijzigd is. En ik streef er ook naar om alle uiterlijk verschillende drukken te kopen. Een nieuw omslag, een midprice-editie, zelfs een identieke druk met een nieuwe sticker (“100.000 exemplaren verkocht”) koop ik. Dit geldt voor oorspronkelijke en vertaalde uitgaven.’

‘Toen de uitgever van Kunst Editions, Pablo van Dijk, in 2001 naar Amsterdam kwam heb ik met hem een prachtige ruil gepleegd. Ik zou hem in zijn hotel opzoeken, want hij had een grote koffer vol Grunbergpaperassen meegenomen. Pablo wilde dat wel ruilen tegen het boek Horsemeat van Bukowski, zo’n nogal gewilde uitgave van de Black Sparrow Press, en wat andere bibliofilia. Onderweg naar zijn hotel wist ik zeker dat de ruil niet zou plaatsvinden, daarvoor was Horsemeat me te dierbaar. Maar toen ging die enorme koffer open, barstensvol spullen. Ook het typoscript van Fantoompijn was erbij, een vroege versie met verschillende handmatige correcties van Grunberg en met talloze passages die niet in het boek terechtgekomen zijn. En privéfoto’s van Grunberg, vertalingen, paspoortkopieën, allerlei briefjes die hij met klasgenoten had uitgewisseld, een ontroerende post-it van zijn moeder, meters faxverkeer tussen Grunberg en Van Dijk. Achteraf is mij gebleken dat Van Dijk deze spullen van Grunberg in bewaring had gekregen. Scrupules kende hij niet. Ik heb overigens wel met Grunberg afgesproken dat ik niets ongepubliceerds uit de koffer openbaar zonder overleg met hem.’

‘Je moet bij Grunberg een beetje uitkijken wat je koopt. Hij is tien jaar geleden al begonnen met het ridiculiseren van de cultuur van de handgeschreven opdracht. Een inscriptie aan Wolkers in een boek betekent niet dat het boek ooit aan Wolkers is geschonken of dat het bij hem in de kast heeft gestaan. Er bestaan opdrachtexemplaren aan Erasmus, Willem-Alexander, Mulisch, Kundera. De mooiste opdracht die ik bezit is gericht aan Hugo Brandt Corstius in de eerste druk van Fantoompijn. En helemaal authentiek, dat weet ik zeker.’

‘De constante kwaliteit van Grunbergs werk is natuurlijk verbluffend. Een mindere roman zit er gewoon niet tussen. Maar minstens zo knap is zijn enorme productie. Ik ben niet de enige die wel eens heeft gedacht dat hij een ghost writer had, dat hij dit onmogelijk allemaal in zijn eentje bij elkaar kan schrijven. Voor de gein heb ik berekend dat hij gemiddeld per jaar 230 bijdragen aan kranten en tijdschriften levert. Niet alles daarvan verschijnt in boekvorm.’

‘Een slaaf van mijn verzameling? Ik denk dat ik dat in zekere zin wel ben, ja. Omdat ik in 2006 ben begonnen met het beschrijven van mijn aankopen en het downloaden en opslaan van Grunbergs teksten op internet, waaronder zijn blog, ben ik ertoe veroordeeld om dat dagelijks bij te houden. Als ik daar nu mee zou stoppen, zou al mijn werk met terugwerkende kracht waardeloos worden. Dan is dit hier een dood document. Ik besteed heel veel tijd aan mijn collectie.’

‘Sjoerd van Faassen, oud-conservator van het Letterkundig Museum, heeft mij jaren geleden tijdens een veiling wakker geschud om een brief van Hermans aan Reve te kopen. Hij wist dat ik Hermans verzamelde en stootte me aan. Waarom deed je dat eigenlijk, vroeg ik hem later. Zijn antwoord was het credo van veel conservatoren: vroeg of laat komt het toch wel bij ons terecht. Ik vind het een mooi idee dat al mijn Grunbergen, ooit, na mijn dood, weer op de markt komen. Ik laat alles na aan mijn zoon Koen, die zelf zo dyslectisch is als een deurknop en daardoor weinig heeft met boeken, maar wel weet dat de verzameling waarde heeft. Hij weet intussen natuurlijk ook wel wat de goede antiquariaten zijn.’

Dit interview met Arie Oexman verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 3 (oktober 2014).

‘Elke uitgave is een individu’

Hij is gestopt met zetten en drukken, zijn trapdegelpers is verhuisd. Gerrit Kleis (Coevorden, 1940) heeft afscheid genomen van zijn private press Sub Signo Libelli, maar hij is nog dagelijks in de weer met boeken. Naar aanleiding van het verschijnen van de afsluitende bibliografie van SSL blikt hij in zijn Drentse boerderij terug op zijn fonds, zijn studiejaren in Amsterdam en een Praags avontuur.

Links van de keuterij bij het dorpje Geesbrug, aan het Zwindersche Kanaal, staat een stevige houten schuur. We betreden de schuur door een extra brede deur (‘speciaal laten maken, anders paste de degelpers er niet door’) en nemen plaats aan een tafel. In dit atelier was Gerrit Kleis, wanneer hij niet voor de klas stond in Amsterdam, alle weekenden en vakanties aan het werk voor zijn eigen uitgeverij. Nu de drukpers en de bokken zijn verdwenen is er ruimte voor zijn verzameling Nederlandse literatuur en historische studies, zijn correspondentiearchief en een schrijftafel. Boeken staan zelfs in de nok, op de houten dwarsbalken. Boven onze hoofden hangt een wissellijst met de vijf etsen die Joost Veerkamp voor zijn uitgave De doos van Simon Carmiggelt maakte. Achterin staat een wasmachine. Naast de deur is een metalen bak gevuld met diverse heggenscharen, takkensnijders en rozensnoeischaren. Want Kleis is ook tuinier en rozenkweker.

Of het afscheid pijn deed, wil ik weten. ‘Ja. Zeker wel. Aan de andere kant: mijn ogen zijn slecht, ik heb een nieuwe knie, een nieuwe heup, moet nog een nieuwe knie. Het drukken ging met mijn kwaliteitseisen daarom niet meer.’
De Boston trapdegel, de Krause snijmachine en de vijf zetbokken zijn in 2012 verkocht aan een drukkerswerkplaats in Gouda. Het was Pieter Stroop, een oud-leerling van Kleis aan het Barlaeus Gymnasium, die het initiatief tot de overname nam. Tot Kleis’ genoegen blijft de lettercombinatie SSL verbonden aan de pers: van Sub Signo Libelli naar Sub Signo Leonis. De leeuw in de nieuwe naam verwijst naar de oudste drukker van Gouda, Gheraert Leeu. Binnenkort verhuist de pers nogmaals, van de Jeruzalemkapel naar de nieuwe openbare bibliotheek van Gouda.

De presentatie van het derde en afsluitende deel van de SSL-bibliografie vond plaats op 19 augustus in de Artis Bibliotheek. ‘Dat was een gezellige en leerzame middag, in het kader van de Summerschool bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Ik vond het leuk om de conservator van de Artis Bibliotheek in levende lijve te zien, want hij heeft mijn collectie rozenboeken gekregen, bij elkaar zo’n vier meter. Hij kon me vertellen dat het al mooi op de plank staat.’ Met de schenking van zijn rozenboeken en na de publicatie van De rozenteelt in Nederland. Geschiedenis, literatuur en documenten in 2007 heeft Kleis het onderwerp nu afgesloten. ‘Naar die bibliografie van mij wordt overigens nooit verwezen; mensen kopen blijkbaar geen oude rozenboeken. Nou ja.’

Oudezijds Achterburgwal

Zijn belangstelling voor literatuur en typografie werd aangewakkerd in Amsterdam, waar hij van 1962 tot 1969 Nederlands studeerde, met als bijvak analytische bibliografie. Studie en stad waren voor de 22-jarige Kleis een logische keuze. ‘Ik wilde natuurlijk weg uit de provincie. Maar ik wilde niet naar Groningen, waar ik iedereen al kende – of dacht te kennen. Ik wilde mijn vleugels uitslaan. De andere kant van het leven lonkte. Mijn toenmalige vriend was mij een jaar eerder voorgegaan naar Amsterdam. Maar toen ik er kwam, had hij het leven al leren kennen, dus die liet mij al gauw in de steek.’

‘In mijn studietijd woonde ik onder meer op de Oudezijds Achterburgwal, op de zolder van een pakhuis. Pim Scheele, een student Geneeskunde die ik kende van de sociëteit Olofspoort, woonde voor. Ik had een heel leuk mansardekamertje, maar als ik ’s winters wakker werd, was mijn dekbed besneeuwd. De sneeuw kwam gewoon tussen de dakpannen door. In de strenge winter van 1963 kwam ik vaak over de vloer bij George en Anke Groot, ook studenten Nederlands en toen nog geen Don Quishocking, die iets verderop woonden. Ik liep dan in de bijtende kou naar ze toe om me daar bij een groep vrienden te voegen, die bijeengepakt om een oliekacheltje zaten te kleumen. Het was wel romantisch.’ Hij zucht. ‘Ja, dat waren tijden.’

‘We zaten daar trouwens tussen de meisjes van lichte zeden. Naast het trappetje van mijn huis stond in deze uiterst felle winter, op houten plankjes, een hoertje. Ik heb haar toen weleens koffie gebracht. Het contact ontstond per ongeluk: ik gleed van die spekgladde trap af en toen ving zij me giechelend op.’

Zijn Amsterdamse jaren waren gelukkige jaren. ‘En ik heb de gekste dingen meegemaakt. Ik maakte wekelijks het huis van de oude dichter Jac. van Hattum schoon. Elke keer was dat weer een avontuur. Zo liet hij me zijn vriendin Josine Meijer eens in paniek opbellen met de mededeling dat het niet goed met hem ging – terwijl hij eigenlijk alleen platzak was. Josine stapte in Den Haag meteen op de trein, wat Van Hattum de tijd gaf om zogenaamd ziek op de bank te gaan liggen met een emmer naast zich. Van een gesprek met Josine knapte hij meteen op. Zij liet bij het weggaan geld op tafel achter. Of dit al een voorloper van zijn dementie moet zijn geweest? Toen ik hem later met de boodschappen hielp, trok hij naar Albert Heijn een zwarte pijmantel met een opvallend rode binnenvoering aan en zegende hij alle voorbijgangers.’

‘Bij Van Hattum heb ik trouwens Johan Polak ook voor het eerst ontmoet. Met hem heb ik later onder het imprint Astèr drie omvangrijke boeken gemaakt. Van Hattum zat altijd aan een grote tafel in zijn achterkamer, waar elke bezoeker verplicht een potje moest scrabbelen. Zelfs Geert van Oorschot. En daar zat Polak dus ook weleens aan. Van Hattum was ervan overtuigd dat scrabble goed voor de dichtkunst was. Aan dezelfde tafel tikte ik zijn geschreven teksten over en hield daarvan zelf een kopie. Die kwamen later goed van pas bij het samenstellen van Van Hattums verzameld werk.’

Inmiddels is Gerrit Kleis, hoewel niet lijfelijk, terug in Coevorden. ‘Ik schrijf veel over lokale geschiedenis, vooral over Coevorden, maar ook over begraafplaatsen en criminaliteit in het Drents verleden en over het werkkamp in Geesbrug, om maar wat te noemen. Daar heb ik vreselijk veel lol in.’

Jonge gevoelige jongens

De eerste twee delen van de SSL-bibliografie uit 1983 en 1999 hadden een algemene inleiding van Rudi Ekkart respectievelijk een verklarend verhaal van de drukker zelf; het onlangs verschenen deel De laatste loodjes bevat een interessante en vermakelijke bijdrage over publiciteit, verzamelaars en fonds van Sub Signo Libelli door Paul van Capelleveen.

‘Mijn geheugen wordt behoorlijk opgefrist door dat gespit van Paul. Hij heeft alle correspondentie gelezen en in zijn essay ruimhartig geciteerd. Ik heb die brieven natuurlijk wel gelezen in de tijd dat ik ze kreeg, maar dat zijn herinneringen geworden. En herinneringen zijn niet erg feitelijk of exact.’

Kleis was bijzonder geraakt door de nu opgerakelde geschiedenis met Jos ’t Gilde, een Zeeuwse hoteleigenaar in ruste. Diens brieven aan Sub Signo Libelli worden uitvoerig aangehaald in het stuk van Paul van Capelleveen. Daaruit komt naar voren dat ’t Gilde, keurig met een lieve vrouw getrouwd, altijd is blijven hunkeren naar een vriend. ‘Ik had het zo enorm met hem te doen. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik vond het heel fijn dat iemand aan mijn boeken, weliswaar wat laat, zo’n specifiek genoegen beleefde. Ontroerend, hoor, als een boek van mij zoiets voor iemand kan betekenen. Ja, dat herkende ik zelf wel, want als scholier dweepte ik met Hans Lodeizen. Daar stond ik mee op en ging ik mee naar bed. Hij was een icoon voor, laat ik zeggen, jonge gevoelige jongens. Goed tussen de regels door lezen heb ik toen geleerd. De poëzie die ik zelf schreef was helemaal op Lodeizen geënt.’

Kleis staat op en loopt naar de boekenkast tegen de linkerwand van de schuur. Hij geeft me een Meulenhoff-pocket uit 1962: Vermoeden van tijd. Poëzie van jongeren. Kleis staat erin onder het pseudoniem Pieter Nagel met negen gedichten. ‘Deze bloemlezing is voortgekomen uit de rubriek ‘Dichtershoek’ in het toenmalige Handelsblad, jaren gerund door Herman Besselaar. Een paar van die jongeren zijn nog bekend geworden: Jojada Verrips, Emma Brunt, Jaco Groot, Frank Martinus Arion.’

‘Herman Besselaar correspondeerde intensief met al die jongeren. Ik heb hier nog een stapel brieven van Besselaar liggen. Als ik nu op die tijd terugkijk, zie ik een zoekende jongen – die op een gegeven moment toch een beetje teleurgesteld raakt. Besselaar was nog wel iemand van zijn tijd. Hij had moeite met homoseksualiteit: niet dat hij je daar op aanviel, hij had er wel moeite mee. Ik herinner me dat hij Verrips een briefje stuurde met iets als “Wees voorzichtig!” toen hij vernam dat ik bij Jojada zou logeren.’

Litho’s uit Praag

Na het essay van Paul van Capelleveen volgt in De laatste loodjes een kleurenkatern met illustraties en de eigenlijke bibliografie van de pers van februari 1999 tot augustus 2010. Van ruim vijftig uitgaven worden formaat, bindwijze, papiersoort, varianten, etc. beschreven. Aan het eind van het boek staat een summier overzicht van de gelegenheidsuitgaven die Kleis, naast het strikt literaire werk, ook drukte. Het gaat om briefpapier, menukaarten en geboorteaankondigingen uit de periode 1969-2008. Valt dit drukwerk, soms nogal privé, eigenlijk niet buiten het bestek van het boek? ‘Het is niet mijn keuze geweest om het op te nemen. André Swertz, executeur-testamentair van mijn eerste bibliograaf Ronald Breugelmans, heeft dit boek opgevat als een hommage aan de verzameldrift van het echtpaar Breugelmans. Swertz beheert sinds de dood van Ronald en Lizanne hun collectie SSL en trof dus ook al dat efemere drukwerk aan. Hij nam het initiatief om de reeks compleet te maken.’

Uit de tellingen van Van Capelleveen blijkt dat de bloeiperiode van de belangrijkste naoorlogse private press tussen 1982 en 1986 ligt: er rolden toen, onder het teken van de libel, jaarlijks gemiddeld 16 nieuwe uitgaven van de pers. In deze jaren benaderde Kleis vaak ook kunstenaars voor originele grafiek in zijn uitgaven: een ets van Reinder Homan, een litho van Chris Buursen, een collage van Siep van den Berg, een tekening van Bob van Blommestein. Illustraties waren voor Kleis altijd een extra uitdaging, vanwege het kleurgebruik en de technische moeilijkheden.

‘De meeste moeite heb ik moeten doen voor een kleurenlitho van Vladimír Suchánek, dat was in de zomer van 1982, voor een dichtbundel van Leopold Andrian. Boudewijn Büch bracht mij op het spoor van deze Tsjechische kunstenaar. Toen ik in de aankomsthal van het vliegveld van Praag mijn naam hoorde omroepen, dacht ik nog: “Dat heeft die Suchánek goed geregeld.” Maar al snel werd ik door een man van de geheime politie in een taxi geparkeerd, naar het hotel gebracht met het strikte verbod om op eigen houtje de stad in te gaan, laat staan met inwoners contact te leggen. Ik zou de volgende dag onder begeleiding wel een tour door Praag krijgen. Die avond ben ik het hotel uit geslopen, heb snel in een telefooncel contact gezocht met Suchánek, die mij daar even later met zijn auto oppikte en naar zijn huis meenam. Afspraken gemaakt over de aantallen en de kleuren, Japans papier overhandigd, door mij thuis al op het juiste formaat gesneden. Uiteindelijk heb ik het met die staatsfunctionaris op een akkoordje gegooid. Hij zag ook wel dat ik geen spion was. Suchánek heeft zijn litho’s overigens per gewone post naar Leo van Maris, zijn agent in het Westen, gestuurd, naar ik vernam, verstopt in kalenders.’

Natuurlijk ging het in de drukkerij ook weleens fout. ‘In het begin had ik nog niet zo’n kijk op letters. Bij mijn boekje van Georg Trakl uit 1975 had ik niet in de gaten dat er twee verschillende kapitalen van de Bembo in de kast lagen. Na het drukken ontdekte ik pas dat de ene hoofdletter N veel breder was dan de andere. Al doende leert men.’

Interpretatieve typografie

De met inkt ingevulde getallen in de colofons van SSL-uitgaven verraden een precieze instelling. De meeste drukkers bepalen van te voren hun oplage, kopen daar hun hoeveelheid papier op in, en drukken dan de getallen van de oplage zwart op wit. Sommigen drukken zelfs het exemplaarnummer met lood. Kleis deed dat liever niet. ‘Je weet immers nooit zeker hoeveel goede exemplaren je van de oplage overhoudt. Je keurt namelijk exemplaren af, bijvoorbeeld omdat er een smet op een pagina zit. Daar komt ook bij dat op de pers nummeren met mijn trapdegel niet gemakkelijk was: die had een staande vorm, dus elke keer als je het zetsel van de pers haalde om het nummer te veranderen, was er kans op pastei of verschuivingen.’

Kleis drukte zijn uitgaven in oplagen van maximaal 100 exemplaren, meestal minder. Dat was niet alleen om reden van exclusiviteit: ‘Ik moest elk vel papier zelf op maat snijden, vaak meermaals bedrukken, vouwen, noem maar op. Een grote oplage is exponentieel meer werk. Het leukste blijft toch het bedenken van een vormgeving en het exemplaar voor jezelf en de auteur.’

‘Ik ben eens benaderd door Chris Leeflang, een van de oprichters van de Stichting De Roos, voor het drukken van een boek. Aan deze bibliofiele stichting zijn 175 leden verbonden, dus van de oplage worden er ook 175 stuk voor stuk genummerd. Een eervol verzoek van Leeflang, totdat hij meldde dat ik er 275 zou moeten drukken, 100 meer. Daar wilde ik mijn benen niet aan verslijten. Later begreep ik dat Leeflang zelf extra exemplaren gebruikte als ruilmiddel. Hij had een prachtige verzameling boeken en prenten.’

Als we een laatste blik op zijn fonds werpen, ruim 300 boeken en boekjes op rij, op de middelste plank van een antieke houten Engelse secretairekast in de voorkamer van de boerderij, wil Kleis mij wijzen op de grote variëteit in de vormgeving van zijn fonds.

‘Ser Prop drukt technisch feilloos, echt waar, maar het gaat hem, denk ik, vooral om de perfecte uitgave van een tekst. Zijn fonds heeft het uiterlijk van een serie in min of meer gelijke uitvoering. De Eliance Pers van Peter Muller, hetzelfde laken een pak. Ik heb altijd een andere opvatting gehanteerd, net als Hans van Eijk van In de Bonnefant en Peter Bekker met zijn Koekanger Handpers. Ik heb geprobeerd om van elke uitgave een individu te maken. Dus bij SSL zul je zelden een uitgave tegenkomen die gelijk is aan een vorige. Het is allemaal verschillend, omdat ik gezocht heb naar een nieuw jasje voor elke tekst. Het is uiteraard veel meer dan een jasje. Het is een maatpak. Met vormgeving in kleur, formaat, papier en typografie heb ik getracht een tekst toegankelijker te maken. Het grootste compliment dat ik ooit heb gekregen over mijn drukwerk is van Emile Puettmann. Hij zei: “Het is allemaal anders, maar ik zie toch altijd dat het van jou is.”’

Kleis pakt Nohant van Boudewijn Büch uit de kast. Dit halflederen exemplaar, met een frontispice van Suchánek, draagt nummer I. Hij drukte de gedichten in augustus 1979 in de Cancelleresca Bastarda van Jan van Krimpen. ‘Die loden letter beschikt over varianten binnen één letter. Zo zijn er drie verschillende b’s, vier verschillende h’s, drie verschillende k’s, slot-k’s, initiaal-k’s. En dat is alleen nog maar onderkast. Evenveel variëteit is er bij de kapitalen. Ik had voor alle varianten een eigen vakje in de letterkast, zodat ik ze bewust kon gebruiken. Hier in Nohant heb ik de aandacht op opzettelijke afkortingen willen vestigen door de sierlijke varianten te kiezen om ze bij elkaar te brengen in betekenis. Ook kon ik, omwille van de bladspiegel, een dichtregel enkele millimeters langer maken door een r te pakken met een slinger eraan. Ik heb me uiteraard ook wel vergist, je moet zuinig met die sierlijkheid zijn, anders leidt het af van het lezen. “Wat een bonte troep”, dacht ik dan als ik een proefdrukje had gemaakt.’

Een mooi voorbeeld van interpretatieve typografie vindt Kleis in de zwierige f in het woord ‘lief’. Voor het woord ‘infusen’, in een ander gedicht van Büch, koos hij een f op x-hoogte. ‘Dat kon natuurlijk geen staartletter zijn, die aan het eind opkrult. Nu is de f onderaan scherp, bijna een naald die het lichaam binnendringt.’ En de laatste letter in ‘sluier’ wappert iconisch.

Dit interview met Gerrit Kleis verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 6 (december 2013).

‘Het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb’

Met het verschijnen van Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012) heeft Piet J. Buijnsters zijn trilogie over de Nederlandse en Belgische boekverkopers en -verzamelaars voltooid. Dit boek werd op 2 maart 2013 gepresenteerd in de Centrale Bibliotheek van de Universiteit Leuven. Sindsdien kwamen er al reacties van lezers en Buijnsters mocht tweemaal voor de Belgische radio uitgebreide interviews geven. De verschijning leek Kees Thomassen en mij een goede aanleiding met Buijnsters in gesprek te gaan. De afspraak was dat het nieuwe boek centraal zou staan, maar in de praktijk kwamen zijn eigen ervaringen als verzamelaar en liefhebber minstens zo vaak ter sprake.

We hadden het wel verwacht, maar waren toch verrast. Piet J. Buijnsters laat ons plaatsnemen in de achterkamer op de begane grond, waar drie van de vier wanden zijn bekleed met boekenkasten waarin oude banden ons uitnodigend opwachten. Zijn vrouw Leontine Buijnsters-Smets, tevens co-auteur van een aantal belangrijke naslagwerken, schenkt intussen thee. ‘In de beginjaren van de ILAB heeft oprichter Menno Hertzberger de wens uitgesproken dat er voor elk land dat lid was van deze club een nationale geschiedenis van het antiquariaat zou komen. Een mooi plan, waar natuurlijk nooit iets van terecht is gekomen. Eigenlijk is iets dergelijks alleen gebeurd in Engeland, met Out of Print & Into Profit (2006), en in Nederland, met mijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007). En nu met mijn laatste boek, in België. Ik zou graag willen dat er voor Frankrijk en Italië ook zo’n werk verscheen, maar dat zal wel niet gebeuren. We mogen blij zijn als er een goede biografie van Pierre Berès komt, de voornaamste antiquaar uit Parijs.’

‘Ik heb van begin af dossiers gevormd over antiquaren, ook Engelse en Amerikaanse, maar ik ben niet zo pretentieus om daar iets over te schrijven. België heeft altijd in de bedoeling gelegen. De dag na de verschijning van mijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie (2012) ben ik begonnen met dit werk. Als ik tijd van leven had gehad, dan had ik voor België ook twee boeken gemaakt, eerst de antiquaren en dan de bibliofielen.’

Zijn werkzame leven bracht Buijnsters door op de universiteit van Nijmegen, als hoogleraar achttiende-eeuwse letterkunde. Ook was hij ruim 25 jaar verbonden als docent aan de MO-opleidingen in Arnhem en Utrecht. Maar altijd was Buijnsters in de weer met het antiquariaat, als koper, als verzamelaar, en als kweker van nieuwe antiquaren. ‘Mijn studenten heb ik altijd gejaagd in de richting van antiquariaten en boekenbeurzen. Bij sommige had dat resultaat. Anita van Elferen, die een bijvak bij mij deed, stuurde ik eens naar de RAI, toen daar de internationale antiquarenbeurs werd gehouden. Daar stond de antiquaar Frits Knuf, een hypersolist. Toen hij hoorde dat ik Anita had gestuurd om bij hem naar werk te informeren, stemde hij van de weeromstuit in. Dat heeft nog wel hilarische situaties opgeleverd. Knuf zei: “Dat dametje van je weet werkelijk helemaal niets.” Anita, een dag later bij mij, vertelde dat Knuf haar had gezegd dat ze “alles moest vergeten wat die Buijnsters je geleerd heeft”. Zo ging dat op en neer. Uiteindelijk mocht Anita de zaak van Knuf overnemen.’

‘De kloof overbruggen tussen boekwetenschap, de academische studie en de wereld van antiquariaat en bibliofilie. Dat heb ik altijd getracht te doen. Ik geloof dat die kloof nooit een centimeter kleiner is geworden, overigens. Boekwetenschappers zien particuliere verzamelaars vaak nog als ‘bezitters’, een scheldwoord. En dat stoort mij geweldig.’

België-Nederland

Buijnsters schreef over Betje Wolff en Aagje Deken, over oude kinderboeken, over papieren speelgoed. ‘Mijn grootste passie is, realiseer ik mij nu, al die tijd toch geweest: de geschiedenis van het antiquariaat en de bibliofilie. Wat niet wil zeggen dat mijn vrouw Lin en ik de andere onderwerpen helemaal buitengesloten hebben. Die hebben nog steeds onze belangstelling, maar niet meer onze aandacht. Wie mij nu nog benadert voor een artikel over iets achttiende-eeuws, die krijgt pertinent “nee” te horen.’

‘Ach, ik heb altijd spijt wanneer een van onze projecten weer voltooid is. Lin en ik hebben een heel spannende tijd beleefd dankzij dit boek. Een week in Gent, een week in Brugge, enzovoort. Logistiek was het soms wat lastig. Dat de trein niet verder reed dan Breda, vanwege koperdiefstal. En terugkomend van ons bezoek aan Werner Waterschoot hebben we een ernstig auto-ongeluk gekregen. We zijn er levend uit gekomen, maar het had niet veel gescheeld. De trance waarin deze verzamelaar verkeerde, toen hij ons zijn schatten toonde, was besmettelijk. We waren echt ondersteboven van dat bezoek.’

Antiquaren en bibliofielen, waar ook te lande, staan bekend als gesloten personen. Hoe lukte het Buijnsters, toch een buitenstaander in de Belgische boekenwereld, om het vertrouwen van mensen te winnen? ‘Ik ben geen Hollander, zei ik meer dan eens, en dat ik uit Breda kom is misschien een zegen geweest. Bij de verzamelaars kon ik binnenkomen als collega-verzamelaar, maar daar was de behoefte aan discretie veel sterker dan bij de antiquaren. Het is me bijvoorbeeld niet gelukt om door te dringen tot Roger De Kesel, een groot verzamelaar van Middeleeuwse handschriften en getijdenboeken. Maar ik heb veel gehad aan de bemiddeling van onze vriend Jan Roegiers, oudbibliothecaris te Leuven. Als ik zijn naam noemde, gingen er deuren open. Aan de andere kant: mijn nationaliteit is ook een blessing in disguise geweest. Bij mijn bezoeken in België was ik noch Vlaming noch Walloniër.’

Problematisch bij het schrijven van zijn laatste boek was het gebrek aan bronnen. Er is in België geen centraal of boekhistorisch archief. Wel waren er documenten binnen de verschillende bibliofiele sociëteiten die België rijk is. ‘Maar die stukken zijn semi-geheim. En uiteraard mocht ik geen ledenlijsten inzien, want men is zeer gesteld op zijn privacy.’ De KB Brussel heeft een aardige maar allerminst complete verzameling antiquariaats- en veilingcatalogi. ‘Juist door dat gebrek aan bronnen is dit het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb. Het moeilijkste was Papertoys, over spellen zoals ganzenborden, kijkdozen, maquettes en dergelijke, want op dat gebied bestond helemaal niets.’

‘De belangrijkste vondst in mijn boek trof ik bij Michel Lhomme in Luik. Ik hoefde met hem geen afspraak te maken, want Lhomme had ons per e-mail verzekerd praktisch altijd in de zaak aanwezig te zijn. Mijn vrouw en ik troffen echter alleen zijn zoon. Toen heb ik de druk even moeten opvoeren: “Belt u uw vader maar om te zeggen dat de professor er is.” Dus toen Michel Lhomme zijn zaak betrad was hij enigszins not amused. Het gesprek kwam moeizaam op gang, maar geleidelijk aan ging het beter, want we bleven allebei kalm. Toen het gesprek op de liquidatie van het befaamde antiquariaat Gothier kwam, geveild door Lhomme, wilde ik natuurlijk weten of er geen dossier of archief bewaard was gebleven. Lhomme schudde zijn hoofd. Welnu, aan het eind van het gesprek stond Lhomme op, hij trok een lade open en gaf mij drie kleine boekjes. In twee van die boekjes staan de handgeschreven memoires van Jean Joseph Gothier, die eind achttiende eeuw de zaak had gesticht. “Pas grand marchandise, pour vous, pour vous.” Dat vond ik ongelooflijk. Fantastisch gewoon. Diezelfde avond, op de hotelkamer, heb ik evenwel geen kans gehad om ze te lezen, want mijn vrouw rukte ze uit mijn handen en heeft ze verslonden.’

Bibliofilie met wachtlijsten

‘Ik zal niet zeggen dat bibliofilie in Wallonië genetisch bepaald is, maar het viel me wel op dat daar – meer dan in Vlaanderen, laat staan in Nederland – een verzameling en ook het lidmaatschap van een bibliofielenclub nog vaak van vader op zoon gaat, generaties achter elkaar.’ Buijnsters somt enkele verschillen op tussen Belgische en Nederlandse bibliofielen. ‘Het is jaren zo geweest dat je, bijvoorbeeld bij een veiling bij Beijers in Utrecht, wel kon inpakken als er Belgen in de zaal zaten. Belgen hadden altijd veel hogere limieten. Die gingen tot het randje. In België zijn het vaker de captains of industry, de zakenmensen en de politici die boeken verzamelen. Mensen met een zeker vermogen. Hier in Nederland zie ik geen rijke voetballer zoiets doen. Het zijn vaak gewoon leraren Nederlands. Joost Ritman is hier te lande een uitzondering.’

In het boek is een apart hoofdstuk gewijd aan de vijf genootschappen van bibliofielen die België kent, en waarvan de oudste, de Société des Bibliophiles Belges séant à Mons, al in 1835 werd opgericht. Wat waren de beweegredenen om tot zo’n genootschap toe te treden: statusbevestiging, het onderlinge sociale verkeer, uitwisseling van informatie? En zijn ze vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Nederlands Genootschap van Bibliofielen? ‘Al de in het boek genoemde Belgische bibliofielenclubs zijn begonnen met het doel om voor de regio of eigen groep belangrijke teksten te editeren. Het verzamelen als zodanig stond nooit voorop. Tegenwoordig is liefde voor en bestudering van boek en prent wat de leden verbindt.

Door recrutering uit de intellectuele en sociale bovenlaag kreeg het lidmaatschap vanzelf een zekere status. Als je het genootschap te Mons als voorbeeld neemt: het aantal leden was beperkt tot 50, later uitgebreid tot 75. Aspiranten moesten wachten tot er door overlijden of vertrek een genummerde zetel vrijkwam. Bij de Société des Bibliophiles liégeois was het niet anders. Weliswaar telt die vereniging nu 150 persoonlijke leden en 26 op naam van een instelling, maar het lidmaatschap van “de Luikse bibliofielen” is altijd een heftig begeerd maar niet gemakkelijk verkregen prerogatief gebleven. Als prestigieuze landelijke club lijkt de Société royale des bibliophiles et iconophiles de Belgique, denk ik, nog het meest op ons Nederlands Genootschap van Bibliofielen.’

Wat opvalt is het grote aantal boekenveilingen in België, met vaak een kwalitatief hoog aanbod. Zijn er speciale redenen waarom kopers en verkopers het risico van veilen boven de vastigheid van de antiquariaatshandel stellen? ‘Belgische boekhandelaars, antiquaren in het bijzonder, zijn van oudsher dikwijls tegelijk als veilinghouder opgetreden. Dat veilingwezen heeft daar nu mede een hoge vlucht genomen, omdat in België nog zoveel particulier boekenbezit van hoog niveau verscholen lag dat nu op de markt komt. Bijvoorbeeld uit het bezit van de in maart 2011 overleden Brusselse antiquaar Albert van Loock.’

‘Daarnaast heb je ook in België het verschijnsel van beurzen. Maar spijtig genoeg zijn de jaarlijkse antiquarenbeurzen in Brussel (Rue de la Madeleine) en eerder al die in Antwerpen plotseling gestopt. De jaarlijkse decemberbeurs in het cultureel centrum te Mechelen blijft onverminderd aantrekkelijk, ook al door de onmiddellijke nabijheid van prima restaurants. Ik heb daar mooie dingen kunnen kopen, waarbij je vroeger erg moest opletten of voor een boek nu in Franse of in Belgische francs gerekend werd. Dat kon aardig in de prijs schelen.’

‘Overigens vertelde Marc Van de Wiele, antiquaar en veilinghouder te Brugge, mij iets wat mij bevreemdde: als een boek in de etalage van zijn winkel ligt, dan wordt het niet zo snel verkocht. Een Belg wil echt het idee hebben dat een zeker boek voor hem bestemd is, dat het voor hem apart ligt, dat hij eerste keus heeft.’

‘Tja, en of ze het lezen allemaal, de bibliofielen? Ik denk het wel.’ Met een glimlach: ‘Ik lees ook niet al mijn boeken. Dat doen jullie ook niet. Dan mag je jezelf wel opsluiten.’

Wie aan België boekenland denkt, denkt onwillekeurig aan Redu-sur-Lesse, de tegenhanger van Haye-on-Waye en, zo men wil, Bredevoort. In Buijnsters’ visie zijn deze ‘boekendorpen’ een aflopende zaak. ‘Te veel uitschot aan boeken dat men evengoed op internet kan aantreffen. De eerste tien jaar kon Redu de naam boekendorp wel waarmaken, maar met het vertrek van de mensen van het eerste uur, kwam de klad erin. Het boekenaanbod is, als te verwachten, bijna exclusief Franstalig en doorgaans van matige kwaliteit. Buiten het seizoen zijn de winkels maar beperkt open en zomers trekt er een horde van veelal onoordeelkundige koopjesjagers langs. Men kan alleen maar respect hebben voor de antiquaren die vandaag de dag in Redu-sur-Lesse of Damme hun toko draaiend proberen te houden.’

Verschuivingen

Het eerste deel van Buijnsters’ nieuwste naslagwerk heeft een hoge informatiedichtheid: zoveel namen, zoveel jaartallen. Maar de auteur wilde zo volledig mogelijk zijn, hij had maar één kans. Bovendien ergert Buijnsters zich aan geschiedenissen die nadrukkelijk essayistisch zijn. ‘Allemaal meningen, daar koop ik weinig voor. Ik houd van feiten. Uit feiten kunnen meningen groeien.’ Het tweede deel van zijn boek, waarin de bibliofielen aan het woord komen, is veel levendiger.

Een persoon die in het boek schittert door afwezigheid is Henri Dirkx, alias Suikerjan, een legendarisch verzamelaar van bellettrie. Iets dat Buijnsters achteraf betreurt: ‘Ik had voor hem toch een aparte plaats moeten inruimen, in plaats van alleen maar te verwijzen naar mijn eerdere uitvoerige artikel over hem in De Parelduiker en in mijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie. Henri Dirkx was namelijk de enige Belgische boekenverzamelaar die door Vlaamse én Waalse bibliofielen met evenveel respect als voorbeeldfiguur werd gezien. Daarmee verbond hij in alle bescheidenheid als centrale figuur binnen eigen land zeer uiteenlopende culturen en op politiek gebied licht ontvlambare temperamenten.’ Buijnsters herinnert zich de legendarische veiling van de collectie-Dirkx als de dag van gisteren. ‘En wat er zich ook allemaal omheen afspeelde. Voorafgaand aan de veiling zelf was er een kleine bijeenkomst bij antiquariaat Forum. Daar zaten alle grote spelers, achterover geleund. “Och, aan een boom zo vol geladen…” Men dacht dat het wel goed zou komen met de prijzen. Maar die appeltjes vielen niet naar beneden, die vielen omhoog!’

Buijnsters merkt op dat er bij de boekenverzamelaars een verschuiving plaatsvindt van fictie (bellettrie) naar non-fictie (cartografie, pomologie, historiografie). ‘Als je van de afgelopen 50 jaar veilingcatalogi doorneemt, dan zie je aanvankelijk grote collecties met nadruk op klassieke, Franse literatuur onder de hamer komen. Wilde je toen meetellen, dan moest je zo’n literaire bibliotheek hebben, in mooie banden. Nu zie je, ook op boekenbeurzen, een spreiding: enerzijds nog de literatuur, maar dan vooral modern, anderzijds veel meer atlassen, geschiedwerken, handboeken, enzovoorts.’

Buijnsters koopt weinig oude boeken meer, omdat het aandachtsveld nu is verlegd naar zestiende-eeuwse Noord- en Zuidnederlandse grafiek. Vroeger maakte het echtpaar Buijnsters vaste rondes langs antiquariaten in de regio. ‘Ik kon geen dag zonder antiquariaat. Antiquariaat Brabant, antiquariaat Alfa. Zondag was een problematische dag, want dan was alleen Lambiek Coopmans geopend. Onze hond vond die bezoekjes aan Lambiek ook prettig: hij woonde boven een slagerij en had altijd een grote kluif voor de hond klaar liggen. Ik mis het onderweg-zijn, het contact verschrikkelijk.’ Heeft hij dan weleens een boek via het internet besteld? Resoluut: ‘Nooit. Ik moet het altijd zien, voelen, gebruiken. Ik vind er ook geen klap aan om dat te doen. Bovendien, je moet maar afwachten wat je krijgt.’ Maar Buijnsters is nog wel met zijn boeken bezig. Zijn bibliotheek is een levende. ‘Er zijn nu grote gaten geslagen in de kasten. Er is namelijk een grote tentoonstelling in Nijmegen, Uit de plooi, over de achttiende eeuw. Ik heb boeken, pamfletten en een enkele prent ter beschikking gesteld.’

Piet J. Buijnsters verzamelt samen met zijn echtgenote. ‘Dat is het grote geluk, dat mijn vrouw en ik beiden die belangstelling hebben. Wij zijn zo een jaar of 45 aan het verzamelen en ik heb vanaf het allereerste begin van elk boek precies genoteerd waar en wanneer ik het kocht. Liefst ook de hele herkomst. Ter afwisseling van mijn werk aan de drie Geschiedenissen heb ik deze informatie in de computer gezet.’

Geen doodsklokluider

Over de toekomst van het (oude) boek is Buijnsters niet zo pessimistisch als sommigen denken. ‘In mijn boeken beschrijf ik inderdaad ook het verdwijnen van het antiquariaat uit de binnenstad. Ik ben echter allerminst een doodsklokluider. Het antiquariaat zoals het geweest is, zoals ik het heb leren kennen, dat kan niet meer. Achter een bureau zitten met hoge stapels boeken en dan wachten tot de klanten komen, dat is geweest. Geen antiquariaat kan zonder internet. Ik denk wel dat sommige antiquariaten te laat de tekenen des tijds hebben gezien. Te lang voortgeborduurd ook op het oude prijsniveau. Er zijn bijvoorbeeld zaken geweest die voor oude kinderboeken krankzinnige prijzen vroegen. Wel het tienvoudige van wat redelijk was. En dan waren er altijd antiquaren die zogenaamd slechts de helft vroegen. Maar de helft van te duur is nog altijd te duur.’

‘Een antiquaar als Raymond Degreef van de Galerie Simonson in Brussel recruteerde ook verzamelaars. Die kon tegen een klant zeggen: “Dat moet je niet kopen.” Zelf heb ik dat bij Meijer Elte ervaren. Toen mijn vrouw en ik daar voor het eerst in de zaak kwamen waren we snotneuzen. Snotneuzen met een lege portemonnee. Wanneer ik een boek had gevonden dat ik leuk vond en dat ik kon betalen, zei Elte dikwijls: “Meneer, dat kunt u beter niet kopen, u moet dát boek kopen.” Op mijn tegenwerping dat dat boek mij veel te duur was, zei hij dan: “Maar we praten toch niet over geld?” Elte gaf heel goede aanwijzingen. Achteraf loonde zich dat. Je zou hopen dat antiquaren tegenwoordig meer stimuleren en initiëren. In België, heb ik gemerkt, doen ze dat heel weinig. Antiquaren zijn heel afwachtend.’

‘Let wel, achter elk boek schuilt nog een boek. Een ander, ongeschreven boek met alle belevenissen die je tijdens het schrijven hebt meegemaakt. Er zijn ook anekdotes die je niet, of nog niet, aan de openbaarheid kunt toevertrouwen.’ Buijnsters staat op en loopt naar zijn schrijfbureau. Uit een lade linksonder haalt hij een stapel volgeschreven schoolschriftjes. ‘Boekendagboeken. De verhalen die niet gedrukt konden worden, maar die ik wel kon opschrijven. Kijk, een groot deel van mijn leven heb ik geschreven over de achttiende eeuw. Die lui waren allemaal allang dood, en die familie was ook allang dood, maar daar kreeg je zelfs dan nog problemen mee. Ik heb gemerkt hoe riskant het is – zie de rechtszaken tegen Revebiograaf Nop Maas – om frank en vrij alles maar te publiceren. Deze boekjes zijn voor later.’

Tijd voor een rondgang langs alle boekenkasten in het huis ontbreekt helaas, maar bij ons vertrek gunt Buijnsters ons nog een blik in de voorkamer, waar onder meer de prachtige kast staat die op het stofomslag van Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie prijkt. Hebben de Buijnsters eigenlijk al besloten wat er uiteindelijk met hun verzamelingen gaat gebeuren? Het archief- en documentatiemateriaal gaat naar diverse openbare instellingen, maar in principe gaat verder alles weer de handel in, zodat nieuwe liefhebbers de kans krijgen om op hun beurt van al het moois te genieten.

Dit interview met Piet J. Buijnsters, afgenomen en geschreven in samenwerking met Kees Thomassen, verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

‘Boeken passen gewoon niet meer in het plaatje’

Dezer dagen fietst hij van interview naar interview. Journalisten van regionale kranten, lokale radio en televisie willen graag tekst en uitleg bij de jongste actie van Michel de Vries. Ten bate van een zelfstandige boekhandel in Groningen, die in korte tijd voor de tweede keer door brand werd getroffen, heeft hij een rekeningnummer geopend en een steuncomité met Bekende Groningers in het leven geroepen. ‘Dit echtpaar kan wel een opsteker gebruiken. Ik had net een tv-redacteur aan de telefoon, maar Hart van Nederland wil alleen komen als er daadwerkelijk iets gebeurt. Een interview met mij of met de gedupeerde boekhandelaar is te mager voor SBS6. Misschien krijg ik Jean Pierre Rawie zover om een gedicht te schrijven en te reclameren voor de camera.’ De Vries, sinds 2007 voorzitter van de Bond voor handelaren in Oude Boeken (BOB), is de laatste om het belang van media-aandacht te onderschatten, laat staan om er lacherig over te doen.

Winkel

Zonder zijn partner Alie Berger, met wie hij sinds 1997 het antiquariaat drijft dat hun beider naam draagt, had hij hier eigenlijk niet willen zitten. De Vries benadrukt dat ze elkaar versterken en aanvullen. In een ver, vooral links, verleden richtten zij samen de politieke boekhandel Rosa op. ‘Wij zijn begonnen in het Vredesinformatiecentrum in de Steentilstraat, waar we een ruimte deelden met het Antimilitaristisch Onderzoekskollektief. Met subsidie van de gemeente Groningen. Toen we zouden verhuizen naar een steegje ergens achteraf, besloten Alie en ik zelf naar een andere winkelruimte te zoeken. Meer centraal. In die tijd leerden we net Geert Postma kennen, die boven zijn boekenkelder aan de Grote Markt wel een hoekje van twintig vierkante meter kon missen. We zijn er vrij snel mee opgehouden. Ik geloof dat er toen al sprake was van sloop en herinrichting van de Grote Markt.’

‘Postma stond aan de wieg van onze zaak. Hij grossierde altijd in partijen boeken. In die tijd rommelde ik wel wat met boeken, maar had nog niet echt een manier ontdekt om daar brood van te maken. In de Pelsterstraat hebben we toen Bookmaker opgestart. Het concept is simpel: je koopt partijen boeken op, die je kort daarna weer onderbrengt bij collega’s en op andere manieren uitvent, zodat je marge creëert. Het is een vorm van tussenhandel, maar je bent ook gericht op de individuele klant. Vanuit het idee: er is zo’n immense hoeveelheid boeken en voor elk boek is een klant, maar als die een regulier antiquariaat bezoekt ziet hij dezelfde boeken op de plank staan als een half jaar geleden. Je moet dus een grotere omloopsnelheid hebben. En wij zijn daar misschien een beetje in doorgeschoten.’

Het achterste deel van antiquariaat Berger & De Vries loopt nog steeds op dit idee. Om de twee weken staat daar een volstrekt nieuwe voorraad van zo’n vierduizend boeken, alle afzonderlijk geprijsd. Veilingrestanten, winkeldochters. Na een week hangt De Vries het bordje ‘Halve prijs’ op en een week later kosten boeken slechts een euro of vijftig cent. Voorin de winkel staat de betere voorraad, waar elk onderwerp een paar kasten heeft. Specialisaties zijn reclamedrukwerk, bedrijfsgeschiedenis en handelscatalogi.

‘We hebben van oudsher een arsenaal aan handelscatalogi uit de periode 1850-1950. Sinds een jaar of vijf zit dat in de lift, verzamelaars hebben dit marginale gebied ook ontdekt. Het aardige is dat handelscatalogi zelden worden aangeboden, omdat het vluchtig drukwerk is, met een praktisch doel, dus na een jaartje rijp voor de prullenmand. Iemand die rond het onderwerp dood verzamelt kan prachtige, geïllustreerde catalogi voor lijkkoetsen en grafkisten vinden. Om maar iets te noemen. Het is fascinerend materiaal, niet alleen vanwege de bijzondere vormgeving, maar ook omdat je allerlei, inmiddels vergeten feiten over de meest uiteenlopende onderwerpen tegenkomt. Wist je dat er nog geen honderd jaar terug meer dan driehonderd benamingen voor allerlei soorten borstels waren? Dan is het toch een beetje saaier geworden nu.’

Internet

‘Toen het internet opgang maakte heb ik me wel achter een computer geïnstalleerd om boeken te beschrijven. We hebben toen ook enkele papieren catalogi uitgebracht op het gebied van bedrijfsgeschiedenis en economische geschiedenis. Maar catalogiseren ligt me niet zo. Natuurlijk heb ik zelf veel baat gehad bij catalogi van collega’s, want in internetloze tijden moest ik nog uit mijn hoofd leren wat een boek waard was. Eigenlijk heel leuk. Maar nu weet iedereen in vijf seconden wat je voor een boek kunt vragen, hoe zeldzaam het ook is.’

Antiquariaat Berger & De Vries biedt online zelf weinig boeken aan. Boekenliefhebbers, die natuurlijk elke twee weken de winkel bezoeken, worden niet zelden vaste klanten. Van de meesten weet De Vries wel wat hun interesses zijn, zodat hij ze aanwinsten rechtstreeks kan aanbieden. Recente uitgaven met een ISB-nummer verkoopt hij weleens onder het tabblad 2EHANDS van Bol.com. ‘Dat internetbedrijf vangt weliswaar 99 cent per verkocht boek plus 15 procent van de verkoopprijs, het blijft lucratief. In mijn winkel schaft geen klant voor 80% van de nieuwprijs een tweedehands studieboek aan, maar op internet is dat geen probleem, juist omdat Bol.com bij elke zoekopdracht naast de nieuwe exemplaren ook de tweedehandse toont.’ En niets is makkelijker dan een muisklik.

Promotie

De directe aanleiding voor dit gesprek: Michel de Vries maakt zich zorgen over de toekomst van het Nederlandse antiquariaat. Antiquarische boeken hebben te lijden van, wat hij voor het gemak noemt, de verikearisering. ‘In de jaren zeventig werden boeken interessant gevonden, mensen konden daarmee zich profileren. “Kijk eens wat een mooie, volle wand boeken ik heb staan.” Tegenwoordig moet alles modern, fris en hip zijn. Geen stoel meer zonder verchroomde pootjes. Het hele interieur komt uit Zweden. Daar past een boekenkast nauwelijks meer in. Het is gelukkig zo dat er bij Ikea daadwerkelijk boeken in de boekenkasten staan, anders waren we het zelf ook al vergeten. Het is nu suffig en nuffig om een verzameling boeken, anders dan een rijtje bestsellers, in je woonkamer te hebben. Ze passen gewoon niet meer in het plaatje.’

Daarom zou het antiquariaat gebaat zijn bij een flinke portie promotie, al zijn de directe effecten daarvan moeilijk te meten. ‘Het is net als met het organiseren van een boekenbeurs. Je kunt alles goed doen, maar twee dingen heb je nooit in de hand: het weer en de omzet van de collega’s. Als je onze branche breder onder de aandacht wilt brengen, moet je actief aan promotie en PR doen. Zorg dat je mensen aan je bindt, die zich voor jou willen inzetten, omdat ze het zelf leuk vinden. Dan gaat het antiquariaat veel meer leven, op den duur haal je nieuwe mensen naar je toe, op een gegeven moment is dat gunstig. Antiquaren vergrijzen. En hoeveel jonge mensen stappen nu nog in het antiquariaat?’

‘Kijk, boeken blijven. Altijd. Juist als iedereen straks een iPad op zak heeft, zal het boek iets worden waarmee je je kunt onderscheiden. Er zullen dus ook mensen blijven die in boeken handelen. Je kunt je daarom afvragen waar ik me druk om maak, als die boekcultuur toch wel overeind blijft. Iedereen kan het zelf uitzoeken. Alleen zouden antiquaren ook trots moeten zijn – hoewel trots een vervelend woord is tegenwoordig – op hun cultuur en hun beroepsgroep. De scepsis bij antiquaren is groot. “Het zal mijn tijd wel duren!” en “Dat hebben we al vaker geprobeerd!” Dat hoor ik vaak. En ik snap het wel, maar bij de pakken neerzitten heeft helemaal geen zin. Ik vind dat je niet veel waard bent als je je eigen sector niet met overtuiging promoot.’ Gevoel voor handel had De Vries al toen hij nog achter de biologische groentekraam op de markt stond, maar een zeker talent voor public relations en organisatie ontdekt hij de laatste jaren pas.

Het causale verband is nooit bewezen. Bestsellerauteur Redmond O’Hanlon opende de Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair 2010 en er stonden driehonderd mensen ongeduldig te wachten voor de roltrap in de Passenger Terminal. In vergelijking met de vorige beurs was het bezoekersaantal bijna verdriedubbeld. De Vries zet ook dit jaar alles op alles om een bekend, mediageniek persoon aan de belangrijkste boekenbeurs te koppelen. ‘We zijn in gesprek met Umberto Eco, die makkelijk te associëren is met antiquarische boeken en met het thema van de komende beurs. Eco was laatst spreker op een congres van de International League of Antiquarian Booksellers. Zo’n wereldnaam inspireert de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam hopelijk weer tot het maken van een tentoonstelling tijdens de beurs.’

Samenwerking

Als BOB-voorzitter verheugt het hem dat de Bond voor handelaren in Oude Boeken en de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren afgelopen jaar voor het eerst samen een boekenbeurs hebben georganiseerd. ‘Een gezamenlijke beurs leek Buijnsters in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat nog een utopie. Ik ben blij dat we nu hebben bewezen dat beide clubs, in een eigen zaal en met een eigen uitstraling, prima kunnen samenwerken. We moeten elkaar niet beconcurreren, maar versterken.’ Het lidmaatschap van de BOB is voor sommige antiquaren een opstapje naar de NVvA, die als vereniging meer pretenties heeft en strengere toelatingseisen hanteert. Toch denkt De Vries dat de ene organisatie niet voor de andere onderdoet. ‘Het niveau van sommige BOB-leden ligt echt niet veel lager dan dat van sommige NVvA-leden. Ach, verder onderscheid vind ik eigenlijk helemaal niet interessant.’

‘Wat we nu niet door hebben is dat we links en rechts worden ingehaald door verzamelaars. Die hadden vroeger geen macht, omdat ze slechts langs de bekende kanalen aan boeken konden komen. In het antiquariaat en op de veiling. Nu vinden particuliere verzamelaars elkaar op internetplatforms, waar ze weetjes uitwisselen en ook handelen onderling. Ze trekken de markt naar zich toe, de antiquaar wordt vaker buitenspel gezet. Dat kunnen we als een bedreiging opvatten, dat verzamelaars steeds meer handelaars worden. Ik denk echter dat deze mensen in potentie iets voor of binnen het antiquariaat kunnen betekenen, want ze hebben gigantisch veel kennis van zaken. Zorg dus dat ze een KvK-inschrijving krijgen en laat ze meedoen aan beurzen. Duw ze niet weg, maar trek samen op.’

De Vries denkt dat een professionele website, een antiquarische versie van De Papieren Man, liefhebbers en handelaren dichter bij elkaar kan brengen. Het internet wordt dagelijks gevuld met nieuwtjes, maar een overkoepelende site die boekenblogs, veilingnieuws, tentoonstellingen, antiquarische ontdekkingen en berichten uit beide antiquarenverenigingen compileert, die is er niet. ‘Boekenpost en De Boekenwereld, papieren tijdschriften, kunnen de actualiteit niet bijbenen. Hun actieradius is ook gering, laat het tweeduizend man zijn. Ik denk dat we zeker tienduizend nieuwsgierige mensen kunnen bereiken. Dit publiek is nu onze blinde vlek. Het is niet gezegd dat deze mensen, wanneer je ze naar beurzen trekt, direct veel geld gaan uitgeven. Maar je moet ze langzaam opvoeden. En door de laagdrempeligheid van internet en twitter, boven de traagheid van een tijdschriftredactie, kunnen en durven mensen eerder zelf bijdragen leveren aan zo’n site.’

Als lichtend voorbeeld geeft De Vries de huidige expositie voorin zijn winkel, waar hij om de drie maanden zijn vitrines opnieuw inricht. Momenteel zijn er enkele honderden nieuwjaarswensen van Nederlandse kunstenaars te zien: etsen, houtgravures en knutselwerkjes van Jan Cremer, M.C. Escher, Lucebert, Pam Rueter, het echtpaar Willink en anderen. Aan de basis van de tentoonstelling liggen de privécollecties van twee fanatieke en deskundige verzamelaars.

‘Marinus Augustijn, een vaste klant en vriend van onze winkel, is vroeg begonnen met het bijeenbrengen van grafische ontwerpen van Anthon Beeke. In het begin kreeg hij bij musea en bedrijven stapels affiches mee, want er was niemand anders die ernaar vroeg. Hij heeft het eenvoudigweg op tijd gezien. Dat moet een goede antiquaar hebben, trouwens: talent zien, trends ontdekken en collecties opbouwen. Een neus hebben voor mensen of onderwerpen die interessant kunnen worden. Heel veel weten van een specialistisch gebied. In die zin ben ik geen goede antiquaar, omdat ik niet de financiële middelen heb om een buffer op te bouwen en te besluiten om een bepaald boek of een kleine collectie even niet aan te bieden, te laten rijpen.’

De Vries wil vooral niet zielig doen, maar hij moet echt rondkomen van zijn winkel. Naar veilingen gaat hij zelden: duurkoop. ‘We moeten het hebben van de bijvangst. De gelukjes van een grote partij. Of van een enkele particulier.’ Een beetje mazzel had hij vorig jaar met een eerste druk van Charles Darwin, voorzien van een opdracht door de auteur. Het boek werd hem aangeboden door de Friese familie Liemburg, bloedverwanten van zijn partner Alie. Twee dagen was er een spotje op gericht in de Passenger Terminal, voordat het bijzondere opdrachtexemplaar à 22.500 euro een nieuwe Nederlandse eigenaar vond.

En als het cassettebandje vol is, vertelt De Vries een mooi verhaal over collega Roeland Gordijn van antiquariaat en galerie de Bovenste Plank in Maastricht. ‘Hij bezoekt weleens basisscholen met een zeventiende-eeuwse foliant. Voor de lol. Kinderen van een jaar of zeven, acht vinden dat dus prachtig. De wow-factor! Nu wil ik niet dat de overheid het verplicht maakt, een boek bekijken in de klas, maar dat is wel waar het begint. Die kids hoef je helemaal niet uit te leggen hoe speciaal een boek is.’

Dit interview met Michel de Vries verscheen in De Boekenwereld, jrg. 27, afl. 3 (april 2011).

‘Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit’

De grande dame van het Nederlandse antiquariaat, een éminence grise, een instituut. Het zijn woorden die je vaak vindt in combinatie met haar naam: Wilma Schuhmacher. Sinds 1952 drijft zij onafscheidelijk samen met haar halfbroer Max, tot deze in 2007 overlijdt, het hoofdstedelijke antiquariaat op Gelderschekade 107. Als je het over antiquariaat Schuhmacher hebt, hanteer je de oude spelling van de straatnaam. Op een zonnige donderdagmiddag beklim ik de houten wenteltrap van het grachtenpand op de hoek van de Gelderschekade en de Rechtboomssloot. De gevel van het zeventiende-eeuwse huis helt angstig voorover. ‘Max vertelde dat hier vroeger grote zeilen werden opgeslagen, voor de scheepvaart. De top steekt bijna een meter naar voren, zodat er geen ruiten zouden sneuvelen bij het neerhalen’, meldt Schuhmachers assistente Anne-Marie Rutten, als ze me op de eerste verdieping aan de keukentafel installeert. Het wordt een gesprek over kleine, minieme details die soms de doorslag geven. Had ik op de ochtend van het interview niet nog een briefje van Schuhmacher op mijn deurmat gevonden, waarin de zinsnede ‘Ik ben nu eenmaal een precieseling’ voorkwam?

Terwijl ik het opnameapparaat in gebruik neem, pakt Wilma Schuhmacher met enige gretigheid het boek uit dat zojuist met de post kwam. Het is een eerste druk van Gorters Mei uit 1889, in de bordeauxrode band met bloemendecoratie. ‘Wacht eens even.’ Opeens liggen er twee exemplaren op tafel. Meteen ontwaart Schuhmacher een verschil in de belettering op beide banden. Zoiets maakt haar dag weer goed, al geeft ze schoorvoetend toe dat het eigenlijk een onverantwoorde aankoop is.

‘Ons tweede magazijn, een pakhuis aan de Brouwersgracht, bevat zeker 70.000 boeken. Tweemaal 120 meter. Ik zit dus niet bepaald om boeken verlegen. Kopen is onzin, maar we zijn nu eenmaal collectiemakers. Ik kan het niet hebben als een grote kavel Gerrit Kouwenaar onverkocht blijft, dus die heb ik een maand geleden op de veiling maar aangeschaft. Later dacht ik natuurlijk: ik moet daarmee ophouden, want mijn naam is niet Hansje Brinker. Ik kan in mijn eentje die tendens niet tegenhouden. Maar ik ben bang dat dingen wegraken. Als Elsschot klaar is, dan is het werk niet gedaan. Denk aan Multatuli’s pak van Sjaalman: een opsomming van wat we allemaal nog moeten. Deo Volente. Het enige wat je kunt doen is ergens beginnen. Het valt alleen altijd tegen. We zijn met veel, misschien wel te veel dingen tegelijk bezig geweest.’

Een omvangrijke voorraad kan je kracht en tegelijk je zwakte zijn. Als je het debuut van de bijna vergeten schrijver Johan de Meester zoekt, zul je slagen bij Schuhmacher. Vorig jaar hebben de kunstboeken en literaire paperbacks uit de jaren zestig die altijd voorin de winkel stonden, het veld moeten ruimen voor negentiende-eeuwse letteren. De opruiming ging matig, al kon de UB Leuven om niet worden verblijd met dertig dozen. Maar dan nog is de voorraad van antiquariaat Schuhmacher te groot voor twee personen. De zolders kraken onder de literaire tijdschriften.

Sinds oktober 2009 eindigen Schuhmachers Vlugschriften – maillijsten rondom een schrijver of thema – steevast met de mededeling: ‘Opvolger gezocht’. ‘Dat hebben Max en ik nooit gewild, maar ik vrees anders dat een deel van onze voorraad straks containerwaarts gaat, want geen veilinghuis kan ineens zo’n grote bulk verwerken. Peter Heringa, die twee perioden bij ons heeft gewerkt, is misschien de enige aan wie we de zaak ooit hadden willen overdragen. Hij heeft een goede catalogus W.F. Hermans gemaakt.’ Na een moment stilte: ‘Ik mis de samenwerking wel. Peter was heel exact, maar hij holde door. Hij kon niet ophouden.’

Rekenen en vergelijken

‘In 1963 kwam onze eerste Couperuscatalogus uit, die goed liep. De dominee heeft deze lijst als leidraad gebruikt.’ Schuhmacher doelt op ds. J.A. Eekhof wiens omvangrijke collectie Louis Couperus in 2006 voor 225.000 euro werd verkocht aan de Koninklijke Bibliotheek en het Letterkundig Museum. ‘Direct erna heb ik Max de stad in gejaagd: “Couperus kopen!”. De door de verkoop ontstane leemte moest meteen worden opgevuld, want een grote collectie Couperus wilden we permanent in huis hebben. Die boekbanden hebben mij altijd bekoord en geïnteresseerd. De hoeveelheid naslagwerken was natuurlijk beperkt. Internet bestond nog niet. Onze vriend Ernst Braches zou pas tien jaar later met zijn proefschrift komen. Braches kenden we overigens al van de Nieuwe Keizersgracht waar we tot 1956 waren gevestigd.’

‘Degelijke tekstedities bestonden in de jaren zestig nog niet. Ik ergerde me aan incomplete verzamelde werken. Die werden – als ik het kwaadaardig zeg – op een achternamiddag in elkaar getrapt. Van Pierre Kemp verscheen bijvoorbeeld in 1953 de door Adriaan Morriën samengestelde Een bloemlezing uit zijn kleine liederen. Nota bene Gerrit Borgers zei op een gegeven moment tegen me: “Dat is toch een verzameld werk?” Als iemand die verder zo precies is dát denkt, dan is er toch echt iets mis. Toen ben ik gewoon gaan rekenen en vergelijken: welke gedichten uit welke bundels komen terug in een verzameld werk.’ Schuhmacher vervolgt op ernstige toon: ‘Kijk, ik ben een lettervreter. Als ik vroeger niets te lezen had, ging ik desnoods het telefoonboek op de kop lezen. Of een oude krant die om de prei heen zat.’

In de voorkamer op de eerste verdieping hangt een indrukwekkende verzameling negentiende-eeuwse schilderijen waaronder een paar ‘Florissen’ (Arntzenius en Verster). De eigenaresse leidt me langs de kunst die voor een deel nog tegen een lage tafel staat geparkeerd. Over haar voorliefde voor schilderijen heeft iemand eens gezegd dat Schuhmacher off the road verzamelt: de minder populaire, niet voor de hand liggende onderwerpen. ‘Van Breitner heb ik een sneeuwlandschap, maar je moet natuurlijk zo’n gracht hebben. Dát wil iedereen hebben. Ik ben dus ontzettend tegen zo’n canon. Zo is het ook met literatuur: belangrijke boeken hebben niet altijd een publiek.’

‘Ik verzamel zelf onder anderen Jan van Nijlen. Ook een beetje uit boosheid, omdat die lange tijd niet werd verkocht. Later hebben we de complete bibliotheek van Van Nijlen kunnen kopen met al diens eigen Van Nijlens. Die heb ik toen naast mijn eigen Van Nijlens in de kast gezet. Bleken er allerlei variantomslagen te zijn op afwijkend formaat. Toen heb ik tegen Gerrit Borgers gezegd, die zelf de bibliografische kaarten voor het Letterkundig Museum verzorgde, dat je dus geen maten moet vermelden. Nooit denken dat je weet hoe een boek eruitziet, dus blijf exemplaren kopen en naast elkaar leggen. Dat is mijn leidraad gebleven. Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit.’

Beschrijven

De werkverdeling is genoegzaam bekend: Max deed de inkoop en de winkel en liep de veilingen af, terwijl Wilma de beschrijvingen maakte. Verder prijsde Max de gewone boeken en Wilma de bijzondere. Over een juiste prijs kan ze lang zitten dubben. Een vaste formule bestaat er niet voor. ‘Op een gegeven moment staat de wijzer stil.’ Aan ‘pingelaars’ heeft ze een hekel, omdat deze geen respect tonen voor de beredeneerde prijs. ‘Achter elk bedrag gaat een hoop kennis schuil.’

Een enkele keer ging Wilma Schuhmacher mee op inkoop, bijvoorbeeld toen A. Roland Holst wilde verkopen. ‘Holst was een vriend van vader, dus dat was anders. In zijn badkamer in Bergen stond een kast met een rubberen gordijn ervoor. Die boeken mochten we taxeren. Max en ik zaten op de rand van het bad boek voor boek te bekijken en te betasten. Max heeft later bij de verhuizing van de Nesdijk nog geholpen met inpakken, want de laatste vriendin van Holst had een hernia. Ik geloof dat Max zelfs de droogboeketten en asbakken in papier heeft verpakt! Ik kreeg van Holst drie boeken cadeau, waaronder een eerste druk van Mei, met een handgeschreven opdracht van Gorter en zijn vrouw Wies Cnoop Koopmans aan de moeder van Holst.’

‘Als ik bezig ben met een nieuw onderwerp, dan bedenk ik een beschrijvingssysteem. Als het niet werkt, stel ik het bij. Niet alle boeken kunnen op dezelfde manier, met dezelfde termen en in dezelfde volgorde worden beschreven. Dat stringente boekbeschrijvingsgedoe stuit me tegen de borst. Ik laat me toch niet in een korset duwen. Een deeltje in de bibliofiele reeks Palladium is in eerste instantie een Palladium. Die informatie hoort niet in de noot, maar in de kop van de beschrijving, na de auteur en de titel. We hebben het toch ook altijd over Zilverdistels en Ooievaars? Dat onderaan hangen van wezenlijke informatie bevalt me niet. Bloemrijke beschrijvingen zul je in onze catalogi niet vinden, evenmin als biografische toevoegingen. Dat kunnen mensen tegenwoordig prima opzoeken op internet via Wikipedia. Bovendien kent degene die het van je gaat kopen die achtergronden wel. Ik zou bijna zeggen: als hij die niet kent, dan mag hij het niet eens kopen.’

‘Zo zal ik ook nooit aanbevelingen doen in een beschrijving, ergens in een noot, zoals “zeldzaam” of “mooi”, want dat kan ik niet. Ik zal iemand anders citeren: Schepers of Van Dijk en dan een nummer of een citaat. Een etiket als “zeldzaam” is gevaarlijk: wat weten we eigenlijk? Wat het ene moment zeldzaam is, kan het andere moment gangbaar worden. Zo’n Naenia van Boutens is toch echt niet zeldzaam, ook al is de hele oplage maar twaalf. Marco Goud heeft alle exemplaren getraceerd! Naenia is dus niet zeldzaam, het is duur. Weet je wat zeldzaam is? De echte eerste Cheops van J.H. Leopold. Die uitgave kan niet voor zichzelf zorgen. Hij ziet eruit als een overdruk met een blind, vaalblauw omslagje. Hiernaast hangt een Floris Verster, niet gesigneerd. Dus dan kan het doek wel in alle naslagwerken staan, maar het zorgt niet voor zichzelf. Het roept namelijk niet: “Hier ben ik!” Dat is ook soms met boeken het geval. Het zijn in wezen schlemieltjes waar je voor moet zorgen.’

In dit verband betreurt Schuhmacher het feit dat er in de Nederlandse handel amper deskundigen werkzaam zijn. ‘Bij Bubb Kuyper moet iedereen zo’n beetje alles beschrijven, van paperbacks tot incunabelen. In de kunstwereld is dat wel anders, tot voor kort tenminste. De aardewerkexpert hebben ze er bij Christies uitgegooid, want dat segment bracht toch maar twee miljoen op per veiling. Ik kocht daar met plezier Wit Delfts. Er is nu geen enkele veilinghouder die serieus aandacht heeft voor aardewerk. Bij Van Stockum veilen ze wel antiek, maar er is geen aparte man of vrouw voor keramiek. Zo is het hier met boeken ook, terwijl er in Duitsland – neem Bassenge in Berlijn – per onderwerp experts zijn.’ Dankzij specialisten en deskundigen, meent Schuhmacher, komen boeken en prenten eerder op de goede plek terecht. ‘De expert bemiddelt naar de klant toe.’

Elsschot

De sinds 2006 aangekondigde Elsschotcatalogus wil Schuhmacher in oktober 2010 ten doop houden in de achttiende-eeuwse kerk De Duif, tegenover het Amstelveld. ‘Zakelijk gezien is het mallotig, maar ik hoop met deze publicatie een deur open te zetten. Ik ben in 2003 serieus met Elsschot begonnen. Van sommige drukken was het overduidelijk dat die in verschillende bindpartijen zijn uitgebracht. Een boek dat in 1941 in de etalage ligt, kan gedrukt zijn in 1932, een titelpagina uit 1938 hebben en een band uit 1941. Het heeft soms wel maanden geduurd eer ik erachter kwam hoe het zat. Natuurlijk moet je zo veel mogelijk exemplaren van een druk tot je beschikking hebben, die boeken moeten letterlijk aan je voeten liggen. Ik heb wel twintig Beenen en veertig Pensioenen. De band van de eerste druk van Pensioen stelde me voor een raadsel. Daar heeft deze catalogus jaren op gehangen. Het horizontale streepje tussen auteur en titel – zowel in lengte als in positie wisselend – gaf uiteindelijk de oplossing. Tevens bleken er verschillende omslagen te zijn. De aanvankelijk door uitgever Van Kampen op de voorflap gedrukte aanbeveling had Elsschot geërgerd, zodat deze op een later omslag werd ingewisseld voor een citaat van Van Vriesland. Zo heb ik zeker twaalf varianten binnen de eerste druk uit 1937 kunnen traceren. Het was bijna onmogelijk om deze variatie binnen een-en-dezelfde druk op chronologische volgorde te zetten, al kwam ik een heel eind door naar de datering van handgeschreven opdrachten te kijken en naar de reclame op het omslag voor andere uitgaven.’

Bij het puzzelen kreeg Schuhmacher hulp van boekhistoricus Ernst Braches die haar ‘enthousiaste gekraai’ zonder terughoudendheid aanhoorde. Tevens zegt ze veel te danken te hebben aan haar ‘sterren’: Cyriel Van Tilborgh, Walter Mees, Vic van de Reijt en Thijs Wierema, alle vier ‘uit het juiste hout gesneden’ Elsschotverzamelaars. Willem Elsschot in boek en band. Een eerste inventarisatie van de bandvarianten van al zijn werk in alle drukken tot 1957 zal waarschijnlijk de eerste antiquariaatscatalogus zijn waarin afzonderlijke titelbeschrijvingen in druk aan personen zijn opgedragen.

Ze kijkt nog eens naar de aanwinst voor haar, waarvan de rode rug is verbleekt. ‘Het hoeft allemaal niet zo mooi, als het maar authentiek is. Hangt het boekblok een beetje uit de originele band? Fijn, dan kan ik in ieder geval zien hoe het is gebonden. Er was hier laatst iemand die vroeg naar een mint copy van Bezette Stad van Van Ostaijen. Die had ik niet en die wil ik niet. Zo’n grandioos boek moet toch minimaal een keer zijn ingekeken.’

Over de staat van de winkel is ze niet bepaald tevreden. ‘Max wist altijd alles te vinden. Ik riep iets en hij legde het voor mijn neus neer. Mijn assistente Anne-Marie, die hier sinds een paar jaar weer in dienst is, zoekt zich het leplazarus. Er is een tijd niet goed beheerd. Boeken zijn niet opgeruimd, maar ergens neergelegd. Kwetsbare uitgaven van Jaap Meijer en de Renildis Handpers vond Anne-Marie in de achterste kelder.’

Contacten

Als je zo lang in het boekenvak werkzaam bent, maak je vanzelf vrienden die je interesses delen. Dat kunnen verzamelaars en wetenschappers zijn, maar ook schrijvers. ‘Koos Schuur, de dichter, mochten wij ontzettend graag. In 1969 kochten we voor het eerst van hem. Het probleem was dat we die zomer juist naar Ierland wilden, terwijl we nog midden in het berekenen van ons bod zaten. Koos kon de ruimte echter goed gebruiken en hij suggereerde toen dat we zijn boeken alvast op onze zolder konden zetten. Ongebruikelijk en onprettig vond ik dat. In theorie konden we dan oneerlijk zijn. Dat heb ik Koos toen gezegd, waarop hij ontplofte: “Als ik u vertrouw!” Die man deugde gewoon. En toen ik in 1991 de Laurens Jansz. Coster-prijs kreeg, stond daar midden op die markt in Haarlem ineens Koos, glimmend en blij. Op slag verdwenen mijn zenuwen. Ik voelde me gedragen. Ik heb hem in 1995 in een radio-uitzending herdacht. Dat was de enige keer dat ik de tijd kwijt was. Het was te moeilijk. We waren echt bevriend.’

Schuhmacher memoreert de warme band met de Antwerpse bibliofiel Henri Dirkx. ‘Men leze over hem in het nieuwe boek van Buijnsters. Dirkx had de mooiste Stendhalcollectie van de wereld, echt. Eerste drukken in fraaie banden, in fraaie staat. Hij verzamelde de literatuur die hij mooi vond in zo goed mogelijke exemplaren. Daarvoor reed hij in zijn Mercedes net zo lang langs Parijse antiquariaten tot hij vond wat hij zocht.’ Er ontstond een hechte, stimulerende vriendschap tussen de Schuhmachers en Dirkx, al bleven ze elkaar vousvoyeren.

Met de uitgever en bibliofiel Johan B.W. Polak was het contact anders. ‘Hij kocht gewoon dure boeken. Het beroemde perkamenten luxe-exemplaar van Elsschots Villa des Roses – waar je langzamerhand een kind van krijgt – met een opdracht aan mejuffrouw Anna van der Tak was zijn trotse bezit. Later kocht hij echter nog zo’n luxe-exemplaar bij Kok. Maar Johan hield helemaal niet van Elsschot! Hij hield vooral van dure boeken. Uit de veilingcatalogus van zijn collectie blijkt dat hij verder alleen Elsschots Verzameld werk bezat. Kijk, zijn liefde voor Boutens en Leopold was echt. Maar in zijn verzamelen zat ook een element van patserigheid. Door familiekapitaal was Johan al miljonair op zijn achttiende, wat niet echt gezond is. Er is later een ruzie geweest tussen ons, omdat we via-via hoorden dat Polak fabeltjes over ons vertelde. Wij zouden de boeken duurder maken als hij in de buurt was. Dat is met het verschijnen van onze Boutens-Leopoldcatalogus in 1984 weer goedgekomen. Die vond hij geweldig.’

Oude en nieuwe plannen

Desgevraagd kan Schuhmacher niets zinnigs zeggen over de invloed van de economische crisis op de handel in boeken. ‘We zijn nog bezig met een soort herstructurering. Ik moet ook nog beslissen wat ik nu ga doen. Max is pas drie jaar dood. Sommigen, ook collega-handelaren, zeggen me dat het geen zin heeft nu een catalogus uit te brengen, terwijl ik er in wezen toch een aantal klaar heb staan. Het zou niet verkopen, het zouden slechte tijden zijn. Tja, ik moet nog maar zien wanneer de goede tijden komen.’

In de achterkamer liggen de gespreksonderwerpen voor het oprapen. Onbekende edities van Rhijnvis Feith, emblemata amatoria, Jacob Cats, etnografica uit de Congo, foto’s van het huis in Ierland waar Schuhmacher sinds 1970 elke zomer doorbrengt. Ze wijst naar de boekenplanken van Max. ‘Het staat er allemaal nog. Dat ik hem mis is een understatement. Ik ben een halve.’ Desalniettemin denkt ze na over de toekomst. Met Paul Dijstelberge, universitair docent en conservator van de UB Amsterdam, smeedt ze plannen voor een reeks colleges bij Boekwetenschap. Schuhmacher hoopt dat het praktisch haalbaar is, maar realiseert zich dat sommige plannen altijd plannen blijven. ‘Ik was heel graag dokter geworden, misschien ook een beste, omdat ik goed kan kijken. Liefst in India, omdat je “rendement” dan het grootst is. Daar hebben de mensen medische hulp harder nodig dan in ons eigen land.’

Een ander goed voornemen is het maken van een overzicht van door Jan van Krimpen typografisch verzorgde uitgaven. Schuhmacher kan het niet verkroppen dat er van andere twintigste-eeuwse vormgevers als A.A.M. Stols en Charles Nypels wel bibliografieën bestaan, maar van de letterontwerper Van Krimpen (‘de grootste, ook internationaal’) niet. ‘Omdat anderen blijkbaar geen tijd of zin hebben, doe ik het zelf maar. Ik ben weer aan het sparen. Ik zoek in de breedte, waardoor je ook heel zeldzame titels tegenkomt.’ Ze maakt de vergelijking met de magnolia’s in het Ierse arboretum van de Schuhmachers. ‘Je moet graven. Gewoon graven. Dan vind je vanzelf wat.’ Of dit project de grootte en diepte van de Elsschotcatalogus krijgt, kan ze nog niet zeggen. Desnoods wordt het een lijst die anderen kunnen uitbreiden. ‘Met Van Krimpen heb ik dat precieze gemeen, dat neurotische eigenlijk. Ach, en of dat nu allemaal nog lukt… Het plezier telt ook. Het genoegen van pakketten en pakjes boeken die binnenkomen en waarvan je nooit weet wat er precies in zit. Dat weet je pas als je het ziet.’

Dit interview met Wilma Schuhmacher verscheen in De Boekenwereld, jrg. 26, afl. 5 (juli 2010).

Simon Carmiggelt: een bibliografie

Ter gelegenheid van de jubileumeditie van de S. Carmiggelt Bibliografie vuren we enkele vragen af op bibliograaf Ruud Broens, die sinds 1984 dagelijks in de weer is met lange lijsten.

De bibliografie van Simon Carmiggelt is toe aan een negende druk, die liefst 440 pagina’s zal beslaan. Is er, ten opzichte van de vorige druk, veel veranderd?
De in april 2009 te verschijnen negende druk van de Carmiggelt Bibliografie (Deel 1 – Boeken) is verder uitgebreid met circa 325 aanvullingen ten opzichte van de achtste druk. Deze aanvullingen bestaan uit publicaties verschenen sinds de uitgave van de vorige druk (periode februari 2005 tot en met december 2008) alsmede uit tot nu toe onbekende publicaties. Alle ten opzichte van de achtste druk nieuw toegevoegde titels alsmede titels waarin een wijziging in de omschrijving heeft plaatsgevonden, zijn voorzien van een *.

Deel 1 (Boeken) van de Carmiggelt Bibliografie bestaat uit de volgende rubrieken:

1. Uitgaven geheel van de hand van S. Carmiggelt;
2. Boeken geheel van de hand van S. Carmiggelt onder pseudoniem;
3. Boeken geheel van de hand van S. Carmiggelt in vertaling;
4. Samenstellingen;
5. Inleidingen: voorwoorden – nawoorden – flapteksten;
6. Medewerkingen;
7. Medewerkingen onder pseudoniem;
8. Medewerkingen in vertaling;
9. Boeken over S. Carmiggelt;
10. Boeken waarin bijdragen over S. Carmiggelt;
11. Doctoraal scriptie;
12. Bijdragen van S. Carmiggelt in schoolboeken;
13. Grammofoonplaten;
14. CD’s;
15. Diversen.

Opperbibliograaf Frans Janssen gaf toe dat een bibliografie nooit compleet is. Wat denkt u? Hebt u nog mooi hiaten kunnen invullen? Krijgt u hulp of aanwijzingen van anderen?
Een bibliografie kan m.i. nooit compleet zijn. Sinds de uitgave van de eerste druk in 1984 zijn er honderden uitgaven boven water gekomen en ik vrees dat dit zo zal blijven. Echter, dit zal vooral het geval zijn bij het secundaire werk (bijdragen in (school)boeken), bijdragen over Carmiggelt, etc.) en niet meer zo zeer bij het primaire werk. Sommige uitgaven kom ik op het spoor via tips van anderen maar het leeuwendeel van het werk verricht ik zelf. Alle beschrijvingen van de titels berusten op autopsie.

Bij hoeveel exemplaren spreekt u van een uitgave? De Hermansbibliografie hanteert een strikte grens van vijf exemplaren. Boris Rousseeuw, die Tom Lanoye vastlegde, registreert ook uitgaven in één exemplaar.
Ik hanteer geen grens bij de oplage van een titel. In de Carmiggelt Bibliografie staan enkele uitgaven die in één of enkele exemplaren zijn uitgegeven.

De eerste druk van de Carmiggeltbibliografie verscheen in 1984, toen de schrijver nog leefde. Heeft hij u geholpen?
Bij het tot stand komen van de eerste druk van de bibliografie in 1984 heeft Simon Carmiggelt niet geholpen. De schrijver was niet zo gecharmeerd van alle aandacht. Dit was al eerder gebleken bij de oprichting van de Carmiggelt Vereniging in 1978. Hij gedoogde e.e.a. maar was niet bereid enige bijdrage te leveren. Na zijn dood in 1987 heb ik via zoon Frank Carmiggelt wel de gelegenheid gehad de bibliotheek van Simon Carmiggelt door te spitten en daar zijn de nodige interessante aanvullingen uitgekomen.

Bibliografen zijn bijna altijd verzamelaars. Wat bent u meer? Of zijn die twee “beroepen” onlosmakelijk met elkaar verbonden?
In zijn algemeenheid zullen bibliografen inderdaad bijna altijd boekenverzamelaars zijn. In mijn geval is dat inderdaad ook lange tijd het geval geweest maar de laatste jaren vind ik het vinden (en behouden) van de gegevens belangrijker dan het per se in bezit hebben van een boek.

Naast deel 1 van de Carmiggelt Bibliografie zijn in dezelfde serie ook nog verschenen:
Deel 2. S. Carmiggelt Bibliografie. Kranten, weekbladen en tijdschriften. Tweede, uitgebreide druk, 1996.

Deel 3. S. Carmiggelt Bibliografie. Naamsvermeldingen in boeken. Zesde, uitgebreide druk, 2007.

Deel 4. S. Carmiggelt Bibliografie. Index Carmiggeltianus. Een personenindex op de boeken van S. Carmiggelt. Tweede druk, 1996.

Zelfportret van Simon Carmiggelt dat Broens op zijn verjaardag kreeg

‘Geen illusie Hotz helemaal te leren kennen’

F.B. Hotz (1922-2000) is de schrijver van een klein oeuvre. Zijn plaats in de Nederlandse literatuur zal wel altijd marginaal zijn. Toch wordt er al hard gewerkt aan een biografie. Aleid Truijens nam in januari een jaar verlof van haar werk bij de Volkskrant en brengt sindsdien het teruggetrokken bestaan van een groot schrijver in kaart. ‘Het moet het verhaal worden van een lang sluimerend schrijverschap, dat laat tot bloei kwam. Het verhaal van iemand met vele talenten die, door de tijd en zijn persoonlijke omstandigheden, moeizaam tot uitdrukking kwamen.’

Hoe zult u te werk gaan met het schrijven van de biografie? Een grote bron van informatie zullen Hotz’ autobiografische verhalen zijn, waar hij – paradoxaal genoeg – juist zoveel mogelijk biografie uit wilde ‘schrappen’. Verder heeft hij weinig interviews gegeven; hij hield zich afzijdig van het literaire leven in Leiden. Is er genoeg materiaal voor een biografie?
‘Nee, ik denk niet dat autobiografische verhalen op zichzelf als goede bron te beschouwen zijn. Ik ben er zo langzamerhand wel achter dat zulke verhalen – bij hem, maar dat is zo bij de meeste schrijvers – een onontwarbare mengeling van herinnering en verbeelding zijn. Je kunt ze wel náást de feiten leggen, als je die eenmaal achterhaald hebt. Dan is het interessant om te zien hoe hij de werkelijkheid heeft vervormd en wanneer, en wellicht waarom hij dat deed.
Het werk is wel de reden en de enige rechtvaardiging voor de biografie, de grootheid ervan, de magistrale stijl, het bijzondere vermogen om over het verleden te schrijven als over een levend heden. Ook al is een leven nog zo ‘boeiend’ op zichzelf, Hotz is voor mij een groot en uniek schrijver. Ik zou willen dat dat werk de komende eeuw in gaat, nieuwe lezers vindt, herdrukt wordt, en ik hoop dat mijn biografie daartoe iets bijdraagt.
Mijn bronnen zijn in de eerste plaats gesprekken, en schriftelijke bronnen, zoals brieven. Ik hoop dat vrienden en familie mij zulk materiaal ter inzage willen geven. Er zijn wel wat interviews – ikzelf heb hem uitgebreid gesproken voor de Volkskrant – en daaruit zal ik uiteraard citeren, maar ik wil zo veel mogelijk uit de eerste hand hebben. Dat wil zeggen: uit gesprekken met mensen die hem goed gekend hebben, in de eerste plaats zijn zus Atie Fransen-Hotz, met wie hij in zijn volwassen leven veertig jaar heeft samengeleefd, maar ook (jeugd)vrienden, vriendinnen, medemuzikanten, literaire kennissen, zijn uitgevers, enzovoort.’

Heeft u al een titel in het hoofd? De duistere jaren van F.B. Hotz?
‘Nee, ik heb geen titel, echt niet. Maar die rijst ongetwijfeld op uit mijn materiaal, uit het verhaal dat zich vormt.’

Beoogt u met deze biografie een compleet feitenrelaas te geven of gebruikt u alleen de feiten die relevant zijn voor het verhaal dat u wilt vertellen?
‘Tja, wat is compleet. Je bent nooit compleet. Je weet nooit wat er in iemand is omgegaan op al die momenten waarop hij niet schreef of met anderen sprak. Ik heb niet de illusie Hotz helemaal te leren kennen. Maar voorzover je de feiten die ertoe doen kunt achterhalen moet je die weergeven. Onbenulligheden en trivialiteiten: of hij ’s ochtends een eitje at of een boterham met pindakaas – nee. Tenzij details nodig zijn om iets bijzonders, iets eigens te schetsen.
Maar het moet wel een leesbaar, goed lopend verhaal worden, ik wil het vertellen als een verhaal. Niet idioot dik, Hotz’ eigen eis tot beknoptheid indachtig – ik denk aan maximaal 300 pagina’s – want daar doe je lezers geen plezier mee. Ik zie niets in een biografie à la Harry Prick over Lodewijk van Deyssel, al heb ik grote bewondering voor zo’n titanenklus.
Het moet het verhaal worden van een lang sluimerend schrijverschap, dat laat tot bloei kwam. Het verhaal van iemand met vele talenten die, door de tijd, en zijn persoonlijke omstandigheden, moeizaam tot uitdrukking kwamen. Maar toen zijn talent eenmaal ontdekt was, beleefde het werk een korte, heftige bloei. Zijn jeugd in de jaren ’20 en ’30, de oorlog, het muzikantenbestaan, zijn bewondering voor kunst, architectuur en literatuur uit bepaalde perioden, het is allemaal in dat werk terechtgekomen. Alles in zijn leven werkte naar het schrijverschap toe. Maar ja, dat kun je achteraf natuurlijk altijd zeggen.’

In 1997 verscheen Het werk, een bundeling van Hotz’ vorige boeken. Helaas ontbreken daarin een paar verhalen, misschien omdat ze nooit in een reguliere verhalenbundel gestaan hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan ‘Joop, Jan en Meneer Ginsberg’, een verhaal over drie Leidse boekhandelaren, in 1984 verspreid als nieuwjaarswens. Of de tekst die Hotz in 1987 speciaal schreef voor het Academisch Ziekenhuis Leiden. Verdient Hotz niet alsnog een complete uitgave van zijn verzameld werk?
‘Ik ben al dolbij dat Het werk er is. “Denk je niet dat het tegenstaat, twee van die dikke bundels dundruk?” vroeg Hotz mij eens. Toch was hij er wel blij mee, vooral omdat de cassette er mooi uitzag, en hij besteedde er een deel van de P.C. Hooftprijs aan. Ja, natuurlijk zou een herdruk waaraan de ontbrekende verhalen zijn toegevoegd mooi zijn. Maar om nieuwe lezers te bereiken, wat ik belangrijker vind, zou je om te beginnen een keuze uit zijn verhalen (weer) in een betaalbare herdruk moeten brengen.’

Familie van Hotz kwam in het bezit van de complete briefwisseling tussen F.B. Hotz en zijn oom Herman Kunst en bundelde hem voor eigen gebruik. Die bundel, de voorloper van Een beetje levensbestemming, was in eerste instantie niet voor publicatie bedoeld; met Hotz’ wens werd rekening gehouden. Wat heeft de erven doen besluiten toch in te stemmen met Een beetje levensbestemming? Is dit geen heiligschennis?
‘Ja, lastig. Dat hebben wij ons natuurlijk ook afgevraagd. Wij, dat zijn Henri E. Schütte (de schoonzoon van Hotz’ oom Herman Kunst), de redacteuren van De Arbeiderspers en ik. We hebben besloten dat het literair-historische belang van die brieven groot is. Zijn zuster Atie, heel belangrijk, stemde ermee in. Als zij niets in de biografie had gezien, had ik dit plan niet willen doorzetten. Ook zij denkt dat haar broer het goed had gevonden dat bewonderaars van zijn werk dat werk levend willen houden.’

Naast de grote briefwisseling tussen Hotz en Kunst is er ook een flinke stapel brieven en manuscripten – bij het Letterkundig Museum, bij verzamelaars en antiquariaten – aan zijn uitgever en vaste redacteur Theo Sontrop. Zijn de brieven aan zijn uitgever niet de moeite van een uitgave waard? Zeker gezien de rol die Sontrop heeft gespeeld in de loopbaan van de schrijver, die veel waarde hechtte aan diens (literaire) oordeel.
‘Brieven zijn toch van een heel andere orde dan manuscripten en typoscripten. Hoe prachtig het ook is om die in handen te houden en Hotz’ gelijkmatige handschrift te zien, en die zorgvuldige doorhalingen en verbeteringen, ze bevatten geen nieuwe, onbekende informatie. Ik ben nu vooral benieuwd naar brieven die in het bezit zijn van correspondenten. Uit de brieven aan Martin Ros en Theo Sontrop zal ik uiteraard uitgebreid citeren in de biografie.’

In 1977 schreef Frits Hotz aan zijn oom: ‘Büch heeft bovendien een plan (voor later) om een korte briefwisseling met mij te publiceren – waarschijnlijk Hollands Diep. Ik wacht maar af!’ Deze brief heeft in de brievenuitgave Een beetje levensbestemming geen voetnoot gekregen: weet u of er ooit iets is terechtgekomen van de korte briefwisseling met wijlen Boudewijn Büch?
‘Bij mijn weten niet, maar ik hoop dat er brieven opduiken. Ik ben nog maar net begonnen met mijn research.’

In Nederland zijn er twee bloemlezingen uit Hotz’ werk verschenen. Eén tijdens zijn leven (De tramrace en andere verhalen, als Salamander, 1982) en één na zijn dood. Gaat dat gelijk op met de aandacht die Hotz toebedeeld krijgt in de literatuurgeschiedenis? En komt de bundel die collega-schrijver en vriend Maarten ’t Hart samenstelde (De mooiste verhalen van F.B. Hotz, 2000) bijvoorbeeld wel overeen met wat Hotz zelf het mooiste vond?
‘”De” literatuurgeschiedenis, tja, waarover hebben we het dan? Ik hoop dat er nog eens iemand opstaat die de moed heeft om de Nederlandse literatuur na de Tweede Wereldoorlog compleet in kaart te brengen, met beschrijvingen van alle oeuvres – ik meen dat Ton Anbeek daar nog steeds mee bezig is. Hotz is een schrijver met een klein oeuvre, die niet makkelijk is onder te brengen bij een stroming. Zijn plaats in welk standaardwerk dan ook zal altijd marginaal zijn. Maar de waardering voor dat kleine oeuvre is groot geweest en is nog steeds groot. Veel mensen kennen hem niet, ook mensen die behoorlijk veel lezen en de Nederlandse literatuur zeggen ‘bij te houden’, maar áls mensen hem lezen vinden ze dat werk vaak zeer goed. Tussen alle kritieken die er in de loop der jaren op zijn werk verschenen zijn, zitten maar enkele negatieve. Niet voor niets kreeg deze betrekkelijk onbekende auteur de P.C. Hooftprijs. Elke bloemlezing is arbitrair. Dat geeft niet, als er maar bijgezegd wordt wiens keuze het is en als die keuze wordt verantwoord. Maarten ’t Hart wist volgens mij vrij goed welke verhalen Hotz het mooist vond.’

Hotz heeft wel eens gezegd dat vrouwen zijn werk vaak beter begrijpen dan mannen. Desondanks wordt Hotz’ werk wel eens vrouwonvriendelijk genoemd. Hoe kijkt u daar tegen aan? Voelt u zich aangesproken?
‘In de jaren zeventig, toen Hotz debuteerde, vierde het feminisme hoogtij. Zelf zat ik ook in allerlei feministische leesgroepjes. Vrouwen of meisjes die het werk nauwelijks gelezen hadden, wisten mij te vertellen dat Hotz een vrouwenhater was. Ik was het daar toen al volslagen mee oneens. In de verhalen van Hotz – toch iets anders dan in Hotz’ opvattingen in het leven van alledag – zitten mannen en vrouwen elkaar vaak in de weg, vooral als ze zijn samengedreven in het huwelijk. Ze willen verschillende dingen, stellen elkaar onmogelijke eisen en begrijpen elkaar vaak slecht. Eigenlijk gaat het erom dat mensen elkaars eigenaardigheden niet wensen te accepteren, elkaars passies en voorkeuren niet respecteren; ze zouden – zeggen die verhalen – elkaar wat meer met rust moeten laten. Vrouwen zijn bij Hotz vaak praktisch, slim en doortastend; mannen kinderlijk, bang en een beetje sukkelig. Ik kan het daar tot op zekere hoogte mee eens zijn, maar ja, als je je blik op een bepaalde manier richt, zíe je het ook.
Grappig is dat Hotz ‘erkende’ slechteriken, zoals vreemdgangers, oplichters en klaplopers, met sympathie beschrijft. Misschien uit bewondering: zelf ging dat soort zwier hem niet gemakkelijk af, en hij had een groot schuldbesef.
Overigens zei Hotz tegen mij in 1999, toen ik hem interviewde, dat hij vond dat het samengaan van man en vrouw er de laatste tijd flink op vooruit was gegaan. Alleen al het feit dat je niet meer onvrijwillig in een huwelijk opgesloten hoeft te zitten vond hij pure winst. Dat vrouwen zich nu kunnen ontplooien vond hij ook een vooruitgang. Misschien zat ‘m daarin wel een groot deel van het chagrijn bij veel vrouwen, zei hij. In zekere zin was hij dus een feminist.’

Nop Maas, die werkt aan een biografie van Gerard Reve, heeft van de schrijver en zijn levensgezel Joop Schafthuizen honderden brieven en documenten gekregen, waar hij mee doen mag wat hij wil. Hebt u dergelijke voordeeltjes kunnen boeken?
‘Nogmaals, ik ben nog maar net begonnen met mijn research. Er zijn mensen die mij willen helpen en die mij inzage in materiaal hebben beloofd, dus ik heb goede hoop dat er het één en ander op mijn pad komt.’

Tot slot: wanneer ligt het boek in de winkel?
‘Oei, daar durf ik geen uitspraak over te doen. Ik heb het komende jaar onbetaald verlof van mijn werk bij de Volkskrant, en in dat ene jaar hoop ik ver te komen. Met de research en gesprekken moet ik in elk geval klaar zijn. Of het boek ook binnen het jaar afkomt, dat betwijfel ik. Maar het mag geen jaren duren.’

(januari 2004)

‘Compleet is de mythe’

Op deze plek kwamen achtereenvolgens Frans Mouws, Jos Wuijts en Boris Rousseeuw aan het woord over hun werkzaamheden als bibliograaf, iets wat zij alle parttime en uit eigener beweging deden. Daaruit had afgeleid kunnen worden dat het maken en onderhouden van een bibliografie geen serieuze bezigheid is. Dat die gedachte meteen moet worden losgelaten, bewijst Frans A. Janssen, bibliograaf van W.F. Hermans. Als hekkensluiter belicht de hoogleraar Boekwetenschap aan de UvA meer de wetenschappelijke en historische kant van de bibliografie. Het wetenschappelijk verantwoorde van zijn werk betekent geenszins een breuk met zijn voorgangers: ‘Ik kijk niet neer op bibliografen die het anders doen.’

In 2000 verscheen het lijvige, fraai geïllustreerde boek Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans, dat u samenstelde met Sonja van Stek. Hebt u, met uitzondering van de herdrukken die na de bibliografie verschenen zijn, nog hiaten ontdekt?
‘Natuurlijk, want een bibliografie is nooit compleet. Compleet is de mythe van de onervarenen, van mensen die niet goed weten wat boeken zijn, hoe ze worden gemaakt, hoe ze worden overgeleverd en hoe ze worden opgenomen in een bibliografie. Deze mensen gaan dan ook tekeer als ze in een bibliografie een hiaat of een fout vinden, terwijl er in feite alleen maar reden tot vreugde is als iemand onze kennis van boeken heeft verrijkt door een aanvulling op een bibliografie. Bij bibliografieën van Engelse of Amerikaanse schrijvers is het heel gewoon dat correcties en aanvullingen in de tweede druk de omvang van de eerste druk overtreffen. In de vakliteratuur zien we regelmatig dat bibliografische overzichten na een aantal jaren opnieuw, herzien en uitgebreid, worden gepubliceerd. En dan: het is beter om een bibliografisch overzicht te publiceren met fouten en hiaten, dan helemaal niks.’

In de verantwoording schrijft u: ‘Het enige criterium voor opname was dat er tenminste vijf exemplaren geproduceerd zijn. De beschrijvingen zijn gebaseerd op autopsie; elk nummer in de bibliografie is beschreven met een exemplaar van de betreffende druk in de hand.’ Haast geen enkele bibliograaf hanteert zulke strikte voorwaarden: Frans Mouws neemt ongezien beschrijvingen over uit antiquariaatscatalogi, Boris Rousseeuw vermeldt ook unieke luxe-edities. Moet er een standaard ontwikkeld worden? En: op basis waarvan heeft u uw criteria vastgesteld?
‘Die standaard is er al: bibliografie is een vak, met een theorie, met vakboeken (bv. Esdaile, Stokes, Bowers), met vaktijdschriften (bv. Studies in Bibliography), met een rijke praktijk (in het bijzonder bibliografieën van Angelsaksische auteurs). Daar hebben Van der Stek en ik onze criteria vandaan. Aan de basis liggen inzichten betreffende de technieken van zetten en drukken: daarin liggen onderscheidingen als druk, uitgave, variant. Ik kijk niet neer op bibliografen die het anders doen: elke bibliografie moet je beoordelen naar zijn eigen doelstellingen. Je mag best zonder controle beschrijvingen uit antiquariaatscatalogi of uit andere bronnen overnemen, alleen heb je dan geen bibliografie maar een basislijst, die evenzeer nuttig is. Luxe-edities mogen in een bibliografie beschreven worden, als ze maar onderscheiden worden van luxe-exemplaren (privé-exemplaren van een druk, die niet als een bijzondere uitgave gepresenteerd worden). Een bibliografie beschrijft edities (drukken) en varianten daarbinnen, alleen een catalogus beschrijft exemplaren. In de WFH-bibliografie zijn dus exemplaar-gebonden gegevens niet vermeld.’

Uw bibliografie is grotendeels gebaseerd op uw eigen collectie, die zich thans in de Koninklijke Bibliotheek bevindt. Hoe is die verzameling ontstaan? En: is het de bedoeling dat die uiteindelijk helemaal compleet is?
‘Inmiddels is mijn collectie weer terug bij mij. De verzameling is ontstaan uit drie vragen. Wat zijn de werken van Hermans en in welke drukken en uitgaven zijn ze verspreid? Zijn er tekstuele varianten en hoe kunnen ze verklaard worden uit het productieproces? En ten slotte geeft een dergelijke collectie een beeld van het boekenmaken in Nederland vanaf de Oorlog, zowel in technisch opzicht als gezien vanuit de typografische vormgeving. Helemaal compleet kan een verzameling nooit zijn, en dat hoeft voor mij ook niet: ik heb ook nog andere belangstellingen waaraan ik tijd en geld besteed.’

De meeste bibliografen krijgen volledige medewerking van de auteur. Zo heeft Arnon Grunberg zijn bibliograaf actief geholpen met het achterhalen van publicaties. Tom Lanoye vulde het knipselarchief van zijn bibliograaf aan met kopieën – hoewel hijzelf geen échte bibliofiel is. Was W.F. Hermans erg behulpzaam?
‘Ja, toen ik goed op weg was heeft Hermans mij zeer geholpen. Maar ook aan de opeenvolgende directeuren van De Bezige Bij (en hun productiechefs) heb ik veel te danken. Dit geldt ook voor Thomas Rap en voor De Harmonie, maar jammer genoeg niet voor Van Oorschot: zelfs op een heel eenvoudig, zakelijk vraagje weigerde de uitgever een antwoord te geven. Wat hij overigens wel netjes in een brief meedeelde.’

Wie wil u in eerste instantie dienen? De wetenschappers of de verzamelaars?
‘Ik zie in dit verband geen tegenstelling tussen wetenschappers en verzamelaars: beiden willen toch weten welke teksten er in welke drukken zijn en wat de waarde (de ‘status’) van iedere druk is in de reeks drukken van een werk. Omdat ikzelf zowel wetenschapper als verzamelaar ben, heb ik natuurlijk vooral mijzelf gediend.’

Initiatieven tot een schrijversbibliografie worden meestal genomen door particuliere verzamelaars. Van de geïnterviewde bibliografen bent u de enige met een wetenschappelijke achtergrond. Is er geen echte bibliografische traditie binnen het Nederlands taalgebied?
‘Er is wel degelijk een bibliografische traditie in Nederland. Ik hoef alleen maar te wijzen op het werk van Piet Verkruijsse, op de discussies in het vaktijdschrift Dokumentaal, op de bibliografieën van de Stichting Drukwerk in de Marge. Of op de bibliografische kaarten van het Nederlands Letterkundig Museum, waaraan Kees Lekkerkerker heeft meegewerkt – de kenner van de slordige Slauerhoff was zelf allesbehalve slordig. Bij dit alles staat zowat altijd de al genoemde Angelsaksische traditie op de achtergrond. Overigens zijn bibliografen juist vaak geen verzamelaars van het terrein dat ze beschrijven.’

‘Men zegt wel dat de bibliografie de ware biografie van de schrijver is.’ Bent u tijdens het werk nog gestuit op interessante biografische informatie?
‘Dat citaat is natuurlijk een understatement. Wij bedoelden te zeggen dat het werk van een schrijver belangrijker is dan zijn biografie. Het is vreemd dat mensen grote belangstelling aan de dag leggen voor het (vaak saaie) leven van een schrijver, terwijl zij voor het leven van de mevrouw achter de kassa in hun supermarkt, dat in vele gevallen veel boeiender is, geen enkele interesse tonen.’

Wordt de complete bibliografie nog eens op internet gezet?
‘Daar is inderdaad wel eens over gesproken. Ik zal er niet tegen zijn.’

februari 2004

‘Vanaf een bepaalde dag geloof je het wel’

Schrijvers schrijven allang niet meer alleen boeken. Hun teksten staan steeds vaker in kranten, tijdschriften, tv-gidsen, literaire kalenders, lokale schoolkranten en – niet in de laatste plaats – uiterst obscure en zeldzame uitgaafjes. De allesverslindende verzamelaars rukken op: een bibliografie is pure noodzaak. In aflevering drie van een succesvolle reeks: de bibliograaf van de Vlaamse schrijver, dichter, performer Tom Lanoye. Boris Rousseeuw heeft van 1979 tot 1986 exact bijgehouden wat er van en over zijn landgenoot verscheen. Over het voorkomen van mythes, bibliografische moeheid en erkenning.

Een bibliografie is een overzicht van alle publicaties van een schrijver. Veel bibliografen houden echter een slag om de arm en bekennen in het voorwoord dat de bibliografie zonder twijfel lacunes zal vertonen. Om dezelfde reden noemt Frans Mouws zijn boek over Boudewijn Büch nadrukkelijk een ‘overzicht van zijn werk’, en niet ‘bibliografie’. Deze voorzichtigheid is niet terug te vinden in uw verantwoording: bent u zo zeker van uw zaak?
‘Ja, vóór de bestreken periode heb ik fanatiek verzameld en ook de medewerking gekregen van de auteur zelf. Er zal wel wat ontbreken, maar zeker geen belangwekkende dingen, hoogstens ergens een klein interview of een bespreking of zo. Het was toen nog voor de grote “doorbraak”, Tom kreeg wel aandacht en respons, maar niet gigantisch.’

De meeste bibliografen krijgen volledige medewerking van de auteur. Zo heeft Arnon Grunberg zijn bibliograaf actief geholpen met het achterhalen van publicaties. Was Tom Lanoye hulpvaardig?
‘Absoluut. Hij hield toen een nauwkeurig archief bij en gaf kopieën van alles wat ik gemist had. Dikwijls zelfs originelen, want zelf is hij geen échte bibliofiel. Zo heb ik dingetjes die bijna niemand heeft, zoals stukken in PC, een vroeg interview in de PZC of de VPRO-gids.
Inmiddels zal het zelfs voor hem wel ondoenlijk geworden zijn om alles bij te houden. Hij heeft er – net als ik – ook niet meer de tijd voor. Vanaf een bepaalde dag geloof je het wel. Ik merk dergelijke bibliografische moeheid ook bij andere schrijvers op. Bij Komrij bijvoorbeeld.’

Een bibliografie ontstaat vaak uit een uit de hand gelopen verzameling. Hoe is dat bij u gegaan? En speelde het feit dat u een bibliofiele drukkerij heeft daarin tevens een rol?
‘Inderdaad, ik was op de eerste plaats bewonderaar, als logisch gevolg daarvan verzamelaar, en pas op de derde plaats bibliograaf.’

Wie heeft u in eerste instantie willen dienen? De wetenschappers of de verzamelaars?
‘Wetenschappers, want dat zijn geen concurrenten. Bovendien wou ik vermijden dat er rond Tom mythes zouden ontstaan, die te goeder trouw voortspruiten uit een slechte kennis van de beginperiode. Denken we aan het fabeltje dat Elsschot na 1923 zou gestopt zijn met schrijven omdat zijn boeken slecht ontvangen werden. Op basis van mijn bibliografie kan niemand volhouden dat Tom in zijn beginperiode miskend of doodgezwegen is.
Maar het doet me plezier dat mijn bibliografie ook in verzamelaarskringen gebruikt wordt. Zij het dan soms alleen om de prijs op te drijven…’

‘Het enige criterium voor opname was dat er tenminste vijf exemplaren geproduceerd zijn. De beschrijvingen zijn gebaseerd op autopsie; elk nummer in de bibliografie is beschreven met een exemplaar van de betreffende druk in de hand,’ aldus Frans A. Janssen en Sonja van Stek over hun kolossale werk Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans (2000). Frans Mouws, daarentegen, beschrijft ook unica, en hij neemt niet zelden beschrijvingen over uit antiquariaatscatalogi. Welke voorwaarden heeft u gesteld?
‘Ik heb alles beschreven aan de hand van originelen in eigen (en soms andermans) bezit en heb dus alles vastgehad. Oplage speelt geen rol. Niet overdrijven: er bestaan slechts enkele unica, zoals de luxe-scriptie van Tom over Hans Warren op 1 ex. met handgeschreven gedicht van beiden. Een gekoesterd bezit, omdat ik ook een Warren-liefhebber ben (dank zij Tom!) en de man enkele malen ontmoet heb.’

Uw bibliografie loopt tot december 1986. Bent u toen gestopt?
‘Nee, maar ik had na het verschijnen van Een slagerszoon met een brilletje in 1985 (Tom bij Sonja Barend, ettelijke herdrukken vlak na elkaar, serieus genomen door hele pers) het gevoel dat de “beginperiode” afgesloten was, en besloot die op mijn beurt af te sluiten met mijn bibliografie. Na het verschijnen van Alles moet weg in 1988 kreeg ik gelijk: grote oplages en massale respons werden toen standaard.
Nadien heb ik alles wel bijgehouden, maar ik streef geen volledigheid meer na. Dat is een dagtaak. Dit theaterseizoen zijn er bijvoorbeeld twaalf verschillende ensceneringen van toneelstukken van Tom, daar zou je dus in theorie allemaal achteraan moeten gaan voor de programmabrochure, speelteksten, foto’s, recensies in regionale pers, enz.’

U kent blindelings de weg in de publicaties van en over Tom Lanoye. Is de verleiding niet groot om die informatie aan te wenden voor artikelen over (het werk van) Lanoye?
‘Ik heb geen tijd en denk ook niet dat ik de grote inhoudelijke visie heb op zijn werk. Wel mocht ik eind vorig jaar de catalogustekst schrijven voor de eerste Lanoye-tentoonstelling in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen. Dat gaf me wel een gevoel van erkenning. En met verzameling en bibliografie achter de hand, schrijf je zo’n tekst met je ogen dicht.’

Uw Bibliografie van en over Tom Lanoye (1979-1986) is verschenen bij uw eigen drukkerij: De Carbolineum Pers. De totale oplage bedraagt slechts 130 exemplaren. Zou het, omwille van de toegankelijkheid, geen goed idee zijn om de bibliografie op het internet te plaatsen?
‘Nee, ik geef dat zelf uit en wie interesse heeft moet het maar kopen. DCP is op de eerste plaats een boekhistorisch-bibliografisch fonds dat op termijn – deo volente – 100 titels moet bevatten; ik ga dat niet verzwakken door dingen op internet te zetten. Als het boekje uitverkocht is, kan dat wel natuurlijk. Overigens is de verkoop slecht. De doorsnee Lanoye-lezer is te jong en te arm om te verzamelen. En de oudere verzamelaars met geld stoppen bij Hugo Claus. Binnen vijf tot tien jaar draait dat om.’

januari 2004

‘Een bibliograaf doet niet aan mode of appreciatie’

Een bibliografie is een zo volledig mogelijke lijst met publicaties. Nu schrijvers zich steeds meer manifesteren in kranten, tijdschriften, tv-gidsen, literaire kalenders en lokale schoolkranten, is een bibliografie van een schrijver niet overbodig. In aflevering twee van wat een reeks begint te worden: de bibliograaf van Arnon Grunberg én Marek van der Jagt. In zijn nieuwe onderkomen in Praag, waar hij alleen nog maar ‘huishoudelijk en recreatief’ bezig geweest was, vond Jos Wuijts tijd om een paar vragen te beantwoorden.

In 1998 kwam uw Serieuze Poging tot een Volledige Bibliografie van de Zelfstandige en Verspreide Geschriften van Arnon Grunberg uit. Waarom beginnen aan een bibliografie als de schrijver nog volop publiceert? Was uw bibliografie bij het uitkomen al niet gedateerd?
‘In de bibliografie is ook opgenomen een ‘Interview met mijn bibliograaf’ waarin op de eerste vraag een antwoord wordt gegeven. De bibliografie werd samengesteld op verzoek van Grunbergs uitgever. Dat verzoek zou me natuurlijk niet bereikt hebben als ik in de vier jaren daarvoor niet veel documentatie had verzameld. Of de schrijver nog volop publiceert of niet lijkt me minder relevant dan wat hij op zeker moment al gepubliceerd heeft. Bij Grunberg was dat in 1998 veel meer dan zijn lezers dachten. Gedateerd? Het was een ‘Serieuze Poging’, een eerste aanzet zeg maar.’

Bent u, nu vaststaat dat Marek van der Jagt een pseudoniem is van Arnon Grunberg, ook zíjn bibliograaf? Of beschouwt u hem als een andere schrijver?
‘Van der Jagt en Grunberg zijn voor mij één auteur. De mens Arnon werkt voor beide namen mee aan het onderhouden van de bibliografie.’

Bibliografen zijn bijna altijd boekenverzamelaars. Wat bent u meer? Of zijn die twee “beroepen” onlosmakelijk met elkaar verbonden?
‘Behalve verzamelaar van Gerard Reve en Arnon Grunberg ben ik een bescheiden boekhandelaar. Verzamelen en bibliograferen is een voor de hand liggende combinatie, als men tenminste de originele documenten onder ogen wil krijgen. Informatie van derden, internet of kopieën is kreupel. Dat moet geverifieerd worden.’

Heeft u, met uitzondering van de publicaties die na uw bibliografie verschenen zijn, nog hiaten ontdekt?
‘Niet echt. Wel zijn in de sectie ‘Arnon Grunberg als dramaturg’ enkele teksten vermeld die strikt genomen expliciet in de bibliografie thuishoren. Bij een bezoek aan het NTI in Amsterdam bleek dat Grunberg deze teksten destijds aan het Instituut had toegezonden en daarom als uitgaven in eigen beheer beschouwd moeten worden.’

Een bibliografie verschaft informatie over de publicaties van een schrijver. Is dat het enige? Geen diepe inzichten gehad, tijdens het maken van de lijsten primair en secundair werk?
‘Ik heb geen last gehad van diepe gedachten bij het registreren. Wel krijg je veel onder ogen dat je ook wil lezen. Mijn waardering voor Grunberg is daarbij gestegen en die voor de journalistiek in het algemeen (nog verder) gedaald, als men dat een diepe gedachte zou kunnen noemen.’

‘Bibliografieën als deze wekken de hoop dat er met wat inspanning meer te achterhalen is, dan er gevonden kan worden in de publicaties die de schrijver zelf belangrijk vindt,’ aldus W.F. Hermans in de inleiding van zijn Bibliografie van de verspreide publicaties (1972). Als bibliograaf bent u het hiermee oneens?
‘Hermans heeft (altijd) gelijk. Als zijn bewering inhoudt, dat alleen publicaties die de schrijver de moeite waard vindt, vastgelegd mogen worden, dan heeft ie voor een keertje geen gelijk. Een bibliograaf doet niet aan mode of appreciatie.’

U bent nu bibliograaf. Is de verleiding niet groot om biograaf te worden? U heeft immers een schat aan informatie, die u dan echt zou kunnen gebruiken.
‘Bij uitzondering veroorloof ik me een absolute uitspraak: ik word zeker niet zijn biograaf, ook niet in het onwaarschijnlijke geval dat ik de schrijver overleef. Het archief, de schat aan informatie, is nu in mijn nieuwe woonplaats Praag. Het blijft bij elkaar en zal te zijner tijd voor anderen beschikbaar zijn.’

In uw verantwoording schrijft u ‘het werk gaat verder!’ Er verschijnt dus nog een keer een bibliografie?
‘Het plan bestaat om in dit najaar, samen met een aantal Grunberg-verzamelaars, de bibliografie via het internet te gaan onderhouden. De vorm en toegang zijn nog in beraad. Ik verwacht dat de bibliografie nog eens gedrukt zal worden, want ongedrukt is het geen bibliografie. Mocht hij onverhoopt niet meer verschijnen, dan zal dat waarschijnlijk van geringe invloed zijn op de wereldvrede of de opwarming van de aardbol.’

augustus 2003

‘Meer met het werk dan met de persoon’

Een bibliografie is een zo volledig mogelijke lijst van publicaties. Nu schrijvers zich meer dan ooit manifesteren in kranten, tijdschriften, tv-gidsen, literaire kalenders en lokale schoolkranten is een bibliografie van een schrijver niet overbodig. Frans Mouws – in het dagelijkse leven technicus (‘wellicht komen er wat vreemde antwoorden,’ waarschuwde hij) – vertelt over zijn werkzaamheden als bibliograaf van wijlen Boudewijn Büch.

In het voorwoord van Boudewijn Büch. Een overzicht van zijn werk (Aspekt, 2003) zegt u dat u zich ‘beperkt tot registreren van het aangetroffene. Het is nimmer de bedoeling geweest een compleet overzicht in welke vorm dan ook te bewerkstelligen.’ Is dat niet in strijd met het doel van een bibliografie, namelijk: volledig zijn?
‘Dat is een goede opmerking, daarom is mijn boek ook geen bibliografie meer, maar een overzicht van zijn werk. Het voorstel tot deze naamsverandering kwam overigens van Ernst Braches. Het probleem met mijn bibliografie was de complexiteit en diversiteit. Büch schreef in zoveel bladen, die onderling totaal niets met elkaar hadden te maken, dat ik op enig moment besefte dat ik nooit alleen een compleet overzicht zou kunnen maken. Hoe kon ik ooit weten dat Büch een stukje voor een schoolkrant in Steenwijk had geschreven? Door het boek uit te brengen, met expliciet de oproep tot aanvullingen, hoop ik binnen een paar jaar wel een bibliografie te kunnen schrijven. Er ligt ook nog veel werk op de plank, manuscripten en brieven bijvoorbeeld. De bibliografie kan pas worden afgerond als ook dat gepubliceerd is.’

Bibliografen zijn bijna altijd boekenverzamelaars. Wat bent u meer? Of zijn die twee “beroepen” onlosmakelijk met elkaar verbonden?
‘Ik ben inderdaad beide en het verzamelen beperkt zich niet alleen tot boeken. Ook muziek en allerhande vreemde objecten worden verzameld. Het overzicht van het werk van Büch is gegroeid uit mijn privé-collectie. Op enig moment wist ik niet meer waar en wanneer Büch over een bepaald onderwerp had geschreven, dus begon ik met het vastleggen van artikelen, waarbij ik een kort stukje over de inhoud schreef. Daarbij kwam een lijst van de boeken die ik had, en de boeken die ik nog niet had, inclusief de verschillende drukken. Deze laatste lijst was trouwens handig voor op boekenmarkten. Of om uit te wisselen met andere verzamelaars.
Het viel me overigens wel op dat veel verzamelaars een eigen bibliografie bijhouden, maar dat ze deze overzichten met niemand willen uitwisselen. Ik heb geen flauw idee waarom niet, want ik ben er een voorstander van om informatie wel te delen. Delen is vermeerderen.
Ik zou wel willen stellen dat een bibliograaf per definitie een verzamelaar is, maar omgekeerd hoeft niet het geval te zijn. Zo beschrijf ik nooit mijn collectie reisboeken of mijn CD collectie.’

Een bibliografie verschaft informatie over de publicaties van een schrijver. Is dat het enige? Geen diepzinnige inzichten gehad, tijdens het maken van de lange lijsten primair en secundair werk?
‘Tijdens het maken was ik wel op zoek naar de ontwikkeling van de schrijver. Zo schreef Büch steeds nieuwe dingen over Goethe en de dodo. De persoon Boudewijn Büch boeide me niet zo, mede door zijn afstandelijkheid richting verzamelaars van zijn werk. Deze afstandelijkheid heb ik overigens altijd gerespecteerd.
Had hij nou wel of geen kind? Hoe autobiografisch zijn zijn boeken? Die vragen stelde ik mezelf ook wel. Maar die dingen horen natuurlijk ook bij de mythe rond de persoon Büch, waarover nog veel meer onduidelijkheid bestaat. Wat mij betreft mag die mythe wel blijven hangen. Wat is de meerwaarde van een roman als je weet hoe het werkelijk was?’

Heeft u inmiddels al hiaten ontdekt in uw overzicht?
‘Ik zou bijna zeggen, helaas wel. Maar dat wist ik al voor het verschijnen. Ik heb mijn eigen collectie tot december 2002 als basis voor het boek gebruikt. In januari 2003 was mijn collectie al uitgebreid met bepaalde publicaties, die ik niet meer meegenomen. Inmiddels is er veel over Büch verschenen, zodat een deel van mijn boek nu verre van compleet is. De publicaties van Büch zijn redelijk compleet, hoewel ik na de verschijning een stuk of vijftien nieuwe publicaties heb gevonden.’

Büch mag in de boekenwereld niet klagen: zijn handschriften en bibliofiele uitgaven zijn erg gewild. Bovendien zijn er maar liefst twee genootschappen (The Blue Poet Society en Büchmania) aan hem gewijd. Niet bang geweest voor concurrentie?
‘Ik ken beide genootschappen, ben zelf lid van The Blue Poet Society, waar Büchmania weer een afsplitsing van is. Er is een harde kern Büch-verzamelaars die ik schat op vijftig personen. Daar omheen is een groep van ongeveer vijf- à zeshonderd personen die iets minder fanatiek verzamelen. Uit de harde kern ken ik bijna iedereen, en ik weet ongeveer wie wat heeft. Het viel me al snel op dat iedereen zich richtte op de bibliofiele publicaties (voornamelijk van de gedichten) en dat niemand zich stortte op de grote bulk van zijn werk: zijn publicaties in de universiteitsbladen en kranten.
In de jaren negentig was ik zelf student, wegens financiële beperkingen was ik noodgedwongen deze verspreide publicaties aan het verzamelen. Met het geld waarvoor je één bibliofiel boek kon verwerven, kocht ik honderden kranten. Mijn verzameling verspreide publicaties is dus uit noodzaak geboren, maar inmiddels ben ik de enige die zoveel verspreide publicaties heeft. Dat maakt mijn collectie en ook het overzicht van zijn werk zo uniek. Althans, dat hoop ik.’

U bent nu bibliograaf. Is de verleiding niet groot om biograaf te worden? U heeft immers een schat aan informatie, die u dan echt zou kunnen gebruiken.
‘Die roeping heb ik niet, laat mij maar verzamelen, ik heb meer met het werk van Büch dan met de persoon. Verder biedt zijn werk feitelijk weinig inzicht in de man zelf. Het geeft hooguit informatie over de zaken die hem bezig hielden.
Ik geloof wel dat er een biograaf is “aangenomen”, die twee jaar heeft uitgetrokken voor onderzoek doen en schrijven. Die tijd zou ik nooit kunnen vrij maken, al zou ik het willen. Ik werk bij Fontys Hogescholen en dat bevalt me prima. Schrijven en verzamelen zijn leuke hobby’s. Niet meer en niet minder.’

mei 2003

Een vakkundig uitgezette val

Als één van de weinige levende schrijvers heeft Boudewijn Büch binnenkort zijn eigen literaire genootschap. Het Boudewijn Büch Gezelschap Büchmania heet het voluit. Wat drijft iemand om aan deze ‘literaire clown’, naast een website en een mailinglist, ook nog een officieel genootschap te wijden? Louis Schouten, Büchliefhebber en founding father van Büchmania, vertelt.

Hoe is de passie, de liefde misschien, voor Boudewijn Büch ontstaan? Wanneer sloeg de vonk over?
‘Ik denk dat dit gebeurde in 1985. Zijn roman De kleine blonde dood was nét uit. Natuurlijk had ik wel vaak iets over Boudewijn Büch gehoord, maar op dat moment had ik nog nooit iets van hemzelf gelezen. Dat veranderde op slag na het lezen van dit boek. Het maakte indruk, en die indruk zou alleen maar groter worden naarmate ik meer werk van hem begon te zoeken en in bezit kreeg. Het bleek al gauw dat hij zoveel méér schreef dan alleen maar romans. Ik ontdekte zijn gedichten bijvoorbeeld. Ook die vond ik wonderschoon. Maar zijn non-fictie werk is mij het liefst.’

Büch krijgt al veel aandacht van u op uw website (www.boudewijnbuch.com). U stuurt ook een digitale nieuwsbrief rond. Waarom moet daar nog een genootschap bij? Het is geen kleinigheid. Büch zelf zegt: ‘Ik ben een totaal onbeduidende derderangs prutser. Je gaat toch niet Büch verzamelen?’
‘Ik zou hierop kunnen antwoorden: ‘Hoor wie dit zegt! Als er één gepassioneerde verzamelaar bestaat is het Büch zélf wel!’ Waarom een genootschap en een website over Boudewijn Büch? Het antwoord is eigenlijk heel simpel. Als geen andere schrijver heeft Büch mijn leven zeer verrijkt. Het is geen geheim dat Büch, vanaf de dag dat hij debuteerde in de Nederlandse letteren, zijn belevingswereld heeft losgelaten op argeloze personen die zo vermetel waren een boekje aan te schaffen waarop zijn naam prijkt. Veel van die onwetende figuren liepen in de val! Een val, vakkundig uitgezet middels de bijna uniek te noemen carrière-planning van deze toenmalige jonge hond in de letteren. Men verviel tot de Büchomanie. Een begrip dat ik inmiddels uitvoerig heb beschreven in een aantal artikelen.
Menigeen haakte ook af, want ook die zijn er. Vanaf het begin heeft Büch een controverse veroorzaakt, zowel in zijn lezerspubliek als in de officiële literatuurkritiek. Óf je aanbad hem óf je verguisde hem. De critici begrepen zijn poëzie niet. Zij vonden dat hij zich teveel profileerde in de media. Die verdeeldheid bestaat tot op de dag van vandaag.
August Hans den Boef omschreef het in 1986 eens zo: ‘Een aardig voorbeeld is de literaire clown Büch op wie lange tijd schouderophalend werd gereageerd, maar die, sinds hij regelmatig voor de radio en de tv optreedt, ineens serieus genomen moet worden.’
In de jaren tachtig was dit ongeveer de algemene tendens in het literaire wereldje. De grachtengordel vond het maar niks dat Büch zich zo profileerde op de beeldbuis en op de radio duidelijk aanwezig was, en zich tegelijkertijd te pletter schreef in alle mogelijke periodieken. Kinnesinne? Duidelijk! Als je Literatuur schreef dan had je je niet te verkleden als een clown op de kijkdoos. Dan schreef je niet in al te dubieuze blaadjes anders dan de toonaangevende Literaire tijdschriften.
De aanhangers van zijn werk zal dit een zorg zijn. Zij wentelen zich in zijn gedachtegoed: de wereld van Boudewijn Maria Ignatius Büch. En hoe rijk is die wereld! Zijn fascinaties, zijn passies, zijn niet op twee handen te tellen.’

In vergelijking met andere literaire genootschappen vallen twee dingen op. Eén: in het verzamelen van Büchiana gaat u een stuk verder dan anderen: uw verzameling omvat alle eerste drukken, brieven, manuscripten en een waslijst secundaire literatuur. Twee: het Willem Elsschot Genootschap, de Vestdijkkring en het Multatuli Genootschap zijn gewijd aan Groten uit de Literatuur, die nog steeds veel gelezen worden. Is Büchmania ondergeschikt in dit rijtje? Heeft het wel voldoende “draagvlak”?
‘Voldoende draagvlak? Het is leuk dat je dit vraagt. Volgens mij zeer zeker!
Toevallig bladerde ik een aantal weken geleden weer eens door mijn knipselarchief. In een artikel van Rudie Kagie, ‘De lezer en zijn schrijvers’ (Vrij Nederland, 26-03-1983), viel mij een uitspraak op van Harry G.M. Prick, als voorzitter van het Frederik van Eedengenootschap. Prick heeft eens gezegd dat hij het eigenlijk niet zo op literaire genootschappen heeft. Bij dit soort verenigingen mist men relativeringsvermogen. De belangstelling voor één geadoreerde schrijver kan dan tot een monomane leescultuur leiden. Mensen die alles van A.M. de Jong hebben gelezen, maar geen letter van Marcel Proust – dat komt voor. Tot op zekere hoogte kan ik me dat wel voorstellen. Echter, ik kan je verzekeren dat je het begrip ‘monomane leescultuur’ bij een auteur als Büch genoegzaam kunt vergeten. Zijn journalistieke geschriften en columns in diverse periodieken moet inmiddels in de duizenden geteld worden! Of het nu gaat om boekenliefde, eilandpassies, vuurtorens, rock-‘n-roll-historie, literatuurwetenschap, Napoléongekte, grenspalenadeptie, geschiedenisfascinatie, Dreyfussaddictie, ontdekkingsreizigermanie, 19e eeuwliefde, etcetera; Büch heeft er wel over geschreven.
Ik ben nu zo’n 17 jaar met Büch bezig en tot op de dag van vandaag ben ik hem dankbaar voor wat hij mij heeft aangedragen. Hij is een fenomeen. Vandaar dat ik van mening ben dat een genootschap voldoende grond van bestaan heeft.’

Op een dag besluit u het idee te gaan verwezenlijken. Hoe gaat het oprichten – leden werven, locaties vinden – in zijn werk?
‘Dat is tegenwoordig zeer gemakkelijk met het internet. Zoals je weet is de website van ons een uitstekend middel om gelijkgestemden te vinden. Ik schrijf al een paar jaar de digitale nieuwsbrieven vanuit de site. Het blijkt dat Büch op een grote schare van bewonderaars kan rekenen. Die nieuwsbrief, waarop zo’n 500 lezers geabonneerd zijn, was hét middel voor de aanloop tot het nieuwe genootschap Büchmania. Overigens is dit het tweede genootschap dat ik opricht. Vier jaar geleden stond ik aan de basis van The Blue Poet Society. Maar dat genootschap, dat nog steeds bestaat, werd mij te elitair. Men wilde niet meer dan 25 leden toelaten. Het nieuwe genootschap moet voor iedereen toegankelijk zijn. Er hebben zich op dit moment, voor de aanstaande oprichting (20 september 2002 – NtW) al 95 leden opgegeven. Een daverend succes. Locaties dienden zichzelf al aan vanuit die nieuwe leden. Als je zo’n groep mensen bij elkaar krijgt, uit elke laag der bevolking, zit er altijd voldoende kennis, kunde en relaties bij, op elk gebied, die op hun beurt ook weer aan netwerken doen.’

Alle literaire genootschappen hebben een officiële doelstelling. Heeft het bestuur van Büchmania al zoiets geformuleerd?
‘De doelstelling van het genootschap is duidelijk: wij willen de belevingswereld, het werk van Boudewijn Büch zoveel mogelijk bestuderen en uitdragen middels eventuele publicaties. Jaarlijks willen we een nationale Büchdag organiseren, waarop iedereen – lid of geen lid – welkom is.’

Wat zijn de verdere plannen? Een Büch-cahier? Een Büch-museum?
‘Ja, er komt zeker een magazine buiten het bestaande digitale Büchmania Infobulletin. Hoeveel per jaar is nog onbekend. Ook op bibliofiel gebied willen wij zeker iets gaan doen. Binnen de ledengroep hebben we daartoe de kennis en de faciliteiten. Daar gaan we natuurlijk gebruik van maken. Verder moet er nu eindelijk eens een goede bibliografie in druk uitkomen van het primaire en secundaire werk van Boudewijn Büch. Ik werk daar al een tijdje aan vanuit mijn eigen collectie. En die komt er, geloof mij. Maar een Büch-museum? Nee, zover gaan we niet.’